Part 69
De gravin scheen verstoord over Lodewijks vrije, standvastige weigering; doch in Feodorowna's oog gloeide eene heilige vreugde en aandoening over het edele gevoel van hem, tot wien haar hart haar met overweldigende macht heentrok.
„De zaak van Rusland is ook die van uw vaderland. Zij is die van geheel Europa,” hernam de gravin na eenig nadenken; „doch ik voel mij te zwak, u dit thans overtuigend te bewijzen.—Gij zult ons naar een jachtslot, twee uren van hier, vergezellen; het ligt zoo diep in het bosch, dat het tegen elken vijandelijken aanval beveiligd is. Doch wij kunnen eerst tegen den avond opbreken, daar onze slede eenige zwaar gewonden naar een tamelijk ver van hier gelegen dorp brengt. Ondertusschen zullen onze bedienden zorg dragen, dat u niets ontbreke.”
Bij deze woorden wenkte zij met de hand, als wilde zij Lodewijk beduiden, dat hij zich verwijderen kon. Doch Feodorowna viel, zichtbaar geërgerd over de koude, trotsche ontvangst, de gravin in de rede: „Die zorg zal ik zelve op mij nemen, dierbaarste moeder; de redder van ons leven mag ons niet ondankbaar vinden.”
„Ik hoop, hij zal russische grootmoedigheid leeren kennen en waardeeren,” antwoordde de gravin trotsch en verdrietig. „Doch ik moet u bidden, mijne dochter, mij niet te veel alleen te laten, daar gij weet, dat ik uw bijstand in mijn toestand hier, waar wij ons ieder levensgenot moeten ontzeggen, noodzakelijk behoef.”
Lodewijk boog zich en ging; doch Feodorowna volgde hem dadelijk.
„Ik bezweer u, doe niets, wat u onaangenaamheden kan berokkenen,” zeide Lodewijk dringend, toen zij buiten de hut waren. „Het schoonst geluk heb ik immers verworven; wat kan men hoogers wenschen?”
„O, gij verontschuldigt mij zoo goedaardig,” hernam Feodorowna; „maar ik moet ook mijne moeder verdedigen. Zij is met hare gansche ziel aan haar vaderland gehecht, en dit is ook de reden, waarom gij ons hier in dezen zonderlingen toestand aantreft. Zij wilde volstrekt—en hierin volgde zij niet alleen den wil mijns vaders—door hare tegenwoordigheid, door toespraak en hulp voor ongelukkigen en door den veel vermogenden invloed, welke aan hoogere standen zoo licht wordt, wanneer zij dien op deemoedige onderdanen willen uitoefenen, den moed en ijver der verzamelde volksmenigte aanvuren. Dezen plicht heeft zij met zulke, alle vrouwelijke krachten te boven gaande inspanning uitgeoefend, dat zij thans ziek en afgemat ter neder ligt en gedwongen is zich naar dat slot te begeven, waarheen wij, zoo ik hoop, spoedig zullen afrijden.”
Hun gesprek werd daardoor gestoord, dat de grijsaard, die Lodewijks redder uit de handen zijner verbitterde vijanden geweest was, toen hij voor twee uren, aan den doodspaal gebonden, als een offer der volkswraak zoude gevallen zijn, uit het bosch trad. Het was Gregorius.
„Wees gegroet, mijne dochter,” sprak hij Feodorowna in het russisch aan; „erbarmt gij u over dezen ongelukkige?”
„Dezen eerwaardigen grijsaard,” riep Lodewijk, en vatte met een warm gevoel van dankbaarheid zijne hand, „heb ik eerst mijn leven en thans het grootste geluk te danken.”
„Dus gij, vader Gregorius”, zeide Feodorowna bewogen, „hebt gij dezen getrouwen vriend, die eens de redder mijns vaders, mijner moeder en van mij zelve was—ach! hij is het tweemaal geweest—gij dus hebt hem behouden? Deze nieuwe schuld moet mijn hart u betalen?”
„Lieve dochter,” hernam Gregorius vriendelijk, „het gebod des Heeren eischte slechts zijne redding. Hij was hulpeloos, onmachtig, gebonden, onze vijanden waren ook de zijne, en zoo behoorde hij tot ons. Mocht hij thans geheel een der onzen worden en het zwaard tegen de heiligschenners keeren, die door Gods wrekenden bliksem getroffen zijn.”
Lodewijk zweeg, want hij verstond de in het russisch gesproken woorden niet; doch Feodorowna antwoordde snel: „Neen, mijn vader, laat ons dit niet vragen en niet van hem vorderen. Hoe zwaar zich de zijnen ook aan hem vergrepen hebben, hij mag geene wraak aan hen uitoefenen, noch verrader worden van hen, die in één vaderland met hem wonen, ééne taal met hem spreken. Laat Ruslands heilige zaak aan zijne eigene zonen worden overgelaten! Zij zijn sterk genoeg om zich zelven genoegdoening en wraak te verschaffen. Het moet hun roem, hun naijverig streven zijn, geene vreemden deel te laten nemen aan een werk, dat zij zelven kunnen volbrengen. Daarom laat ons, mijn vader, de gevoelens van onzen gast jegens de zijnen eeren. U voert eene mij welkome bestiering mij te gemoet. U zij de vreemdeling ter verzorging aanbevolen; gij zult vaderlijk voor hem zorgen, tot ik om u zend. Deel uw maal, uw leger met hem, want gij ziet, hij is door harde rampen uitgeput. U geef ik hem over; en weet, dat uwe dochter hem als een broeder bemint—daarom zij hij u als een zoon.”
Feodorowna sprak met warmen ijver. Gregorius reikte zijn gast de rechterhand, ten teeken, dat hij hem gaarne opnam, en sprak hem in het latijn aan.
„_Salve! Sis felix, quomodo mihi es exoptatus!_”
Lodewijk bemerkte nu eerst, dat hij een dienaar des Heeren voor zich had. Verheugd, een middel te vinden, om zich met hem te onderhouden, antwoordde hij hem:
„_Salve, mi pater! Gratias tibi ago ex intimo pectore, salvatori vitae meae! Sis felix, quomodo benignas es._”
Feodorowna nam afscheid van Lodewijk en ging terug naar hare moeder. Hij volgde den eerwaardigen Gregorius, die hem naar eene andere hut geleidde, voor welke een groot vuur brandde. Met dank nam hij het maal aan, dat de grijsaard hem aanbood. Terwijl hij den eenvoudigen, maar versterkenden kost nuttigde, trad ook Willhofen nader en zette zich op de welwillende uitnoodiging van Gregorius bij hen neder. Thans eerst had Lodewijk gelegenheid, naar zijn vader en de bediende, om naar Lodewijks moeder en hare lotgevallen te vernemen. Ach, zij konden beiden slechts van het verlorene spreken; maar evenwel vervulden deze herinneringen hunne zielen met een zoeten weemoed.
Eéne zorg, één kommer slechts lag op Lodewijks hart: het lot van Bernard. Wel was de hoop in al hare bezielende kracht in hem ontwaakt, doch hij behoefde slechts een blik te slaan op hetgeen hem omringde, om zijne vrees weder even sterk te doen aangroeien.
HOOFDSTUK VI.
Het werd bijna volkomen nacht, eer Lodewijk weder iets van Feodorowna vernam. Hoe gaarne hij zich in het gezelschap van den eerwaardigen geestelijke bevond, die hem daarenboven nog een warmen pels geschonken had, en hoeveel hij door de vertellingen van Willhofen vernam, dat zijne ziel diep ontroerde, toch sloeg zijn hart van onrustig verlangen naar zijne geliefde en vreesde hij ieder oogenblik, dat de hoop, van haar weder te zien, hem bedriegen moest. Eindelijk kwam er eene boodschap van haar: het verzoek, om zich gereed te maken tot het vertrek. Gregorius en Willhofen begeleidden hem naar de hut, waar de slede met uitgeruste en afgevoerde paarden gereed stond. Spoedig kwamen de beide vrouwen buiten, dicht in pelzen en sluiers gewikkeld. De gravin werd ondersteund; zij was zichtbaar vermoeid. In het voorbijgaan groette zij Lodewijk door eene lichte beweging met het hoofd, Feodorowna daarentegen reikte haar vriend de hand en zeide: „In een paar uren zullen wij de rustplaats bereikt hebben; gij zult u, hoop ik, daarover verheugen.—Vergeef slechts, dat in onze slede ook geen plaats voor u is.”
Lodewijk ried, wat het teeder gevoel van Feodorowna verontrustte, de omstandigheid namelijk, dat hij op de plaats van een bediende moest zitten. Voorkomend brak hij daarom hare woorden af, terwijl hij haar bij het instijgen hielp. „Mijn oog zal voor u zien en waken in dezen nacht; het is eene opdracht, die mij gelukkig maakt.” Met deze woorden sprong hij op de voorbank, waar Willhofen aan zijne zijde plaats nam.—De koetsier zette zich achter op en gaf Willhofen de teugels over; twee knechts reden te paard vooruit.
Gregorius stak, nadat hij afscheid van de vrouwen had genomen, ook zijn jongen gast, welken hij spoedig lief gekregen had, de hand toe. Lodewijk drukte die met gevoel van warme dankbaarheid. Toen voer de slede als de wind heen. Men moest midden door het bosch; het was wel zeer donker en de lucht betrokken, doch de sneeuw lichtte genoeg, om den weg te zien. Ondertusschen hield de vaste baan spoedig op en men moest in de diepe, losse sneeuw langzamer rijden.
Het was alles stil in het rond. Slechts een hol gesuis, dat door de zwarte toppen der dennen streek, en het snuiven der paarden waren de geluiden, welke men in deze bevroren woestenij vernam.
Lodewijk had thans den tijd, om een blik op de gebeurtenissen van den laatsten dag te werpen. Eene wereld van gebeurtenissen lag in dat korte tijdperk van gisteren tot heden. Zij waren elkander zoo snel opgevolgd, dat de eene door de andere verdrongen werd. De van alle zijden bestormde, ontroerde ziel werd opgehouden en gesteund door het evenwicht der op haar aanstormende machten; ééne alleen had haar zeker overweldigd, zoo niet geheel en al verpletterd.—Thans had hij het eerste oogenblik, waarin hij de verwarde gedaanten in orde kon schikken en ze een voor een voor zijn geest doen voorbijgaan. Het tegenwoordige en het verledene, het verre en het nabijzijnde lag voor zijn ziel; smart en vreugde, kommer en hoop grensden aan elkander. Zijn noodlot gaf hem het beeld van een landschap in den herfst, waar duistere wolkschaduwen naast helderen zonneschijn rusten en het groene en half verdorde loof zich op eene wonderlijke wijze vermengen.
De geliefde, de verlorene is u nabij; de adem harer lippen beroert u, uwe hand kan haar bereiken! Zult gij haar echter ooit aan uw hart mogen drukken? Zal zich de ijzeren poort van het noodlot niet wederom met doffen donder voor het geopende paradijs sluiten, zoodat gij daarbuiten in de koude, eenzame duisternis zult vertwijfelen? En uw vriend! Uw trouwe, dierbare, onvergelijkelijke vriend! Heeft het donker lot, dat eene godheid van uw hoofd afwendde, hem getroffen? Of zal hem de dood hier in deze woestijn te beurt vallen? Moet hij eenzaam, huiverend, afscheid nemen van de gulden dagen des levens? Strekt zich geen troostende hand in de laatste bange minuten naar hem uit, om hem den bitteren kelk door zoete droppels van liefde te verzachten? O Almachtige! verscheur het hart niet, dat gij wilt zalig maken! Deze doodwonde heelt zelfs niet aan de borst der geliefde! Neen, neen! moet het voor dien prijs zijn, dan zinkt mijne door smart verlamde hand neder en ik kan den beker der zaligheid, welken Gij mij aanbiedt, niet aan mijne lippen brengen.
„Het wordt recht donker,” zeide Willhofen. „Deze wouden zijn toch schrikkelijk.—Luister! Hoort gij den wolf? Hij huilt van den honger. Wanneer de wind hem de lucht van ons brengt, zal hij ons spoedig op het spoor zijn. Holla, jongens, daar vooruit, rijdt dicht bij ons! Hebt gij de buksen geladen?—Wij zouden ze noodig kunnen hebben.”
Lodewijk zag met bezorgdheid achterom naar de vrouwen. Doch de nacht en de dichte sluiers, welke zij droegen, maakten het onmogelijk, hare trekken te onderscheiden en te zien, of zij zijne bezorgdheid deelden.
„Is er gevaar?” vroeg hij Willhofen zacht.
„Zelden, mijn waarde heer. Wees maar niet bang.”
„Ik ben voor mij niet bezorgd; maar wij hebben vrouwen bij ons,” antwoordde Lodewijk.
„Och, het is niets; wij hebben drie buksen en u geef ik mijn hartsvanger.—Hm! Er moet toch een heele troep bijeen zijn; hoor maar hoe zij huilen!”
Men reed juist door de diepe, ongebaande sneeuw langzaam voort. De wind zweeg, daardoor kon men in de ademlooze stilte het geluid der hongerige roofdieren duidelijk vernemen.
„De paarden rieken waarachtig ook hun vijand reeds,” zeide Willhofen zacht; „zie maar, hoe schuw zij den kop omdraaien en snuiven.—Paulowitsch en Stephanos,” riep hij den ruiters toe, „gebruikt uwe sporen, dat wij spoedig den hoek bij den grooten den bereiken. Daar loopt de weg zoover rechts, dat het vee misschien ons spoor verliest.”
Hij sloeg met de zweep en dreef de paarden aan.—Spoedig daarop draaide de weg om een hoogen, ouden den, wiens stam den hoek maakte, op eenmaal rechts om. Toen de ruiters den hoek wilden omslaan, schrikten zij en hielden hunne paarden in.
„Wat is er?” vroeg Willhofen.
„Hier ligt een mensch op den weg?” hernam de ruiter.
„Waarachtig!” riep Willhofen, die juist tot aan den hoek gekomen was. „Dood of levend? Holla! antwoord!”
„Hij verroert zich niet; het moet een lijk zijn. Wij willen het wegruimen, anders komen wij er met de slede niet voorbij.”
Hij hield op en wilde Lodewijk de teugels geven; doch deze zeide: „Ik zal u helpen. Men moet toch eerst zien, of hij waarlijk dood is.”
De koetsier nam de teugels. Lodewijk en Willhofen stegen af, om het lijk uit den weg te dragen.
„Almachtige Godheid, het is Bernard!” riep Lodewijk uit, toen hij zich over het voorhoofd van den liggende voorover boog, om hem op te nemen. „Bernard, leeft gij? Wanneer er nog een ademtocht in u is, bezweer ik u, geef mij antwoord.”
Hij knielde weenend bij den verstijfde neder, hief hem het hoofd op, steunde het tegen zijne borst en drukte vurige kussen op het koude, bleeke gelaat.
„Wat is er?” vroeg de gravin ongeduldig.
Feodorowna echter had den uitroep van haren vriend gehoord en snelde, van de lage slede afspringend, zelve naar de plaats. „Vindt gij een vriend hier?” vroeg zij met bevende stem, toen zij den hevigen angst van Lodewijk gewaar werd.
„Een vriend! O, den eenigsten, dierbaarsten mijns levens!—En verstijfd—dood! O, mijn Bernard! Dat overleef ik niet.”
„Misschien is er nog redding,” sprak Feodorowna bewogen; „wij willen het mogelijke beproeven.”
Met deze woorden naderde zij en legde hare hand op het hart van den verstijfde. „Mij dunkt hij ademt nog,” zeide zij verheugd.
„Neen, neen! Hij is dood—hij is weg!” riep Lodewijk, bijna buiten zich zelf. „Deze slag verplettert mijne borst! Neem mij mede met u, mijn Bernard; ik verlaat u ook zelfs niet in den dood!”
Met krampachtigen angst klemde hij den vriend aan het hart en drukte zijne lippen op den kouden, bleeken mond van den verstijfde.
„Wij willen den ongelukkige opnemen,” zeide Feodorowna op den toon van het diepste medelijden; „misschien keert het leven in hem terug, wanneer wij hem met warme kleederen bedekken. In een uur kunnen wij het slot bereiken, en dan zal geen middel onbeproefd blijven, om hem tot het leven terug te roepen.”
Lodewijk was sprakeloos van smart; hij kon niets, dan Feodorowna's hand vatten en deze aan zijne lippen drukken. Zij trok die zacht terug. Haar hart bad tot den goeden hemelschen Vader, dat Hij de onuitsprekelijke smart van haren vriend mocht afwenden.
Willhofen en Lodewijk namen den verstijfde op. Toen zij hem aan de slede brachten, vroeg de gravin: „Mijn God, wat is dat? Wat moet dat lijk hier?”
„O mijne moeder,” bad Feodorowna, „het is een ongelukkige, in wiens boezem nog leven is. Misschien zijn wij in staat, hem te redden.”
„Het kan niet zijn,” hernam de gravin heftig; „hoort gij de wolven niet? Wij zijn in gevaar, wij kunnen de slede niet meer beladen en ik zie ook geen plaats—met één woord, het is onmogelijk, het kan niet!—Maakt dat wij voorwaarts komen, ik beveel het.”
Willhofen stond onzeker, wat te doen. Doch Lodewijk wierp zich voor Feodorowna's voeten neder en riep uit: „Bij al wat u heilig is, bezweer ik u, red mijn vriend, neem mijn leven daarvoor in de plaats.”
„Mijne moeder!” riep Feodorowna met nadruk, „de menschelijkheid, het gebod der liefde....”
„Dwaze! om een lijk mede te sleepen zullen wij, levenden, een buit der wolven worden? Neen, zeg ik, neen; ik beveel u spoed te maken. Terstond vooruit!”
„Dan blijf ik hier,” riep Lodewijk buiten zich zelf, „tot de dood ook aan mijn rampvol leven een einde maakt.” Hij trok den verstijfde aan zijne borst, wikkelde hem in zijn pels en drukte hem vast aan zijne borst. „Mijn Bernard, gij, trouwste hart op de gansche aarde,” zeide hij en zijne tranen vloeiden zonder ophouden. „Thans komt de dag der vergelding, ik verlaat u niet. Aan mijne borst zult gij—_moet_ gij weder ontwaken.”
„Solanow, klim op!” beval de gravin met ziekelijke heftigheid. „Het kost u het leven, wanneer gij nog talmt! Laat hier blijven, wie wil!”
„Moeder, moeder!” riep Feodorowna uit, terwijl zij hare hand vatte, „het geldt een menschenleven—het geldt dat van onzen redder!”
„Die ons thans in het verderf wil storten,” viel de gravin in. „Kom bij mij, of ik laat u achter.”
Men hoorde inderdaad het huilen der wolven al nader en nader. De bedienden waagden niet te gehoorzamen, noch tegen te spreken. Feodorowna was in een vreeselijke tweestrijd met zich zelve. „Welaan dan,” begon zij na eenige oogenblikken met fierheid, „dan moet ik beslissen. Moest ik tot mijn onuitsprekelijk lijden den naam van prinses Ochalskoi aannemen, dan zal die mij ten minste eenmaal tot heil verstrekken. Mij behooren deze paarden, deze lijfeigenen, gij kent uwe vorstin, uwe gebiedster. Bij uw leven gelast ik u thans, dezen hulpelooze niet achter te laten.”
Zij stond in eene gebiedende, majestueuze houding voor de bedienden; toorn en verbazing boeiden der gravin de tong.
„Haast u, red u met ons en uw vriend,” zeide Feodorowna thans tot den half bedwelmden Lodewijk. „Haast u!”
Willhofen sprong toe en hielp Bernard voor op de bank zetten, waar Lodewijk hem met zijn eigen pels bedekte en met zijne armen vast aan zich drukte.
„Ik ga hier voor op den dissel zitten,” riep de brave knecht, „dan hebben wij alle drie plaats.” Op den zadel van den dissel springend, greep hij snel de teugels aan en riep: „Vooruit knapen!”
De paarden, die, de nabijheid der woedende wolven ruikende, reeds angstig hadden staan trappelen en met hunne hoeven de sneeuw omwoelden, vlogen thans, alsof zij wisten, dat hunne redding er van afhing, als de wind vooruit. Pijlsnel ging de vaart door het donkere bosch; evenwel vernam men het gehuil der vervolgende roofdieren al nader en nader. Opeens kraakte en bewoog het zich in de takken en plotseling sprong een groote wolf met machtige sprongen uit de struiken, om zich voor de paarden te werpen en deze in den strot te grijpen. Doch de vlugge Willhofen had dadelijk de buks in de hand en velde het dier neer op het oogenblik, dat het het schuw op zijde springend paard naar de keel wilde vliegen.
„Die is betaald! Hij zal ons zijne huid niet schuldig blijven,” riep de schutter vroolijk, zonder bijzonder veel acht te slaan op het luide geschreeuw der gravin. „Paulowitsch, hebt gij geladen? Wees op uwe hoede!”
Er vergingen eenige minuten, zonder dat een nieuwe vijand zich vertoonde. Het akelige gehuil scheen zwakker te worden.
„Zij zijn schuw geworden,” zeide Willhofen, zich tot Lodewijk wendend, die echter, zijn vriend aan het hart houdende, nauwelijks bemerkt had, wat er voorgevallen was.—„Wees onbezorgd, genadige gravin en prinses,” zeide hij tot deze, „nu kunnen de beesten ons niets meer doen. In vijf minuten zijn wij uit het dichtste woud en dan is de baan zoo glad als een spiegel. Dan zal een zwaluw in hare vlucht ons niet inhalen.”
Thans werd het bosch lichter; men kwam op eene, slechts door laag kreupelhout bedekte vlakte, ongeveer een kwartier breed. De slede vloog als een pijl uit een boog over de vastgereden baan heen. Aan de overzijde zwenkte men eene rechte doorgehouwen laan in, en na weinige minuten lag het jachtslot voor de oogen der reizenden.
„Dat noem ik rijden!” riep Willhofen, toen hij voor de poort stilhield, waaruit reeds twee oude bedienden, door het klappen der zweep opmerkzaam gemaakt, met lantaarnen naar buiten waren gekomen. „Zie maar, hoe de paarden dampen! Van den grooten den tot hier nog geen twintig minuten, en dat half door de diepe sneeuw! En het zijn toch goed tien wersten.”
Onder deze woorden was hij afgesprongen en had den koetsier de teugels overgegeven. De bedienden hielpen de vrouwen uit den wagen. Zwijgend, zonder te groeten, ging de gravin, op den arm van een der bedienden steunende, in het slot.
Bianca beval dadelijk, voor Lodewijk en zijn vriend de meeste zorg te dragen. Daarop wendde zij zich met deze worden tot hem: „Hier zijt gij _mijn_ gast; dit slot behoort _mij_; wil de Hemel die groote smart van u afwenden, dan hoop ik, dat gij hier onbekommerde uren zult doorbrengen.”
Lodewijk, die nog was blijven zitten, daar hij Bernard in den arm hield, wendde zich tot haar, toen zij sprak. Hare zachte stem vond ook nu nog den weg tot zijne ziel. „Engelachtig wezen,” begon hij—daar bewoog Bernard zich aan zijne borst en haalde diep adem. „Hij leeft!” riep Lodewijk, alles vergetend uit. „Algoede Hemel! Hij leeft! hij leeft!”
Hopend en vreezend tegelijk, sloeg hij zijne armen om zijn vriend en beefde hevig.
„Waar ben ik?” vroeg Bernard en sloeg de oogen op.
„In mijne armen!” riep Lodewijk en zijn boezem klopte ademloos en dreigde vaneen te springen door overmaat van vreugde.
Feodorowna hief hare oogen bewogen ten hemel. Ook voor haar vertoonde zich voor het eerst een schijn van hoop. Willhofen hielp den nog half bewust- en beweginglooze van de slede heffen en leidde hem, gezamenlijk met Lodewijk, in het voor dezen bestemde vertrek, waar zij hem op stoelen nederlegden. Daarop haastte de getrouwe knecht zich, om spoedig reddings- en versterkingsmiddelen te gaan halen.
Hier kwam de herlevende weder tot zijne volle bewustheid. „Lodewijk,” riep hij uit, „zie ik u weder! Leeft gij, of zijn wij reeds aan de overzijde? Of was alles een droom?” En met eene warme omhelzing drukte hij den vriend aan zijn hart.
„Wij leven! Een genadig besturende God heeft ons behoed.—O, gij zult nog andere wonderen zien.”
Willhofen trad binnen met een warmen, door Feodorowna gereed gemaakten drank; een bediende bracht wollen dekens, om er den verstijfde in te wikkelen. „Dat is Goddank niet meer noodig,” riep Willhofen, toen hij zag, dat Bernard geheel tot leven en bewustzijn was teruggekeerd. „Doch hier, mijnheer, drink een weinig.—Dat zal u krachten geven.”
Bernard bracht het glas aan zijne lippen. Weinige druppels gaven hem een nieuw levensgevoel; de macht der vreugde voleindigde het werk der genezing spoedig.
„Kom, Ossip,” zeide Willhofen tot den bediende, „wij zijn hier niet meer noodig en er is nog veel op andere plaatsen te doen.”
Beiden vertrokken.
„Broeder!” begon Bernard, toen zij alleen waren, „aan uwe borst hebt gij mij weder tot het leven teruggeroepen! Hier bezweer ik het u, bij de wonderbare wegen der Voorzienigheid, dat er geen droppel bloeds in mijn aderen is, die u niet behoort! Bij den Almachtige!” Hij hief zijne hand op; in zijne vermoeide trekken keerde de edele, alles trotseerende kracht terug, die als een veerkrachtig staal te sterker opsprong, naarmate de druk des noodlots haar harder dreigde samen te persen.—„Doch, nu, vertel mij,” sprak hij. „Waar zijn wij? Hoe zijn wij ontkomen? Wat mij betreft, mij is, buiten eene gruwelijke geschiedenis, waardoor mij letterlijk het leven van binnen bevroren is, want anders, dat gevoel ik nu, zoude de koude mij nog niet overweldigd hebben, niets ontmoet, dan dat ik in het bosch heb rondgedwaald. Maar u?”
Juist wilde Lodewijk spreken, toen de deur geopend werd en Feodorowna met opgeslagen sluier, in rouwgewaad, binnentrad. Een armblaker, die op eene tafel naast de deur stond, wierp een helder licht op hare edele, door de vreugde zacht gekleurde gelaatstrekken. „Zie daar onze redster,” zeide Lodewijk en wees op de binnentredende.
„Uw vriend leeft? De goede hemel zij gedankt!” sprak zij naderbij komende, met eene stem, waarin de heilige beweging harer borst bevend doorklonk.
Bernard hief het oog verwonderd tot haar op. „Die trekken ken ik,” riep hij plotseling, van onverklaarbare gevoelens van herinnering doordrongen, „en ik weet van waar. Maar ook deze stem heb ik meer gehoord.”