Part 65
Thans sidderde Lodewijk. Zijn hart sloeg hevig; hij wendde zich naar den heuvel om en zag in den grijzen nevel de drie dennen staan. Men kon zich in de plaats niet vergissen en in een half uur kon zij bereikt zijn. Opnieuw alzoo wenkte hem de redding. Bernard toonde ze hem als mogelijk, nabij, waarschijnlijk. Met geweld rukte hem de hoop weder uit de banden des doods in het leven terug. Gebroken was thans de kracht zijner standvastige verzaking; alle levensprikkelen en polsslagen werden weder wakker en sloegen hevig in zijn boezem. Wanneer de vlucht hem nu mislukte, dit gevoelde hij, dan werd de dood hem zwaar.
Nauwelijks hadden deze gedachten de baren van zijne borst stormachtig in beweging gebracht, toen Bernard het gunstige oogenblik waarnam en op eens met geweldige kracht de beide naastbijstaande soldaten door een onverwachten stoot in den nek voorover op den grond wierp, met één sprong uit hun midden was en onder het roepen van: „Volg mij, broeder!” snel als een hert naar het woud vluchtte.
Aldus had hij voor zich en Lodewijk de baan gebroken; deze, op den wenk wachtende, sprong naar de andere zijde weg en vluchtte insgelijks over de besneeuwde vlakte. De soldaten stonden als verbijsterd.
„Zendt hen eenige kogels na!” riep de officier, en eenigen schoten. Maar tegelijk waren anderen de vluchtenden in vollen ren nagesneld en verhinderden den overigen hunne geweren af te schieten, daar zij even goed hunne kameraden als de vluchtenden konden treffen. Allen wierpen dus hunne geweren in de sneeuw, om des te lichter te zijn, en vlogen de vluchtelingen na. Lodewijk trachtte zich dicht aan Bernard te houden, om zijn lot niet van dat zijns vriend te scheiden; doch de zwerm der vervolgers, die zich tusschen hen wierpen, dwong hen spoedig eene verschillende richting te nemen. Vlucht en vervolging werden even moeilijk; want toen men van den steilen top des heuvels, waar de wind de sneeuw had weggevaagd, meer het bosch naderde, waar de storm haar niet zoo vatten kon, zonk de voet bij iederen tred diep daarin weg. Reeds zag Lodewijk de zwarte dennestruiken vlak voor zich, die hem redding zouden aanbieden, reeds waande hij het onrechtvaardige noodlot ontkomen te zijn, toen hij op eens tot aan zijn middel en bij de eerste beweging tot aan de borst in de sneeuw zakte, die, in een aardkloof opeengewaaid, deze slechts licht met haar bedriegelijken sluier bedekte. Hij arbeidde met alle spierkracht, om zich te redden—doch te vergeefs. In weinige seconden hadden zijne vervolgers hem bereikt, pakten hem onbarmhartig met hunne sterke handen aan en sleurden hem bij zijne armen en haren naar boven.
Ach, hoevelen, die in deze koude graven, in deze loerende wolfskuilen hun dood vonden, smeekten te vergeefs om eene reddende hand. Hem rukte de woede eener woeste moordlust uit de geopende kaken des doods terug, om hem aan het nog gewisser verderf over te leveren. Hij beefde van koude en inwendige rilling; zijne knieën knikten onder zijn lijf; want de krachten van ziel en lichaam waren gelijkelijk uitgeput. De plotselinge omkeer van redding tot verderf had hem verpletterd. De ernstige, rustige beslissing van zijn lot had hij als een man met bedaardheid gedragen; den spot van het toeval, dat het geluk hem voor een oogenblik in den schoot wierp, om hem in dezelfde minuut des te dieper in het verderf te storten, dezen te verdragen ging boven zijne krachten. Hij gevoelde zich verwonnen.
Onder de ruwe mishandelingen der soldaten, met vuist en kolfslagen voorwaarts gedreven, werd hij naar de plaats, waar hij sterven zou, veeleer gesleept, dan hij zelf derwaarts kon gaan. Ja, de honende blik, waarmede Beaucaire hem ontving, kon hem zelfs de kracht niet wedergeven, om in de laatste oogenblikken zijns levens eene heimelijke zege op dezen ellendeling te vieren. Slechts naar Bernard zag hij angstig om, of deze ook thans weder de deelgenoot van zijn treurig lot zoude zijn. Hij ontdekte hem niet; de vervolgers moesten hem nog niet machtig zijn geworden. De hoop, dat zijn vriend gered kon zijn, beurde hem op, alhoewel hij ook diep gevoelde, dat de dood hem thans, alleen, zonder de vertroostende nabijheid van Bernard, veel vreeselijker te gemoet trad, dan voor weinige oogenblikken, toen hij arm in arm met den wakkeren vriend den geheimnisvollen weg zoude gegaan zijn. Thans stond hij aan den paal. Twee soldaten waren bezig hem met een geweerriem de armen op den rug en aan den paal te binden, als vreesden zij nog eenmaal zijn tegenweer. De sergeant trad met een doek in de hand naar hem toe, en sprak bewogen:
„Ik wil u blinddoeken, kameraad; het is beter voor u!”
Te voren zou Lodewijk dit versmaad hebben, thans liet hij zijn medelijdenden kameraad gewillig begaan. Daar viel hem plotseling in, dat hij hem nog tot den overbrenger van zijne laatste mondelinge bestellingen konde maken. „Mijn vriend!” zeide hij, terwijl deze hem den doek voor de oogen bond, „gij wildet mij immers een laatsten liefdedienst bewijzen? Zoo ga dan, als het u mogelijk is, naar den overste Rasinski, die ons regiment kommandeert, zeg hem, hoe ik gestorven ben, en bid hem mijne zuster te vertroosten;—en wanneer gij zelf dezen veldtocht overleeft en haar in Warschau of Dresden wilt opzoeken en zeggen, dat....”
Op eens vielen vlak bij hem eenige schoten.
„Geldt dat mij reeds?” riep Lodewijk, daar de achter hem staande sergeant juist den doek had losgelaten en nevens hem getreden was. Doch deze riep:
„Bij den satan, wat is dat?” en Lodewijk hoorde hem wegloopen. Op eens verhief zich een verward geschreeuw en gejoel, en wederom vielen er eenige schoten zeer nabij, zoodat een kogel vlak langs Lodewijks oor heen floot. Bijna op hetzelfde oogenblik hoorde hij achter zich paarden in vollen galop, en een verward gedruisch van commando's, geschreeuw, wapengekletter en schoten klonk om hem heen. „Voorwaarts!” riep de stem van den sergeant, „sluit de gelederen! vuur!”
Een peletonsvuur van omtrent twintig schoten klonk dreunend in Lodewijks ooren; hij waande, dat de trompen op hem gericht waren geweest, en eene onwillekeurige doodsrilling trok hem door het lichaam. Doch hij voelde zich levend en ongekwetst. De dichte duisternis die hem omgaf, de banden die hem vasthielden, de uiterste spanning van al zijne zenuwen en zinnen joeg een vloed der meest verwarde voorstellingen door zijn hoofd. Daar hij links krijgsgeschreeuw en het trappelen van paarden hoorde, meende hij een oogenblik, dat Rasinski met zijne manschappen tot zijne bevrijding was toegesneld. Doch spoedig hoorde hij het gillend krijgsgeschreeuw der Russen. Een „hurrah,” klonk door de lucht. De troepen raasden hem voorbij; kruitdamp drong hem in het gezicht; geschreeuw, gekerm, wapengekletter bruisten om hem heen. Hij was midden in het krijgsgewoel; te vergeefs zocht hij zijne banden te verbreken, om het deksel van zijne oogen te lichten; het bleef nacht om hem heen. „Is dan alles een woeste, vreeselijke droom?” riep hij eindelijk uit zijne geprangde borst, en wendde zijn gelaat biddend ten hemel. „Doe mij dan ontwaken en eindig deze schrikkelijke kwelling!”
Doch geen hand raakte hem aan, en het geraas verloor zich langzamerhand in de verte.
Zoo verliepen eenige minuten van onbeschrijfelijke verwachting. Lodewijk kromde zich in zijne banden; een donker gevoel zeide hem, dat hij zich redden kon, wanneer hij deze vermocht te breken; doch hij kon het niet. Daar hoorde hij weder verwarde stemmen allengs naderkomen, snelle schreden kwamen op hem af en eensklaps rukte eene ruwe hand hem den doek voor de oogen weg.
Verwonderd zag hij om zich heen; drie mannen met lange baarden, ongetwijfeld russische boeren, stonden voor hem en zagen hem met een mengeling van spot en verwondering aan. Op den grond lagen de lijken van fransche soldaten en eenige weggeworpen geweren. Lodewijk bevond zich in de macht zijner vijanden, welke een zeldzaam toeval tot zijne redders gemaakt scheen te hebben.
Hunne taal in het geheel niet machtig en nog bedwelmd van de gebeurtenissen, kon hij op dit oogenblik geen woord vinden, waardoor hij zijne bede om redding zou kunnen uitdrukken. Zijn smeekende blik, zijne geboeide handen spraken echter eene taal, die niet te miskennen was. Doch de haat der vijanden wilde ze niet verstaan, maar overschreeuwde in zijn woest opbruisen de zachtere stem des medelijdens. Een der drie mannen hief zijn geweer op en wilde den gevangene met de kolf verpletteren; de geboeide kon slechts zijn hoofd afwenden, zonder zijne armen te kunnen vooruitsteken. Daar hield op eens eene hand den opgeheven arm terug; het was de gestalte van een eerwaardigen grijsaard, die, in een donkeren, wijden mantel gehuld, juist van den boschkant naderde. Zijn aanblik werkte op Lodewijk, alsof de stralen der morgenzon in den donkeren nacht zijner schrikbarende droomen drongen. Met eene zachte, ernstige stem sprak de grijsaard eenige woorden. De drie mannen namen hunne mutsen af en bogen zich met de armen over de borst gekruist eerbiedig voor hem. Thans zag Lodewijk in hem een engel der redding; zijne aartsvaderlijke trekken, het zachte, hooge voorhoofd waren hem borg, dat hij wilde redden en niet kwam, om hem tot nog gruwzamer lijden te sparen. De boer, die te voren met de kolf had gedreigd, naderde hem thans met een mes en sneed den riem, die hem vasthield, door. Lodewijk was vrij, gered. Vol dankbaarheid greep hij de hand des grijsaards, doch deze maakte eene afwerende beweging, als wilde hij zeggen: Ik wilde u als een hulpeloos geboeide niet gruwzaam laten vermoorden; maar gij zijt de vijand van mijn vaderland, van mijn God en hebt u aan alles, wat ons heilig is, vergrepen; daarom heb ik geen deel aan u.—De boeren namen hem als gevangene in hun midden en dreven hem vooruit naar het woud. Terwijl Lodewijk hen volgde, kwam hij zoo dicht langs een der gesneuvelde fransche soldaten heen, dat hij zijn gelaat kon onderkennen. Het was de brave landsman Cottin, die hem gisteren het brood had gegeven. Hoe wonderbaar is het lot, dacht hij bewogen; gij, die nog voor weinige minuten mij als een hopeloos verlorene beklaagdet, gij ligt nu zielloos voor mij. Mocht uwe deelnemende ziel het geluk aan de overzijde des grafs vinden!—Er is geene waarschijnlijkheid meer! Welaan, zoo wil ik ook niet meer hopen, niet meer vreezen, of het zwaard des doods nabij of veraf boven mijn hoofd zweve.
Door deze gedachte opnieuw versterkt, ging hij met een bedaarden tred tusschen zijne geleiders voort. Met angst zocht zijn oog in de versche sneeuw naar de sporen van Bernards vlucht, doch het geheele sneeuwveld was thans zoo in alle richtingen door menschelijke voetstappen en paardenhoeven doorkruist, dat zelfs het geoefende oog van een noordschen nomade moeielijk nog eene bepaalde richting van enkele sporen zou hebben onderscheiden.
In weinige minuten bereikte men het woud, dat spoedig zeer dicht werd. Na een kwartier omtrent hielden de boeren op eene plaats, waar reeds verscheiden der hunne op hen wachtten, halt; van tijd tot tijd kwamen andere troepen den weg van Smolensko af, en sommigen hunner hadden eenige Franschen als gevangenen bij zich. Lodewijk zag met deelneming rond, of de sergeant er misschien bij mocht zijn; doch hij kon hem niet ontdekken. Een nieuwe troep kwam uit het bosch; in het midden dezer lieden, welke eenige kozakken te paard vergezelden, moesten zich ook gevangenen bevinden, want Lodewijk hoorde hun angstig gekerm om medelijden. Deelnemend zocht hij in dien verwarden hoop de deelgenooten zijns ongeluks te herkennen. Eindelijk opende zich de groep, en eene huivering doordrong zijne borst. Hij zag Beaucaire en St. Luces, die half naakt, van angst en koude bevend, in het midden der juichende barbaren werden voortgesleept. „Almachtige God!” riep hij getroffen uit; „verworpen zij hij, die twijfelt aan Uwe alles besturende hand!”
In dit oogenblik vielen de oogen der gevangenen op Lodewijk, dien men, hetzij bij toeval, hetzij uit medelijden, niet geplunderd had.
St. Luces verborg het gelaat in de handen, en stond daar met knikkende knieën. Doch Beaucaire beet van woede op zijne lippen en mompelde een slechts half verstaanbare vloek, van welken Lodewijk slechts de woorden _verrader en spion_ verstond. Hij zag den ellendeling met waardigheid en riep hem toe: „Gij bedriegt u! Ik ben slechts een gevangene, evenals gij! De hand des Almachtigen heeft u uwe straf doen vinden! Zoo hoop ik, zal Hij mij nog verder Zijne bescherming verleenen.”
De russen, gelijk Lodewijk thans bespeurde, meestal slechts gewapende boeren, schenen nu voltallig te zijn. Zij dreven de gevangenen te hoop, namen hen daarop in hun midden en braken op, om het bosch verder in trekken.
ELFDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Sinds het slot van graaf Dolgorow door Rasinski overvallen en in brand gestoken was, had zich de bezitter niet weder op zijn goed laten zien. Na den aftocht der vijanden vielen de eigene boeren plunderend in het brandende gebouw en zochten alles meester te worden, wat de vlam nog niet verslonden had. Doch midden onder hen trad de grijsaard Gregorius en verhief zijne stem met gestrengheid en waardigheid. „Keert de vlammen, vrienden,” riep hij hun toe, „redt de have uws heeren en bergt ze in uwe hutten, doch waagt niet, u daaraan te vergrijpen en ze u toe te eigenen. Vloek zal Ruslands zoon treffen, die de trouw jegens zijn heer schendt.”
Door deze vermaningen beteugelde de hoog vereerde vader de hebzuchtige begeerte der slaven, die het eerste oogenblik hunner bevrijding wilden aangrijpen, om zich te verrijken met de goederen van hun heer. Zijn woord was eene wet, de wenk zijner oogen een heilig gebod. Daarom gaven zij hem ook nu gehoor en spanden eerst hunne krachten in, om het slot voor algeheele vernieling door de vlammen te bewaren. Daarop namen zij, wat er kostbaars in de vertrekken te vinden was, en verborgen het in hunne diepe kelders, die aan geen russisch huis, zelfs niet van den armsten lijfeigene ontbreken. Zoo werd het hoofdgebouw van het slot aan de woede der vlammen ontrukt en stond het nog bijna ongedeerd. Doch in de vertrekken zag het er woest en ledig uit. In de meeste waren de vensters stuk geslagen, de muren door den rook zwart geworden, en de boeren hadden er alle huisraad uitgehaald. Zoo had het gebouw van buiten wel zijn trotsch aanzien behouden, doch van binnen was het zoo verwoest, dat nauwelijks eenige kamers bewoonbaar bleven.
Meer dan drie maanden waren er sedert dien brand verloopen, en de graaf was na dien tijd niet teruggekeerd. Ondertusschen had de ijzeren stroom des oorlogs zich zoo wijd over het land uitgestort, dat alle gemeenschap met het binnenste gedeelte verbroken was. Gregorius, die zijne gemeente volstrekt niet wilde verlaten, maar als een getrouw herder achtergebleven was, had daardoor in al dien tijd van den graaf noch van Feodorowna ook slechts het geringste vernomen. Hij had het huwelijk aan het altaar ingezegend, zijne lippen hadden den hemel zegen en heil voor de jeugdige echtelieden afgesmeekt. Doch hij zelf vertrouwde niet zoo vast als anders op de kracht van zijn smeeken; want hij wist wel, met welk een smartelijk gevoel hij de dochter zijns harten zag heengaan en het nieuwe levenspad betreden, dat voor anderen met geurige bloemen pleegt bestrooid te zijn.
De dagen waren eentonig voorbijgegaan; de herfst had de bladeren van de boomen afgeschud. Het groen der dennen werd met iederen dag donkerder en zwarter; spoedig kroonden zij zich met rijp en eindelijk breidde de sneeuw haar schitterend dekkleed over de toppen der boomen, over de heuvels en den verstijfden stroom uit.
Zoo is voor mij dan wederom de winter genaderd, dacht Gregorius, wanneer hij uit de stilte zijner eenzame cel over den opengeslagen Bijbel heen in het treurige, verlaten dorp zag; reeds meermalen geloofde ik, dat het de laatste zou zijn, en bereidde ik mij voor den Heer te verschijnen.
Mijn hart hangt niet aan deze aarde, maar toch verlangt het nu vurig nog eenmaal de lente te zien aanbreken en haar liefelijken groet te ontvangen. Moet dan de akeligste winter mijns levens ook de laatste zijn? Zou ik moeten heengaan, eer ik mijn vaderland weder bevrijd zie van deze horden van schanddadige verwoesters, die al het heilige bevlekken en onteeren? Algoede Vader! Gij weet het, hoe rustig ik mijn oog op de graven vestig, die hier onder mijne vensters rondom het godshuis zijn. Al deze dooden sluimeren onder Uwe bescherming. Zij rusten even stil en koel onder het groene tapijt, waarmede de lente hunne woning versiert, als onder het koude sneeuwkleed van den winter! Hoe dikwijls heb ik mijne hand tot U opgeheven, Heer des hemels, en gebeden: Roep mij op, wanneer Gij wilt, ik treed deemoedig, maar vol vreugde voor Uw aangezicht. Doch thans smeek ik, laat mij den dag der vreugde nog zien, wanneer Uwe hand hen vernietigt, die zich aan U vergrepen hebben. Want Uw bliksem treft de heidenen en Uw woord verplettert Uwe vijanden. O, laat mij dien dag nog zien, waarop de lente weder over mijn rampzalig vaderland aanbreekt! Want redden zult Gij het; dat gelooft mijn hart met onwankelbaar vertrouwen.
In zulke gedachten stond de grijsaard menigmaal, wanneer de avondschemering zich over de aarde uitbreidde, aan het venster zijner cel en hij richtte den blik op het winterlandschap, op het kerkhof vóór hem en op het heilige huis des Heeren.
Met iederen dag, dat de grauwe winterwolken zich donkerder opeenpakten en de storm heviger langs den gevel van het huis huilde, groeide de vrome hoop des geloovigen grijsaards aan. Hij zag in den geest de wrekende engelen des Almachtigen met de dreigende wolken optrekken en de hand der vernietiging over het hoofd der heiligschennende vijanden uitgestrekt.
Met voorzeggenden geest zag hij de lange, treurige vluchten van raven in de schemering over de heuvels trekken, en des nachts, als de wolf, door honger gedreven, zich buiten het woud waagde en voor het goed gesloten huis huilde, dacht hij: Waar zullen de legers der verwoesters spijs en dak vinden, wanneer het hongerige roofdier tot zijne ergste vijand vlucht!
De honger zal u met zijne scherpe tanden vervolgen en aan onzen haard drijven; doch gij zult niet vriendelijk genoodigd worden, u daar neer te zetten; onze hand, met knods en zwaard gewapend, zal u verjagen of op onzen drempel verpletteren. De deur van den Rus, die zich voor ieder gastvrij opent, zal voor u gesloten zijn, gelijk voor den huilenden wolf, wiens buit gij worden zult. Het vuur, tot hetwelk de verkleumde voor de woede des winters vlucht, zal, wanneer gij nadert, uitgedoofd worden, of de hut verteren, onder welke gij toevlucht zoekt. En niet eer zullen wij rusten, voordat het laatste spoor uwer voetstappen uit ons vaderland verdwenen is.
In zulke overpeinzingen lag de grijsaard nog dikwijls te middernacht op zijn leger, wanneer reeds lang alles om hem heen stil en doods was.
Daar klopte midden in den nacht iemand aan zijne deur en eene mannenstem riep: „Open! Ontwaak, vrome vader Gregorius! Uw gastvrij huis moet nog laat aan reizigers eene schuilplaats verleenen!”
De grijsaard meende de stem te kennen. Spoedig wierp hij een mantel om, opende het venster en zag naar buiten. Eene slede stond voor zijne deur stil. „Wie klopt nog zoo laat?” vroeg Gregorius. „Bedriegt mij mijn oor of hoorde ik eene bekende stem?”
„Gij dient haar wel te kennen, vrome vader,” antwoordde de vreemde; „ik ben Dolgorow.”
„Heer in den hemel! Gij zelf?” riep Gregoor vol verwondering uit en snelde met de lamp naar de deur, om ze te openen.
De graaf stond voor hem.
„Zijt gegroet, vader! Gij moet mij dezen nacht huisvesting geven en ook die daar in de slede,” sprak hij hem aan; „ik zal u gewichtige dingen mededeelen.”
Gregoor lichtte naar de slede. Twee vrouwen zaten er in. Met een blij voorgevoel trad hij uit de deur zijner woning en naderde de reizigers. Eene rijzige gestalte, in een dichten sluier gehuld, trad hem te gemoet. „Vader Gregorius, wees gegroet!” aldus sprak zij hem met eene vriendelijke stem aan, en hij herkende zijne geliefde dochter Feodorowna, die bewogen, sprakeloos weenende aan zijn hart zonk.
Haar moeder volgde haar; Gregorius geleidde haar eerbiedig in zijne woning.
„Wat voert u onder mijn nederig dak?” sprak hij met eene bewogen stem, toen hij het bekrompen vertrek bereikt had; want het bleeke gelaat van Feodorowna veroorzaakte hem kommer, en zij droeg een rouwsluier.
„Ik wil u in hare plaats op alles antwoord geven,” hernam Dolgorow. „Wees slechts zoo goed, om dadelijk de vrouwen een vertrek in te ruimen, waar zij rusten kunnen, want wij hebben dag en nacht zonder ophouden gereden. Maar wek niemand van uw volk, want vooralsnog moet ons verblijf hier een geheim zijn.”
„Ja wijs ons eene rustplaats aan, vrome vader!” zeide de gravin met matte stem; „ik ben doodelijk vermoeid.”
Gregorius geleidde de vrouwen in een stil, op den tuin uitziend, ter ontvangst van gasten ingericht vertrek, dat, evenals het geheele huis, goed verwarmd was. De gravin viel dadelijk op een rustbed neder. Feodorowna reikte haar vaderlijken vriend de hand en zeide: „Morgen, beste vader! morgen wil ik lang, recht lang met u spreken.”
„Maar hebt gij nu geene behoefte aan eenige verversching, aan eenige spijs of warmen drank?” vroeg de grijsaard.
„Aan niets, beste vader,” hernam Feodorowna, „dan aan rust en die vinden wij immers hier, zooals wij ze wenschen.”
Gregorius ging naar Dolgorow terug, dien hij met groote schreden door het vertrek zag op- en nedergaan.
„Vader!” sprak de graaf hem aan, terwijl hij hem de hand op den schouder legde, „vader, er gebeuren groote dingen. Rusland ziet de dagen zijns roems aanbreken na den tijd van smaad, welke het heeft doorleefd.”
„Hoe? Mag ik uwe woorden gelooven? Zoo is mijn vurig gebed verhoord geworden?”
„Gij weet, dat de vijand op den terugtocht is.”
„Ja; doch ik vrees slechts, om den winter van Rusland te ontgaan, daar de heilige stad, welke hij zelf schanddadig heeft verwoest, hem geen toevluchtsoord meer aanbood.”
„Ruslands winter heeft hem ingehaald. Het is te laat om terug te keeren. Hij zal de grenzen van het land, dat hij vol trots is binnengedrongen, niet wederzien.—Gij meent dat _hij_ Moskou verbrand heeft? Werpt niet de stuurman de kostelijke waren, waarmee hij zijn schip bevracht heeft, in zee, om zijn gestrand vaartuig weder vrij van de zandbank op de baren te verheffen? Laat de zeeroover zich niet met zijne vijanden in de lucht vliegen? Houdt gij de zonen van Rusland niet voor mannen, die evenzoo konden handelen? Oude man, leer beter van ons denken! Geen vijandelijke fakkel heeft de vlam van Moskou ontstoken. Haar glans zal de schrikkelijkste, maar ook de grootste daad in de jaarboeken van Rusland bestralen.”
„Hoe?” riep Gregorius en hief met verbazing de handen omhoog. „Hoe?”