1812: Historische roman

Part 70

Chapter 703,891 wordsPublic domain

Eene gelijke verwondering hield ook Feodorowna's blikken aan het edele gelaat van Bernard geboeid. Het zien van hem wekte wonderbare, vreemde en onverklaarbare herinneringen in haar op. Zij reikte hem, door eene zachte neiging des harten geleid, hare hand toe. Bernard boog zich om die te kussen, doch in het oogenblik, dat hij er zijne oogen op sloeg, schrikte hij als zag hij eene geestverschijning, en stond met bevende lippen, sprakeloos, zijne oogen onafgewend op Feodorowna's gelaat gevestigd, roerloos stil. Driftig streek hij met zijne hand over zijn voorhoofd en door zijne haren, alsof hij daar een lastige drukking en smart gevoelde.

„Wat schort u?” vroeg Lodewijk en trad deelnemend nader.

„Niets, niets!” riep Bernard wild en beefde over het geheele lichaam. „Een waanzinnige droom—doch wanneer ik daaruit ontwaak, word ik razend.—Om Gods wil, maak mij toch dezen knoop uit mijne haren los—ik kan ze immers niet uitrukken!”

Daarbij trok hij krampachtig aan zijn hoofdhaar. Lodewijk voelde den knoop en maakte dien zachtjes los. Bernards ring viel op den grond; hij greep er snel naar, nam hem op, reikte hem Feodorowna toe en sprak met hijgende borst: „Mij dunkt, deze ring gelijkt op den uwen—ik verruilde hem eens—in Warschau—hij draagt de letters—Waanzinnige!” riep hij opeens en trok het voorhoofd in diepe plooien, „maak u niet zelf razend door zulke droomen. Lodewijk, schud mij, opdat ik voel, of ik waak.”

Feodorowna had den ring van hem aangenomen, zij wilde hem met den haren vergelijken, doch haar oog werd duister. Bevend zonk zij op de knieën neder, vouwde hare handen als ten gebede en smeekte zacht, met hemelwaarts gekeerde blikken: „Algoede! beproef mij niet te hard—wanneer mijn hart zich bedriegt, zoo breekt het—zooveel vermag het niet te dragen—neem mij in Uwe bescherming.”

Zij hield de ringen afgewend voor zich uit en hare blikken vlogen ras op zijde, als beefde zij voor het schrikbarend orakel, dat zij moesten verkondigen, dan drukte zij ze beide hevig aan haar hart, alsof zij het kostelijkste waren, dat zij bezat, en zij zich daarvan voor eeuwig moest afscheuren. Opeens hechtte zij hare blikken onafgewend daarop. Zij beefde, haar boezem joeg, de rozengloed van den morgen kleurde hare wangen—toen verbleekte zij tot de sneeuw der lelie—de ringen ontzonken hare hand—zij strekte hare armen verlangend naar Bernard uit—hare lippen bewogen zich, doch het jagen harer borst verstikte ieder geluid—eindelijk riep zij met angstvolle inspanning: „Broeder, broeder!” en zonk als levenloos met het schoone hoofd aan de borst van den voor haar knielenden Bernard. Deze hield haar stom, bevend aan zich geklemd; zijne ijzeren kracht was gebroken, zonder ophouden vloten er tranen uit zijne oogen en bevochtigden de wangen der schoone zuster, die bewusteloos aan zijn hart rustte. „Lodewijk, Lodewijk!” bad hij dezen eindelijk met weeke stem. „Gij zijt beter dan ik—bid gij tot den eeuwigen Vader, dat zij mij niet ontvalle—uw smeeken zal Hij hooren!—Lieve, zachte roos, richt uw hoofd op!—Breek thans niet, gij engelrein hart, klop nog eenmaal levend en beminnend tegen de borst des broeders!”

In zijne armen hief hij zijne zuster omhoog en liet haar zachtjes op de rustplaats neder, waarop hij, nog voor weinige minuten, zelf tot een nieuw leven ontwaakt was. Daar sloeg zij het groote blauwe oog op en hief den mat neergezonken arm weder omhoog, om hem liefkoozend om den hals des broeders te slaan. Thans stroomde de milde bron der tranen over en verloste de borst van het overstelpend geweld der vreugde. Ruim ademde zij en een volle, eindelooze hemel van zaligheid straalde door den vochtigen nevel harer oogen.

„Zoo is het dan waar? Zijn het niet de toovergestalten mijner verbeelding, welke mij bedriegen? Ben ik niet verplaatst in de gewesten der zaligheid?—Ja, ja, gij zijt mijn broeder! De stem mijns harten bedriegt mij niet. Zij is waarachtiger dan de duizend teekenen mijner zintuigen, waaraan ik u herken. Ik heb nu een hart op deze wereld, dat mij toebehoort; eene borst, die mij niet ruw terugstoot, wanneer ik tot haar wil vluchten!—Niet waar mijn broeder!—Gij zult mij niet weder verlaten?”

„Verlaten?” vroeg Bernard, en sidderend drukte hij haar inniger aan zijne borst. „Gelijk de plant in eene donkere rotskloof naar het licht zoekt, zoo verlangde mijne borst naar een zusterhart! En gij waant, dat ik voor de warme gouden straal, die eindelijk in mijn verstorven hart dringt, den kelk zoude sluiten? Voor het eerst breekt in dezen heiligen stond het licht door de nevelwolken mijns levens! Voor het eerst zie ik deze schoone wereld verheerlijkt in zijn gouden rozenglans! Grauw, woest, akelig lag zij voor mij in donkere nevels gehuld.—Thans schittert zij van duizend kleuren! Neen, thans zal ons niets meer scheiden! Zelfs de dood niet, want ik vernietig mij zelf in het oogenblik, waarin hij u uit mijne liefdearmen wegrukt.”

HOOFDSTUK VII.

Men hoorde voetstappen en stemmen op de gang. Geheel in hunne zaligheid verzonken, had het gelukkige drietal ze niet vernomen; doch Lodewijk, wien smart en liefde thans den boezem benauwden, wien donkere voorgevoelens nader waren dan blijde, hoorde ze. Door het duister gevoel, dat het hoogste geluk zich altijd in den schoot des geheims het zekerst verbergt, gedreven, trad hij Bernard snel nader, greep hem bij den arm en zeide: „Vriend, men komt!”

„Wie?” voer deze heftig uit: „wie, wien ik te vreezen of te ontwijken zoude hebben?”

„Hier iedereen,” riep Feodorowna en scheurde zich verschrikt uit zijne armen los; „hier is elk een arglistig, gezworen vijand van het reine geluk der ziel! Laat geen woord uwer lippen ons verraden, mijn broeder, het is de eerste bede uwer zuster; o wijs haar die niet af!”

„Aan een haar zult gij, engel, mijne ongetemdste kracht teugelen,” zeide hij weemoedig. „Beveel mij met den blik uwer oogen en ik wil hem verstaan, en u gehoorzamen, als de schaduw van uw lichaam, die de minste beweging van uw vinger lijdzaam volgt.”

Willhofen, twee bedienden en Feodorowna's kamenier Jeannette traden binnen. De laatste sprak hare meesteres aan: „Doorluchtige hoogheid, de gravin Dolgorow zendt mij met last, u bij haar te ontbieden.”

„Ik wilde juist komen,” hernam Feodorowna. „Vaart ondertusschen wel,” voer zij voort, zich tot Bernard en Lodewijk wendende, „binnen een half uur uiterlijk zien wij u weder, want ik hoop toch, dat gij bij den avonddisch in de zaal zult komen?”

Hare blikken vorderden een ja; Bernard en Lodewijk bogen zich zwijgend; zij zweefde de kamer uit.

„Wij komen met eene geheele vracht kleedingstukken, mijne heeren,” zeide Willhofen. „De prinses heeft gelast de garderobe van haar overleden gemaal hier over te brengen, opdat gij u zoudt kunnen verkleeden. Gij moet ons vergeven, dat u in den nood dit aanbod gedaan wordt; maar wat kunnen wij voor het oogenblik anders doen? Wanneer wij in Petersburg waren, zouden wij binnen vier en twintig uren wel andere maatregelen nemen. Maar hier is de nood meester.”

„Kom over maar, vriend!” zeide Bernard, „gij ziet, wij hebben juist geene staatsiekleederen aan, en gescheurde mantels en laarzen houden de koude wel niet zoo goed buiten als heele.—Vertoon uw winkel eens! Hm, alles zal zoo slecht nog niet passen! Wanneer wij maar niet trotsch worden, Lodewijk; wij zijn niet gewoon ons zoo prachtig uitgedost te zien.—Zie maar eens, ik zie er uit als een russische prins in dezen pels.”

Bernard sprak met voordacht veel en schertsend, daar Lodewijk stil en afgetrokken was. Hij wilde daarmede de vermoedens der bedienden, die deze gasten reeds met vragende oogen aanzagen, afleiden, opdat zij niet op het denkbeeld zouden komen, dat hier iets vreemds was voorgevallen. Gewoon, zelfs zijne diepste gewaarwordingen met kracht te beheerschen, en geoefend, om zijn natuurlijk gelaat met het mom van luim te bedekken, vooral wanneer het van vreugde of smart weende, gelukte hem dit bijna zonder moeite.

Willhofen had welgevallen in den vroolijken, krachtigen jongeling.

„Waarlijk,” riep hij, „het was goed mijnheer, dat wij u op de slede laadden, want nog zoo jong een buit voor de wolven te worden, dat ware al te hard geweest.—Wilt gij echter hier deze pelslaarzen niet aantrekken? Gij zijt er misschien niet aan gewoon, maar bij ons zijn zij goed. De wind blaast hier een weinig scherper dan in Duitschland.”

„Kent gij Duitschland, oude vriend?” vroeg Bernard.

Thans verhaalden Lodewijk en Willhofen gedurende het verkleeden de geschiedenis van hun wedervinden.

„Hm!” zeide Bernard, terwijl hij nadenkend stilstond, „wonderlijk genoeg.—En Beaucaire en St. Luces hebben ook hun loon?—Er komen zoo oogenblikken, dat ik piëtist kon worden, Lodewijk, en gelooven, dat zich iemand zeer bijzonder om onze voddige aangelegenheden bekommerde en onzichtbaar nevens ons ging, om ons door alle zich kruisende dwaalwegen heen te voeren tot aan het punt, waar de draden, waaraan wij dansen, bijeenkomen. Dan eerst verneemt men, wie met ons aan hetzelfde draadje geregeerd werd en naar dezelfde wijs met ons moest dansen. Ja, waarlijk, er gebeuren allerlei wonderlijke fratsen in de wereld!”—„Nu oude!” wendde hij zich tot Lodewijk, „waarom dan zoo hongerig en stom! Is uw geloof nog niet vast genoeg? Merkt gij nog niet, dat uw groene sluier uit het dal van Aosta hier zoo goed op de sneeuw zal schitteren, als bij het hospitium van den heiligen Bernard?—Het doet mij, in 't voorbijgaan, vermaak, dat ik zijn naamgenoot ben.”

Hij greep bij deze woorden Lodewijks hand en drukte ze met warmte. Zijn scherp zielsoog zag diep in het hart zijns vriends en bemerkte den grond van zijn zwaarmoedig zwijgen. Doch met een even helder oog zag hij ook dat de verborgen knoppen der liefde thans tot welriekende bloemen moesten openbarsten, en dat de broeder de hand der zuster in die des vriends konde leggen.

Beiden waren aangekleed; zij gingen naar de zaal, welke Willhofen hun als de eetzaal aanwees. Zij was nog slechts door een groot vuur verlicht, dat, om spoediger warmte te krijgen, was aangelegd. De voor vier personen gedekte tafel stond dicht bij den schoorsteen.

Willhofen zette den armblaker, dien hij in de hand droeg, om de gasten voor te lichten, op de tafel. „Weest voor het overige onbezorgd,” zeide hij, „de zaal zal spoedig warm worden, want de kachels zijn ook gestookt, doch dit duurt wel iets langer.—Ik zal thans de prinses melden, dat gij hier wacht.” Hij ging.

Thans waren Lodewijk en Bernard alleen. Zij zagen elkander lang aan; daarop vielen zij elkander om den hals en hielden elkander zwijgend omarmd.

„Lodewijk,” riep Bernard eindelijk, „wanneer wij ons herinneren, waar wij dezen morgen ontwaakten, en waar wij dezen avond zullen insluimeren—Lodewijk, dan vang ik waarlijk aan, gelijk een vroom kind aan wonderen en engelen te gelooven.”

„Een liefelijke engel is het, die dit wonder bewerkte,” hernam Lodewijk bewogen; „hare beschermende vleugelen waren over ons uitgebreid, hare zorgende hand voerde ons uit het duistere rijk des doods terug. Het hoogste wonder blijft dit wonderdadige heiligenbeeld zelf.”

De deur naar eene binnenkamer opende zich en Feodorowna trad binnen.

„Ziet gij? Reeds zweeft het weder zegenend nader—o, de glans verblindt mij, ik moet mijne oogen afwenden.” En hij wendde zijn gelaat af om zijne tranen te verbergen.

„Zuster!” zeide Bernard zacht en behoedzaam, toen hij zag, dat zij alleen kwam. „Zuster! nog eenmaal moet ik u met dezen naam begroeten.”

„Broeder!” antwoordde zij en trad hem vertrouwelijk tegemoet en leunde tegen zijne borst, toen hij den arm om haar heen sloeg en haar op het voorhoofd kuste.—„Broeder! zuster! Wat klinkt zoeter? De eene naam streelt mijn oor, gelijk de andere mijne lippen. Broeder, zuster!”

„En vriend!” voegde Bernard uit het innigste zijner ziel er bij, terwijl hij den afgewenden Lodewijk bij de hand vatte, om hem nader bij te trekken. „Zie, zuster, hij was de heldere ster van mijn levensnacht, tot uw helder zonnelicht voor mij opging; maar hij zal niet verdooven, noch verbleeken, gelijk de trouwelooze starren aan het firmament; want nooit heeft hem ook eene wolk verborgen en hoe vreeselijker de nacht was, des te helderder, des te vriendelijker straalde hij mij tegen. O, ik wenschte dat _hij_ uw broeder was, dan hadt gij een beteren dan mij gevonden.”

„Bernard!” zeide Lodewijk geroerd, doch zacht berispend.

„O, ik kende onzen vriend vroeger dan u,” hernam Feodorowna. „Mijn hart is hem nog veel verschuldigd uit oude dankbaarheid, en sinds weinige oogenblikken is deze schuld oneindig vermeerderd.”

„Hoe zoo, mijne beste?” vroeg Bernard.

„Mag ik het u bekennen, mijn broeder,” vroeg zij en zag hem vriendelijk aan, „zult gij niet boos op mij zijn?”

„Boos op u zijn? Op u?”

„Zie,” voer zij met eene liefelijke bedeesdheid voort, „de waarde van den vriend is mij borg voor die des broeders! Waarlijk, ik _geloofde_ aan u,” voegde zij er sneller bij, „doch hem dank ik de zalige _overtuiging_, daar de edele slechts den edele zoekt en bemint.”

Zij verborg na deze woorden het lieve gelaat schaamrood aan Bernards borst.

„Dienzelfden dank ben _ik_ _hem_ schuldig, zuster,” hernam Bernard, met innigen nadruk sprekende.

„Hoe, gij?” vroeg zij met verbazing.

„Is _hij_ mij dan geen borg voor de zuster?”

Zij sloeg hare oogen neder; de liefelijkste rozengloed kleurde hare wangen; zacht huiverend zweeg zij. Eene aangename beklemdheid vervulde de harten der drie innig verbonden menschen: eenige oogenblikken heerschte er eene heilige stilte.

„Ik ben hier gekomen, om u alles te verklaren,” hernam zij.—„Zie hier, waarom uwe trekken mij dadelijk in het eerste oogenblik met zulk eene vreemde aandoening vervulden.”

Zij reikte hem de beide portretten, welke zij van Ruschka door Gregorius ontvangen had, over. Bernard, die ze met een schildersoog bekeek, herkende dadelijk de gelijkenis van het mansportret met hem en van dat der vrouw met Feodorowna. Hierdoor drong de zekere gewisheid in zijn hart, dat zijn nieuw geluk geen droom was, dat het vast rustte op den bodem der wezenlijkheid. Opeens vroeg hij: „En kent gij ook den naam onzer ouders, mijne zuster? Want ik ben onder wildvreemden opgegroeid en heb nauwelijks geleerd eenige waardij aan den naam en het aanzijn van hen te hechten, die mij onbarmhartig van zich gestooten hebben.”

„O, bezondig u niet,” hernam Feodorowna met eene vrome huivering; „het aandenken aan uwe ouders mag u dierbaar zijn. Ik kan u wel geene uitvoerige berichten van hen geven; doch deze papieren zullen u genoeg inlichten, om in het vervolg slechts met weemoed en liefde aan hen, die u het leven gaven, terug te denken.”

„O, gij hebt recht, want reeds daarom moest ik hun eeuwig dankbaar zijn, dat zij mij _u_ tot zuster hebben gegeven.” Hij nam met deze woorden den brief aan, waarin Ruschka aan Feodorowna het geheim harer geboorte ontdekt had, en las hem haastig met stijgende belangstelling.

Ondertusschen spraken Lodewijk en Feodorowna met elkander en begon deze haar zijn wonderbaar vinden van Willhofen en den samenhang te verhalen, waarin deze brave man met zijne lotgevallen stond. Bernard, die onder het lezen half hoorde riep opeens uit: „Lodewijk, hoe heette de vriend uws vaders, om wiens wil hij vluchten moest?”

„Waldheim,” antwoordde deze.

„Waldheim!” riep Feodorowna verrast en zag Lodewijk en Bernard vragend aan.

„Dan vertoonen zich hier nog nieuwe draden van den wonderlijksten samenhang; doch ik weet nog geen middel, om zekerheid te verkrijgen.”

Intusschen trad Willhofen binnen.

„O, ik dwaas,” zeide Bernard en sloeg zich onwillekeurig voor het voorhoofd; „moest ik dat nog afwachten? Mijne scherpzinnigheid moet in deze koude verstijfd zijn, anders had ik er wel van zelf op kunnen komen, dat hier een voldoende ooggetuige leeft.”

Hij nam de beide afbeeldingen, die hij van zijne zuster ontvangen had, en wendde zich tot Willhofen. „Kom nader, mijn vriend,” sprak hij hem aan, „nader, heel dicht bij ons, hier aan het licht.”

Willhofen naderde bescheiden.

„Kent gij misschien deze portretten?”

Eene vroolijke verrassing schitterde in de oogen van den ouden bediende; hij beefde en kon nauwelijks spreken. „Of ik ze ken?” vroeg hij. „Ach hoe ligt opeens de goede tijd voor mijne oogen! Heb ik ze dan niet honderdmaal in de kamer van den ritmeester Waldheim te Straatsburg boven de sofa zien hangen?—Dat is hij immers zelf sprekend gelijkend, en de genadige vrouw ook.”

Nauw had Willhofen deze woorden gesproken, toen Lodewijk uitriep: „Hoe? Mijn vader dus....”

„Offerde zich voor den mijnen op,” viel Bernard hem in de rede. „Ziet gij, vriend,” voer hij aangedaan voort, „zoo heb ik u nog menige oude schuld af te doen, om nu van de nieuwe, die daar zijn gekomen, niet eens te spreken.”

„Welk een samenhang!” riep Lodewijk uit. „Welk een dag van gericht en vergelding!” Hij dacht aan St. Luces en Beaucaire, die in denzelfden stond door de goddelijke wraak waren ingehaald, dat het lot hem en zijn vriend den schoonsten krans bood, welke uit het langzaam gerijpte zaad van lang verloopen jaren was opgebloeid.

Feodorowna had tot hiertoe met stomme verwondering toegeluisterd; thans deed zij in hare verrassing de snelle vraag: „Gij hebt alzoo mijne moeder gekend, Solanow?”

De knecht stond verstomd. „De gravin Dolgorow,” begon hij stamelend en zag Feodorowna met vreemde, verwonderde oogen aan, als zocht hij in hare gelaatstrekken eene verklaring van hare zonderlinge vraag.

Feodorowna was verschrikt, daar zij haar geheim verraden had. Bernard, die het zag, sprak haar geruststellend aan: „Vrees niets, mijne beste, dit hart is trouw; ik sta borg daarvoor; doch nu mag niets meer voor hem geheim blijven.” Hij onderrichtte daarop Willhofen van alles en beval hem zwijgen en voorzichtigheid aan. De oude bediende beloofde dit beide met ontroerde stem en stak Bernard met Duitsche trouwhartigheid zijne hand tot pand toe. „Nu begrijp ik eerst,” zeide hij, „waarom de trekken der prinses mij dadelijk, de eerste maal dat ik haar zag, zoo bekend voorkwamen. Ja, en de uwe waarachtig ook, jongeheer.—Doch vergeef mijn gebabbel, uwe hoogheid; ik kwam eigenlijk om te vragen, of het uwe hoogheid gelegen komt, dat men aanrichten zal.”

„De gravin Dolgorow moet eerst gevraagd worden, of zij aan tafel zal verschijnen,” hernam Feodorowna, en Willhofen verliet, stilzwijgend zich buigende, geheel op de wijze zijner oude dienstonderdanigheid, het vertrek.

Na eenige minuten kwam hij met het antwoord terug, dat de gravin zoo vermoeid was, dat zij zich te bed had begeven.

Men richtte aan. De tegenwoordigheid van onderscheiden bedienden bedwong thans de warme opwelling der liefde tusschen de drie zoo nauw verbonden zielen in het ijzeren keurslijf van uiterlijke plichtplegingen.

Echter wist Feodorowna ook zelfs aan deze betrekking zulk eene aangenaamheid en vriendelijkheid des harten bij te zetten, dat zelfs de broeder met gewillige onderwerping den dwang verdroeg, aan welken zijn trotsche aard en het levendig gevoel zijner rechten zich moesten onderwerpen. Zoo vloog ook dit uur pijlsnel om.

Feodorowna stond op, de bedienden namen af en verlieten de zaal. Feodorowna beval, dat Willhofen in de buurt en op zijne hoede zou blijven. De vertrouwelijke eenzaamheid vereende de harten weder nader. „Nu ben ik weder uwe zuster,” begon Feodorowna, terwijl zij zich met beminnenswaardige vertrouwelijkheid aan Bernard aansloot; „nu behoor ik weder geheel aan u.”

„Gij lieve,” hernam hij en zag haar in het onschuldige, trouwe oog. „O mijn God, zoo diep hebt gij mij nog nooit in uw hemel laten zien!”

Lodewijk was met zich zelf hevig in strijd: zijn hart verdroeg den bangen strijd tusschen het hoogste geluk en de diepste smart niet langer.—Doch hij gevoelde, dat niet de hand des broeders, die zijne liefde kende, hem de zuster mocht toevoeren, maar dat hij zelf met vrijen mannelijken wil en kracht moest wagen en handelen. Wie niet, zelfs met gevaar van het te verliezen, naar het hoogste durft streven, is het niet waard; dit riep hem zijn hart toe, en hij gehoorzaamde, ofschoon bevend, het gebod der liefde en der eer.

„Bianca,” zeide hij met ontroerde stem, „want de zuster mijns vriends vergunt mij gewis den naam, die mij onvergetelijk dierbaar van den schoonen lentedag onzer eerste ontmoeting toeklinkt,—Bianca—op mijne lippen zweeft de hoogste wensch mijns harten, hebt gij dien niet verstaan voor ik hem uitspreek—zoo blijve hij eeuwig in de banden des zwijgens verborgen.—Doch spreekt uw hart—dan—laat het thans beslissen.”

Zij werd rood, eene zoete verwarring teekende zich op haar gelaat; sidderende, met neergeslagen oogen hernam zij: „Mijn hart?—Ik weet het niet—of ik het gehoor mag geven—het heeft reeds lang beslist!” Hier verborg zij het hoofd en het van zoete tranen overstroomend oog aan de borst des broeders. Bernard sloot haar zacht in de armen.

Lodewijk greep bevend hare hand; doch hij waagde het niet de liefelijke gestalte aan zijne borst te drukken. Zijn oor vernam het woord, dat voor hem den hemel der zaligheid wijd opende, doch zijn hart werd door de huivering eener bange twijfeling bewogen, want te schielijk, te machtig stond het wonder der vervulling voor hem. Hij vreesde, dat de beeltenissen zijner zalige droomen mochten ontvluchten; de onmetelijkheid van zijn geluk ontnam hem de kracht, om er aan te gelooven.

Zij liet hare hand in de zijne rusten en trok die niet terug, toen hij ze met heete kussen en tranen overdekte; doch hield haar liefelijk gelaat nog steeds zacht weenend aan de borst haars broeders verborgen.

„Bloos niet, mijne zuster,” zeide Bernard op bewogen toon, „wanneer gij de schoonste bekentenis moogt doen; schooner dan de liefde versiert geene roos de vrouwelijke borst. Uw rein hart kon niet dwalen, het heeft het edelste gevonden en uitgekozen.”

Thans verhief zij het hoofd en het in tranen schitterend oog tot haren broeder; daarna keerde zij zich met maagdelijke schroomvalligheid naar haar geliefde, die haar met bevend verlangen tot zich trok.

„O mijn God,” lispelde zij en dankbaar richtte zij haar oog ten hemel. „Waarmede heb ik deze overmaat van goedheid verdiend?” Woord en blik stierven in heilige tranen weg; liefelijk boog zij zich tot den vriend en zonk zwijgend, zalig bedwelmd aan zijne borst.

HOOFDSTUK VIII.

Thans eerst vereenigde de innigste band de drie beminnende zielen. Zij waren zóó overgelukkig, dat alle zorg, alle schrik voor de toekomst verbannen scheen. Slechts in het verledene verwijlden zij, zich vermeiende in het aangenaam herdenken van de oogenblikken hunner eerste ontmoeting, toen de kiem ontsproot van den heerlijken boom, die hen thans met zijne bloesemkroon beschaduwde. Lodewijk verhaalde van dien dag, waarop hij voor het eerst den groenen sluier op eene uitgebreide sneeuwvlakte had gezien en, door een onwederstaanbaar voorgevoel gedreven, hem dat vooruitzwevende doel was nageijld. „O, Bianca,” zeide hij geroerd, „toen reeds bouwde ik in hoogvliegende droomen luchtkasteelen, waaraan ik zelf niet durfde gelooven. En thans heeft eene wonderhand ons midden in die zalige gewesten gevoerd!—Maar ook thans waag ik niet te gelooven, dat alles werkelijk is, wat ik om mij zie. Spreek, mijne beminde, zullen deze liefelijke gestalten niet verzinken? Reik mij de hand ten onderpand, dat gij leeft, dat gij mij inderdaad nabij zijt en niet verdwijnen zult, wanneer ik u aanraak!”

Zij gaf hem vriendelijk glimlachend hare hand.

„Ja, ja, gij zijt het,” begon hij weder; „zoo glimlachtet gij, toen ik voor de eerste maal uw gelaat zag. Weet gij het nog? In het dal van Aosta, bij die hut, welke de wijnranken vertrouwelijk omslingerden, waar de kastanjeboom zijne takken beschaduwend over het grasperk uitbreidde. O, dat tafereel zal nimmer uit mijne herinnering verdwijnen!”

Zij zag hem aan met de uitdrukking der innigste liefde; een traan glom in haar helder blauw oog.—„O, het was schoon daar,” zeide zij bewogen.

„En weet gij, lieve zuster,” sprak Bernard, „waar ik u het eerst gezien heb?”