1812: Historische roman

Part 64

Chapter 643,957 wordsPublic domain

„Gij hebt mij zelf gezegd,” antwoordde St. Luces, „dat gij nooit op die goederen geweest zijt, ja de namen niet eens juist kent?”

„Dat is waar,” viel hem Beaucaire koel in de reden; „maar mijne onkunde in dit opzicht laat zich genoegzaam daardoor rechtvaardigen, dat ik eerst in Londen in Dolgorows dienst trad en, daar ik hem alleen buitenslands vergezelde, zijne binnenlandsche betrekkingen het minst kon leeren kennen. Ook ben ik nooit zijn secretaris in zijne familie- en geldzaken geweest. Hoe onbepaalder mijne wetenschap in dit opzicht is, des te grooter wordt het veld der gissingen. Wist ik juist, waar en hoever Dolgorows slot van hier ligt dan durfde ik er niet op doelen, dat het dichtbij gelegen kan zijn, zoodat ons van daar verraad en overrompeling door verbintenis met de Russen in de stad kunnen bedreigen.”

St. Luces ging verdrietig en onrustig heen en weder. „Ik weet niet,” hernam hij na eenige oogenblikken, „wat mij in deze zaak zoo tegen de borst stuit. Is het de fatale gelijkenis van dezen heer van Rosen op iemand, dien ik gekend heb en aan wien ik mij ongaarne herinnerd zie, of houdt mij iets anders terug. Ik vrees echter voor slechte gevolgen.”

Beaucaire glimlachte. „Ik sta borg voor de beste. Graaf Rasinski kan ons geen kwaad meer doen; hij is weg—en ik geloof, dat wij niet veel van hem of zijn regiment zullen terugzien.”

„De keizer acht hem zeer! Indien hij klaagde....”

„Dan zou hij de gunst des keizers daardoor verbeuren. Of houdt gij het voor eene aanbeveling, dat de verdachten beiden in zijn regiment dienen? En bedenk hoe vertoornd de keizer op ons en onze confraters is, daar hij de magazijnen niet zoo vindt, als hij ze verwachtte. Ik hoor, hij heeft gisteren in de bovenstad een opziener van een magazijn willen doen doodschieten. Vindt hij tijd, om onze rekeningen en staten behoorlijk te onderzoeken, dan weet gij....”

St. Luces beet zich op de lippen.

„Wat kon dus meer gewenscht zijn, dan hem door een bewijs van onzen ijver gunstig jegens ons te stemmen?—De gelegenheid daartoe was niet beter uit te zoeken, want de argwaan des keizers tegen de vreemde bondgenooten groeit iederen dag aan, en sinds de laatste voorvallen in Parijs vertrouwt hij bijna niemand meer. Onze beide gevangenen zijn vrienden, wat nog meer is, zijn Duitschers en dienen, waarschijnlijk onder een vreemden naam, maar in alle gevalle heimelijk in een poolsch regiment. Dat alleen is genoegzaam om verdacht te maken.”

„Welnu dan,” riep St. Luces, „doe wat gij wilt maar ik laat de gevolgen geheel voor uwe rekening.”

„Ook de voor ons _aangename_ gevolgen!” zeide Beaucaire met nadruk.

„Waarlijk ook deze, mijnheer Beaucaire,” hernam St. Luces trotsch, „wanneer ik in deze zaak slechts mijn naam niet behoef te leenen.”

„Ik was de man niet, die haar begon,” zeide Beaucaire koel. „Gij vindt alzoo goed, dat ik het rapport voor den intendant-generaal opmaak en het, om aan den keizer voorgelegd te worden, hem ter hand stel?”

„Doe, wat gij wilt.”

„En gij zult het mede onderteekenen?”

„Daar ik er niet buiten kan, ja.”

„Zeer wel.”

Met deze woorden boog Beaucaire en vertrok.

Bernard werd door den sergeant en den voor de deur staanden soldaat, die hem het brood had gegeven, naar de gevangenis teruggebracht. Alle drie zwegen. Toen de deur van het gewelf zich opende en het flauwe licht der lantaarn er in viel, zag Bernard te vergeefs naar Lodewijk om.

„Waar is mijn vriend, beste kameraad?” zeide hij tot den sergeant.

„Ik heb hem daar in den anderen vleugel alleen moeten opsluiten.”

„Is zijne gevangenis ook zoo goed, zoo menschelijk ingericht als deze?” vroeg Bernard verder op een bitteren toon, waaronder zich echter de uitdrukking van diepe bezorgdheid mengde.

„Het is waar,” begon de soldaat, die hem vergezelde, „dit gat is ook te slecht voor een hond, laat staan voor een mensch.”

„Durft gij onder de wapens, spreken, Cottin?” vroeg de sergeant op strengen toon.

„Vergeef het mij, sergeant,” hernam deze; „ik weet, ik doe onrecht. Maar Gods gebod is ook eene wet en dat beveelt mij te spreken. Ik ben uit den Elzas, en spreek duitsch, ik heb gehoord, dat de beide arme drommels duitschers zijn. Een landsman, al was het maar een halve, mag men niet geheel in den steek laten.”

„Ik heb u reeds meermalen gezegd, gij zijt een goede vent, doch gij verstaat den dienst niet.”

„Maar ik heb gelijk, sergeant.”

„Ik wil 't niet ontkennen—maar wat zullen wij doen?”

„Vriend,” begon Bernard, „doe uw plicht. Het zou mij leed doen, wanneer gij om mijnentwil gestraft werdt. Ik zal denkelijk in dezen kerker den nacht niet doorkomen, en als ik morgen vrijgesproken word, zal het te laat zijn—maar doe slechts, wat gij moet; doch zoo gij kunt, wees dan barmhartig jegens mijn vriend, die even onschuldig is als ik.”

De sergeant scheen zich te bedenken. „Wij moeten raad schaffen,” zeide hij plotseling op vasten toon. „Ik kan u hier in dit gewelf niet laten, want de koude is te streng en neemt nog met elke minuut toe. Tot een moordenaar zullen zij mij toch niet maken, vooral niet die pennenhuzaren, die nooit kruid ruiken en niet weten, wat de soldaat al moet uitstaan, terwijl zij in hunne dikke pelzen bij de volle magazijnen zitten! Gij moogt misdaan hebben, wat gij wilt, u hier zonder vonnis en recht te laten bevriezen, dat hebt gij niet verdiend. Gij ziet er uit als een brave kerel en ik moet u zeggen, ik heb er schik in gehad, dat gij u daar boven zoo ferm hebt gedragen. Dat past een soldaat. Daarom wil ik ook iets voor u wagen. Maar gij moet mij uw woord geven, kameraad, dat gij mij in alles gehoorzaamt.”

„Wanneer ik het niet doen kan, zeg ik het u vooraf en laat mij hier terugbrengen,” hernam Bernard bedaard.

„Ga dan mede naar de wachtkamer. Doch gij moogt met niemand ook maar een enkel woord spreken.”

„Ik zal zwijgen als deze muren. Maar mijn vriend?”

„Ook hij zal op gelijke voorwaarden den nacht met ons doorbrengen.”

„Mijn hand daarop in zijn naam.”

„Kom dan!”

Onwillekeurig vatte Bernard de beide handen van den sergeant, schudde ze met warmte, zag hem in het gezicht en riep uit: „Waarachtig, ik ben u dank schuldig en meer dan mijn leven!—Nu, ook u, wakkere kameraad en landsman,” voegde hij er bij en keerde zich naar den braven Cottin. „Ja, het is een edele stand, die des krijgsmans. Ik ben dien met inwendigen tegenzin ingetreden, maar ik heb geleerd hem te achten, te vereeren. Hij verheft ons boven den ellendigen knoeiboel van dit leven en adelt zoo de gevoelens van den geringste. Onder groote lotgevallen wordt de mensch zelf groot.—O, gij weet niet, hoe ellendig die daar boven zijn, die zich zoo hoog boven u verheven rekenen!—Waarlijk, het doet mij leed, dat zulk verachtelijk gespuis aan zulke brave mannen bevelen mag geven of hen tot verantwoording roepen kan.”

Hij kon zich niet bedwingen, hij moest de beide braven aan zijn hart drukken.

„Goed, goed kameraad!” riep eindelijk de sergeant bijna ontevreden, daar hij bemerkte, dat hij zijne geheele militaire houding verloren had; „kom, maak nu maar wat voort.”

„Eerst zeg mij, hoe gij heet,” antwoordde Bernard, „want den naam van een braaf man mocht ik ook gaarne in de eeuwigheid medenemen.”

„Ik heet Ferrand, wanneer gij het dan volstrekt weten wilt; doch laat ons nu gaan.”

„Ook zonder opschrijven zal ik hem onthouden,” verzekerde Bernard en drukte nogmaals zijne hand.

Ferrand drong hem als het ware vooruit; zij gingen.

In Bernards gemoed keerde thans een straal van hoop terug. Hij had ze reeds geheel opgegeven en was op het ergste voorbereid. Doch deze gunstige beschikking hield hij voor een gelukkig voorteeken; den eenen, en nog wel den vreeselijksten dood was hij ten minste ontkomen, en nog kon hij zich niet opdringen dat de hemel hem slechts daarom zoo menigmaal in het uiterste gevaar beschermd had, opdat hij als een offer van de schreeuwendste willekeur te gronde zou gaan.

Zoo trad hij in de donkere, onder de poort gelegen wachtkamer; op elken anderen tijd zou zij hem een akelige kerker hebben toegeschenen, thans had zij het voorkomen van een aangenaam, vriendelijk verblijf voor hem.

„Zet of leg u nu op de bank daar in dien hoek neer,” zeide de sergeant; „maar houdt uw woord, spreek met niemand en verlaat de plaats niet.”

„Gij kunt mij als een laffen schurk met voeten trappen, als ik u niet gehoorzaam, zoo goed, alsof ik met ketenen gebonden was. En al kon ik mij met één tred, met één woord redden, ik zou stijf en stom blijven, gelijk de lijken daar buiten onder het ijs en de sneeuw.”

Met deze woorden zette hij zich neder en wikkelde zich, daar de koude hem nog deed bibberen, in zijn mantel.

Ferrand ging, en keerde na eenige minuten met Lodewijk terug. Deze trad met een trek van weemoedige vreugde om den mond binnen, en zijn oog zocht den vriend. Vroolijk wenkte Bernard hem toe, doch legde den vinger op de lippen. Lodewijk gaf een teeken, dat hij den wenk verstond, en nam in een anderen, hem aangewezen hoek plaats. De sergeant liet daarop de soldaten in een kring bijeentreden en sprak hen aan; „Kameraden, ik heb een werk van barmhartigheid aan deze twee verricht en laat hen den nacht hier doorbrengen, doch zonder dat zij elkander mogen spreken. Is er een van u die mij ongelijk geeft, zoo gaan zij dadelijk naar hunne gevangenis terug, waar zij echter vóór morgenochtend door koude en honger moeten omkomen. Meent gij derhalve dat ik goed gehandeld heb, dan mogen zij hier blijven, en wij allen zijn schuldig.”

„Laat hen hier!” riepen de manschappen uit één mond; „van ons wordt niemand een verrader.”

Thans was de laatste zwarigheid opgeheven en waren beiden van een goeden nacht verzekerd.

Een groote schotel met warm avondeten voor de soldaten werd binnengedragen, want hier in het magazijn zelf heerschte nog geen gebrek. Ferrand was er dadelijk op bedacht, den beiden gevangenen door Cottin een genoegzaam deel der spijs toe te zenden, eer zij door het denkbeeld, dat zij vergeten zouden worden, gekweld werden; want nog steeds folterde de honger hunne vermoeide lichamen, te meer, daar de lucht eener lang ontbeerde, wel toebereide spijs de gansche hevige begeerte daarnaar moest opwekken. Deze verkwikking werd dus voor beiden eene onschatbare weldaad. De alvermogende wetten der natuur toch overweldigen iedereen; de edelste, de grootste, wien de zuiverste wilskracht doordringt, moet eindelijk aan de voorwaarden, waarvan zijn stoffelijk deel afhankelijk is, gehoorzamen. Er is een zekere graad, dien niemand overschrijden kan. Wat in andere omstandigheden eene geringe zelfverloochening, een spel schijnt te zijn, dat wordt in zulke oogenblikken eene onmetelijke opoffering. Daarom glimlachte niemand, die nog nooit door de omstandigheden aan eene strenge beproeving zijner dierlijke afhankelijkheid onderworpen is geworden, wanneer, zelfs in oogenblikken waarin het geheele lot des levens op het spel staat, een dronk, een maaltijd, een nachtleger, de gemeenste dagelijksche behoeften tot onweerstaanbare machten worden, die de vrije zielskracht in onverbreekbare banden slaan. Alleen het voortdurend evenwicht tusschen deze geweldige aandriften doet haar schijnbaar te niet. Zoo verplettert ons zelfs de lichte etherische lucht door den reuzenlast harer drukking, wanneer plotseling de natuurwet, door welke zij aan hare eigene kracht tot evenwicht verstrekt, wordt verbroken.

Nadat de grimmige wolf des hongers verdreven was, drong de alles bedekkende, loodzware stroom des slaaps nader en dompelde de vermoeiden in eene wezenlooze verdooving. Zelfs de luchtige weefsels der droomen liet hij niet door zijn dichten sluier dringen, maar hij was stom en bewusteloos als zijn broeder de dood. Doch een volkomen vergeten was het grootste geschenk, dat een goedaardig noodlot den vrienden thans kon aanbieden.

HOOFDSTUK XI.

De morgen was nog niet aangebroken, toen de sergeant Lodewijk hevig bij den arm schudde en hem luid wakker riep.

Hij richtte zich overeind; Bernard, door het roepen gewekt, insgelijks.

„Gij moet naar boven, naar de verhoorzaal. Spoedig maar! Hier, neem een warmen dronk en eet ook wat, dat gij frisch wordt en met standvastigheid uw vonnis aanhoort.”

Lodewijk vond met moeite zijne bezinning terug; nog half bewusteloos nam hij het aangeboden brood en strekte zijne hand naar de flesch met warme meê uit, welke de sergeant hem aanbood. Bernard trad naderbij.

„Mogen wij elkaar thans goeden morgen zeggen?” vroeg hij Ferrand.

„Zooveel gij wilt, arme drommels! Thans staat u alles vrij,” hernam deze.

Bernards knieën knikten. Zoo toch—dacht hij—maar neen, het is onmogelijk; zóó kan zelfs zulk een vonnis niet geveld worden.

Lodewijk was bedaard.

„Is ons vonnis geveld?” vroeg Bernard. „Zeg het ons ronduit, zoo gij het weet. Dat mag de laatste dienst zijn, dien gij ons bewijst. Geloof niet, dat wij er voor sidderen zullen.”

Doch onder het spreken beefde hij hevig—maar voor zijn vriend, voor hem alleen.

„Gij zult het dadelijk boven hooren,” was het antwoord van den sergeant.

„Zeg het ons nu, mijn vriend; ik bid u er om,” bad Lodewijk zacht, maar bedaard, „dan kunnen wij het boven met meer bedaardheid aanhooren, het moge dan gunstig of ongunstig uitvallen. Het staat mannelijker, wanneer wij noch overmaat van vreugde, noch van neerslachtigheid vertoonen.”

„Bij God!” riep Ferrand uit, „het valt mij moeielijk, het u te zeggen; want wat gij ook misdaan moogt hebben, gij zijt brave soldaten en hebt uw woord als mannen gehouden. Ik wenschte, dat gij voor eene batterij waart gevallen. Het is voor ons ook geen vermaak, op een kameraad aan te leggen.”

„Dus worden wij doodgeschoten?” vroeg Bernard en zijne lippen verbleekten.

„Zoo luidt het vonnis.”

„Heilige God!” riep hij uit en wierp zich aan Lodewijks borst, en drukte hem vast in zijne armen. Zij hielden elkaar langen tijd zwijgend omstrengeld.

De sergeant klopte Bernard vriendelijk op den schouder en sprak: „Zamel al uwe kracht bijeen, kameraad! de dood is ons allen nabij, wie weet of ik u lang overleef! Doe hun daar boven het vermaak niet, dat gij daar zoo voor siddert.”

„Sidderen?” vroeg Bernard en zijne oogen vlamden. „Als ik niet van woede of koude moet sidderen, dan zal geen haar op mijn hoofd zich bewegen. Voort, voort, naar boven! Zij mogen ons het doodvonnis voorlezen. Gij zult getuige zijn, of de pijlen mijner blikken niet scherper in het hart dier schurken zullen boren, dan uwe kogels in mijne borst!—Maar hier wil ik weenen, aan de boezem mijns vriends, en om hem en om zijne ongelukkige zuster,” riep hij uit, terwijl hij zich opnieuw aan Lodewijks borst wierp en zijne tranen stroomden.

„Bernard!” zeide Lodewijk eindelijk en scheen de woorden met geweld uit zijn boezem te persen.

„Bernard!—Dus moest ik u toch in den dood medesleepen!—Mijn hart bloedt, het is door duizend wonden vaneengereten.—O, gij weet het immers maar al te goed!—Maar thans, mijn eenige vriend, moet ook mijn lijden om u wijken voor het gebod der eer en manmoedigheid. Acht het geen verraad aan uwe alles opofferende vriendschap gepleegd, wanneer gij mij bedaarder, rustiger ziet, dan ik ben. Uw inwendig oog blikt in het diepst van mijn hart, maar geen ander zal het lijden verraden, dat mij verteert. Onze dood moet onze zegepraal zijn!”

„Bij den hemel, dat zal hij,” riep Bernard en hief zijne hand als tot een plechtigen eed omhoog. „Zelfs Maria, die weenende heilige, zal mijn hart niet meer week maken. Kom! wij willen als Spartanen het grimmig gebit van het roofdier in onze ingewanden laten woelen en geen gezicht vertrekken.”

Met bedaarden tred volgden zij hun geleider naar boven in de zaal. Zij vonden hem ledig, doch er lagen eenige papieren op de tafel.

„Die brief bevat het doodvonnis,” zeide de sergeant en wees op een toegevouwen, doch opengebroken schrift. „Hij is van den commissaris-generaal. Een kwartier geleden is hij gekomen. Ik bracht hem zelf naar boven en hoorde toen de baron St. Luces hem voorlas.”

„Ik wilde hem wel eens lezen!” zeide Lodewijk.

„Laat ik eerst eens zien, of wij ook overvallen kunnen worden; de deur van de kamer hier naast hooren wij open gaan als zij komen.”

Hij opende de deur van het aangrenzende vertrek en zag naar binnen.

„Zij zijn nog boven; lees, maar gezwind.”

Lodewijk nam den brief. Hij luidde aldus: „Ik heb uw rapport den keizer ter hand gesteld. „Wanneer de verdenking gegrond is, moeten de schuldigen op staanden voet worden doodgeschoten, want er is een voorbeeld noodig,” was zijn antwoord. Na uwe, zoo ik vertrouw, nauwkeurige uiteenzetting is er geen twijfel aan de schuld. Wij hebben hier tijd noch plaats, om ons met lange procedures in te laten of om crimineel gevangenen met ons te voeren. Laat derhalve de executie dadelijk bij het aanbreken van den dag buiten den stadsmuur plaats hebben, om opzien te vermijden. Het zien der voltrekking van het vonnis kon beweging veroorzaken; na de daad werkt de schrik stil voort, en het voorbeeld heeft ongestoorde uitwerking, vooral wanneer men zorgt, het behoorlijk te doen verspreiden, dat _duitsche verraders_ gestraft zijn geworden. De aanhankelijkheid toch van de duitsche troepen is niet te groot; de vrees moet hen getrouw houden. Wees zelf bij de voltrekking tegenwoordig en zend mij oogenblikkelijk het proces-verbaal, opdat ik het den keizer kan overreiken.”

„Een uur dus zullen wij nog ademhalen,” zeide Bernard, toen Lodewijk den brief weder op tafel had neergelegd. „Nu, mij zal het niet al te moeielijk vallen, deze zon vaarwel te zeggen. Ja, wanneer het nog eene lente in Italië was—maar een winter in Rusland! De wereld heeft meer verdriet dan vreugd; wie van beiden scheidt, wint meestal, en ik voornamelijk!”

Lodewijk kon het doel van zijn vriend, om hem te troosten, door het ongeluk zoo licht te achten, niet miskennen. Het trof hem in de ziel; doch hij bleef standvastig. „Gij hebt gelijk! Eene lente in Italië!—Die is wel schoon!”

Zijn geest verloor zich in diepe overpeinzing.

„Het verwondert mij, dat er nog niemand komt,” zei Bernard na eenigen tijd ongeduldig.

„Zij stellen het doodvonnis op, opdat alles naar den regel ga. Het zal u voorgelezen worden,” merkte de sergeant aan.

„Natuurlijk; alles in den besten vorm! Lang leve de gerechtigheid! Zal men ons ook niet een biechtvader zenden?” vroeg Bernard bitter.

„Wanneer een geestelijke hier was, zou hij wel mede naar buiten gaan,” hernam de sergeant; „maar hecht gij aan zulke dingen?”

„Neen,” hervatte Lodewijk. „Ik ben bereid om over te stappen. Doch wanneer iemand mijn laatsten wil wilde uitvoeren—dat zou mij een onuitsprekelijke troost zijn. Ik mocht gaarne een groet naar het vaderland zenden.”

„Wat ik ook bezorgen kan, wil ik doen,” zei de sergeant.

„O, zoo ga....”

Hier ging de deur open. St. Luces, Beaucaire en twee klerken traden binnen en namen plaats.

St. Luces wilde het woord nemen; hij scheen verlegen. Lodewijk zag hem vrij en onbevreesd in het gezicht; Bernard hield vlammende blikken op hem gericht.

„Eene uitspraak van de hoogste macht,” begon St. Luces met eene weifelende stem, waaraan hij echter een toon van deftigheid trachtte te geven.

„_Uitspraak_ van de hoogste macht?” viel Bernard hem in rede; „gij meent _machtspreuk_, mijnheer!”

„Hoe, gij waagt....” riep St. Luces meer verward, dan vertoornd of vastberaden.

„Ik waag thans alles! Ik geloof niet, dat ik iets te verliezen heb, en daarom zal het u niet gelukken, mij juist zoo machtig bevreesd te maken. Bespaar u de moeite van eene inleiding en van het voorlezen van een vonnis, dat wij tot onzen laatsten adem toe voor eene daad van geweld verklaren.”

„Doe, zoo als de orde het vordert, mijnheer Beaucaire,” beval St. Luces en beet zich op de lippen.

Deze las thans met onveranderde stem het doodvonnis van Bernard en Lodewijk overluid voor.

Niet de minste verandering vertoonde zich op de wezenstrekken der veroordeelden.

„Ik ben ter dood veroordeeld,” zeide Lodewijk, „ofschoon ik mij voor God volkomen onschuldig reken en dezen mijn vriend slechts als een gewetenloos vermoorde kan beschouwen, die niet eens naar uwe willekeurige wet schuldig was. Mij zal dan ten minste het recht van ieder veroordeelde toekomen, de uitvoering van mijn laatsten wil te eischen. Ik verzoek mijne papieren en brieventasch terug.”

„Die zullen bij de stukken moeten blijven,” hernam Beaucaire ijskoud; „zij bevatten de bewijzen uwer schuld.”

„Welaan dan, ook dat nog! Dan eisch ik pen en papier, om mijn uitersten wil te schrijven.”

Beaucaire haalde zijn horloge uit en zag daarbij St. Luces vragend aan. Deze zeide ja noch neen.

„Het is te laat, om aan uw verlangen te voldoen,” hernam Beaucaire na eenige oogenblikken; „sergeant, zijn uwe manschappen in gereedheid?”

„Zij zijn het.”

„Dan laat hen binnenkomen. Wij moeten afmarcheeren!”

„Ook dit alzoo wordt mij geweigerd? Een heilig recht, dat ook den gemeensten misdadiger vergund wordt.”

„De omstandigheden verbieden het!” antwoordde St. Luces, doch waagde niet, zijne oogen naar Lodewijk op te slaan.

„Nu dan,” riep deze met de uitdrukking van den edelsten toorn, „zoo valle de misdaad, welke gij aan ons begaat, op uw hoofd terug! Vader in den hemel! Uw eeuwig raadsbesluit ontzegt mij erbarmen, ik mor niet; maar Uwe gerechtigheid zal vergelding uitoefenen aan deze boosdoeners! Ik ben te trotsch van u beiden nog iets te bidden. De Algoede zal diegenen troosten en sterken, voor wie mijne afscheidswoorden nog een zwakke straal van troost in het duister hunner droefheid zouden geweest zijn! Voort! Ik heb op deze aarde niets meer te doen dan te sterven!”

Bernard stond zwijgend. Eene vreeselijke, doodelijke stilte heerschte in de zaal.

De soldaten, twaalf man, traden binnen.

„Scheidt de delinquenten,” beval St. Luces.

De sergeant wilde tusschen hen treden, doch zij reikten elkander de hand toe; trouw en eerlijk zagen zij elkander in de oogen; geen traan drong daaruit te voorschijn.

„Vaarwel, broeder!” riep Bernard met mannelijk krachtige stem.

„Tot wederziens,” zeide Lodewijk bedaard, ernstig, geloovig, en richtte zijn oog omhoog.

De soldaten traden tusschen hen; iedere sectie nam een der veroordeelden in hun midden.

„In den arm 't geweer! Voorwaarts, marsch!”

In gelijken, dof door het gewelf klinkenden tred verlieten zij het vertrek. Bernard wierp Beaucaire, toen hij dezen voorbij ging, een vreeselijken blik toe, zoodat zelfs de verstaalde booswicht verbleekte.

St. Luces bemerkte het en zeide: „Laten wij op onze hoede zijn; dezen trotschen knaap reken ik tot alles in staat.”

Beiden volgden het commando op eenigen afstand.

De weg liep over het plein, een klein zijpoortje van het gebouw uit. Het schemerde nauwelijks, slechts de laatste verbleekte sterren en de schijn van de versch gevallen diepe sneeuw gaven nog eenig licht. Door woeste, half vervallen straten, waar wachtvuren brandden, waarbij zwarte rijen van sluimerende of misschien reeds verstijfde soldaten lagen, bereikte men de brug van den Dnieper, marcheerde door de bovenstad en kwam zoo eindelijk aan den stadsmuur. Een besneeuwde vooruitspringende heuvel, een paar honderd schreden van daar, waarop een zwart woud van hooge dennen ten einde liep, was tot de voltrekking van het vonnis uitgekozen. Een officier wachtte daar met een peleton van omstreeks twintig man. Het daglicht begon van lieverlede zoo helder te worden, dat men reeds vrij ver van zich af kon zien.

„Halt! Zet af 't geweer!” kommandeerde de sergeant, toen hij met zijne gevangenen de hoogte bereikt had.

„Hier alzoo is het einde onzer loopbaan,” zeide Lodewijk en wees op den paal in den sneeuw, bij welken hij den dood zoude ontvangen. „Dat heeft mijn voorgevoel mij niet voorspeld, toen wij voor vier maanden hier langs trokken.”

Bernard scheen ernstig over iets na te denken; want hij antwoordde niet, ofschoon Lodewijk thans weer nevens hem stond. „Geef acht op mij!” fluisterde hij hem na eenige oogenblikken snel toe, „wij kunnen misschien nog ontkomen. Bereiken wij daar den hoek van het bosch, dan zijn wij geborgen, en bij die drie hooge dennen op den heuvel daar ginds vinden wij elkander weder.”