1812: Historische roman

Part 7

Chapter 73,809 wordsPublic domain

In weerwil van het vroege seizoen, was de reis nog rijk aan indrukwekkende schoonheden geweest en zou bij Lodewijk, vooral door de belangstelling, welke hem zijne geleiders inboezemden, gewisselijk de aangenaamste herinneringen hebben nagelaten, wanneer niet de smart zich met toenemende hevigheid van zijn boezem had meester gemaakt. Een tijdlang mochten de nieuwe, afwisselende voorwerpen, het aanlokkelijke van zijn gezelschap, de wonderbare natuur, het zonnelicht en de heldere hemel met hunne vereende krachten tegen de diepe droefheid zijner ziel eenigermate het evenwicht hebben gehouden, thans, daar deze nieuwe prikkels verstompt waren, daar de hoop van toch eindelijk zijn doel nog te bereiken meer en meer verdween, en de angst daarentegen van het voor altijd te verliezen, in dezelfde mate sterker werd, thans was zijne gansche ziel weder aan dat onstuimig verlangen ten prooi gegeven, dat ons hart dikwijls nog grievender en heviger pijnigt, dan een zeker onherroepelijk verlies. Bij het laatste brengt elke voorbijsnellende minuut kalmte en heeling aan; bij het eerste geven de sleepend voorbij kruipende uren het hart aan eene gestadig toenemende foltering over, tot eindelijk algeheele verdooving en afmatting de verstompte smart opvolgen en in de ziel eene doffe rust doen terugkeeren, die een halven dood gelijkt.

Reeds vroegtijdig bereikte men het dorp Am Steg, waar het Schaechendal zich met kronkelende bochten van de Reuss afscheidt. Hier ontbeten de reizigers en zij sloegen vervolgens den weg naar Altorf in, die in het breede, groene dal tusschen frissche grasvelden heenvoert en waarop men niet meer door het donderen en klateren der Reuss verdoofd, maar slechts door het verre ruischen en suizen verzeld wordt.

De reisgenooten van Lodewijk wilden het Vierwaldstättermeer bezichtigen en haastten zich Flüelen te bereiken, om zoo mogelijk nog tegen den avond te Lucern te zijn. Hij zelf echter kon nog slechts hopen, het voorwerp zijner nasporingen op den naasten, grooten weg naar Duitschland aan te treffen, en had dus besloten, te meer daar hij het meer en zijne merkwaardigheden reeds kende, zijne reis zonder verwijl over Zurich op Schaffhausen voort te zetten. Hij moest dus van zijne geleiders afscheid nemen. Rasinski, wiens opmerkzamen blik zelden iets ontging, vroeg hem naar zijne koffers. Lodewijk was op die vraag bedacht geweest en had eene uitvlucht gereed. Hij zeide, zijne groote koffers, en zulks was inderdaad zoo, naar Heidelberg te hebben vooruitgezonden, terwijl achteloosheid of ontrouw van een vetturino, en hierin veroorloofde hij zich eene kleine onwaarheid, zijn valies op den weg van Milaan naar Duomo d'Ossola had doen zoek raken.

Met gulle bereidwilligheid boden zijne reisgenooten, nog uit het veld gewoon den laatsten voorraad broederlijk met een makker te deelen, hem eenige noodwendigheden aan. Dit was hem inderdaad welkom; want anders ware hij genoodzaakt geweest, te Zurich onderscheidene aankoopen te doen, die hij zooveel mogelijk vermijden moest, daar zijne reiskas reeds veel geleden en hij al zijne middelen dringend noodig had om zijne navorschingen met kracht te kunnen voortzetten.

Men nam dus een hartelijk afscheid en troostte zich met eene vroolijk hereeniging in Dresden, wanneer het geluk al niet willen mocht, dat men elkander reeds vroeger op de landstraat weder ontmoette. Niet zonder weemoed zag Lodewijk zijne vrienden zich verwijderen; want of hij hen wel ooit zoude wederzien was onzeker, daar hun verblijf te Dresden wellicht zeer kort zijn kon en hij zelf den juisten tijd van zijne aankomst aldaar met geene zekerheid vooraf durfde bepalen.

In de herberg te Altorf bevond zich toevallig een voerman, die met een ledigen wagen naar Zurich wilde. Lodewijk nam daarop eene plaats en zette, na zijn vriendelijken leidsman Jozef en den muildierdrijver uit Ulrichen ontslagen te hebben, onverwijld de reis voort. Zonder verdere ontmoetingen kwam hij in den laten avond te Zug aan, en den volgenden middag bereikte hij over den Albiss, welks hoogte hem een laatst uitzicht op de Alpenketen en Zwitserlands blauwe bergen en meren vergunde, het oude Zurich. Dit was een punt, dat Bianca, wanneer zij haren weg door eene der bergpassen van het kanton Wallis genomen had, noodzakelijk moest aandoen. Met groote zorgvuldigheid onderzocht hij derhalve in alle herbergen, of men ook reizigers, met zijne beschrijving overeenkomende, had opgemerkt. Hij had zijn weg zoo snel en gelukkig afgelegd, dat hij er bijna niet aan twijfelen kon, of hij was de eerste in Zurich aangekomene, en dit deed hem besluiten, dezen en den volgenden dag te vertoeven, om verdere berichten in te winnen. Hij deed zulks, maar zonder gevolg. Ook den derden gaf hij nog toe, schoon hij in doodelijken angst verkeerde juist daardoor de mogelijkheid te zullen verbeuren, van de geliefde nog op een der hoofdwegen van Duitschland te achterhalen. Toen ook deze laatste poging hem geen spoor deed ontdekken, moest hij eindelijk met een bloedend hart besluiten, van verdere navorschingen af te zien en de reis naar zijne woonplaats aan te nemen. Over Schaffhausen en Freiburg kwam hij binnen weinige dagen te Heidelberg aan.

Het was in de eerste schoone dagen van Mei, dat hij deze bevallige plaats, waar hij zoo menig vroolijk uur zijns levens had doorgebracht, binnenreed. Hij betrad haar met weemoed. Zijne akademievrienden hadden gelijktijdig met hem de stad verlaten. Slechts één jaar was verloopen, en reeds zoude hij, eenige verre bekenden uitgezonderd, zich geheel vreemd onder de jongelingen, die thans studeerden, bevonden hebben.

Alles, waarvan hij zich in het vooruitzicht zooveel genoegen voorspeld had, het wederzien van zijn ouden, eerlijken huisbaas, het ontmoeten van eenige huisgezinnen, waarmede hij weleer bevriend was geweest, het bezoeken van zijne geliefde wandelplaatsen, die, thans met het frissche groen der lente getooid, den ouden vriend schenen welkom te heeten, dit alles wekte slechts eene sombere, zwarte zwaarmoedigheid in hem op. Geheel moedeloos besloot hij eindelijk zijne reis naar huis te bespoedigen, om in de armen der geliefde moeder en zuster troost en opbeuring voor zijn smartelijk gewond hart te zoeken en tegen den volgenden morgen nam hij eene plaats op den postwagen.

Toen hij des avonds zijne zaken gepakt en alles geordend had, trad hij, om aan het avondeten deel te nemen, de spijszaal binnen. De gasten, eenige vreemdelingen en enkele ongehuwde professoren uit de stad zelve, zaten reeds aan tafel. Een der laatsten hield een dagblad in de hand, waaruit hij het gezelschap de belangrijkste narichten betrekkelijk den naderenden oorlog scheen medegedeeld te hebben.

„Wat nieuws is er?” vroeg Lodewijk, zonder eenig gewicht aan die vraag te hebben.

„Wat den krijg betreft nog niets beslissends,” antwoordde een der aanzittenden, „oprukken van troepen, berichten van het aankomen en afreizen van generaals, lange opsommingen der vreeselijke krijgstoerustingen des Franschen keizers; kortom alles wat wij reeds sinds weken dagelijks herhaald zien. Maar nu en dan worden de bladen ook in andere opzichten belangrijk. Zij leenen zich in onzen romantischen tijd zelfs tot kleine romans en behelzen brieven, die allen schijn van minnebrieven hebben. Lees hier deze regels eens, waarover wij juist in gesprek waren.” Lodewijk wierp een onverschilligen blik op het papier; doch nauwelijks had hij de eerste regels gelezen, of hij was bijna niet in staat zich zelven meester te blijven. De woorden, die de nieuwsgierige verwondering van het gezelschap hadden gaande gemaakt en zijn hart aan eene hevige slingering van afwisselende gewaarwordingen prijsgaven, luidden in dezer voege:

„Aan den onbekenden Vriend!

Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde als ~zuster~ begroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem alles, alles verschuldigd is.

De geredde B.....”

„Nu, wat zegt gij daarvan?” keerde zich de professor tot Lodewijk, die het door tranen verdonkerde oog van de dierbare regels bijna niet kon afwenden.

„Zonderling, inderdaad zonderling!” antwoordde hij haastig en zocht zijne ontroering zoo goed mogelijk te verbergen. „Ik vind den brief zoo roerend,” voegde hij er met een gedwongen lachje bij, „hij wekt zoo duizend verschillende vermoedens en gissingen in de ziel op, dat het lezen mij sterker getroffen heeft dan het moest. Maar ik ben nu eenmaal zulk een romaneske droomer!”

„Het had bij ons allen dezelfde uitwerking,” hernam de ander; „want juist het geheimvolle van deze woorden verwekt zulke zonderlinge gewaarwordingen, dat men nooit jong, nooit met eenig dichterlijk gevoel bezield moet geweest zijn, zoo men in zijne verbeelding niet het bekoorlijkste vrouwelijke wezen voor zich staan en de zoetste tranen vloeien ziet, welke ooit een helder oog verdonkerd hebben. Ja, ik zou bijna durven beweren, dat elk mensch in zijn leven de een of andere ontmoeting gehad heeft, waaraan hij hier op eene zonderlinge wijze herinnerd werd.”

Het gesprek over dit onderwerp werd opnieuw zeer levendig en gaf Lodewijk tijd om tot bedaren te komen. Het uur van den maaltijd scheen hem eindeloos lang te duren, en niet zoodra was deze afgeloopen, of hij stond op, maakte zich heimelijk van het kostelijke blad meester en snelde naar zijne kamer. Hier gaf hij in een stroom van lang weerhouden, heete tranen den beklemden boezem lucht. Door grievende smart overweldigd, boog hij zich neder en smeekte uit het diepste zijner ziel: „Algoede Vader! houd mij niet voor eeuwig van haar gescheiden, laat het schoone gesternte nog eenmaal op mijn donker levenspad lichten! Neen, niet daarom hebt gij mij de zaligheid des levens getoond, om mij voor altijd weder in den duisteren afgrond der vertwijfeling terug te stooten.”

TWEEDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

„Nu is alles gereed, lieve moeder,” sprak Maria, met van vreugde glinsterende oogen en een tevreden lachje op het zachte gelaat in de kamer tredende en een sleutel op de tafel leggende, waaraan de moeder zich met eenig naaiwerk bezighield. „Nu mag hij elke minuut komen: hij vindt ons voorbereid.”

„Gij hebt toch ook de boeken in de kast in orde geschikt?” vroeg de moeder.

„Ik heb niet het minste vergeten,” antwoordde het meisje, „en als hij nog de oude broeder is, als zijne neigingen niet geheel veranderd zijn, zal hem de nieuwe kamer gewis bevallen. Wat heeft zich alles toch voorspoedig geschikt en hoe gelukkig, dat wij dadelijk eene woning vonden, die voor ons allen ruim genoeg en zoo geheel naar onzen smaak is! Maar nu kan ik het uur van zijne aankomst ook nauwelijks meer afwachten, zoo verlangend ben ik, den trouwen, goeden broeder weer aan het hart te drukken!—Doch gij, lieve moeder, zijt niet vroolijk genoeg. Hebt gij eenige zorg, eenigen kommer.”

Met deze woorden boog zich Maria vol deelneming over de moeder heen en sloeg den arm vleiend om haren hals. Deze zag de dochter geroerd in het schoone, door de zoetste hoop verhelderde gelaat en sloot haar met teederheid aan de kloppende borst. „Geene, lieve Maria, geene, dan die het moederhart immer gevoelt. Wij hebben Lodewijk nu in twee jaren niet gezien; hij heeft de wereld doorgezworven en ze van hare glansrijkste zijde leeren kennen. Zal zijn toenmaals reeds zoo trotsch, vurig hart in onzen huiselijken kring voldoening vinden? Zal hij met tevredenheid op de levensbaan blikken, die vóór hem ligt?—Wanneer gij mij ook al niet onvermengd vroolijk ziet als gij zelve u gevoelt, schrijf het niet aan mindere, maar wel aan sterkere en daardoor meer bezorgde liefde voor hem toe. Daar uw jong onervaren hart geene andere dan de kleine huiselijke wereld kent, waarin wij ons met eenige vertrouwde vrienden bewegen, daar al uwe wenschen in den beperkten kring, die ons omgeeft, bevrediging vinden en dien nimmer overschrijden, gelooft gij daarom, dat Lodewijk zich hier even gelukkig zal gevoelen?—Het zal hem misschien met alle betrekkingen des levens even zoo gaan als met zijne kamer; omdat de vensters het uitzicht op de Elbe hebben en het slaapvertrekje in den tuin uitkomt, noemt gij ze heerlijk gelegen. Vergeet echter niet, dat hij te Heidelberg den Neckar onder zijne vensters voorbijstroomen en het tegen hem over gelegene trotsche slot zich in de golven spiegelen zag, herinner u dat hij uit Italië, uit Zwitserland terugkeert. Evenals onze landstreek hem wellicht te eentonig, de ligging onzer woning hem te bekrompen zal voorkomen, kan hij ook in onze burgerlijke, huiselijke, geheel vrouwelijke levenswijze geene bevrediging voor zijne wenschen meer vinden. En wat dan nog, wanneer een blik op zijne toekomstige loopbaan hem overtuigt, dat hij zich steeds binnen die enge grenzen zal moeten beperkt zien? Meent gij, dat hij dan gelukkig zal zijn?”

„O voorzeker, lieve moeder,” hernam Maria, „hij had immers altijd een zoo licht bevredigd, welwillend hart, zooveel gehechtheid aan de stille genoegens van onzen kleinen kring, dat hij zich ook verder onder ons volkomen gelukkig en te huis zal gevoelen. Ik ben zeker, dat het eerste gezicht zijner kamer hem geheel den ouden maakt. O, wanneer hij nu slechts dadelijk terugkwam en zag, hoe de breede prachtige Elbe tusschen de rozenstruiken voor het venster heenschemert, hoe de avondzon achter de blauwe bergen van den anderen oever wegzinkt en hare laatste stralen door de wijnranken in de kamer werpt! En dan de nieuwe kast, waarin ik al zijne boeken geplaatst heb, zooals zij altijd stonden, en vaders afbeeldsel boven de sofa en daar tegenover de lieve kleine piano met de oude, welbekende muziekboeken, waaruit wij zoo dikwijls samen gezongen hebben—o gewis, goede moeder, wanneer hij dat alles weerziet, zal hij op eens weder geheel te huis bij ons zijn!”

„Gij, lieve dweepster,” sprak de moeder met een glimlach, „daar gij, meisje, bij het zien van het sierlijke, zoo zorgvuldig door u ingerichte vertrek eene kinderlijke vreugde gevoelt, meent gij, dat het ook de wenschen des vurigen jongelings geheel moet bevredigen. Hoe weinig kent gij de mannen en de wereld, Maria!”

„Maar ik ken toch mijn broeder, ik ken Lodewijk,” hervatte zij levendig en een traan van zusterlijke liefde welde in haar blauw oog op; „ik geloof niet, dat hij zich gelukkig zal gevoelen, omdat hij zijne kamer in orde en bewoonbaar vindt, maar wijl hij dadelijk bespeuren zal, dat hem hier de oude liefde, en de oude hartelijkheid der moeder en zuster wacht!”

Een posthoorn liet zich hooren. „Hij is het!” riep Maria en snelde naar het venster. Ook de moeder richtte zich met ontroering op, doch eensklaps bezon zij zich en zeide:

„Waar denkt gij aan, Maria! Gelooft gij dan, dat hij als een voornaam heer met extra-postpaarden hier zal aankomen? Bedenk toch, dat hij slechts als student gereisd heeft. Misschien,” voegde zij er lachend bij, „komt hij wel, omdat zijne beurs uitgeput is, zeer deemoedig te voet zijne vaderstad binnenwandelen.”

Maria, die intusschen hare overijling had ingezien, wendde zich weder tot de moeder met de woorden: „ik stel mij zijne komst op elke wijze als mogelijk voor. Wanneer er bedaard en zachtjes aan de deur geklopt werd, zou ik denken, dat hij het was, die ons door zijne heimelijke komst dubbel verrassen wilde. Rijdt er eene fraaie koets voorbij, waarom zou hij daarin niet kunnen zitten en in gezelschap van een rijken vriend of reisgenoot zijn aangekomen? Verbeeld ik mij de huisdeur of een mannelijken tred te hooren, dadelijk denk ik aan Lodewijk en verwacht immer, hem de kamer te zien binnentreden.—Groote hemel, daar is hij zelf!” riep zij, daar de deur inderdaad geopend werd, en met den uitroep: „Broeder, beste broeder!” vloog zij den binnentredende te gemoet en klemde zich in warme omhelzing aan zijn hals vast. Zij kuste, snikte, lachte, weende in een adem en liet zich half onmachtig naar de moeder dragen, die zich sidderende van de sofa poogde op te richten, maar door den hevigen schok der vreugde overweldigd, weder terugzonk, tot Lodewijk hare beide handen aangreep, ze met heete vreugdetranen besproeide en diep getroffen zijn gelaat aan de moederlijke borst verborg.

Deze legde beide handen zegenend op zijn hoofd, hief het oog ten hemel en dankte in sprakelooze verrukking den Almachtige voor het wederzien van den eenigen, boven alles beminden zoon. Maria had intusschen de hand des broeders niet losgelaten; zij hield die met zachten druk in hare rechterhand vastgeklemd, terwijl zij den linkerarm om de moeder sloeg en hare gloeiende wang aan haar schouder drukte, als wilde zij zich toch een klein deel van den stroom der moederlijke liefde toeëigenen, die zich in dit oogenblik geheel over den broeder uitstortte. Het was echter slechts om hem, toen hij het hoofd eindelijk weder ophief, dadelijk opnieuw te kunnen kussen, streelen en door duizend zusterlijke liefkozingen hare vreugde te kennen te geven.

Nadat de eerste oogenblikken, die in vreugde zoowel als in smart iets verdoovends en overstelpends hebben, voorbij waren, gevoelden zich de drie nauwverbonden harten in dien onbeschrijfelijk zaligen toestand verplaatst, waarin men kalm genoeg is om zijn geluk geheel te bevatten, en toch nog de geheele frischheid van den eersten indruk geniet. Dan eerst verheugt men zich recht in het bezit en geniet de gaven, waarmede de weldadige Godheid ons plotseling in ruime mate overstelpt heeft.

Nu namen ook die vroolijke ontboezemingen van innige hartelijkheid een aanvang, dat vragen naar duizend lieve kleinigheden, dat te binnen roepen van ontelbare herinneringen, die zoete, eerste uitstorting der volle harten, dat mededeelen van de nieuwste, zachtste indrukken der ziel, door wier onderlinge uitwisseling men als het ware eerst weder recht met elkander vereend en vertrouwd wordt en de kleine vervreemdingen doet verdwijnen, die tijd en afstand ook in de nauwst verbonden gemoederen plegen te weeg te brengen.

Maria streek haren broeder de lokken van het voorhoofd en snapte, het oog vol teederheid op hem gevestigd houdende: „Gij zijt geheel onveranderd, broeder; uw voorhoofd is slechts wat bruiner en mannelijker geworden, maar nog open en edel als eertijds. Wanneer gij u achter eene heg verborgen hadt en ik niets anders van u had kunnen zien, zou ik u toch dadelijk herkend hebben.”

Lodewijk blikte in het vriendelijk oog, dat hem met zooveel liefde te gemoet straalde.

Hij beantwoordde het kinderlijke spel door haar de eene hand op het voorhoofd te leggen en met de andere het gelaat te bedekken, zoodat slechts de oogen zichtbaar bleven. „En u,” zeide hij, „zou ik in het verre Sicilië herkend hebben, wanneer gij, zooals nu door mijne beide handen, door de opening van groene jalousieën hadt uitgezien. Uw lieve blauwe oogen zouden u terstond verraden hebben. En toch komen zij mij nog helderder voor dan eertijds; ja, lieve zuster, gij zijt in alles schooner geworden.”

„Ga toch!” zeide Maria en keerde zijne handen zachtjes van haar gelaat af, dat door een licht blosje hooger gekleurd werd. „Wij willen elkaar liever vrij en ongedwongen aanzien. Ook moet gij mij duizend dingen vertellen, waarnaar ik u lang had willen vragen. Doch halt! zeg mij eerst, zijt gij met den wagen gekomen, die hier zooeven met vier postpaarden voorbijreed?”

„Met denzelfden, Maria,” antwoordde Lodewijk, „maar ik wilde u verrassen, daarom was ik reeds aan den hoek uitgestegen en sloop in huis, terwijl de wagen voorbij dreunde, zoodat gij niet eens het opengaan van de deur kondt hooren.”

„Dat was heerlijk van u bedacht; en hoe goed is het gelukt!” riep Maria. „Maar hoe kwaamt gij aan dien wagen met vier paarden?”

De moeder scheen eene dergelijke vraag op de lippen te hebben. Lodewijk antwoordde: „Zeldzaam genoeg, lieve moeder; reeds in Zwitserland had ik kennis met eenige Poolsche officieren gemaakt, die ik in Leipzig opnieuw aantrof. Nu drongen zij er bij mij op aan, dat ik met hen rijden zoude en ik maakte met vreugde van het vriendelijk aanbod gebruik. Van uwe goedheid, lieve moeder, zal ik echter de beantwoording dezer beleefdheid verzoeken moeten, want ik zal bezwaarlijk kunnen vermijden, hen uit te noodigen nu en dan ons huis te bezoeken.”

„Wanneer zij in den stillen kring van twee vrouwen behagen scheppen,” hernam de moeder, „weet gij, dat uwe vrienden mij steeds welkom zijn.”

„Maar gij hebt uwe kamer immers nog niet gezien,” riep Maria met levendigheid uit; „o, die moet ik u dadelijk toonen! En waar zijn dan uwe koffers?”

„Die kunnen wij naderhand uit het Hôtel de Pologne laten afhalen, lieve zuster. Zij waren zoo met die mijner vrienden bijeengepakt, dat ik ze niet spoedig genoeg krijgen kon; ook heeft het immers thans geen haast. Toon mij nu, waar ik wonen zal.”

„Zeker recht aardig, en mij dunkt, alles is zoo ingericht, dat gij er terstond smaak in zult vinden,” sprak Maria en huppelde, den sleutel in de hand, vroolijk vooruit.

Toen Lodewijk het stille, vriendelijke vertrek binnentrad, overviel hem een onweerstaanbaar gevoel der diepste weemoedigheid. Het ligt in den mensch, zijne smart levendiger te gevoelen, wanneer hij een schijn van geluk om zich heen bespeurt. De liefde van moeder en zuster had hem zoo hartelijk ontvangen, en de kamer, welke hij thans binnentrad en waar hij alles vereenigd vond, wat hem ooit belangstelling ingeboezemd en gelukkige uren geschonken had, leverde van die liefde een nieuw bewijs op. Vóór weinige weken nog zoude hij zich zoo gelukkig in dat bewustzijn, zoo tevreden in dezen vertrouwelijken kring gevoeld hebben, en thans werd de grievende, maar zekere overtuiging bij hem levendig, dat dit alles slechts een schijn van geluk opleverde. Wat hem tot hiertoe bevredigde, verblijdde, zijn hart geheel vervulde, had plotseling alle kracht verloren en kwam hem te akeliger voor, naarmate het hem voorheen dierbaarder geweest was.

In hare argelooze vreugde kon Maria niet vermoeden, hoe hevig zijne ziel geschokt was; zij hield den traan die in zijn oog blonk, voor een tolk der vroolijke verrassing of geloofde hem aan de zoete, oude herinneringen gewijd, die ook in haar met vernieuwde levendigheid ontwaakten en ook haar tranen van zachte verteedering in de oogen joegen. „Niet waar, Lodewijk, wij verstaan elkander?” vroeg zij, en drukte hem met een glimlach de hand.

„Neen! neen! wij verstaan elkander niet!” weergalmde het luid in zijn binnenste, doch hij opende zijne lippen niet, verwrong ze tot een smartelijk lachje en liet de zuster de hand, die zij inniger in de hare sloot.

„Wat schoone rozestruiken,” zeide hij na eenig stilzwijgen, „en vol knoppen!”

„Zij waren altijd uwe lievelingsbloemen,” hervatte Maria, verheugd dat hij den blik naar het venster wendde: „en hier staan ook viooltjes. Vormen zij niet een schoonen voorgrond van het landschap daar in de verte? Blinkt de Elbe niet als zilver tusschen de groene bladeren door, en de avondzon als goud en de hemel blauw of, als de ondergaande zon hem kleurt, als gloeiend purper?”

„Purper, zilver en goud en azuurblauw en groen der bladeren, hoe tooverachtig klinkt dat; men zou wanen in het zuiden van Italië te zijn! Maar gij hebt gelijk, lieve zuster, het is hier recht schoon,” antwoordde Lodewijk en trachtte onder eene gezochte wending zijne ware gevoelens te verbergen.