1812: Historische roman

Part 62

Chapter 623,784 wordsPublic domain

Thans zag men de poorten der stad. Zelfs onder de aan de stalen wet der gehoorzaamheid sinds lang gewone korpsen der oude garde liet zich thans geen tucht meer houden, maar gelijk hongerige tijgers op hun buit, wilden zij zich afzonderlijk uit de gelederen werpen, om het eerst het toevluchtsoord te bereiken, want reeds had een gedeelte der uitgehongerde horden, die zonder aanvoerder of orde door de wouden gedrongen waren, de muren der stad bereikt en drong in zwart gewemel om haar heen. Doch bij het zien der holoogige gedaanten, in de wonderlijkste kleederen, zoo als nood en toeval ze verschaft hadden, bij hun gierig toedringen, had men in de stad, en met recht, gevreesd, dat zij als een troep hongerige wolven op de magazijnen aanvallen en overal plunderend en verwoestend inbreken zouden. Daarom werden hun de poorten van de verlangde vrijplaats gesloten, en te vergeefs vloekten en baden zij, om de onverbiddelijke muren binnen te gaan. Reeds verscheidene uren hadden velen dezer ongelukkigen, van koude verstijfd, door honger gemarteld, in het gezicht der redding te vergeefs om hulp en medelijden gesmeekt. De meesten waren in vertwijfeling en afgematheid neergezonken en door de steeds grimmiger wordende koude gedood.

De aanrukkende geregelde troepen hoorden het verschrikkelijk wilde gehuil om voedsel, dat zich met de grievendste jammerkreten vermengde. Thans beving ook hen de vrees, dat het hun evenzoo mocht gaan, dat men hier geweld zou moeten aanwenden, en diegenen alleen lafenis zouden vinden, die het eerst met geweld inbraken. Daarom verlieten zij hunne gelederen en zochten, zooveel hunne uitgeputte krachten dit vergunden, elkander vooruit te komen, om de plaats der redding te bestormen en wat zij konde opleveren met gewelddadige hand te rooven. Te vergeefs wierp de maarschalk Bessières zich hun, die gehoorzaamheid weigerden, in den weg, te vergeefs trachtten de officieren hen met geweld terug te houden. Reeds dreigde de wanorde zich over de gansche lange colonne te verbreiden, toen op eens de keizer in de voorste rijen zich vertoonde en met een wenk halt gebood. De eerbied voor den geheiligden persoon des aanvoerders, op wien zich in dezen tijd van tegenspoed het laatst vertrouwen vestigde, boeide zelfs de vermetelsten.

„Soldaten, keert in uwe gelederen terug!” zeide hij streng, doch bedaard, en vond oogenblikkelijk gehoorzaamheid.

Hij zelf reed thans aan de spits der troepen, en onder dof zwijgen, doch in streng geordende gelederen rukten de krijgslieden de vesting binnen.

Rasinski volgde met de zijnen onmiddellijk op de oude garde. Slechts de helft was te paard, de overigen gingen te voet, daar hunne paarden voor het geschut gespannen waren. Bernard en Lodewijk waren te paard. Toen zij op de hoogte van den dalrand kwamen, wees Lodewijk aan Bernard ter linkerhand naar de besneeuwde vlakte en zeide: „Herkent gij daar dat slot wel?”

„Hm!” antwoordde Bernard; „ik had gedacht, dat het geheel afgebrand zou zijn, doch het staat nog tamelijk vast op zijne beenen.”

„Ik weet niet, waarom ik ook nog heden dit statig gebouw met zijne vreemde torens en tinnen met een geheel eigenaardig gevoel aanschouw,” hernam Lodewijk.

„Ik thans meer dan toen; doch dat doet de herinnering.—Ik geloof, dat wij meer onkenbaar geworden zijn dan het slot, ofschoon toch de vlam er al het ingewand wel zal uitgebrand hebben. Want als ik u zoo zie, met uw langen baard en die zware strepen van rook en stof in het gezicht, dan kan ik mij zoo omtrent verbeelden, hoe ik er zelf moet uitzien. Het was wel de moeite waard, ons portret te schilderen, opdat wij toch eens aan de goede lieden in Duitschland of Frankrijk konden toonen welke gezichten het overwinnend leger gezet heeft, toen het voor de tweede maal te Smolensko kwam.”

„Zijt getroost, vrienden,” zeide Rasinski, zich omkeerende, „een tijd van rust ligt voor ons. Die zal ons ook gelegenheid geven, om ons weder een menschelijk aanschijn te verschaffen.”

Zij reden thans door de poort der bovenstad binnen, want de oostelijke helft der stad ligt op de hoogte, de westelijke aan de overzijde des Dniepers in de laagte. Toen zij de eerste straat doorkwamen, zagen zij elkander met bezorgdheid aan.

„Nu,” zeide Bernard zacht tot Lodewijk, „Smolensko ziet er voorwaar niet naar uit, alsof het Capua zou worden.”

„Wanneer de gansche stad zoo verwoest is,” antwoordde Lodewijk even zacht, „zal zij ons niet meer levensmiddelen opleveren, dan de groote weg, dien wij gekomen zijn.”

„Ik zie nog niet in, hoe wij hier een lood rijst zouden koken,” fluisterde Bernard; „merkt gij wel, dat alle vensterkozijnen uitgebroken zijn? Waar hier nog hout in de muren zat, schijnt men reeds oogst gehouden te hebben.”

„En toch,” hernam Lodewijk, „geloof ik, dat wij wel zouden doen, met een dezer op het invallen staande huizen bijtijds te bezetten; want als eerst die massa van ongelukkigen van buiten indringt, blijft er geen steen op den ander.”

„Dat denk ik ook,” hernam Rasinski, die met zijn steeds opmerkzaam oor alles vernomen had, „en ik denk er reeds over, om gezwind het recht van eerste bezitneming te doen gelden. Ik hoop slechts, dat de benedenstad er beter uit zal zien; want hier stort ons misschien des nachts het kwartier boven ons hoofd in.”

[Illustratie: Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.]

„Die versche paardengeraamten daar ter zijde,” zeide Bernard, terwijl hij met zijn vinger in een nauw zijstraatje wees, „beloven ook niet veel goeds; zij zien er mij uit, alsof het vleesch eerst sedert een half uur van de botten gekloven was. Ik wilde mijn arm paard, hoe mager ook, hier niet gaarne een kwartier vastbinden, want ik zou moeielijk iets anders dan het geraamte wedervinden. Op een bijzonder ruim onthaal mogen wij dus ook niet rekenen.”

„Nu, levensmiddelen zijn hier,” hernam Rasinski, „of des keizers bevelen zouden op het onverantwoordelijkst veronachtzaamd moeten zijn. Eergisteren hebt gij nog gezien, hoe van hier een transport kwam, dat de keizer billijkerwijze hun toezond, die voor ons vechten en, buiten de moeilijkheden van den marsch, nog het gevaar van den strijd moeten verduren.”

Een adjudant brak het gesprek af met het bevel om rechts af te rijden, waar de kwartieren voor de cavalerie waren aangewezen. Rasinski nam derhalve met de kleine schaar, welke hij nog om zich heen had, zijn weg door een kromme, half ingestorte straat en bereikte zoo een ruim plein, waar eenige groote steenen gebouwen, die vermoedelijk voor magazijnen gediend hadden, in de onderste verdieping stallen voor de paarden, in de bovenste kwartieren voor de manschappen aanboden. Doch ook deze huizen waren geheel verwoest. Slechts op de bovenste verdiepingen zag men hier en daar nog een kozijn; de deuren waren uitgehaakt, ja, op eenige plaatsen was de planken vloer opgenomen. Ondertusschen verschaften de half vernielde gebouwen toch een droog verblijf, en zoo men slechts hout, levensmiddelen, stroo en voeder voor de paarden kon verkrijgen, scheen het verblijf daarin, met de uitgestane ongemakken vergeleken, een tijd van heerlijkheid te beloven. Want in de meeste kamers waren gemetselde kachels, door welke men zelfs, schoon er geen venster te sluiten was, toch nog warmte genoeg in de vertrekken kon brengen, om het daarin uit te houden.

In weinige minuten waren de kwartieren betrokken en de paarden in de stallen gebracht. Rasinski's voortdurend onvermoeide zorg had uitgewerkt, dat hij op weinigen na, die de vermoeienis niet hadden kunnen uithouden sinds den dag van Dogorobuye, de zijnen bijeen had gehouden. Daar hij niet duldde, dat iemand, en hij zelf het minst, eenig voorrecht genoot, zoo waren ook de schraalste levensmiddelen zoo verdeeld geworden, dat niemand ledig heenging.

Thans was zijn eerste werk, Boleslaw tot het ontvangen van levensmiddelen voor de manschappen en Jaromir tot die voor de paarden ieder met het vereischte geleide af te zenden. Boleslaw nam twaalf man en ging naar het hem aangewezen magazijn. Hier heerschte een onbeschrijfelijk gewoel. Zoodra was het niet bekend geworden, dat in het gebouw levensmiddelen voorhanden waren, of de hongerige soldaten en achterblijvers legerden zich, als een zwerm raven op een lijk, voor de deuren en vervulden de lucht met hun gehuil en gekerm. Eenigen gelukte het, in spijt der uitgestelde posten, eene deur open te breken, en nu met blinde woede op de levensmiddelen aan te vallen, om die rauw te verslinden. Men zag, dat zij slechts hun dood vonden, en wat honderden van het verderf had kunnen redden, werd schandelijk verkwist, om de wilde begeerte van eenige weinigen te stillen. Daarom was het noodzakelijk, hoe gruwelijk de maatregel ook mocht schijnen, het wettige geweld tegenover het onwettige te stellen. De opzieners der magazijnen moesten geregelde troepen doen aanrukken, die met bajonet en sabel op hun eigene kameraden aanvielen en hen terugdreven. Daar dit echter niet dadelijk gelukte en ieder den hongerdood vreeselijker vond dan die door de wapenen, zoo werd er vuur onder den dichtsten hoop gegeven. Thans stoof hij uiteen, doch liet den grond met bloedende lijken bezaaid.

Door zulk een ijzingwekkend gewoel moest Boleslaw zich baan maken; hij deed het met kracht, doch tegelijk met een diep smartelijk gevoel. Er waren er echter zoovelen, die recht op de levensmiddelen hadden, dat er verscheiden uren in strijd en gedrang verstreken, eer hij de zijne kon ontvangen. Zijne manschappen gehoorzaamden hem nog en droegen het ontvangene, zonder het aan te raken, naar hunne kameraden, om het met hen te deelen. Doch dit was niet gemakkelijk.

Man aan man gesloten, met de overgehaalde pistool in de hand, moest Boleslaw hen door de joelende, vloekende, huilende en kermende menigte geleiden en zich tegen deze, als tegen eene rooverbende, verdedigen. Slechts met moeite gelukte het hem eindelijk tot in het kwartier van Rasinski te komen.

Jaromir was gelukkiger geweest dan hij, want bij het ontvangen der fourage had zulk een gedrang niet plaats gehad.

Toen Boleslaw aan Rasinski rapport deed, schudde deze het hoofd en zeide: „Dat zijn bedenkelijke teekenen! Wij zullen hier niet lang kunnen blijven, want wij moeten zoo spoedig mogelijk de grenzen van Rusland trachten te bereiken. Bij een zoo volslagen gebrek aan tucht en orde zoude een ernstige aanval ons verderf zijn. Ik heb Bernard en Lodewijk tot het ontvangen van ammunitie uitgezonden; daar waren slechts van weinige regimenten manschappen geweest. Wanneer de soldaat reeds niet meer aan zijne verdediging denkt, wat zal daaruit voortkomen? Ja, zelfs tot het ontvangen der soldij is geen derde gedeelte opgekomen, ofschoon alle regimenten gewaarschuwd waren.”

„Laat deze ééne dag van volkomen afmatting en verslagenheid maar voorbij zijn,” antwoordde Boleslaw, „dan zullen de orde en de gehoorzaamheid wel terugkeeren. De ijselijkheden van den marsch, de honger en de koude hebben de manschappen nog geheel en al bedwelmd. Hebben wij zelfs niet alle krachten moeten inspannen, om den moed niet geheel te verliezen; en hoeveel beter is het ons niet gegaan dan de overigen! Door uwe voorzorg zijn onze manschappen goed gekleed; zij hebben ten minste goede laarzen en mantels. Ook is er altijd nog iets voor hen te eten geweest. Maar zie eens naar de anderen! Met lompen bedekt, met gescheurde schoenen, moesten zij de schrikkelijke nachten onder den blooten hemel doorbrengen, zich den ganschen dag door de sneeuw heenwerken. Wanneer de rampen zoo hoog stijgen, dat in de straf der ongehoorzaamheid geen schrik meer ligt, dan laat zich de tucht niet meer bewaren.”

„Maar het _verderf_ ligt er in,” sprak Rasinski met nadruk, „het verderf van het geheel en van een ieder in het bijzonder. Dat zien de razenden niet in. Gevaar en nood zouden voor allen de helft minder zijn, wanneer niemand uit eigenbelang er zich aan zocht te onttrekken. Van twintig of honderd gelukt het aan één, de overigen gaan des te spoediger verloren.”

„Laat hun slechts twee dagen tijd, om te bekomen, dan zullen zij weder vatbaar zijn voor verstandigen raad en tot gehoorzaamheid terugkeeren!”

„Maar is het dan nog tijd? Hebben zij niet reeds hunne wapenen weggeworpen? Zijn zij voor de overigen niet reeds een ballast geworden, zonder zelven iets ter hulpe bij te dragen?—De keizer moet buiten zich zelf raken op dat gezicht.”

Jaromir, Bernard en Lodewijk traden binnen. Zij kwamen uit de stallen, waar alle paarden goed verzorgd waren.

„Het is het eerste behoorlijke voeder, dat onze beesten krijgen, sinds wij Moskou verlaten hebben,” zeide Jaromir. „Dat wil zeggen, onder behoorlijk voeder versta ik half stroo, half haver en nauwelijks het derde part van een gewoon rantsoen. Doch men ziet, hoe de dieren er zich aan te goed doen!”

„Geeft hun om 's hemels wil geen volle maat! Nauwelijks morgen of overmorgen zullen zij het kunnen verdragen,” merkte Rasinski aan.

„Wees onbezorgd,” hernam Jaromir, „ik heb zelf overal mijn oog laten gaan.”

„Goed,” antwoordde Rasinski; „doch laat ons nu aan ons zelven denken. Het is de eerste maaltijd, dien wij sinds langen tijd onder dak zittende en in vertrouwelijk gesprek zullen nuttigen.”

Rasinski had alle nog overige officieren bij zich in de tamelijk bewoonbare kamer genoodigd. Het was de eerste maal, dat hij een klein voorrecht boven zijne makkers genoot 't welk zij hem nog met geweld hadden opgedrongen. Hij meende het ditmaal te mogen aannemen, wijl het zijn manschappen naar tijdsomstandigheden goed ging. Daarom veroorloofde hij zich ook met zijne vrienden het genot van ééne flesch wijn; de keizer had uit zijn eigen kelder ieder regiments-kommandant twee flesschen laten uitreiken.—„Laat ons,” zeide Rasinski, „de andere bewaren, tot wij die dringender noodig hebben.”

Na den maaltijd sloot de vermoeienis allen de oogen, en zij genoten de kostelijke verkwikking van den slaap zonder ieder oogenblik door de pijn hunner leden, die van koude verstijfden, of door de vlam van het wachtvuur verschroeiden, uit de dommelige verdooving opgewekt te worden, die hen op het bivak in plaats van eene lichte sluimering beving.

HOOFDSTUK IX.

Het was klaar dag, toen zij ontwaakten, en misschien hadden zij nog langer geslapen, zoo de honger hen niet gewekt had. Gelukkig konden zij dien ditmaal bevredigen.

Rasinski ging uit, ten einde te beproeven, of het mogelijk was, zijn ruiters eenigen voorraad van levensmiddelen te verschaffen, opdat zij voor de naaste marschen gedekt mochten zijn.

Terwijl hij afwezig was, kwam Regnard en verhaalde, dat een te Parijs in hechtenis genomen generaal Mallet beproefd had oproer te stichten en de afzetting des keizers te bewerken. De nieuwe regeering had zekerlijk maar eenige uren bestaan, maar de tijding had evenwel een diepen indruk op den keizer gemaakt, die tegen graaf Daru gezegd zou hebben: „Hoe nu, wanneer wij eens in Moskou gebleven waren?”

„Zijn die tijdingen nu gekomen?” vroeg Bernard.

„Reeds bij Dogorobuye ontving de keizer de depêches,” vervolgde Regnard; „hij rekende het evenwel noodig ze geheim te houden. Ook van de achterhoede moeten slechte berichten gekomen zijn. Bij Wiasma heeft een hevig gevecht plaats gehad, waarbij wij veel volk verloren hebben. Prins Beauharnais heeft aan de rivier Wop, die buitengewoon hoog was, waardoor hij haar niet spoedig genoeg kon overkomen, zijne halve artillerie en alle bagage moeten achterlaten. Bij geluk is zij echter den kozakken niet in handen gevallen, want zij is tegelijk met de kruitwagens in de lucht gevlogen. Intusschen moet de achterhoede schrikkelijk geteisterd zijn, als wij bedenken, hoeveel menschen wij alleen door honger en koude verloren hebben! Die na ons komen, vinden nog minder dan wij en hebben daarenboven met den vijand te doen.”

Jaromir had zich stil verwijderd, terwijl Regnard vertelde; bij de groote ellende, welke thans heerschte, was hem het lot van Alisette niet onverschillig. Hij gevoelde medelijden met de ongelukkige, wier lichtzinnigheid zoo streng kon gestraft worden. Gaarne had hij naar haar gevraagd, doch hij kon de woorden niet over zijne lippen krijgen. Daarom verliet hij het vertrek liever en ging de straat op.

In de laatste dagen had de bovenmatige inspanning hem met geweld weerhouden, zich met zijne droefheid bezig te houden. Nauwelijks echter was er nu een oogenblik rust, of ook deze inwendige vijand vertoonde zich weder. Briefwisseling met Warschau was thans onmogelijk geworden; hij wist dus niet zeker, of de brief, dien Rasinski op zich genomen had te bezorgen, was overgekomen, dan of de onteerende beschuldiging nog op Lodoiska rustte, zonder door zijne zelfveroordeeling ingetrokken en vernietigd te zijn. Dit laatste denkbeeld kwelde hem met onverbiddelijke hardheid. Schuldig te zijn in de oogen zijner geliefde, dat had hij leeren verdragen; maar bij haar voor een onwaardige, een verachtelijk wezen te moeten doorgaan, wiens ruw gevoel het heiligdom van haar hart moedwillig schond en die na het eerste oogenblik van woeste hartstochtelijkheid niet tot zijne bezinning terugkeerde—dat boog hem zoo diep neder, dat hij den moed niet in zich vond, om deze smart te dragen. En wanneer nu—wat thans, door den schrikkelijken rampspoed, die het leger trof, mogelijk werd—wanneer nu de dood hem en Rasinski wegnam, en ook de overigen, die zijne schuld en zijn besluit, om haar te verzoenen, kenden, omkwamen en geen van hen den sluier van de rampzalige waarheid konden wegnemen! Wanneer hij den smaak en de verguizing, welke zijne verdenking meedoogenloos op zijne geliefde had geworpen, niet meer kon terugnemen! Wanneer deze verpletterende last des bewustzijns hem tot in de eeuwigheid vervolgde!

Als hij aan de mogelijkheid hiervan dacht, werd hij duizelig, en was het hem of hij aan den steilen rand eens afgronds stond; zijne gedachten verwarden zich en hij had al zijne mannelijke kracht noodig, om zich niet aan dien afgrond over te geven. Maar eene tooverkracht dwong hem voortdurend zijn oog weder in deze gruwelijke diepte der toekomst te slaan. Hij gevoelde, dat men de macht over zijne gedachten kon verliezen; de mogelijkheid van waanzinnig te worden vervulde hem met huivering. Hij zag Regnard weder gaan; zijne lange, schrale, beenige gedaante, zijne scherpe, zelfs door de vermoeienissen dezes tijds bijna niet veranderde trekken, boezemden hem thans een afkeer in, die naar vrees geleek. Hij geloofde in hem zijn boozen geest te zien, en wendde dus spoedig zijne schreden naar een anderen kant, teneinde hem niet tegen te komen.

Spoedig na Regnard kwamen Bernard en Lodewijk op de straat. Zij waren thans weder kenbaar geworden, daar zij sinds den terugtocht van Malo Jaroslawez voor het eerst in de mogelijkheid geweest waren, zich te verkleeden en behoorlijk te reinigen.

„Waarachtig,” zeide Bernard in het naar buiten treden, „thans zien wij er als heeren uit. Nu u de baard niet meer als een stoppelveld van een duim lang om de kin zit, lijkt gij weer een Adonis. Maar er is hier helaas niemand, waarop men verlieven kan.”

„Al weder lichtzinnige gedachten!” zeide Lodewijk glimlachend. „Maar het is inderdaad zelfs in den grootsten nood iets waard, zich zelf niet tot ergernis te zijn. Thans eerst gevoel ik mij recht wel.”

„Over het geheel ziet men,” antwoordde Bernard, „dat slagen aan menschen zoowel als aan honden goed bekomen; want de omstandigheden, waarin wij ons heden bevinden, zijn toch eigenlijk lang zoo slecht niet. Als men onder de zweep niet dood bloedt, is hij een gezonde aderlating.”

„Hoe gelukkig, dat gij in zoo weinig uren toch alles vergeten kunt!” zuchtte Lodewijk. „Ik zie het verledene te donker en de toekomst te dreigend bewolkt, om mij over het tegenwoordige te kunnen verheugen.”

„De toekomst, mijn waarde, zal zoo erg niet zijn, want wij zijn thans op het ergste gevat. Wanneer men de dingen weet, die daar komen zullen, beschouwt men het onheil geheel anders, dan wanneer men er uit den hemel zijner droomen zoo midden invalt. Een onverwachte duw werpt mij neder; maar heb ik tijd, om recht op mijne beenen te gaan staan, dan kan ik driemaal meer tegenstand bieden. Doch laat ons nu zien, of wij schoenen kunnen oploopen. Wij moeten de hospitalen doorzoeken en beproeven, of hier en daar wat te erven valt. Ik zoude Rasinski dien dienst gaarne doen.”

Deze had hun namelijk opgedragen om te beproeven, of zich voor de manschappen, wier schoenen door de marschen geheel versleten waren, ook nieuwe lieten opsporen. Zij gingen; meer het toeval dan een vast plan volgende, namen zij hun weg naar de benedenstad, waar zich de hospitalen der reserve-armee bevonden. Voor een groot, half vervallen, maar toch tot bewoning ingericht gebouw zagen zij twee mannen staan in dikke pelzen gewikkeld en met bonte mutsen op het hoofd. Zij deelden bevelen aan verscheidene anderen uit, wier uniform aanduidde, dat zij tot het personeel der administratie behoorden.

„Zeker een paar van de schoften, die ons laten verhongeren en bevriezen,” riep Bernard met afkeer uit, „en in hunne pelzen spotachtig toezien, wanneer de soldaat, door de koude gepijnigd, tranen vergiet. Een moeders kindje, denken zij dan. Maar ik wilde hun slechts eenmaal laten bivakeeren, als daar bij Dogorobuye.”

„Misschien was er echter juist bij deze lieden wel iets uit te richten,” hernam Lodewijk. „Laten wij hen naderen en zien, of wij iets bekomen kunnen.”

„Voor mijn part ook goed! maar ik beken u gulweg, dat ik liever met een kozak te doen heb, die toch ronduit zegt, dat hij mij plunderen en als het noodig is doodslaan wil, dan met die vergiftige kruisspinnen, die zich vet mesten met het merg der hongerende soldaten.—Maar wat helpt het? Welaan dan, vooruit!”

Zij traden op de beide mannen, die met den rug naar hen toegekeerd stonden toe; toen deze de voetstappen en den groet der aankomenden hoorden, keerden zij zich om. Eene wederkeerige verbazing was zoowel in de trekken van Lodewijk en Bernard, als op die der beide vreemden te lezen.

„Zien wij elkander hier weder?” begon na eenige oogenblikken de jongste der beide vreemdelingen, terwijl hij den mond tot een hatelijken lach vertrok. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen Lodewijk met een gevoel, als ware hij in de spleet eens gletschers gestort, Beaucaire en in diens ouderen metgezel St. Luces herkende.

„Gendarmes!” riep Beaucaire, eer Lodewijk een woord spreken, veelmin een besluit nemen kon, „neemt dadelijk deze beiden in arrest en werpt hen in de gevangenis; het zijn verraders, die zich aan Rusland verkocht hebben!”

Eerst door deze woorden bemerkte Bernard, wie hij voor zich had, want hij had Beaucaire in Dresden slechts eenige oogenblikken op straat gesproken en, hoe vast de wezenstrekken hem ook uit vroegere herinneringen ingeprent waren, toch had het vreemdsoortige der kleeding zijn anders zoo getrouw geheugen een oogenblik in twijfel gelaten. Thans maakte eene onberaden, maar onbetoombare woede zich van hem meester.

„Dat liegt gij, ellendige schurk!” riep hij met vreeselijke stem, sprong eene schrede achteruit en trok zijne sabel. „Wie mij te na komt, dien kloof ik den kop!”

Lodewijk, die even spoedig bemerkte, dat hier eene moedige handelwijze alleen kon redden, stiet met alle krachten den gendarme, die hem bij den arm wilde grijpen, terug, zoodat deze in de sneeuw viel, en in hetzelfde oogenblik flikkerde ook in zijne hand de sabel.

In de buurt waren soldaten. „Kameraden, helpt, helpt!” riep Bernard luid. „Deze schurken, die ons laten verhongeren, willen ons nu nog mishandelen en vermoorden. Hier heen, helpt!”