1812: Historische roman

Part 63

Chapter 633,963 wordsPublic domain

Doch, zooals het immer in het vuur van den hartstocht gebeurt, riep hij deze woorden niet in het fransch, maar in zijne moedertaal. Deels werden zij dus niet verstaan, deels gaven zij dadelijk te kennen, dat hij een vreemdeling was, op welke, sinds zoovele schrikkelijke ongelukken het leger getroffen hadden, de haat der Franschen zich reeds lang gericht had. Zij geloofden, en niet geheel en al ten onrechte, dat alle, maar vooral de duitsche bondgenooten zich in stilte over het ongeluk des keizers en de armee verheugden. St. Luces, afgericht om van elke gelegenheid partij te trekken, riep daarom insgelijks: „_Ce sont des traites Allemands, des espions soldés par la Russie!_”

Deze woorden moesten beter werken. De Franschen, die in hunne tegenwoordige stemming licht te verbitteren waren, drongen op de hun zoo aangeduide offers aan, om hen neer te sabelen. Bernard wilde zich niet overgeven, doch Lodewijk hield zijn arm vast en riep: „Verdedig u niet! Wij konden hier een ongeluk begaan. Men moet ons vonnis en recht verschaffen; Rasinski zal ons niet verlaten; wij beroepen ons op hem.”—Bernard stampte ongeduldig met den voet en knarste op zijne tanden.

„Wij zijn uwe gevangenen, mijnheer,” keerde Lodewijk zich tot St. Luces; „wij zullen om verhoor en vonnis vragen, opdat deze ongegronde aanklacht eindelijk een einde hebbe. Wij zijn soldaten van het poolsche leger, overste Rasinski is onze kommandant. Hij zal ons weten te verdedigen; ik eisch, dat gij hem onze gevangenneming dadelijk meldt.”

De gendarmes namen hun de sabels af, en op bevel van St. Luces werden zij beiden dadelijk in het huis binnengeleid. De onderofficier wilde hen in de wachtkamer nevens de poort brengen, waar de magazijnwacht zich bevond, doch Beaucaire riep: „Neen! deze misdadigers hebben het leven verbeurd. Zij moeten in eene zekere gevangenis gebracht worden. Sluit hen in een der kelders op, die aan de gracht uitkomen.”

„Lodewijk, Lodewijk,” zeide Bernard onder het gaan, „ik vrees, gij hebt niet goed gedaan met niet op onze wapens en op de vlucht te vertrouwen. Wie weet, of deze schurken Rasinski niet onderrichten als het te laat is.”

Lodewijk scheen getroffen door de waarheid dezer woorden. In den eersten ijver kon zijn edelmoedig hart zelfs van een vijand als Beaucaire niet zulk een graad van boosheid verwachten; hij had daarom tegen hem gehandeld, zooals hij tegen een man van eer moest handelen. Thans viel hem in, dat misschien niemand meer dan deze Beaucaire voor het daglicht bij deze geschiedenis moest vreezen; hij dacht aan wat deze zijne zuster had durven voorslaan, en het werd hem duidelijk, dat deze graad van slechtheid alleen in de gemeenste wraak genoegdoening kon vinden. Daar wierp hij een blik op den sergeant der gendarmerie, die met drie man hem wegleidde. Deze droeg het legioen van eer, had twee litteekens op het gelaat en een oog, waaruit een edel hart sprak.

„Gij zijt soldaat,” aldus sprak hij hem aan; „gij zult een kameraad geen verzoek afslaan.”

„Behalve een, dat mijn plicht mij verbiedt,” hernam de sergeant ernstig.

„Wij zijn onschuldig. Wij vallen als offers eener helsche wraak. Wanneer graaf Rasinski, onze chef, geen bericht van onze gevangenneming krijgt, zijn wij onvermijdelijk verloren. Beloof mij op uw woord, hem die te melden.”

„Wanneer mijne orders er niet mede strijden, zeer gaarne.”

„Hij zal het u rijkelijk vergelden! Neem mijn dank vooruit,” riep Lodewijk vroolijk en wilde den sergeant zijne gansche beurs in de hand drukken.

Doch deze trad terug en antwoordde: „Geen omkooping; ik zal mijn plicht als soldaat en kameraad doen. Doch weg met uw geld! Wat zou dat ons hier helpen? Van dat tuig hebben wij genoeg.”

„Gij zijt een brave kerel; zoo neem ten minste een handdruk voor uw goeden wil.”

De sergeant reikte hem zwijgend de hand, met een welwillenden blik vergezeld. „Hier zijn wij aan ons doel,” zeide hij en opende eene met ijzer beslagen deur, van welke omtrent twintig trappen naar beneden voerden. Dan wendde men zich in een gang rechts, eene tweede deur ging open en Lodewijk en Bernard betraden met eene inwendige rilling de gevangenis, die zich dadelijk achter hen sloot.

Het was een vochtig, koud gewelf, waarin slechts eene, door een ijzeren kruis gesloten, ronde opening, nauwelijks van de grootte van een menschenhoofd, een spaarzaam licht wierp.

„Een vervloekt gat,” bromde Bernard binnensmonds; „en koud als een ijskelder, en nog vochtig daarenboven! Zie maar, hoe op alle muren de salpeter vingerdik is uitgeslagen!—Welk een hatelijke muffe reuk!” Tastend ging hij rond. „Zou men ons hier inderdaad op de koude steenen laten liggen? Er is geen spoor van een leger te vinden.—Een geluk, dat wij onze mantels om hebben, anders konden wij, eer de zon ondergaat, hier dood vriezen.”

„Ik hoop, wij zullen onze vrijheid nog vroeger erlangen,” zeide Lodewijk op een toon, waarin hij de uitdrukking van troostend vertrouwen zocht te leggen. „O Bernard! deze gevangenis schijnt mij niet zoo vreeselijk! Maar de gedachte, dat ik u, den onschuldige, in dezen geheelen maalstroom van mijn ongelukkig noodlot heb medegesleept, alleen omdat gij mij liefderijk uwe hand reikt, om mij te helpen....”

„Om u met lompe, ezelachtige domheid geheel en al er in te stooten, terwijl gij zonder mijne ongeroepen dwaasheid waarschijnlijk nu aan wal waart,” viel Bernard hem bijna wild in de rede. „Wees geen kind, Lodewijk,” voer hij bedaarder voort. „Wilt gij u eindelijk daarover nog beschuldigen, dat gij de sterren van ons noodlot niet aan een draad kunt regeeren? Wilt gij van nu tot in alle eeuwigheid verantwoordelijk zijn voor al, wat mij overkomt? En toch knoopt zich slechts de eene oorzaak aan de andere, en wanneer ik over vijftig jaren aan een stikhoest sterf, zoo kunt gij mij bewijzen, dat dit daarvan komt, dat gij in 1812 op den Simplon uw plicht hebt gedaan jegens eene schoone smeekende ongelukkige.”

Lodewijk zag somber voor zich en zweeg.

„Sluit die vervloekte rekening toch eenmaal af,” voer Bernard voort. „Eindelijk kon het geluk mij nog meêloopen, en ik moest dan eeuwig dankbaar jegens u zijn en zou geen glas wijn meer durven drinken, zonder mij tegen u te buigen en te zeggen: Ziet gij, was ik toen niet met u naar Rusland gegaan, dan had ik niet met u terug kunnen keeren, en was ik niet teruggekeerd, dan had ik het hoogste lot niet getrokken, en had ik dat niet getrokken, dan had ik de prinses niet kunnen trouwen, en had ik die niet getrouwd, dan zat ik hier nu niet in mijne prachtzaal en—kortom, ik zal u eene keten van oorzaken en uitwerkingen maken, die van den eersten dag der schepping tot aan het jongste gericht zal reiken.”

„Uwe vriendschappelijke omkleedsels zullen mij de waarheid niet doen miskennen,” hernam Lodewijk bewogen. „Ik zie de muren van dezen kerker en meet den afstand van hier naar het vaderland—en ik _weet_ niet, maar ik _gevoel_, wat en wie u hier heeft gebracht.”

„Ik _gevoel_ het niet, maar ik _weet_, dat _ik_ _u_ hier heen gesleept heb met mijne domheden in Dresden! Maar gij verlangt misschien, dat ik u stilletjes in den wolfskuil had laten liggen en mij weg gepakt had, nadat ik er u eerst had ingesmeten? Duivels! nu merk ik het! Zoo ik geen lam was, kon ik woedend daarover worden. Zie ik de zaak wel in, dan wilt gij mij op eene fijne, maar des te kwaadaardiger wijze slechts verwijten doen. Doch vergeefs, mijn goede man! Mijn geweten is een krokodilsvel, eene rhinoceroshuid; ik zeg u, het is met eiken planken beslagen en schot- en vuurvrij daarenboven. Gelooft gij, dat ik voor alle zondaars verantwoord wil zijn, die onverwachts en zonder biecht naar de hel gaan, wijl zij door de steenen, waarop mijn voet onvoorzichtig of ongelukkig struikelde, verpletterd werden. Evenmin als ik 't, eene domme streek begaande, onzen aartsvader Adam wijt, dat zijn appelbeet mij de gewetensknaging heeft berokkend, welke ik namelijk gevoelen moest!—Maar ik wou wel, dat wij een goed vuur en eene kanapé met paardenhaar gevuld hadden; want het staan valt mij zoo zwaar, ofschoon ik van nacht goed geslapen heb.—Ziet gij, dat is toch een waar geluk, dat wij uitgerust en half verzadigd in deze russische spekkamer gekomen zijn. Had de schelm ons gisteren opgepakt, zoo ware dit van daag ons deftig grafgewelf, zoo snel zouden honger en koude ons stil gemaakt hebben.”

„Gij zijt zoo goed! Van alles ziet gij de heldere zijde!” antwoordde Lodewijk bewogen. „Hebt gij dan niet bedacht, dat wij juist heden slechts kenbaar konden zijn? Wie had ons gisteren met die lange stoppelbaarden, dat ongekamde haar en dat zwarte, vuile vel herkend?—Zoo wordt, wat voor een uur ons een geluk toescheen, thans een middel tot ons verderf.”

„En wie zegt u dat?—Kan het in dit eene uur zoo verkeeren, waarom dan in het volgende niet nogmaals? Moed, moed, Lodewijk! De muil des doods staat lang open, eer hij ons opsnapt; hij heeft ons in dit laatste vierendeel jaars dikwijls genoeg de tanden laten zien; hij zal ons heden niet bang maken.”

„Ik sidder niet,” zeide Lodewijk met waardigheid, „want ik durf mijne rechters, zooals ik ze niet gaarne noem, met een gerust geweten onder de oogen treden. Maar eene diepe droefheid moet mij vervullen, wanneer ik zie, hoe een rampzalige vloek op mij rust en ook hen mee ter nederdrukt, die het innigst aan mij verbonden zijn. U en Maria, en wie weet....”

„Orestes,” viel hem Bernard in de rede. „Dan laat mij uw Pylades zijn.” Hij trok hem tot zich en omarmde hem hartelijk.

HOOFDSTUK X.

Een uur, nog een tweede uur verliep; zij wachtten te vergeefs, dat men hen tot het verhoor zoude afhalen. De koude in het dompige gewelf scheen ieder uur toe te nemen. De muren waren rondom met fijne ijskristallen bezet en de grond lag zelfs hier en daar vol sneeuw, zooals de wind ze door het venster had ingewaaid. Juist verhief hij zich weder en huilde vreeselijk door het gewelf. De vermoeidheid dwong de gevangenen, zich op den ijskouden, steenen vloer neer te leggen, doch de koude joeg hen spoedig weder op. Slechts in de afwisseling tusschen gaan en liggen vonden zij de mogelijkheid, zich tegen verstijven te behoeden. Handen en voeten waren hun reeds verkleumd. Het begon donker te worden; de zon moest ondergaan. Lodewijk werd van oogenblik tot oogenblik ongeruster; Bernard floot zich de ergernis en den kommer weg.

„Ik vrees,” begon eindelijk Lodewijk, „Rasinski weet niet, wat van ons geworden is. Anders moesten wij reeds tijding van hem hebben.”

„De tijd valt iemand lang in zulk eene kooi.—Wij zijn eerst een paar uren hier. Wie weet, welke langwijlige procedures noodig zijn, eer hij tot ons komen kan.—Ach, zoo 'k een vogel waar!”

Lodewijk zweeg.

„Daar valt mij iets in”, riep Bernard op eens. „Toen de door het Directoire tot deportatie veroordeelde Terroristen naar Amerika gebracht werden—ik geloof Collet d'Herbois ook, die slechte acteur, die echter de rol van tyran dragelijk gespeeld heeft—gaf men hun, om hen aan de magere keuken der verpeste woestijnen van Guyana te wennen, slechts magere scheepskost. Daar begonnen de kerels te brullen, en zij schreeuwden, tot hunne kelen droog werden: „Honger, honger!” Eindelijk begon dat den kapitein te vervelen en hij beval: „Geeft den honden te vreten, opdat zij met huilen uitscheiden.”—Zoo kunnen wij hier ook doen en op de deur donderen, tot zich iemand om ons bekommert.”

Daarbij deed hij een woesten trap tegen de gesloten deur, zoodat de klank in het geheele gewelf dof naklonk. Doch hij viel tuimelend achteruit, zoodat Lodewijk moest toespringen, om te maken, dat hij niet nederstortte.

„Vervloekt!” riep hij, terwijl hij zijne tanden samenkneep, „ik dacht niet aan die duivelsche pijn in de verkleumde voeten. Dat was een gevoel, alsof ik tusschen den hamer en het aanbeeld was geraakt.—Doch het gaat mij naar verdienste.—Geduld, geduld! beveelt de leer der liefde, en ik wilde kwaadaardig op mijn lot razen. Gij moet mij een beetje ondersteunen, want de pijn is mij tot in den rug doorgetrokken!” Hij steunde op Lodewijks schouder en trok den pijnlijken voet krampachtig naar zich toe.

Daar rammelden de grendels der buitenpoort en men kwam de trappen af.

„Nu, het heeft tenminste geholpen!” zeide Bernard. „Nu doet het mij geen pijn meer.”

Vol verwachting hielden beiden de blikken op de deur gericht, welke, zoo zij hoopten, zich tot hunne bevrijding zou openen. De sergeant trad met zijne manschappen binnen.

„Ik heb bevel u in het verhoor te brengen,” zeide hij ernstig; „volgt mij.”

Door de soldaten vergezeld verlieten zij de gevangenis. Zij werden over het plein gevoerd. „Hebt gij aan mijn verzoek voldaan?” vroeg Lodewijk den sergeant half overluid.

Doch deze wees hem met één stom gebaar, dat hij zwijgen moest.

Thans begon Lodewijk te vreezen, dat zijne rechtvaardige zaak toch wel een slecht einde kon nemen. Rasinski kon niet onderricht zijn, anders zou hij pogingen gedaan hebben, om hem te bevrijden. De keizer was in de stad; zonder twijfel zoude hij zich tot dezen zelf gewend hebben. Met deze gedachte vervuld, volgde Lodewijk werktuigelijk zijn vooruitgaanden leidsman de trap in het voorhuis op, waar men hem en Bernard in een groot verwulfd vertrek bracht. Op eene tafel aan het eind brandde licht. In het eerste oogenblik verloren de binnentredenden bijna hun bewustzijn, want de kamer was heet gestookt, en daar zij bijna bevroren waren, werkte de plotselinge warmte zoo hevig op hen. De sergeant merkte het; hij beval hun zich op eene bank neder te zetten, die in den muur was aangebracht, en daar te blijven tot hij terugkeerde. Hij liet de drie man bij hen tot wacht en ging in eene andere kamer.

„Hebt gij niet een stuk brood, kameraden?” vroeg Bernard; „wij vallen bijna flauw van den honger. Ik wil het u goed betalen!”

Na eenig dralen kreeg een der manschappen een stuk zwart brood uit zijn zak, brak het door en reikte Bernard de helft toe.

„Neem! Maar meer kan ik u niet geven. Dat is al wat ik bezit, en wie weet, of wij morgen weer iets krijgen.”

Bernard wilde hem een goudstuk geven.

„Ik ben onder de wapens,” hernam de soldaat, „ik mag geen geld aannemen. Behoud het.”

In dit oogenblik trad de sergeant weder binnen. Hij zag Bernard, die juist het brood met Lodewijk deelde, aan en vroeg: „Van wien hebt gij dat brood?”

„Van mij,” zeide de soldaat bedaard, en trad met geschouderd geweer vooruit.

„Gij zijt braaf, Cottin! maar gij hebt niet goed gedaan. Ik wil het maar niet gezien hebben.—Gij blijft als schildwacht buiten voor de deur staan; gij overigen treedt af en gaat beneden in de wachtkamer.”

De soldaten verlieten het vertrek.

„Ik heb aan uw verzoek niet kunnen voldoen,” sprak de sergeant thans Lodewijk aan; „want de graaf Rasinski had order bekomen, met zijn poolsche lanciers dadelijk naar het corps van den maarschalk Ney op te rukken. Hij was reeds twee uur weg, toen ik hem opzocht.”

Deze tijding trof beiden als een verpletterende slag. Lodewijk verbleekte en zag Bernard aan; zelfs deze had zijn bedaardheid verloren. Intusschen werd er in de andere kamer gescheld.

„Ik moet u binnen brengen,” zeide de sergeant tot Lodewijk; „gij zult het eerst verhoord worden.”

„Bernard!” zoo richtte deze zich tot zijn vriend; „gij kunt u zelf redden; beloof mij, dat gij het doen zult. Word ik hier het offer van de wraak eens ellendelings, zoo bedenk, dat gij de broeder mijner Maria moet zijn. Ik sterf gerust, wanneer ik weet dat gij gered zijt.”

„Het hoofd niet laten hangen, mijn vriend!” hernam Bernard, zonder Lodewijks rechterhand, welke deze toereikte, aan te nemen. „Wie wil u veroordeelen? Geef hun geen enkel woord toe.”

„Ik zal de waarheid, de volle waarheid spreken,” riep Lodewijk met vastheid, „tegen deze ellendigen, ben ik te trotsch, om ook maar de kleinste leugen te gebruiken. Maar beloof mij.....”

„Antwoord dan in het geheel niet; vorder het bewijs hunner rechterlijke macht.”

„Beloof mij....” viel Lodewijk hem dringend in de rede.

„Voort, voort,” riep de sergeant, „wij mogen niet toeven.”

„O Bernard!” riep Lodewijk smartelijk uit, want hij verstond hem maar al te wel. „O, Bernard!—Nu, welaan dan! Mijn lijden heeft het hoogste toppunt bereikt; ik kan niets meer verliezen, dan eer en moed, en die zal geen noodlot mij ontrooven.”

Met deze woorden trad hij, zich ras en moedig losrukkende, met herstelde mannenkracht door de zaal.

Bernard bleef alleen. Hij hield het nog ongenoten brood in de hand.—„Kwaadheid bederft den honger,” bromde hij voor zich heen. „Men kan echter door nog erger zuren gebeten worden; er zijn dingen, welke den geeuwhonger verjagen; maar die moeten bitterder zijn dan gal! Thans heb ik geen honger meer, maar ik wil u toch opeten, gij hard brood des medelijdens! De maag mocht bij slot van rekening baas over ons worden, en nu moeten hoofd en hart het zijn. Ik ben niet slaperig; maar ik wil ook slapen op deze bank, opdat doodelijke vermoeidheid mij mijne leden niet verlamme, waar zij vast moeten zijn als staal.”

Hij legde zich rechtuit op de bank om te slapen; doch had te veel op zijn vasten wil vertrouwd. Zwaarder toch dan de last der vermoeidheid lagen de zorgen op zijne ziel. Tot zijn geluk duurde de beproeving niet lang, want na nauwelijks een kwartier verscheen de sergeant om ook hem af te halen.

„Wat is met mijn vriend gebeurd?” vroeg hij haastig.

„Ik weet het niet,” was het antwoord; en in de blikken van den strengen soldaat was het te lezen, dat hij niets zou geantwoord hebben, al had hij het ook geweten.

Met een trotschen blik trad Bernard binnen. Aan eene lange tafel zaten St. Luces en Beaucaire; twee jongere lieden waren tegenover hen druk bezig met schrijven.

„Wij kennen elkander, geloof ik?” vroeg St. Luces, terwijl hij Bernard scherp aanzag.

„Mogelijk,” hernam deze; „ik weet echter niet, hoe ik aan die eer zoude komen.” De minachtende toon, waarop hij dit zeide, gaf het eene juist omgekeerde beteekenis.

„Ben ik misschien zoo gelukkig?” vroeg Beaucaire met een honenden glimlach.

„Ja, mijnheer! Ik heb u in Pillnitz en in Dresden gezien; misschien ook reeds vroeger ergens, want gij hebt zekere physionomische kenteekenen, die iemand lang in het geheugen blijven.”

„Zoo? Zeer vleiend! Misschien is u ook dit gelaat niet geheel onbekend?” hernam Beaucaire en keerde een papier om, dat voor hem lag. Het was Bianca's portret dat in Lodewijks brieventasch, die men hem ontnomen had, gevonden was.

„Ik heb dit geteekend!” zeide Bernard droog.

„Ik geloof mij dit ook te herinneren,” hernam Beaucaire; „het zal te Londen in den schouwburg geweest zijn.”

Deze woorden vielen als een lichtende bliksemstraal in Bernards boezem; hij zag Beaucaire scherp aan, en op eens klaarde al het duister in zijne herinneringen op. Hij had dezen hatelijken mensch in dezelfde loge met Bianca zien zitten. Alle gewaarwordingen en donkere voorgevoelens zijner borst werden in beweging gebracht door de nabijzijnde mogelijkheid van iets naders over dat wezen te vernemen, dat eene zoo raadselachtige macht op het lot van Lodewijk en hemzelven uitoefende. Hij vergat de betrekking, waarin hij thans tot Beaucaire stond, en riep driftig: „Wie is deze dame? Gij moet haar kennen, want gij waart bij haar!—Ik kan nog andere vragen omtrent dien avond doen, maar niet aan u,” voer hij trotscher voort, terwijl hij zich het verzuimde duel herinnerde.

Beaucaire wendde zich met een duivelschen lach tot St. Luces; „ik moet bekennen, mijnheer, dat wij met knappe menschen te doen hebben. Deze heer speelt de rol van een onwetende met groote waarheid.”

„Mijnheer!” stoof Bernard op.

„Zwijg!” hernam Beaucaire, terwijl hij opeens een bevelenden toon aannam. „Meent gij, dat wij, als het ons niet tot andere oogmerken dienstig was, zulk een misdadiger als u ook slechts een oogenblik zulk een trotschen toon zouden vergund hebben?”

Bernards oogen rolden hem woest in het hoofd; niet het honende bevel van Beaucaire, maar zijn overkokende toorn beroofde hem voor een oogenblik van de spraak. Hij sloeg zijne oogen in het rond, of hij nergens een wapen kon ontdekken; gelukkig voor hem, dat zijn oog op geen voorwerp van dien aard viel, want hij zou dadelijk den spottenden schurk Beaucaire daarmede overhoop gestoken en zijn eigen leven daardoor opgeofferd hebben. Deze zag zijn verstommen voor vrees aan en voer voort:

„Geef thans antwoord op de vragen, welke ik u zal voorleggen.—Hoe zijt gij bij de armee in dienst gekomen?”

Bernards eerste woede was bekoeld; hij gevoelde, dat hij zich met verachting boven den nietswaardige moest verheffen. Dit kon hij niet beter doen, dan door het halsstarrig zwijgen in acht te nemen, dat hem even te voren was opgelegd.

„Hoort gij mijne vraag niet? Hoe zijt gij bij de armee gekomen?”

Bernard tastte naar een bij hem staanden stoel, rukte dien nader bij, zette zich zonder plichtplegingen daarop neder en begon, als ware hij alleen in de kamer, een contre-dans te fluiten.

Beaucaire verbleekte van woede. „Sergeant”, riep hij na eenige oogenblikken, „breng den arrestant naar zijne gevangenis terug.”

Stiptelijk gehoorzamende, trad deze op Bernard toe en zeide hem, niet zonder eene zekere uitdrukking van eerbied, die zijn stoutmoedig gedrag hem afdwong: „Ik verzoek u, mij te volgen.”

„Zeer gaarne, mijn brave kameraad,” antwoordde Bernard en ging met hem naar buiten, zonder door een groet of eenig ander teeken te verraden, dat hij hoegenaamd acht sloeg op de aanwezigheid der overigen. Beaucaire beval den beiden secretarissen af te treden; zij gingen; hij bleef met St. Luces alleen.

„Een verwenscht geval!” zeide deze, terwijl hij opstond; „ik zie niet in, hoe wij bij die koppige Duitschers ook maar den schijn van een procesverbaal zullen bijeenbrengen, waarop zij veroordeeld kunnen worden. Uw hartstocht, Beaucaire, heeft ons in een doolhof van de onaangenaamste omstandigheden gebracht.”

„Ik vertrouw, dat ik wel den uitgang zal vinden,” hernam deze koel en niet zonder een zekeren trots op de meerderheid van zijn eigen doorzicht.—„Wij hebben getuigen, dat de gevangene dit portret heeft erkend als door zijne hand geteekend. Deze omstandigheid, die mij zelf de zekerste overtuiging geeft, dat de beide aangeklaagden in eene nauwe betrekking tot Dolgorow hebben gestaan, zal voldoende zijn tot een rapport, dat ook den intendant-generaal overtuigt. Hoe? Wij zullen den een gelooven, wanneer hij ons eene avontuurlijke geschiedenis opdischt omtrent de wijze, waarop hij den graaf over de grenzen heeft geholpen? Men zou op zijne verzekering vertrouwen, dat hij hem te voren heel niet gekend en later nimmer meer gezien heeft, als hij het portret van de dochter bij zich draagt? En de ander die mij te Dresden om den tuin wilde leiden, bekent het portret geteekend te hebben. En toch zouden beiden in geen de minste betrekking tot die russische familie staan? Als de brutale snaak zich niet schuldig gevoelde, waarom vluchtte hij dan tegelijk met den ander uit Dresden? Waarom vinden wij hen hier te zamen?—Wanneer ik daaruit geen verbaal opmaak, dat ten duidelijkste aantoont, hoe eene zeer vertrouwelijke, voortgezette, misschien nog in dit oogenblik bestaande verbintenis tusschen hen beiden en Dolgorow plaats moet hebben, dan wil ik mij te dom voor boerenpastoor laten verklaren. Gij en ik, die voor ons zelven de meest gegronde redenen moeten hebben, om aan beider mogelijke onschuld te gelooven, moeten thans onze meening opgeven, welke derde zou, ook maar met eenigen schijn, een tegenovergesteld gevoelen kunnen verdedigen? Laat mij twee uren tijd, ik sta u borg voor de toestemming van den intendant-generaal.”

„Ga maar niet al te ver,” antwoordde St. Luces een weinig bitter; „van eene nog voortdurende verbintenis willen wij althans niet reppen. Wie te veel bewijzen wil, bewijst bij slot van rekening niets.”

„Mijnheer de St. Luces,” hernam Beaucaire gevoelig, „laat dat aan mij over. De omstandigheid, dat wij de beide lieden juist hier in Smolensko aantreffen, in welks nabijheid een gedeelte van Dolgorows goederen ligt, mag wel niet onvermeld blijven.”