1812: Historische roman

Part 67

Chapter 673,999 wordsPublic domain

„Daar langs; tweehonderd treden van hier is de groote weg.”

„Geloofd zij Jezus en Maria! En hoe ver is het nog?”

„Vier uren.”

„Zwerven er kozakken op den weg?”

„Neen, zoover ik weet.”

„Barmhartige God! Zoo wilt Gij mij dan toch nog redden?” Met deze woorden zonk de krijgsman op de knieën, sloeg zijne blikken dankbaar naar den hemel en groote tranen rolden langs zijne wangen.—„Hier, vriend, neem,” zeide hij een oogenblik daarna en trad met een stuk brood in de hand op Bernard toe; „gij hebt mij verkwikt, ik wil u ook verkwikken. Neem, en hier is ook te drinken!” Tegelijk trok hij eene flesch brandewijn uit zijn zak en reikte haar Bernard toe.

„Zoo zal het dan toch niet hier ten einde zijn,” sprak deze bewogen. „Ik dank u vriend, gij zijt mijn redder.”

„En gij de mijne.”

„Doch, vanwaar komt gij daar uit het bosch?”

„Zevenmaal uit de kaken der hel,” hernam de gevraagde en zette zich naast Bernard neder. „Eergisteren dreef de honger mij met vele andere kameraden uit de gelederen van het regiment, om in de dorpen naar eten te zoeken. Daar stortte opeens, midden in het woud, een zwerm boeren op ons af en sloegen neder en vermoordden al wat zij vonden. Wij stoven naar alle zijden uiteen; daar kwamen ook kozakken aan en joegen ons met hunne kleine, vlugge paarden, als een herdershond de verstrooide schapen voor zich uit, om ons den woedenden boeren in handen te drijven.

„Doch hun eerste moordlust was voldaan, zij dreven ons met knods en knuppelslagen op een hoop bijeen, koppelden ons aan elkander als jachthonden en stuwden ons zoo voor zich uit. Wij meenden, dat zij medelijden met ons hadden en ons als gevangenen wilden medevoeren. Doch het was eene dwaling. Nadat wij in een twee uur van den weg gelegen dorp waren aangekomen, schudden zij ons zoo uit, dat wij half naakt in de grimmige koude stonden en de tanden ons klapperend op elkander stieten. Zoo sloten zij ons allen te gader in de kerk op. Wij kropen dicht opeen en zochten ons aldus te verwarmen. Doch het duurde niet lang, of er werden twee van ons naar buiten gehaald. Spoedig daarop hoorden wij schieten, doch enkele schoten met lange tusschenpoozen, en na ieder schot vervulde een wild geschreeuw en gebrul de lucht. Eerst konden wij niet begrijpen, wat dit beteekende; doch toen ik met behulp van eenige kameraden tot een klein venster opgeklauterd was, zag ik, dat—bij den duivel, kameraad, de woede klemt mij nu nog de tanden op elkander—ik zag, dat zij onze kameraden aan een boom gebonden hadden en als naar de schijf op hen schoten.”

Bernard verbleekte.

„Ik hield mij goed en verried niets, want te helpen was er toch niet meer. „Zij schieten naar het wit, dat is alles,” zeide ik eenvoudig weg, doch binnen in mij kookte het als eene zee.—De deur ging weer open en nogmaals voerden de bloedhonden twee slachtoffers naar buiten. Ik zweeg, daar het reeds donker werd, en ik hoopte, ons in den nacht te zullen redden. Inderdaad waren dit de laatsten van ons, welke moesten bloeden. In den nacht braken wij de deur die naar den toren leidde, open en het gelukte ons, ons aan het klokketouw in stilte naar beneden te laten. De schildwacht voor de kerk was ingeslapen. Ik stiet hem zijne eigen sabel in het hart, dat de kerel zich niet meer roerde. Thans wierp ik den pels van den Rus om, nam zijne wapenen en ging daarmede naar het wachthuis aan het eind van het dorp. Mijne kameraden liet ik stil volgen. Hier lag alles snorkend en bezopen door elkander, boeren en kozakken. De mantels en pelzen hadden zij op een hoop geworpen, want er heerschte eene verstikkende hitte in de kamer. In den hoek stond ook eene mand met brood, en brandewijnflesschen, gedeeltelijk vol, gedeeltelijk ledig, lagen overal in het rond. Eerst was ik slechts van gedachte geweest, uit wraak voor de vermoorden het gansche gebouw in brand te steken; doch daar de gelegenheid nu gunstig was, haalde ik nog drie kameraden en toen pakten wij zoovele kleederen en levensmiddelen bijeen, als wij konden, en droegen ze naar buiten. Vliegend slopen wij met onzen rijkdom naar het nabijgelegen hout, hielden eene eerlijke deeling en kleedden ons aan. Nu zochten wij een goed heenkomen. Doch de boeren moeten onze vlucht ras bemerkt hebben, want opeens waren zij vlak achter ons. Alles liep, ieder vluchtte, waarheen het toeval hem leidde. Mij gelukte het, een dicht bosch te bereiken, waar ik mij verborg, tot alles stil was. Daarop sloop ik voorzichtig voort, zooveel mogelijk naar den grooten weg toe. Zoolang het donker was, ging het goed; maar bij dag scheen het bosch te leven van het russisch roofgebroed, en ik moest schuin en dwars door bosch en veld, voor- en achterwaarts, om hun te ontgaan. Een uur geleden waren zij mij nog op de hielen. Zoo was ik geheel verdwaald en ik vreesde reeds den grooten weg niet te zullen bereiken. Nu echter hoop ik met God nog dezen nacht te Smolensko te komen. Dan wil ik in het gelid blijven en liever bezwijken van honger en pijn en eerlijk als een soldaat sterven, dan nog eens in de handen dezer wilde beesten vallen! Ik ben geen lafaard; maar geslacht te worden is toch een afgrijselijke dood, en een soldaat wil toch niet gaarne sterven als een moordenaar. Denkt gij dat ook niet?”

Bernard, door het voedsel gesterkt, door het verhaal dezer slingeringen tusschen redding en ondergang opgewakkerd, had in dit oogenblik zijne hoop weder teruggekregen. „Waarlijk niet, kameraad!” riep hij. „Doch daarvan behoeft ook nog niets te komen. Gij zult uw doel bereiken en ik het mijne. In den tegenwoordigen tijd, nu iedere minuut gevaarlijk is, mag men den moed niet opgeven, al had de dood ook iemand reeds bij den kraag gepakt. Men laat hem den mantel en scheurt zich toch weder los.”

„Zoo is het! Leve de moed!—Maar wat zegt gij daar van uw doel? Waar wilt gij heen? Niet vooruit?”

„Neen!”

„Terug? In dit duivelsland weder terug? Zijt gij bij uw verstand?”

„Mij is de dood hier gewisser dan daar.”

„Hoezoo?”

Bernard bedacht zich een oogenblik; daarop verhaalde hij zijnen vriend in den nood, in de overtuiging, dat dit eerlijke soldatenhart hem niet verraden zou, openhartig den samenhang zijner geschiedenis.

„Vervloekt gebroed! Vee van den duivel, dit schrijversgoed!” vloekte de ruwe, eerlijke soldaat, toen Bernard zijn verhaal geëindigd had. „Maar dat mag u geen zorg baren. Daarheen dreigt u bij iederen tred gevaar, want de boeren zijn woedend en liggen als boschnegers achter de zwarte dennestruiken. Een enkel persoon komt er niet door. Daarom raad ik u, kom meê naar Smolensko. Wie kent u? Trek mijn pels aan, wanneer wij de poort binnenmarcheeren en bind u een doek om het gezicht. Wat vraagt tegenwoordig de een naar den ander? Ieder heeft genoeg met zich zelf te doen. Hebben wij, God beter 't, niet duizenden van achterblijvers? Kom, als een man, ga met mij! Ik zal u in lief en leed bijstaan, zoowaar ik Jean Lacoste heet en uit Normandië ben! Kom, laten wij gaan. Het wordt donker, wij hebben gerust, en hoe nader aan Frankrijk, hoe beter!”

Bernard overlegde. Hij had het neerdrukkend gewicht van geheele eenzaamheid en hulpeloosheid nog pas te diep gevoeld, om niet met onweerstaanbaar geweld tot het besluit gedrongen te worden, nood en gevaar weder met een kameraad vereenigd te dragen. Eén dag hoopte hij zich toch wel in Smolensko te kunnen verbergen en den volgenden moest Rasinski er weder terugkomen. Misschien vernam hij ook iets aangaande Lodewijks lot.—Kortom, hij besloot, zijn lot aan dat van zijn nieuwen makker te verbinden.

Zij braken op en wandelden met elkander in gesprek voort. Opeens hoorden zij den toon eener schelle fluit uit het bosch. Bernard hoorde verwonderd op; Lacoste echter pakte hem bij den arm, trok hem ras voorwaarts en riep: „Loop, loop, wat uwe beenen kunnen. Zij zijn ons, God bewaar ons! al weer op de hielen.”

Onwillekeurig volgde Bernard den haastigen tred van zijn makker, ofschoon hij aan de nabijheid van het gevaar nog niet gelooven wilde, daar hij tot hiertoe nog geen sporen van zulk een vijandelijken aanval ontmoet had.

„Wanneer wij eerst maar ginds dien hoek om zijn,” meende Lacoste onder het loopen, „dan kunnen wij ons dadelijk links in het bosch werpen, maar hier is, helaas! op geen drie honderd passen een bosch te zien, en op de sneeuw ziet men ons, niettegenstaande de invallende duisternis, veel te ver.”

Het fluiten werd thans herhaald en van de andere zijde van den weg beantwoord.

„Het is waarachtig, alsof wij in Calabrië waren en een rot bandieten ons wil overvallen,” zeide Lacoste. „Maar deze kerels zijn erger! Ik zie liever een dozijn wolven met open kaken achter mij aanjagen, dan dat ik een kozakkenpaard achter mijn rug hoor.—Maar begint daar ginds het bosch niet te leven?—Roert het zich daar niet als in een mierennest?”

„Gij dwaalt vriend,” hernam Bernard, „het blijft alles doodstil.”

„Het is schande, bang te wezen,” bromde Lacoste wrevelig in zich zelven; „maar ik kan niet loochenen, dat ik het ben. Waar volstrekt niets, niet eenmaal eer te winnen, maar wel alles te verliezen is, daar tast het mij toch een beetje koud naar het hart, en ik begin te zien, wat ik mij inbeeld. Dat komt, doordien ik het vervloekte gebroed heden reeds zesmaal ten minste zoo uit de struiken heb zien uitkruipen als dauwpieren uit de aarde, wanneer het geonweerd heeft. Ik verbeeld mij, achter iederen boomstam een boer te zien. Nu, Goddank, wij zijn om den hoek. Laat ons hier ter zijde af in het bosch gaan, wij kunnen evenwel de richting van den weg volgen.”

Toen zij zich veilig rekenden, begonnen zij langzamer te gaan.

„Kameraad, gij hebt daar een gouden ring aan uw vinger; pas op, dat hij u niet te eng is,” begon Lacoste na eenige minuten; „ik heb gezien, hoe zij mijn kapitein, die zijn trouwring droeg, koelbloedig den vinger afsneden, omdat de ring niet dadelijk over den knokkel wilde. Men weet niet, wat er gebeuren kan; smijt het ding daarom liever weg of verberg het.”

De gedachte, dat hij den ring, die voor hem eene zoo wonderbare beteekenis had, verliezen kon, viel Bernard zwaar op het hart.

„Wegwerpen,” zeide hij, „kan ik hem niet, want hij is mij onuitsprekelijk dierbaar; en waar zou ik hem verbergen, dat de roofzucht hem niet vinden kan?”

„Daar is misschien nog kans toe. Gij hebt zwaar, lang haar, daar laat hij zich misschien wegstoppen. Komaan, ik wil u hem er inknoopen; op eene nette frisuur komt het thans zoo niet aan.”

Bernard trok den ring van den vinger en Lacoste knoopte dien, terwijl hij een bundeltje haren door de opening stak en toen een knoop om den ring sloeg in Bernards lange lokken vast.

„Maar is hij wel goed bewaard? Zal hij niet verloren gaan?” vroeg deze bezorgd.

„Wanneer gij de lok, waaraan hij hangt, niet uittrekt, zekerlijk niet, en die is zoo diep verborgen, dat een raaf haar niet ontdekken zou. 't Is waar, de vingers der kozakken zijn.... Duivelsch! St!—In Gods naam stil! Hoort gij niets?” viel hij, opeens stilstaande en den vinger op den mond leggende, met bijna onhoorbare stem zich zelf in de rede.

Bernard schudde het hoofd.—Doch spoedig daarop vernam hij inderdaad een dof gerucht, alsof verscheidene menschen van verre in gesprek naderden.

„Er komen menschen aan,” fluisterde Lacoste; „geen tred van de plaats! Misschien gaan zij ons voorbij.”

Met deze woorden kroop hij in de dichte struiken en Bernard volgde zijn voorbeeld.

Nauwelijks hadden zij hunne schuilplaatsen bereikt, toen reeds een troep van tien of twaalf, met pieken gewapende boeren zichtbaar werd. Het hart sloeg den beiden vluchtenden hoorbaar in de borst. Zij hoopten nochtans, dat de schemering en de struiken hen zouden verbergen. Daar sloeg plotseling een hond aan; hij kwam snuffelend door de sneeuw en bleef blaffend voor het boschje staan. De boeren luisterden en zagen om.

„Thans helpt ons niets meer dan de vlucht; gij links, ik rechts!” riep Lacoste, „om hen te verdeelen,” en in hetzelfde oogenblik deed hij ook reeds een sprong uit het boschje en liep, wat zijne beenen konden, dieper het bosch in. De hond volgde zijn spoor met luid blaffen. Bernard, den raad van zijn vluggen makker volgende, sloeg even snel een anderen weg in. Zonder om te zien ijlde hij door de diepe sneeuw en de dichte struiken voorwaarts, tot hem de adem begaf. Thans stond hij stil en zag vorschend en luisterend rond. Alles was stil als het graf. Hij hoorde noch menschenstemmen, noch blaffen meer; alleen het huiveringwekkend ruischen van den nachtwind floot door de hooge toppen der boomen. Behoedzaam waagde hij zich weder in de richting van Smolensko, wijl hij daar zijn lotgenoot in het ongeluk hoopte aan te treffen. Spoedig vond hij zijn eigen spoor in de sneeuw terug. Dit volgde hij voorzichtig, ieder oogenblik luisterende, of er ook vijanden in de buurt waren. Doch het bosch was als uitgestorven. Het spoor bracht hem na een kwartier op de plaats, vanwaar zij gevlucht waren. Tot zijne vreugde ontdekte hij nu de sporen van Lacoste en durfde hopen, hem te vinden. Hij volgde ze; spoedig zag hij ze tot zijn leedwezen met vele anderen vermengd, een teeken, dat men den armen man hevig vervolgd had. Nog een eindweegs liepen zij in het bosch voort, dan hielden zij op en namen eene andere richting. Besluiteloos stond Bernard stil en overlegde, of hij het durfde wagen, hen ook het bosch uit naar den open weg te volgen. Hij onderzocht, of niet misschien Lacoste's voetstappen van deze geweldig doorwoelde plaats alleen het bosch verder inleidden. Doch hij vond er geen teeken van. „Zoo is de ongelukkige dan toch in handen zijner gruwzame vijanden gevallen?” Eene inwendige stem zeide Bernard, dat hij hem, die zijn redder was geweest, niet mocht verlaten, maar hem ten minste nog zooverre moest nasporen, als het, zonder zich zelf al te veel bloot te geven, geschieden kon. Daarop volgde hij de voetstappen, die naar den weg voerden, doch met omzichtigheid en ieder oogenblik scherp luisterende. Daar scheen het hem, alsof hij een zacht gesteun hoorde. Hij bleef staan en luisterde. Inderdaad, het herhaalde zich. Hij bedroog zich niet, er moest een levend wezen in de nabijheid zijn. Met vooruitgestoken hals ging hij op het geluid af; nu vernam hij het kermen naast zich, doch hij zag niemand op den grond liggen. De sneeuw was door vele voetstappen vertrapt; een zware den stond weinige schreden zijwaarts. Van daar kwam het gekreun; Bernard ging om den boom rond, welke aan de andere zijde vrijer stond; doch met een onwillekeurigen uitroep van ontzetting deinsde hij terug, toen hij in het halve licht der sneeuw en der schemering een bloedig, half naakt menschelijk lichaam zag, dat aan den boom scheen gebonden te zijn. Huiverend, doch zich zelf beheerschend, trad hij nader. Daar zag hij tot zijne ontzetting, dat de ongelukkige aan den stam _gespietst_ was, en toen hij hem in het gezicht zag, herkende hij zijn makker en redder.

„Almachtige God!” riep hij uit en had moeite, om zich op zijne beenen staande te houden. „Leeft gij nog, vriend? Kan ik u redden?” De stervende bewoog even het hoofd, ten teeken, dat hij den makker herkende; doch hij kon niet spreken. Zelf sidderend, doch het moest zoo zijn, vatte Bernard de afgebroken schacht eener piek, die den ongelukkige door den schouder geboord was, en trok haar uit. Doch een tweede ijzer was door de lendenen gepriemd, en wilde eerst voor al zijne kracht niet wijken; eindelijk gelukte het hem, ook dit er uit te trekken. Toen zonk de verloste mat ineen. Bernard ving hem op in zijne armen en liet hem zachtjes, met den rug tegen den boomstam, op den grond nederglijden. Twee malen nog haalde de ongelukkige diep adem, toen zeeg zijn hoofd op zijne borst neder en was zijn lijden geëindigd.

Bernard hield hem nog lang aan zijn hart en luisterde of het gevloden leven niet terugkeerde; te vergeefs. Het was geen droefheid, die hem vervulde; het was de doffe bedwelming der ontzetting. Het lijk op zijn knie houdende, zag hij strak voor zich heen; geen traan drong in zijn oog, hij liet geen zucht hooren. Het was stil als het graf; zelfs de wind ruischte niet meer door de dennen. Donkere wolken legerden zich zwart en onbewegelijk aan den hemel. Daar fladderden twee raven nader en klapwiekten om den top van den hoogen den, als wachtten zij reeds op hun buit.

„Gij zult ten minste het lijk niet misvormen,” zeide Bernard en stond op. Met zijn stok en zijne eigene handen en voeten maakte hij eene breede groeve onder den denneboom in de sneeuw. Daarop schikte hij de haren en kleederen van het lijk. Toen hij het hemd wilde toeknoopen schramde hij zich aan eene speld. Hij voelde, wat het was, en ontdekte, dat de soldaat zijn hoogsten schat, het kruis van het legioen van eer, van binnen in zijn hemd met eene speld had vastgestoken. „Gij zult het graf van den dapperen versieren, al zoude ook nooit weer een mensch hier voorbijgaan.”

Met deze woorden legde hij het lijk in het koude graf en wentelde hooge sneeuwhoopen daarop, tot zij een witten, vasten heuvel vormden. Met hetzelfde ijzer der piek, dat den doode de schouders doorboord had, hechtte hij daarop lint en kruis aan den stam van den denneboom, zoodat het eereteeken boven het graf schitterde.

Met gekruiste armen stond Bernard voor den sneeuwheuvel. „Rust zacht onder dit koude kleed, tot de lente het oplicht, en kruit en bloemen over uw gebeente uitspruiten!—Gij hebt een duurzamer gedenkteeken verdiend! Neem dit voor lief! Hier wordt het niemand beter aangeboden!—Vaarwel!”—Hij keerde zich om. Dieper en dieper ging hij het bosch in, vast besloten, zijne laatste krachten aan zijne redding te wagen, doch overtuigd, dat het te vergeefs zoude zijn.

HOOFDSTUK IV.

Terwijl Lodewijk en zijne medegevangenen door het bosch gevoerd werden, zag hij met zorgvolle blikken om zich heen, of hij Bernard niet ontdekte. Hij wist nauwelijks, of hij hopen of vreezen moest hem te zien. Het zoude een onbeschrijfelijke troost voor hem geweest zijn, wanneer hij zijn leed in gezelschap van zijn vriend had mogen dragen, doch zijne edele ziel verzette zich tegen de geringste opwelling dezer zelfzucht. Hij koesterde de geheime, ofschoon zwakke hoop, dat Bernard gelukkiger in zijne onderneming mocht geweest zijn en spoedig Rasinski en de vrienden mocht bereikt hebben.

Na eene wandeling van een uur bereikte men een open plaats, die echter rondom door het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge nachtvuren, om welke talrijke zwermen gewapende landlieden lagen. Met verwondering zag Lodewijk ook vele vrouwen, die de algemeene haat tegen den vijand van hare vreedzame werkzaamheid afgerukt en midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenigen maakten het eten gereed, anderen poetsten geweren, eene andere zag hij een gewonde verbinden.

Eerst scheen men op de aankomenden niet bijzonder veel acht te slaan. Toen men echter de gevangenen, die zij medebrachten, in het oog kreeg, stroomde alles nieuwsgierig toe, om de ongelukkigen op te nemen. De wanhoop in de gelaatstrekken van dezen stak schrikkelijk af tegen de uitdrukking van hoon en woeste vreugde bij de overwinnaars. Lodewijk had al zijne kracht noodig, om zijne mannelijke bedaardheid te bewaren. De toevallige omstandigheid, dat hij niet van zijne kleederen beroofd was, gelijk de overigen, maar, nog in een warmen mantel gehuld, ten minste niet van koude behoefde te beven, kwam hem daarbij zeer te stade. Hij wekte daardoor nochtans ook de roofzucht der aandringende vijanden op, wier voornemens hij uit hunne gebaren en hun immer luider wordend gemompel raden kon. Eindelijk trad een baardig kozak, waarschijnlijk vermeenende, dat hij boven de anderen iets vooruit had, op hem toe en wilde hem de muts van het hoofd nemen. Lodewijk trad onwillekeurig een tred achteruit en weerde den Rus met de hand af. Daar hief deze toornig zijn knuppel, die wel eene knods geleek, tot een verschrikkelijken slag omhoog. Zonder twijfel zou hij Lodewijks hoofd verpletterd hebben; doch opeens klonk de luide kreet eener vrouwelijke stem en in hetzelfde oogenblik trad eene edele, in kostbaar pelswerk gehulde gedaante, doch met gesluierd gelaat, door de rijen der omstanders en hield den opgeheven arm van den Rus tegen.

Toornig wendde deze zich om; doch toen hij zag, wie zijne hand tegenhield, veranderde zijn toorn in de diepste onderdanigheid en trad hij met eerbiedige buigingen terug.

Lodewijk was door het wonder dezer nieuwe redding, die met de snelheid van een oogwenk plaats had, als bedwelmd; hij hechtte zijne blikken op zijne redster, maar kon geen woord van dank of erkentenis uitbrengen. Zij stond, zelve geheel van schrik verbijsterd, uit het diepst van haar boezem met moeite ademhalend, nauwelijks in staat zich staande te houden, vóór hem en sloeg de handen als ware het tot een dankgebed samen. Eindelijk sloeg zij den sluier terug, terwijl zij met eene bevende, onbeschrijfelijk roerende stem zeide: „Kent gij mij?”

Alsof eene hemelsche verschijning, een reddende engel des Almachtigen, plotseling in stralenglans voor hem was getreden, zonk Lodewijk, zich zelf niet meer meester, voor de ontsluierde op de knieën. Het was Bianca.

Bevend vatte hij hare hand; hij boog zijn hoofd, zijne tranen stroomden—hij meende in deze overmaat van zaligheid zijn leven te eindigen.

„Zoo kon ik u dan toch dankbaar zijn!” zeide zij en hief het blauwe, in tranen zwemmende oog ten hemel. „O, almachtige Vader, Uwe hand stuurde mijne schreden!—Wanneer ik te laat ware gekomen!”

De omstanders staarden de groep met sprakelooze verwondering aan.

„Wat beteekent dat?” vroeg opeens eene ruwe mannenstem. Lodewijk ontwaakte uit zijne bedwelming en sprong op.

Een ruiter was den kring binnengereden; het fraaie paard en zijne rijke kleeding verrieden den aanvoerder.

Het was graaf Dolgorow.

„O, mijn vader!” riep Bianca op hartstochtelijken toon, „zie hier onzen redder!”

„Wie? waar?” vroeg de graaf en wierp een doordringenden blik op Lodewijk. Doch opeens brak hij zijne verwondering af door den uitroep: „Gij hier? ellendeling!” en met één sprong was hij van het paard af en drong in de rijen der gevangenen door, om Beaucaire, wiens knieën van koude en schrik knikten naar voren te sleuren.

Dolgorow, wiens borst door wraak sneller werd ontgloeid dan door dankbaarheid, vergat deze om gene te bevredigen! In Engeland en Italië, waar hij zich in gewichtige, maar gevaarlijke diplomatieke betrekkingen had bevonden, was Beaucaire zijn secretaris en geheime agent geweest. Toen de oorlog in het jaar 1812 uitbrak, en Napoleon de engelsche en russische agenten in alle landen op het ijverigst deed opsporen, waren ook Dolgorows bemoeiingen bekend geworden. Hij moest uit Rome overhaast en vermomd vluchten. Beaucaire bekwam een pas als duitsche graaf Wallersheim. Feodorowna ging, onder den naam van Bianca, voor zijne zuster door. Dolgorow zelf werd voor eene oude bediende, zijne vrouw voor de gouvernante der jonge gravin uitgegeven. Zoo aanvaardden zij gezamenlijk de reis. Te Milaan dacht Beaucaire, die eene zinnelijke liefde voor de dochter des graven had opgevat, van de moeielijke omstandigheden alles te kunnen verkrijgen. Hij waagde voorstellen te doen, die Feodorowna met verstoordheid afwees en welke de woede haars vaders deden ontvlammen, ofschoon in zijn toorn het grootste gevaar lag. Hij mishandelde den schelm en stiet hem met smaad van zich; deze snelde heen om hem te verraden. Doch reeds had de graaf toebereidselen gemaakt, om zoo snel mogelijk te ontvluchten, terwijl hij zijn reisplan veranderde, daar hij, in plaats van over Verona naar Inspruck en Munchen, den weg over den Simplon insloeg. Daar ontmoette Lodewijk hem.—Redder en verrader waren thans tegelijk in zijne handen gevallen, en de laatste zou nu zijn loon ontvangen.

„Heilige God! Welke bestiering!” riep Feodorowna uit, toen haar oog op den ellendeling viel, dien Dolgorow, ondanks zijn tegenstreven, uit de sidderende menigte bij den strot naar zich toesleurde.