Part 66
„Laat dat voor het oogenblik daar; het is zooals ik gezegd heb; doch wij hebben over belangrijker dingen te spreken. Van dien schrikvollen nacht af begon de onweerswolk des verderfs hare wrekende bliksems op de verwatenen af te zenden, die het gansche gewapende Europa in dit rijk voerde, om onze velden te verwoesten. Hun aanvoerder moest den smaadvollen dag beleven, waarop hij zich tot de vlucht genoodzaakt zag; de trots van den nooit overwonnene is gebroken, het verderf heeft hem bereikt. Reeds hier hoopten wij hem te vernietigen; het is te laat geworden, doch hij ontgaat zijn noodlot niet.—Hoor mij thans oplettend aan, waarde vader, want wij hebben uwe hulp noodig. Gij zult niet vergeten hebben, hoe de bruiloft mijner dochter gestoord werd. Gij ziet haar thans in de rouwkleederen eener weduwe, want haar echtgenoot is niet meer. Toen wij vluchtten, bereikten de vijanden ons bij het bosch, achter den tuin. Een kogel trof den prins; hij viel, doch het gelukte ons, hem in het bosch te verbergen. Op eene draagbaar van takken droegen wij hem tot aan het naaste dorp en daar vonden wij het middel, hem langzaam naar Moskou te doen brengen, daar de steeds nader en nader rukkende vijand ons drong, zoo ver te vluchten. Want hij wilde liever sterven, dan den vijand in handen vallen. Van Moskou snelde ik zelf naar het leger terug. Ik streed bij Borodino, waar wij niets verloren dan een woesten, met lijken bedekten grond. Hij werd ons duur betaald. Gewond, ofschoon licht, begaf ik mij naar Moskou, alwaar de prins door zijne en mijne gemalin verzorgd, zijn moeilijk ziekbed doorstond; want daar wij hem geene rust konden gunnen, was de wonde zoo gevaarlijk geworden, dat zij weinig hoop meer gaf op herstel. Thans rukte de vijand voor de hoofdstad. Terwijl hij introk, worstelde Ochalskoi met den dood. Wij hadden hem in een afgelegen vleugel van het slot in een verborgen, goed beschermd vertrek doen brengen waar wij in eene geruste verborgenheid hadden kunnen blijven, wanneer de brand der stad niet besloten ware geweest. Met het ondergaan der zon sloot Ochalskoi zijne oogen. Wij wachtten slechts op den nacht, om langs geheime, zekere wegen te ontvluchten, maar het lijk zelfs van den edele lieten wij niet aan den vijand, want ik had het hem in zijn doodsuur beloofd, alles te zullen wagen, om hem op onbezoedelden, russischen bodem te begraven.
„Het gelukte ons het vrije veld te bereiken; de vlammen van Moskou lichtten bij onze vlucht. Spoedig bereikten wij het dichte bosch en daarachter den grooten weg naar Petersburg.
„Ik begaf mij, door mijne gemalin en dochter begeleid, naar den keizer. Van daar werden nu de onzichtbare netten uitgespreid, waarin wij den vijand des vaderlands lokten. Wij hielden hem op met vredesvoorslagen, tot hij eindelijk bemerkte, dat hij, die vroeger gewend was anderen te bedriegen, voor ditmaal zelf de bedrogene was. Nog was het tijd voor den terugtocht geweest, ofschoon hij het duur zoude gekocht hebben, om de grenzen van Rusland nog eenmaal te betreden. Maar zijne trotschheid wilde dezen smaad niet ondergaan; in den waan zijner onverwinnelijkheid beproefde hij zich een nieuwe baan te breken. Dit mislukte. Zijn dag was gekomen, hij moest terugkeeren en vluchten; doch het was te laat! Reeds trekken van alle zijden de draden, waarmede wij hem omspannen, zich bijeen. De Almachtige is met de heilige zaak des vaderlands. Hij liet zijne zon bedriegelijk schijnen en verborg door hare zachte stralen de nabijheid des winters, die grimmig loerend in zijne hinderlaag lag, waaruit hij nu op eens moordend voor den dag gekomen, in hunne scharen indringt, als de wolf in eene weerlooze kudde. Geen vlucht kan hen redden; alle wegen zijn bezet. Waarheen zij zich keeren, moet hun het verderf te gemoet treden. Daarom kom ik hier. Thans, vader, komt het er op aan, Ruslands zonen met heilige woede te vervullen tegen deze spottende onverlaten, die zich verheugen in de tranen onzer woede. Gij zult mij helpen, hen op te ruien, te verzamelen en tegen den vijand op te trekken. Daarom kom ik uit de hoofdstad; ik ijlde als de wind hierheen, want ik hoopte Smolensko nog voor den franschen keizer te bereiken en bij overrompeling de vesting te bemachtigen. Dan was hij hier in het hart van Rusland gevallen. Doch dat is te laat. Ik weet, dat hij sinds gisteren reeds hier is; met gevaar slechts, langs omwegen door de wouden, kon ik tot hiertoe doordringen; doch waar ik den grooten weg kruiste, zag ik de sporen reeds van het verderf, dat hem bereikt heeft. De weg is met lijken en goederen bedekt. Maar er mag niet één ontkomen, niet één, die het onheil in zijn vaderland kan verkondigen. Slechts uit het doodsche zwijgen, uit het ijselijke verdwijnen van elk spoor, mogen de zijnen te huis gewaar worden, welk lot hem getroffen heeft, benevens hen, wier aanvoerder hij was.—Als de dag aanbreekt, Gregorius, verzamel dan het volk door het gelui der klok in de kerk, vervul hunne harten met de vlam der woede, roep hen op tot wraak tegen de vijanden van hun God. Geene kinderen, geene vrouwen mogen werkeloos blijven. Daarom heb ik ook gemalin en dochter medegebracht, wijl zij het voorbeeld moeten geven van den plicht eener edele dochter van Rusland.—Dan zal ik onder hen treden, hen uitzenden als boden door geheel het omliggende land, en eer de avond valt, zullen wij duizende gewapenden hebben, om tegen den vijand aan te voeren. Zij moeten ijlings op de moedelooze vluchtenden instormen, gelijk een zwarte onweerswolk den hagelslag op de akkers nederzendt! Dat is thans onze plicht, Gregorius! Gij zult mij helpen dien uit te oefenen.”
„Zoo waar het aangezicht des Heeren over mijn grijzen schedel licht,” riep de grijsaard met een blik vol geestdrift, en hief zijne rechterhand plechtig omhoog. Toen zonk hij op de knieën en bad uit het diepst van zijn hart:
„Almachtige Vader! Algoede Bestuurder onzer lotgevallen! Zoo hebt Gij mijn smeeken verhoord en laat dezen dag des heils schitterend voor mijne oogen verrijzen. Heb dank, Algoede! Dit laatste werk worde mij nog toegelaten te voltooien; dan wenk mij, en verheugd leg ik mijn hoofd in het graf neder.”
HOOFDSTUK II.
Zonder door om te zien ook maar een oogenblik tijds te verliezen, had Bernard in vollen ren den hoek van het bosch bereikt. Zijne vervolgers waren hem op de hielen, doch de gulden prijs der vrijheid, die hem toewenkte, gaf hem vleugels. Gods hand bewaarde hem, want ofschoon eenige kogels vlak langs zijn hoofd voorbijvlogen, wondde hem evenwel geen daarvan. Thans dekten hem de dichte struiken; deze belemmerden wel de snelheid zijner vlucht, doch zij verborgen ook hare richting en stelden dezelfde beletselen zijnen vervolgers in den weg. Met het hoofd voorover gebogen, zijn linkerarm beschermend voor zijne oogen houdende, vluchtte hij voort en bemerkte nauwelijks dat de struiken hem de handen en het aangezicht bloedig openreten. Eindelijk ontbrak hem de adem; hij stond een oogenblik stil en schepte lucht. Luisterend stond hij daar, of zich ook voetstappen achter hem deden hooren. Alles bleef doodstil. Voorzichtig snelde hij na eene rust van weinige seconden nog een eind dieper het bosch in, tot hij in zulke dichte struiken kwam, dat zij hem zelfs voor iemand, die vlak langs hem heen ging, zouden verborgen hebben. Hier eerst vergunde hij zich eene langere rust en overlegde, wat hem nu te doen stond.
Gij zelf zijt voor deze reis gered, dacht hij, terwijl hij diep uit de borst ademhaalde en het oog dankbaar tot den hemel hief; was Lodewijk maar eerst hier bij mij!—En dan? Wij beiden eenzaam in deze woestijn? Aan de koude, den honger en de woede der inwoners prijsgegeven? Schaam u, Bernard, wilt gij den moed laten zinken op het oogenblik, dat gij het bewijs ontvangen hebt, dat niets verloren is, zoolang niet alles verloren is? Nader slechts, gij toekomst! men moet u kloek in het oog zien, als een kampvechter zijn vijand; dan weet men zich veilig voor iederen slag.
Onder deze gedachten zette hij zijn weg in de richting naar den heuvel met de drie dennen voort. In het binnenste van het bosch heerschte nog diepe schemering; doodstil was alles om hem heen. Daar klonken op eens verscheidene schoten. „Heilige God! wanneer dat Lodewijk gold, dien men weder gevangen had,” riep Bernard en stond als aan den grond genageld, met het bovenlijf vooruit, naar de richting van het geluid gebogen. Daar vielen wederom schoten en nog eens en nog eens. Neen, dacht hij met meer opgeruimdheid, dat was het schrikkelijk geluid niet, waarvoor ik vreesde. Intusschen bleef hij geheel in het onzekere, hoe hij dit schieten zoude verklaren, te meer, daar het zich met verward, dof en zwak door de morgenstilte tot hem overwaaiend geschreeuw vermengde.—„Wist ik maar, waar de vijand ergens uit den grond kon zijn opgekomen, dan zou ik gelooven, dat dit een gevecht was. Of de vlakte dan van hier nergens te overzien zoude zijn?” Hij ging naar den zoom van het bosch, doch nog eer hij dien bereikte, had het schieten en al het gerucht opgehouden. Des te angstiger luisterde hij, of hij geen voetstappen in den omtrek hoorde, of de struiken geen geluid maakten, wijl een driftige voetganger ze vaneen boog. Te vergeefs.
Bernard wist thans niet, of hij zich haasten zou het bepaalde punt der samenkomst te bereiken, dan of hij zou terugkeeren en trachten uit te vorschen, wat er van Lodewijk mocht geworden zijn. Na kort beraad koos hij het laatste. „Hij mag een half uur langer op mij wachten, het is beter, dat hij dit uitsta, dan dat ik hem misschien hulpeloos en zonder vriendentroost in de handen zijner vijanden achterlaat. Zoo hij het offer geworden was? Neen, neen! Het is onmogelijk. Maar is hij het, welnu, dan wil ik het ook zijn.”
Er lag in dit besluit eene zekere hooghartigheid. Men moest niet durven zeggen, dat hij, om zich zelf te redden, zijn vriend verlaten had. Hij gevoelde wel, dat voor Lodewijk zijn offer te laat kwam; maar het scheen hem eerloos, hem te overleven.
„Maar Maria!—Zoudt gij geen trouwer vriend zijn, wanneer gij voor de eenzame, hulpelooze zuster zorgdet? Voort, voort, uw hart wil u beliegen—vertrouw het niet!”
Bernards inwendige angst klom, hoe heviger de strijd in zijn binnenste werd en hoe nader hij bij de plaats kwam, waar hij zekerheid over het lot zijns vriends hoopte te verkrijgen. Eindelijk had hij het einde van het bosch bereikt en kon hij den heuvel overzien, waar de dood hem en Lodewijk had moeten treffen. Hij was verlaten, niemand nabij; Bernard waagde zich vooruit. De sneeuw was van ontelbare voetstappen doorkruist; ook ruiters moesten hun weg over den heuvel genomen hebben. Thans ontdekte Bernard een verloren chakot, bloedplassen, de ondubbelzinnigste bewijzen, dat hier een gevecht had plaats gehad. Van verre zag hij eenige lijken—hoe, zoude Lodewijk daaronder zijn? Hij snelde ijlings daarheen. Goddank, neen! het zijn andere uniformen.
Drie mannen lagen op de sneeuw ter neder. De eersten herkende Bernard; het was de brave Elzasser, Cottin; de beide anderen waren hem onbekend. De vreugde, dat Lodewijk gered scheen, liet het warm gevoel van medelijden met den wakkeren landsman niet opkomen. De vlucht moest hem gelukt zijn. Daar, waar de drie dennen oprijzen, wacht hij mij misschien reeds. Ik moet mij haasten, zijne onzekerheid te bekorten.
Ook zonder dezen inwendigen aandrang had Bernard reden gehad, zoo snel mogelijk te vluchten, want juist rukten eenige compagniën, in der haast bijeengeraapt, door het schieten opmerkzaam geworden, uit de slechts eenige honderden passen verwijderde poorten van Smolensko naar buiten, om de, zoo het scheen overvallen kameraden, doch te laat, ter hulp te snellen. Bernard bemerkte hen nog bijtijds en nam zijn weg het bosch weder in, naar de plaats, met Lodewijk tot de bijeenkomst bepaald.
Na een half uur had hij haar bereikt. De dennen stonden eenzaam op eene slechts met lage struiken begroeide hoogte, die hem een vrij uitgestrekt gezicht in de verte verschafte. Voor zich zag hij de torens, gevels en muren van Smolensko, waarachter de besneeuwde heuvels, welke den loop des Dniepers volgen, zich verhieven. In de verte liep een lange, blauwe rij van bosschen langs den horizon; aan de rechterhand achter een groot dennenbosch liep op een kwartier afstands ongeveer de groote weg naar Moskou; achter zich en ter linkerhand ontdekte het oog, zoover het reikte, slechts onmetelijke wouden, die zich over de hoogten en laagten van den grond onafzienbaar uitstrekten. Slechts weinige opene plaatsen waren zichtbaar, maar ook deze vertoonden zich slechts als rondom van bosschen ingesloten ruimten. De heuvelrij aan deze zijde des strooms beperkte het gezicht; ter linkerhand achter deze moest, zoo herinnerde Bernard het zich nog van vroeger, vlak een open veld zijn.
Hij wierp slechts een vluchtigen blik over deze treurige, eenzame landouw; zijn oog zocht Lodewijk. Hij ontdekte hem niet. Eerst zacht, vervolgens al harder en harder, riep hij den naam zijns vriend, doch zijne stem verloor zich in de diepe eenzaamheid en stilte, zonder antwoord te ontvangen.
Thans werd hij bevreesd. Duizend mogelijkheden kwamen hem voor den geest, welke de waarheid zeer nabij kwamen, zonder deze evenwel te treffen.
Hij kruiste in den omtrek van den berg rond, doorzocht alle boschjes, zocht naar voetstappen in de sneeuw, of hij daaruit Lodewijks spoor misschien mocht ontdekken, zoo deze verdwaald geraakt was—alles te vergeefs. Altijd ontdekte hij, hoever hij ook in het rond trachtte te zien, geene andere voetstappen dan die, welke hem zelf op den top des heuvels gebracht hadden. Deze kruiste hij een-, twee-, driemaal; hij hield zich eindelijk overtuigd, dat geen menschelijke voet, behalve de zijne, ook slechts in den omtrek des heuvels was gekomen.
De zekerheid viel hem als lood op het hart.—Was Lodewijk gered of niet? Had hij hem niet goed begrepen? Had hij zijne vlucht naar eene andere zijde gericht? Of hadden omstandigheden hem genoodzaakt, zijn behoud naar den anderen kant van het bosch te beproeven?—Was hij in het gevecht gebleven?
Deze en duizend andere vragen kruisten zich in Bernards hoofd, doch hij wist ze niet te beantwoorden.—Slechts die ééne schrikkelijke zekerheid verkreeg hij meer en meer dat hij van zijn vriend gescheiden was, dat slechts eene gunstige wending van zijn lot die buiten zijn bereik en zijne berekening lag, hen weder met elkander kon vereenigen.
Het werd middag. Van het waden door de sneeuw waren Bernards voeten doornat, de spieren zijner knieën ten uiterste afgemat. De honger deed zich met pijnigende hevigheid gevoelen, want het sinds twee dagen goed gevoede lichaam had weder kracht gekregen, om den aanval van den vijand eenigen tijd zonder afmatting, maar daarvoor ook met des te grooter smart te kunnen trotseeren. Een besluit moest hij nemen. Hem bleef slechts de keus over, of in de vesting terug te keeren en zich alzoo den zekeren snellen dood over te geven, of alleen de vlucht door de sneeuwwoestijn te wagen, waar duizend rampen en gevaren op hem wachtten, waartoe de zwakke hoop op behoud nauwelijks den moed en de kracht om te lijden konde geven.
En waarheen zou hij zijn weg nemen? Zonder wapen, om zich tegen een hongerigen wolf te verdedigen of hout voor een vuur te hakken, zonder levensmiddelen, met zeer weinig gangbaar geld, scheen het hem onmogelijk, voorwaarts naar zijn vaderland te komen. Er bleef hem niets over, dan terug te gaan, om het korps van Ney, dat nauwelijks twee dagmarschen achter kon zijn, en met dit het regiment van Rasinski te bereiken.
Was Lodewijk gered, kon hij zooals Bernard vrij handelen, dan bleef ook voor hem geen andere raad over. Daarom was deze weg ook de eenige, op welken hij hopen kon zijn vriend weder te ontmoeten.
Hij brak zich een sterken dennetak af, sneed dien met zijn zakmes, dat hij gelukkig bij zich had, tot een wandelstaf en tot een wapen in tijd van nood, en begon door het woud zijn tred naar den grooten weg te richten. In zijne ziel zag het er zoo somber uit, als rondom hem in de natuur. Hij moest door een ongebaande wildernis heenworstelen en dikwijls tot aan de knieën door de sneeuw waden. Daardoor kwam hij slechts langzaam vooruit, en ofschoon de weg in de naaste richting slechts een half uur van den heuvel verwijderd was, had hij dien evenwel na twee uren nog niet bereikt, deels omdat hij hem niet zoo dicht bij de vesting durfde over steken, en dan, daar zijn weg door de vele hindernissen en omwegen, welke hij moest maken, buitendien wel de helft langer werd. Deze inspanning en de honger, welke hem kwelde, putten zijne krachten zoozeer uit, dat hij zich eindelijk moest nederleggen. Hij ruimde met zijn stok en eenige bijeengebonden takken de sneeuw een weinig op, maakte zich van afgebroken dennenrijs een leger en legde er zich op neder, om een weinig uit te rusten. Doch hij droeg angstvallig zorg, den slaap van zich af te weren, om niet in dien slaap te bevriezen en zoo eene buit des doods te worden. Hij had echter deze voorzichtigheid niet noodig gehad; want de zorgen zijner ziel en de kwelling des hongers waren nog te hevig, om hem te laten sluimeren, en zijn lichaam nog niet zoo afgemat, dat hij de vermoeidheid als de ergste aller kwalen gevoelde. Om de knaging, welke hem de honger veroorzaakte, eenigermate te lenigen, sneed hij de jonge harsachtige spruitjes uit de takken en beproefde die te eten. Deze bittere kost met eenige handen vol sneeuw, welke hij tot stilling van zijn dorst genomen had en langzaam op zijne tong liet smelten, was de eenige versterking, welke zijn ellendige toestand hem vergunde. Na een uur gerust te hebben, brak hij weder op en bereikte nu spoedig den grooten weg. Doch welk een gezicht deed zich daar voor hem op! De weg was met half naakte, bevroren lijken bedekt, die halverwege uit de sneeuw uitstaken. Kleine, licht besneeuwde heuveltjes, tegen welke zijn voet onder het gaan gedurig aanstiet, waren de graven van even zoovele ongelukkigen. Weggeworpen wapens, uniformen, bagage, doode paarden zouden de richting, die het leger genomen had, genoegzaam aangeduid hebben, al ware er ook geen groote, door kanonnen en wagens stuk gereden heirbaan te zien geweest.
Eene kille huivering voer door zijne borst, toen hij zich thans zoo alleen midden onder deze sporen bevond, die de schrikkelijke baan kenmerkten, welke dood en verwoesting door deze sneeuwwoestijnen genomen hadden. De weg geleek één lang, onmetelijk kerkhof, waar echter geen vriendenhand de gestorvenen zacht begraven had. Slechts het lijkkleed der sneeuw bedekte koud en akelig de gevallenen.
Bernard moest thans spoedig een dorp bereiken; de weg boog zich en het lag voor hem. Doch geen huis was er meer te zien; alles omvergerukt, alles verbrand; nauwelijks staken nog hier en daar eenige schoorsteenen en zwart verbrande muren uit de sneeuw uit. Vermoedelijk was hier in de nabijheid een bivak geweest, zoodat de manschappen al het houtwerk voor hunne vuren gebruikt hadden. Spoedig zag Bernard ook de zwarte plekken aan den zoom van het bosch, alwaar de vuren gebrand hadden. Hij ging er heen, in de hoop van iets te vinden, dat zijn honger zoude kunnen stillen. Tevergeefs! Hier lagen ook geene lijken; want hier hadden immers de sterkeren gerust en het vuur had hen voor verkleumen bewaard.
Bernard stiet met zijn staf in een aschhoop en woelde er zoo een nog smeulend stuk hout uit. Dus kon dit bivak dezen morgen eerst verlaten zijn. Hij ontdekte een knoop op de sneeuw; hij nam dien op. Een zoete schrik overviel hem; hij ontdekte er het merk van zijn regiment op. Dit lichte spoor zijner vrienden gaf hem nieuwe hoop. Rasinski had dus hier rust gehouden. Daar hij eerst na den middag uit Smolensko was uitgerukt, moest hij hier des nachts gebivakkeerd hebben en was misschien slechts een halven dagmarsch van de plaats verwijderd.
Had Bernard thans slechts eenige spijs gehad en een paar uren kunnen rusten, zoo had hij zijne vrienden dien nacht misschien nog ingehaald. Doch hij was te vermoeid; want reeds begon de avond te vallen, en hij had den ganschen dag niets genoten en zich op de vermoeiendste wijze door de diepe sneeuw in nooit betreden bosschen moeten werken, niet eenmaal zijne verschrikkelijke gemoedsbewegingen van dien dag in aanmerking genomen. Thans gevoelde hij voor de eerste maal, dat zijn alles trotseerende moed wankelde. De afmatting zijner lichaamskrachten werkte op zijne ziel terug; de diepe eenzaamheid wierp hare donkere schaduw in zijn boezem; de spoorslag om door zijn moedig voorbeeld het vertwijfelen van anderen te verhinderen, bleef uit en met het ontbreken daarvan verdween ook de kracht.
Zwijgend, de armen over elkander geslagen en, daar de koude hem deed rillen, zich ineen krommende, zat hij op een half ingevallen muur en zag donker voor zich heen. Rondom de stilte des doods; het donker dennenwoud stond daar ijzingwekkend koud, en de takken bogen zich onder den last der sneeuw ter neder; grijze nevelwolken dreven langzaam en laag over de toppen van het woud. De adem was uit de borst der natuur geweken; zij lag daar als een lijk, bevroren, zonder warmte, zonder liefde. „En wat is het dan meer,” sprak Bernard, eensklaps oprijzende en moedig vooruittredende, „sluimeren er hier dan niet duizenden? Waarom wilt gij u verzetten, in de koude, uitgebreide armen des doods te zinken! Het lijden zal kort zijn; rust een oogenblik aan zijne borst en uw warm leven is ingezogen door de ijskoude verstijving, en smart en vreugde zijn voorbij.”
„Gij wilt weekhartig worden! Wijl achter dezen grauwen sluier nog de blauwe zonnige dag rust, dien gij ook eens gezien hebt? Wijl vriendelijke gedaanten aan de grenzen dezer woestenij staan?—Waart gij dan gelukkig, toen gij onder hen in het licht verkeerdet? Hebt gij niet altijd de smart in uw boezem verborgen omgedragen? Kon het bonte gewemel des levens u troosten en verkwikken? Droppels bevochtigen uwe tong, maar uw brandende dorst werd niet gelescht, en de lafenis vermeerderde slechts uwe kwaal.—En toch beeft gij, daar de hamer zich thans oplicht, om het uur der rust, der verlossing te slaan? Wil dan het rijsje der hoop zelfs in deze woestijn nog niet bevriezen! Is uwe mannenkracht niet in staat deze zwakke, uitgebrande vonk te verstikken? Schaam u! Zie het spooksel als een man aan! Het leeft alleen in uwe borst; gij ziet slechts de afspiegeling der verschrikkingen, welke gij zelf schept en in u omdraagt. Verpletter met een forsche vuist den bedriegelijken spiegel, en de spookgestalten zijn vernietigd.”
Doch tevergeefs kampte het geweld der gedachte tegen de macht der wezenlijkheid. Te vergeefs beproefde de geest de banden te verbreken, die zijne vrije vleugels in den kerker des lichaams en der zinnen vasthielden. Zij lieten hem niet uit hunne macht en stonden op hun oud recht, met hem tegelijk te heerschen, tot de dood het zegel van het voor de aarde gesloten verbond verbroken had.
Zoo bleef het spooksel dan ijzingwekkend voor Bernard staan en hij voelde, tegen wil en dank, hoe het afgrijzen door zijn boezem sloop en dieper en dieper zijn hart indrong.
„Deze boomstam moge het dan zijn!” zeide hij somber, wikkelde zich, inwendig rillend, vaster in zijn mantel en wierp zich weder op den grond neder.
HOOFDSTUK III.
Nauwelijks echter lag hij, toen hij de struiken achter zich hoorde bewegen en dadelijk daarna menschelijke voetstappen vernam. Hij voer overeind en zag om. Daar opende zich de dennenbosschen voor hem en eene wonderlijke, avontuurlijke gedaante, in een grauwen pels gehuld, een rooden doek om het hoofd gebonden, trad er voorzichtig, naar alle zijden rondziende, uit te voorschijn.
„Heidaar!” riep hij in het fransch Bernard toe. „Leeft gij, of zijt gij een lijk!”
„Ik leef,” hernam Bernard en richtte zich met moeite overeind.
„Gij ziet er echter uit, alsof het niet lang meer duren zou,” hernam de soldaat. „Zijt gij flauw van den honger?”
Bernard knikte met het hoofd. „Dan kan ik u helpen,” zeide de ander en kwam nader; „maar zeg mij, waar gaat de weg naar Smolensko?”