1812: Historische roman

Part 68

Chapter 683,893 wordsPublic domain

Beaucaire kreeg haar thans ook in het oog, en met wanhopige inspanning rukte hij zich los en viel voor hare voeten neder. Krampachtig omvatte hij hare knieën en riep: „Erbarmen, gravin! Bid om genade voor mij! Slechts mijne razende liefde voor u was mijn verderf!”

Bianca beefde en sloeg een angstvollen, smeekenden blik tot haar vader op. Doch deze riep in gloeienden toorn:

„Pakt hem aan en werpt hem daar in de vlammen, opdat ieder Rus zie, hoe een verrader gestraft wordt.”

Bianca werd bleek als een marmeren beeld. Beaucaire gilde luid en klemde zich in den angst der vertwijfeling aan hare knie vast, terwijl hij zijn hoofd in haar schoot trachtte te verbergen. Zij zou nedergestort zijn, zoo niet Lodewijk, ras ter hulp springend, haar had staande gehouden.

„Volvoert mijn bevel!” riep Dolgorow nog eens. „Scheurt hem van de vorstin weg!”

Op dit bevel pakten twee mannen, met woest gehuil uit den hoop te voorschijn springend, den vertwijfelende bij de haren; twee anderen grepen hem bij de voeten, een kozak trok zijn mes uit den gordel en gaf hem eene snede over de beide handen, waarmede hij Bianca's knieën omvat hield. Eerst toen de spieren vaneengereten waren, zonken zijne armen terug. Onder een gevaarlijk getier en gebrul der in woede ontvlamde menigte, werd hij half weggedragen, half voortgesleept. Zijn hartverscheurend jammeren drong door het tieren der barbaarsche schaar door, die, van wilde begeerte naar het afgrijselijk schouwspel ontvonkt, in eene zwarte massa hem nastormde.

„Bewaakt de overige gevangenen!” riep Dolgorow en ging met rassche schreden midden door de menigte, die eerbiedig voor hem week, naar de plaats toe, alwaar zijn vreeselijk bevel zoude volvoerd worden.

Bianca had haar hoofd tegen Lodewijks schouders geleund. Zijn hart werd gelijktijdig met schrik en zaligheid vervuld.—Thans klonk een woedend gebrul met verdubbelde kracht door de lucht. Tegen zijn wil trok het zijn oog naar de verschrikkelijke plaats heen. Beaucaire werd hoog opgeheven; zijn gelaat, door verwarde haren omgeven, vertrok zich als door de pijniging der hel gefolterd. Hij sloeg wild met de bloedige stompen zijner handen om zich heen. Daar wierpen hem de woedenden voorover in den gloed; een gruwelijke kreet, die wijd door het bosch weerklonk, steeg op. Hij drong zelfs met ontzettend geweld tot Bianca's bedwelmde zinnen door; zij beefde en kromp ineen en drukte haar gelaat, om het te verbergen, aan Lodewijks borst. Afgrijzen beroofden dezen van beweging en spraak; nauwelijks kon hij zijn blik van het vreeselijk schouwspel af en naar de geliefde heen wenden, die aan zijn hart rustte.

Toen na het wild geraas eenige oogenblikken van akelige stilte volgden, ontwaakte Feodorowna uit hare verbijstering. Zij beefde schuw terug, toen haar oog op de schouwplaats der schrikkelijke daad viel. Haar hoofd afwendende, vielen hare blikken op Lodewijks edele, van schrik en medelijden diep bewogen trekken. Hier toefden ze met onuitsprekelijke innigheid. Aan hare lippen ontvlood het geheim des harten niet, dat zich in dit oogenblik voor het eerst aan haar zelve openbaarde; maar de schittering van haar oog verkondigde het. In Lodewijks borst vlamde het geloof aan de hooge beschikkingen der Voorzienigheid hoog op en een heerlijk bewustzijn doorgloeide zijn borst. Zij en geene andere was hem tot gezellin zijns levens toegedacht! Na den wonderlijksten loop hunner lotgevallen voerde de Voorzienigheid haar hem te gemoet. Hij waagde het, hare wenken te verklaren. Juist wilde hij zijne lippen openen. Daar trad Dolgorow, die van zijn bloedig rechterambt terugkeerde, tusschen hem en Feodorowna. Hij hechtte donkere, vorschende blikken op het gelaat zijner dochter; het scheen, alsof hij vermoedde, dat hare hevige ontroering door iets anders, dan door de zoo even volvoerde ontzettende straf des ellendelings was teweeggebracht.

„Prinses Ochalskoi!” sprak hij koel en op hoogen toon, „ik heb niet vergeten, wat wij dezen jongen man schuldig zijn. Mij dunkt echter, dat onze rekening vereffend is, daar ik hem als Ruslands vijand zie onder hen, die in het heiligdom van ons vaderland zijn ingebroken. Doch grootmoedigheid is de deugd der Russen.—Ik zal zorg dragen, jonkman, dat men u aan de uwen terugzendt; doch valt gij weder in onze handen, dan treft u het lot van al de overigen: de dood of eeuwige gevangenis in de mijnen van Siberië.”

Lodewijks trots ontwaakte; doch hij bedwong zich en hernam: „Wanneer gij mij naar het fransche leger terugzendt, dan is mijn dood zeker, en gij zelf zijt de oorzaak daarvan.”

„Hoe dat?” vroeg Dolgorow verwonderd.

„Wat ik op de italiaansche grenzen voor u gedaan heb, werd mij door de fransche bewindhebbers in mijn vaderland als eene des doods waardige misdaad aangerekend. Iedere weg tot ontvluchten was mij afgesneden; slechts om het geweld mijner willekeurige rechters te ontgaan, trad ik, op aanbieding van een edelen vriend, in de rijen van het leger. Dezen morgen zoude ik, door denzelfden ongelukkige vervolgd en verraden, die in dit oogenblik de straf zijner misdaad ontvangen heeft, den dood ondergaan. De overrompeling der uwen redde mij. Doch een dierbare vriend....”

Dolgorow viel hem in de rede. „Wanneer gij de waarheid spreekt, zijt gij gerechtvaardigd, en ik geloof u. In dit geval zult gij zorg dragen, vorstin, dat onze redder naar het slot gebracht worde. Solanow zal u begeleiden; mij houdt mijn plicht hier terug; maar ik volg u zoo spoedig mogelijk. Doch ga evenwel eerst de gravin hiervan onderrichten.”

Bianca gehoorzaamde en nam, door twee bedienden vergezeld, haar weg naar eene soort van hut, die achter de legervuren opgericht was. „Wij zien elkander spoedig weder,” zeide zij onder het gaan tot Lodewijk, terwijl zij neigend groette. Haar blik drong diep in zijn hart; zij lachte smartelijk en vriendelijk tegelijk, en eene zachte verhevenheid, als van het gelaat eener heilige, straalde uit hare blikken.

Met bevenden eerbied boog hij het hoofd; toen hij het ophief, zag hij de edele gedaante, als de verschijning eens engels in een kring van wilden, door de rijen der zich eerbiedig buigende krijgslieden verdwijnen.

Ook Dolgorow wilde gaan, doch Lodewijk hield hem terug.

„Ik moet u nog om uwe bemiddeling voor een vriend verzoeken, die misschien even als ik in de handen der uwen gevallen is. Hij wilde mijn redder worden en laadde aldus den toorn der fransche geweldenaars op zich; hij wilde mijn noodlot overal met mij deelen en zoo sloeg hij denzelfden weg der redding in. Heden moest hij aan mijne zijde sterven, doch hij redde zich door de vlucht.”

„Wanneer hij in onze handen valt, zal hij bij u gebracht worden,” zeide Dolgorow; „maar hoe heet hij?”

„Graaf Lomond is de naam dien hij aannam, toen hij in dienst trad en welken hij zekerlijk ook nu nog voeren zal.”

„Ik zal het noodige omtrent hem bevelen.”

Een soldaat met grijze haren, van ongeveer zestig jaren, die een russisch uniform en zijn baard op de wijze der Russen droeg, maar in den vorm van zijn gelaat een Duitscher geleek, naderde den graaf vol eerbied en deed hem diep buigend eene vraag.

„Ga uw gang,” hernam deze; „zoo gij denkt een landsman gevonden te hebben, Salonow, spreek hem dan aan.”

„O, mijnheer,” zoo wendde de oude zich thans in het duitsch tot Lodewijk, „vergeef mij eene vraag. Ik ben een Duitscher, maar sinds langen tijd buiten mijn vaderland. Ik geloof bij u eene gelijkenis op te merken. Heet gij misschien Sternfels?”

„Hoe?” riep Lodewijk, hevig sidderend, met de uiterste verwondering, daar de oude den naam uitsprak, dien hij slechts door Maria's brief kende en nog nauwelijks waagde te voeren; „waarom?”

„Ik heb een duitschen heer van dien naam gediend,” antwoordde de oude bewogen; „hij is wel is waar lang dood, maar wanneer ik zijn evenbeeld voor mij zie, hoe....”

„Waar stierf hij?” riep Lodewijk, den grijsaard haastig in de rede vallende.

„De zee heeft hem verzwolgen. Wij zaten om een ongelukkigen twist in Parijs gevangen; doch het gelukte ons, naar Havre te ontvluchten en op een hollandsch schip te komen.”

„Wanneer?” vroeg Lodewijk, zich zelf nauwelijks meer meester.

„Voor achttien jaren.”

„Om een duel?”

„Ja.....”

„Dat was mijn vader!” riep Lodewijk en greep de handen van den grijsaard, die bevend, sprakeloos voor hem stond. „En wie zijt gij?”

„Een eenvoudig mensch, lieve heer,” zeide de oude, en tranen rolden over zijne wangen; „ik was slechts zijn rijknecht; Willhofen is mijn naam.”

„Brave, trouwe knecht!” riep Lodewijk. „En hier moet ik u vinden? En mijn vader is waarlijk dood?”

„Reeds lang! Wij leden schipbreuk op de Noordzee; de zee verslond de meesten. Eenigen, en daaronder ik, werden gered; de kapitein van een russisch schip nam ons op.” Hier zweeg de oude en gaf met een schuwen, zijdelingschen blik te kennen, dat hij niet durfde spreken. Lodewijk vermoedde het lot der ongelukkigen.

Dolgorow was intusschen naar de overige gevangenen toegetreden en had hen gemonsterd. Zij stonden sidderend in eene lange rij voor hem; de meesten waren jonge soldaten.

„Zijn er Duitschers onder u?” vroeg hij luid.

Lodewijk hoorde het en zag er heen; hij wachtte op het antwoord, daar hij gevoelde, dat het zijn plicht was, voor de redding zijner landslieden te pleiten. Het bleef stil.

„Solanow!” riep de graaf, en deze haastte zich te gehoorzamen. „Hier, deze lieden, welke ik u zal overgeven, moeten mede naar het jachtslot gevoerd en van daar verder gebracht worden. Zij zijn voor den arbeid bruikbaar. Voor de overigen heeft Rusland geen ander voedsel dan twee lood kruit.”

Er waren een en twintig gevangenen. Slechts een bleef er, als te oud om te arbeiden, achter, om den dood te ontvangen. Het was St. Luces.

Daar hij niet had verstaan, wat de graaf zeide, dacht hij, dat men aan zijne houding, zijn linnengoed en zijne hem nog overgebleven kleeding gezien had, dat hij tot een hoogeren stand behoorde. De bleeke schrik, welke sinds het lot van Beaucaire zijn gelaat overtogen had, week voor een schijn van hoop. Hij waagde het daarom thans, den graaf aan te spreken en zeide in het fransch:

„Ik hoop, mijnheer, aanspraak te kunnen maken op de wetten, welke alle volkeren zelfs in den oorlog eerbiedigen. Ik ben geen soldaat, maar behoor tot de burgerlijke administratie; mijn rang....”

„Gij zijt een Franschman, een, die het bloed en merg van alle volken uitzuigt,” hernam Dolgorow met dreigenden blik, „verachtelijker en afschuwelijker dan de soldaat; want die strijdt met bloote wapens, doch het uwe is vergif.”

„Men zoude,” trachtte St. Luces nog eenmaal zijne zaak te verdedigen, „mij zeer gaarne tegen gevangen officieren uitwisselen!”

„Gevangenen? Hebt gij dan ook gevangenen?” riep Dolgorow wild en vol hoon tegelijk. „In uwe bulletins staan er zekerlijk duizenden, maar waar kunt gij ze aanwijzen? En waaraan herinnert ge mij? Weten wij misschien niet, hoe uwe eervergeten rooversbenden met de weinigen, die haar in handen vielen, hebben omgegaan? Waant gij, dat wij ze niet gevonden hebben en gezien, hoe zij met verpletterden schedel de wegen bedekten? Hebben wij ze niet aangetroffen in kerken, stallen en schuren, waar de honger hen doodgemarteld had?—Weg met u! Wij zullen er nog genoeg vinden, tegen welke wij diegenen kunnen uitwisselen, die wij _willen_ uitwisselen.”

Ondertusschen had Solanow of Willhofen den van angst sidderenden St. Luces nauwkeurig opgenomen. Hij sprak eenige woorden russisch tegen Dolgorow en vroeg toen den gevangene: „Hoe heet gij?”

„Ik ben de baron Rumigny de St. Luces.”

„Rumigny!” riep Willhofen uit, en zijne trekken namen de uitdrukking van den woedendsten toorn aan. „Almachtige God, Uwe wraak sluimert niet!” riep hij met ten hemel geheven handen uit. „Ellendige, kent gij mij? Hebt gij vergeten, dat gij—doch halt, hier—zie hier heen! Kent gij dezen?”—Daarop liep hij op Lodewijk toe en trok hem met geweld tot dicht bij Rumigny voort, „Sternfels is zijn naam! De dooden staan op om zich te wreken!—Deze is de moordenaar uws vaders, de moordenaar van den braven Waldheim—doch thans is het uur der vergelding gekomen.”

St. Luces staarde doodsbleek en met onbewegelijke blikken Lodewijk aan; hij beproefde te spreken, doch de stem begaf hem.

Lodewijk was in het diepst zijner ziel getroffen door alles wat dit enkele uur hem had ontdekt. Een oogenblik bruiste ook in hem de toorn op; doch zijn edele aard wees dit gevoel spoedig af. Slechts medelijden vervulde zijne borst, toen hij den ellendige, van doodsangst en van gewetenswroeging gefolterde beschouwde. „Willhofen,” zeide hij tot den ouden bediende, „mij is de wraak, spreekt de Heer! Laat den Almachtige verder handelen—wij willen vergeven.”

Willhofen had tranen in de oogen; hij boog zich over Lodewijks hand en kuste die. „Een hart als zijn vader! Hij stierf voor zijn vriend—en ware ook voor zijn vijand gestorven.”

Lodewijk wilde Dolgorow naderen, om een woord van genade voor St. Luces te spreken; doch deze wees met strengen blik zijne bede af. „Hier heerscht de wet,” zeide hij ernstig. „Heeft de gevangene u onrecht gedaan, dan mag uwe vergiffenis hem daar boven helpen. Hier helpt zij hem niet.”

Hij wenkte met de hand een kozak in zijne nabijheid en sprak eenige russische woorden. Dadelijk werd St. Luces, wien de doodsangst alle krachten scheen ontroofd te hebben, weggeleid. Eenige minuten later vielen drie schoten. Lodewijk kon niet twijfelen, wien zij gegolden hadden.

HOOFDSTUK V.

Dolgorow steeg weder te paard, verzamelde bijna alle weerbare mannen en zette zich aan hun hoofd naar den grooten weg in beweging. Willhofen en vier landlieden met pieken bleven ter bewaking der gevangenen achter, welken men vergunde, zich aan de groote vuren te warmen; ook werd er eenig brood en brandewijn onder hen uitgedeeld. Lodewijks hart smachtte naar Bianca. Hij vroeg daarom aan Willhofen: „Wat zullen wij nu beginnen, lieve vriend? Welke zal mijne, welke uwe naaste bestemming wezen?”

„Ik moet hier de bevelen der prinses afwachten, die daar bij de kranke gravin in de hut is,” antwoordde hij. „Zij zullen den terugkeer wel afwachten van hare slede, die gewonden naar het dorp gebracht heeft.”

De benaming _prinses_ had Lodewijk getroffen. Hij vroeg: „Is dan de prinses niet de dochter van den graaf?”

„Jawel,” hernam Willhofen, „en aan prins Ochalskoi, wiens lijfeigene ik ben, gehuwd.”

„Gehuwd?” riep Lodewijk verbleekend.

„Of liever gehuwd geweest,” voer Willhofen voort; „want de prins is dood. Ik geloof, onder ons gezegd, dat het zelfs tot geen huwelijk gekomen is, want op den bruiloftsavond werd het slot door de Franschen overvallen en bestormd, en de prins ontving eene zware wonde, waaraan hij eindelijk te Moskou overleden is.”

Lodewijk luisterde met gespannen aandacht toe.

„Hier op deze plaats in het bosch heb ik hem een geruimen tijd in de struiken moeten verbergen, tot wij hem, met zijne jonge vrouw, in een wagen naar het jachtslot konden brengen.”

„Hier, hier?” viel Lodewijk den sprekende in de rede, en een treffend gevoel bewoog zijne borst.

„Juist hier; want het slot ligt nauwelijks een uur van hier; men kan het door het hooge hout niet zien. Daar over...”

„Wanneer is de bestorming geschied?”

„Den zeventienden Augustus; ik weet het nog, alsof het gisteren was.”

„God van genade!” riep Lodewijk en wierp zich op de knieën. „Almachtige Bestuurder onzer dagen! Wie zal tegen U morren! Aan welke draden bestuurt Gij ons lot! Eeuwige, Oneindige! Neem mijn warmen dank en mijne tranen. Beproef mij nu, zoo hard en zwaar Gij wilt, ik zal nimmer vertwijfelen; geene ontmoediging zal mijne borst bewegen. Want wonderbaarlijk hebt Gij geheerscht en gewaakt.—Gij zult in Uwe heerlijke wijsheid alles voleindigen!”

Willhofen beschouwde den biddende met verwondering. Hij vermoedde geheime betrekkingen, doch waagde het niet, om er naar te vorschen.

Toen Lodewijk opstond en in de hevigste gemoedsbeweging op en neder ging, trad Willhofen tot hem en zeide, terwijl hij zijne hand vatte: „Dat is braaf, lieve heer; vroomheid is eene hooge deugd. Ook ik heb menigmaal innig tot den Heer gebeden en ik hoop ook, dat Hij mij zal verhooren. Hij heeft mij immers nu reeds uit het verre Azië, waar ik, vergeten door mijn vaderland, leefde, weder tot hier gevoerd, bij den zoon mijns dierbaren meesters. O, ik bid u, het schijnt, dat gij veel op graaf Dolgorow vermoogt, ik bid u dringend, verzoek mijne vrijheid van hem.”

„Zekerlijk!” beloofde Lodewijk met een handslag. „Maar zeidet gij niet, dat gij een lijfeigene van den prins waart?”

„Dat wel; doch de goederen zijn door het huwelijkscontrakt aan den graaf gekomen. O, wanneer het van de prinses afhing om mij de vrijheid te geven—dan had ik ze reeds lang. Maar den graaf Dolgorow heb ik er nog niet om durven vragen.”

Een bediende kwam en sprak met Willhofen. „De gravin Dolgorow doet u tot zich roepen, lieve heer,” zeide Willhofen. „Volg dezen man slechts, hij zal u geleiden.”

Lodewijk ging met een kloppend hart. De bediende geleidde hem naar de luchtig van dennetakken gebouwde hut. Bianca kwam hem halverwege te gemoet; zij was vriendelijk, doch eene stille zwaarmoedigheid lag over hare trekken verspreid.

„Ik zal u bij mijne moeder brengen,” zeide zij met eene zachte stem. „Gij hebt haar reeds op onze vlucht uit Italië leeren kennen. Voel u slechts niet beleedigd door de misschien te koude, stijve ontvangst, welke gij lichtelijk bij haar vinden zult. In dit land kent men de zachtere zeden van Duitschland nog slechts weinig; hier geldt de rang alles; en de nationale hoogmoed en de haat tegen vreemden zijn in deze oogenblikken beide zoo hevig, dat de stem der warmste dankbaarheid zich nauwelijks kan verheffen.”

„Dankbaarheid?” hernam Lodewijk. „Wie moet hier dankbaar zijn? Gij, wie ik, nauwelijks wetende wat ik deed, een geringen dienst bewees, die het hoogste geluk mijns levens uitmaakte, of ik, die u alles te danken heb?”

„Gij wildet de toevallige wederdiensten in rekening brengen?” zeide Feodorowna. „Misschien ook wel, dat gij thans, nu gij in onze handen zijt, niet op eene barbaarsche wijze vermoord zijt geworden, gelijk die andere rampzaligen?”

„Zoude ik ook de waarschuwing moeten vergeten, welke ik in Moskou ontvangen heb?” antwoordde Lodewijk na eenig dralen.

„Zoo hebt gij mij aan mijn teeken herkend?” vroeg Feodorowna met onuitsprekelijk liefdevollen blik.

„Wat kon ik ooit vergeten, dat ik door u heb leeren kennen!” antwoordde hij koen.

Een licht rood vloog over de bleeke wangen van het schoone gelaat; zij sloeg hare oogen neder en zeide zacht: „Ook mij zijn de uren, welke wij tezamen doorgebracht hebben, onvergetelijk gebleven. O, dat gij u zoo spoedig van ons losruktet!”

„Meent gij, dat het mijn wil was?” riep Lodewijk uit. „O neen! dat kunt gij niet gelooven! Een vijandige demon voerde ons vaneen. Ik verdwaalde; te laat moet ik den oever der Rhône bereikt hebben.”

„Mijn vader drong ons, om ons te haasten,” viel hem Feodorowna in de rede. „Ik beproefde door een teeken...”

„O, ik heb het gevonden,” sprak Lodewijk schielijk met eene stem, waaruit zijne ontroering sprak, nam hare hand en drukte ze aan zijne lippen. „Doch eerst den anderen morgen, na een met ronddwalen verloren nacht, schitterde het mij als eene star der hoop te gemoet. Nooit vergeet ik het oogenblik, toen ik dit lint rozenkleurig door het hout zag schemeren! Nog in dit uur draag ik het op mijn hart. Hier is het.”

Tranen welden in hare schoone oogen op, toen zij dit liefdeteeken in de hand des beminden zag.

„Wij sloegen dadelijk aan de andere zijde der rivier een gevaarlijk pad naar het hooge gebergte in,” zeide zij, terwijl ze te vergeefs hare aandoening zocht te beheerschen.

„En ik meende u in het dal, over den St. Gotthard, het zekerste te zullen achterhalen. Zonder ophouden vorschte ik naar uw spoor, tot in Duitschland een ongelukkig blad mij...”

„Heeft mijn afscheidswoord u aldus toch bereikt?” viel Feodorowna vroolijk in.

„Het was de bitterste kelk, die mij ooit door eene aanminnige hand is toegereikt.”

„Het lot heeft hem verzoet, wij willen dankbaar zijn,” hernam Feodorowna en eene vrome aandoening bewoog hare stem. „Ik geloofde niet, dat het ons ooit weder bijeen zou brengen; doch een hoogere hand bestuurt de draden, waaraan ons leven hangt.”

„Waarlijk, eene wonderbaar bestierende macht!” riep Lodewijk door zijn gevoel overmeesterd uit. „O, zoo gij wist, hoe nabij ik u intusschen reeds geweest ben!”

Bianca zag hem verwonderd aan. „In Moskou meent gij?”

„Neen, niet verre van hier—ik was bij het bestormen van dat slot ginds.”

„Gij zelf!” riep zij en zag hem met weifelende blikken aan. Toen hief zij oogen en handen ten hemel en sprak uit de volheid harer ziel: „O, Almachtige Vader in den hemel! Hoe kon ik ook slechts een oogenblik aan Uwe goedertierenheid twijfelen! O, gij weet niet,” keerde zij zich bewogen weder tot Lodewijk, „gij vermoedt niet, van welk rampzalig lot gij mij verlost hebt! Doch,” voer zij snel en zacht voort, „verzwijg om 's hemels wil, dat gij aandeel in den strijd van dien nacht hebt gehad; men zoude het u nimmer vergeven!”

Onder deze gesprekken waren zij tot aan de hut gekomen.

Feodorowna trad eerst binnen, Lodewijk volgde. Op een rustbed, in een pels gehuld, zag hij de gravin Dolgorow liggen, wier trekken, ofschoon de uitdrukking van ziekte en lijden ze veranderd had, hij dadelijk herkende. Zij zag hem niet met vriendelijkheid, doch met een gevoel van meerderheid aan. „Het verheugt mij,” zeide zij afgemeten, „dat wij u den dienst, dien gij ons in Italië gedaan hebt, thans hebben kunnen vergelden, ofschoon het mij leed doet, u onder hen aan te treffen, die den oorlog in ons vaderland hebben gebracht.”

„Ik geloof, genadige gravin, mij desaangaande reeds gerechtvaardigd te hebben,” hernam Lodewijk met eenige fierheid.

„Gij kunt thans gelegenheid vinden, de schuld van het lot te vereffenen. God heeft de legers der vijanden verslagen; het verderf komt op hen neder; de rechtvaardige zaak zegepraalt. Het hangt thans slechts van u af, deel aan den strijd te nemen.”

Lodewijk zweeg eenige oogenblikken; toen antwoordde hij rustig en bedaard: „Gij zult mij vergunnen, u op dit voorstel een antwoord te geven, dat mijn besluit mag rechtvaardigen. Ik zelf houd de zaak van Rusland voor eene rechtvaardige; met inwendigen tegenzin heb ik aan den strijd deelgenomen. Ik deed niets meer, dan de eer van den man, den soldaat die zich eenmaal onder eene vaan geschaard heeft, van mij eischte. Als een enkel persoon konde ik den stroom der wereldgebeurtenissen niet beheerschen, noch dien wederstand bieden; dit spreekt mij van persoonlijke verantwoordelijkheid jegens dit land vrij. Misschien wenschte niemand in het geheele leger den oorlog; daarom zal ook het individu het algemeene onrecht noch ontgelden, noch behoeven te verdedigen, daar hij het niet kon verhoeden. Voor den edelen aanvoerder onder wiens bescherming ik mij begeven had, voor mijne trouwe, dierbare kameraden was mijne meening geen geheim. Doch zij eerden die en behandelden mij met zooveel bescheidenheid, dat zij mij van elken plicht zochten te verschoonen, die mijn hart had kunnen bezwaren. Ik moest er mij zelf tegen verzetten, om geene schandelijke verdenking op mijne eer, mijn mannenmoed te laden. Wat vriendschap en broederlijke liefde uit welwillendheid kunnen uitdenken, dat gewerd mij van mijne wapenbroeders. Thans zult gij, daarvan ben ik overtuigd, niet meer verlangen, dat ik hen trouweloos verraden en zelfs de wapenen tot hunne bestrijding opnemen zou. Dwong eene heilige verplichting jegens mijn eigen vaderland mij daartoe, dan moest ik zekerlijk gehoorzamen; en evenwel zou ik met nog zwaarder hart in zulk een strijd gaan, dan in dien tegen Rusland. Want, hoe de groote massa's ook tegenover elkander mogen staan, de enkele persoon treft slechts zijn eenen man, en ik zou het zwaard liever tegen mij zelf trekken, dan tegen die edele, getrouwe vrienden, met wie ik tot hiertoe gevaar en ongemak gedeeld heb.”