Part 61
Op deze wijze werd het mogelijk, de artillerie vooruit te brengen; maar toch nog met de grootste moeite, want de raderen zonken tot aan de assen in de sneeuw, die in eene taaie massa veranderd was, daar zij zich met het zand van den grond vermengd had en zich nu vast pakte. Zweepslagen en vloeken klonken door de lucht. Voor menig stuk zag men twintig, ja dertig paarden, en toch moest de kracht der menschen de vermoeide dieren nog te hulp komen.
Zeer langzaam rukte de zwaar bewegelijke massa voorwaarts. Niet alleen aan de artillerie lag het, maar menschen en paarden geraakten in de immer dieper wordende sneeuw evenzeer uitgeput. Na weinige uren was de grootste afmatting reeds daar. De orde in de regimenten verdween, naarmate de manschappen met uitgeputte krachten achterbleven. Spoedig marcheerden velen niet meer op den weg, deels wijl men dien in de sneeuwjacht verloor, deels wijl ieder trachtte een beter pad te vinden. Zoo dikwijls zich daarom eene hoogere plaats opdeed, waar de storm het veld van sneeuw gereinigd had, drongen de massa's daarop aan, om ten minste eenigen tijd eene kleine verlichting te hebben. Doch door velen werd deze schrikkelijk geboet. Want achter de hoogten volgden dikwijls diepe aardkloven of ten minste steile hellingen, die, door de sneeuw bedriegelijk gevuld, met den effen grond gelijk schenen te zijn. De krijgslieden stortten plotseling tot aan den buik, tot aan de schouders daarin; anderen volgden, wijl het koude stuiven der vlokken hen verblindde, onwillekeurig na en stortten over hunne kameraden heen of drukten hen nog dieper in hun koud graf ter neder. Zoo zag men dikwijls drie, vier menschen plotseling over elkander heen vallen en in de sneeuw verdwijnen. Weinigen werkten er zich uit op; de meesten begaven de krachten; het geweer of het wapen, waarmede zij zich wilden helpen, ontzonk aan hunne verstijfde handen; zij wilden eenige oogenblikken rusten, om adem te halen. Dan verlamde de koude hunne leden, zij riepen wel met stervende stem om hulp, maar niemand hoorde hen in het geloei van den storm, of de eigene ellende der meesten was reeds zóó hoog gestegen, dat zij, als bij eene schipbreuk, slechts om hun eigen behoud dachten. De eerste offers, die op deze wijze vielen, vervulden de ziel met pijnlijken weemoed; maar toen het aantal vermeerderde, toen dit bij de invallende duisternis tot honderden, tot duizenden steeg, toen verstompte de scherpe smart en slechts nog een medelijdende blik trof hen, die in de koude en gruwelijke omarming verstijfden en te vergeefs de handen om hulp uitstrekten. Stervend wendde zich hun blik naar het vaderland, naar hun voorbijtrekkende kameraden; nog een zachte zucht ontglipte hunne borst, dan dekte de nacht hunne oogleden en hun lijden was voorbij.—Anderen zonken van afmatting en verstijving ter aarde, ook zonder in die bedriegelijke kuilen te storten. Een licht omhulsel werd hun graf, de voortdurend vallende sneeuw bedekte hen met haar lijkkleed. In het begin duidde nog eene lichte ophooging de plaats aan, waar de doode lag, doch spoedig herstelde zich de eenvormige woestijn en ieder spoor van zijn aanwezen was verdwenen.
Thans werd het volkomen nacht; doch geen lichtende ster verhelderde dien, slechts duisterder nog omhulde zich de hemel en stortte voortdurend het ijskoude verderf over de aarde uit. De storm verhief zich ruwer, kouder. Het oog onderscheidde nauwelijks nog het pad voor de naaste voetstappen; wie zich ter zijde begaf, wie terug bleef, verdween in de diepte van den nacht; struikelde zijn voet, zoo verzwolg hem de onafzienbare sneeuwwoestijn. Geen vriend, geen kameraad roept hem een afscheidsgroet toe; geene hand strekt zich naar hem uit. Vergeefs haakt de stervende borst naar zijne gelieven, naar zijn vaderland. Niet om ze gelukkig te bereiken, want tot deze stoute hoop heeft het hart geene kracht meer; slechts een laatsten liefdegroet mocht hij zoo gaarne ontvangen, slechts niet zoo vreeselijk alleen in de akelige omarming des doods verstijven!
Te vergeefs! Uw brekend oog staart vruchteloos naar den hemel, het krampachtig beven uwer stervende borst roert hem niet meer! Doof is hij voor het jammeren der vertwijfeling, doof voor het smeeken van den doodsangst. Vloeken en gebeden kaatsten even machteloos van zijn ijzeren gewelf terug. De poorten der genade zijn gesloten; het gigantische rad der vergelding rolt verpletterend over de aarde.
HOOFDSTUK VII.
Voor en in Dogorobuye betrok het leger na dezen vreeselijken dag het bivak. Met verlamde en verkleumde ledematen bereikten de krijgslieden de rustplaats; hunne kleederen waren doornat geweest en toen door de strenger geworden nachtvorst op het lichaam bevroren. Open geschuurd aan armen en beenen, werd hun iedere voetstap tot pijniging. En thans moesten zij eerst de moeielijke voorbereidingen tot het bivak maken, hout, stroo en voeder voor hunne paarden, levensmiddelen voor zich zelven bijeenbrengen. Door zijn aanzien en zijne onvermoeide werkzaamheid was het Rasinski wederom gelukt, een ellendig huis te bezetten, dat ten minste de helft zijner manschappen onder dak bracht. Hij zelf bleef in de open lucht. Door woorden en voorbeeld moedigde hij de vermoeiden aan, nog spoedig het geringere dagwerk te doen, hout te kappen, te koken, eene plek van de sneeuw te zuiveren tot eene legerstede. Doch met diepe smart zag hij, dat hem vijftien zijner manschappen ontbraken, die eerst, toen het volkomen duister was geworden, verloren waren geraakt. Nauwelijks mocht hij hopen, dat zij nog terecht zouden komen. Bovendien waren er op dien eenen dag drie en twintig paarden nedergevallen! Hoe moest dit eindigen! Doch hoe donker de toekomst voor Rasinski's blikken lag, des te machtiger ondervond hij de noodzakelijkheid, om het tegenwoordige een helder gelaat te vertoonen en het moedig tegen te treden, opdat zij, die bestemd waren, om hun moed uit den zijnen te putten, niet te vergeefs het oog op hem zouden richten. Hij sprak hun vriendelijk toe, troostte, vermaande tot orde en onversaagde werkzaamheid.
De vaste, geruststellende toon zijner woorden, hunne onloochenbare waarheid, het heldere voorhoofd, dat hij bewaarde, gaven de hoop zelfs aan den moedelooste weder.
Hij liet het echter niet bij woorden blijven, maar paarde daarmede daden en gaf zijne korte, bestemde bevelen. „Zuivert deze plaats hier van de sneeuw. Die aarden wal zal ons tegen den wind dekken. Daar ginder aan den hoek van dat bosch moet hout gekapt en bezems gebonden worden, om de sneeuw weg te vegen. Jaromir, neem twintig man en ontvang hooi en haver; bij het hoofdkwartier der cavalerie zal eene uitdeeling worden gedaan.—Gij, die te voet geloopen hebt, rust in dit huis uit, het zal u bergen, wel wat nauw, maar daarvoor zult gij elkander verwarmen.”
Deze bevelen werden stipt uitgevoerd. Slechts Lodewijk en Bernard snelden niet met de overigen naar de hut.
„Waarom legt gij u niet neer, mijne vrienden?” vroeg Rasinski dringend.
„Wij blijven bij u,” antwoorden beiden.
„Ontzeg ons deze aangename gewoonte niet,” voer Lodewijk voort; „uwe nabijheid, het vertrouwen op u geeft ons meer kracht dan dit dak. En wat gij dezen nacht kunt verduren, dat zal ons ook niet wegmaaien.”
Zoo wies de liefde, de trouw in den tijd van den nood. „Welaan dan, zooals gij wilt,” zeide Rasinski met aandoening; „doch gij zult dan altijd het hardste lot deelen, want gij weet, dat ik niets boven mijne manschappen vooruit wil of mag hebben.”
Reeds kwamen eenige manschappen met versch gekapt hout aan. Er werd een plek van sneeuw gezuiverd en een vuur aangestoken. Lang duurde het eer de vlam opsloeg, want het hout was jong en vochtig; doch na een uur was ook dit overwonnen, en daar door Rasinski's zorg nog eenige levensmiddelen voorhanden waren, welke hij zuinig, maar eerlijk liet verdeelen, zoo vond het vermoeide lichaam ook spoedig eenige verkwikking. Officieren en manschappen legerden zich in dicht gesloten rijen om het vuur, elkander met broederarmen omvattende en verwarmende. Zoo rustte Lodewijk aan Bernards borst en Rasinski lag met het hoofd op zijn schouder; aan de andere zijde lagen Jaromir en Boleslaw in elkanders armen. De vriendschap trotseerde den ruwen storm en de sneeuw van den winternacht en bracht haar heilig leven in de omringende verstijving over.
Lodewijk was ten uiterste afgemat; slechts de gedachte aan zijne verlatene zuster, aan hare ontroostbaarheid, wanneer hij mocht vallen, had zijn zwakker gevormd lichaam den moed ingestort, de ongehoorde inspanning te verdragen, waaronder hij dikwijls meende te bezwijken, en misschien ook bezweken was, zoo niet Bernard hem met zijn sterker gestel en veerkrachtiger ziel getrouw was op zijde gebleven. Doch, wanneer deze rampen zich herhaalden, wat dan? Met eene inwendige rilling wendde Lodewijk zich van deze voorstelling af. Zijn leven scheen hem in de akeligheden van een duisteren nacht ingeweven; doch daar zweefde uit den zwarten, donkeren achtergrond, waarin zijn oog zich verloor, hem het heilige beeld zijner liefde te gemoet.—Ja, zij zal uw beschermgeest zijn, dacht hij met verlevendigde kracht, zij, eene heilige, zal u troostend, reddend omzweven. Keerde zij niet reeds eenmaal het verderf van uw hoofd? O gewis, gewis is zij mij nabij!—Hij gaf zich met een zoet verlangen aan deze bedriegelijke verwachtingen over.—Zouden onze lotgevallen slechts daarom zoo raadselachtig ineengeweven zijn geworden, om eeuwig onopgelost te blijven? Neen, dat kan de Almachtige niet willen. Hij voert ons niet langs zijne donkere kronkelpaden, om ons midden in den doolhof te verlaten, maar om ons tot het wonderbare doel Zijner genade en wijsheid te leiden. De koude wet der natuur is niet zoo hardvochtig, dat het hare duizende kiemen en zaden slechts daarom zoude ontwikkelen, om ze in het opgroeien te verstikken; hoe zoude de eeuwige, heilige wet der Voorzienigheid dan zich zelve zoo gruwzaam honen! Neen, de dag zal aanbreken, die alles oplost; het uur moet slaan, in hetwelk de liefelijke gestalte u te gemoet treedt, u de hand reikt en met zoetklinkende stem zegt: De beproevingen zijn overwonnen; thans wenkt u het loon.
Maar hoe, wanneer het eerst aan gene zijde ware?—En waarom dan niet? Wanneer achter den onafzienbaren nacht, die ons omgeeft, de eeuwig heldere dag schittert, wanneer over het ondoordringbaar gewelf des hemels dat boven ons staat, reine, heldere sterren schijnen, duizenden van zonnen zwieren—hoe zou dan slechts de nacht onzer ziel onverlicht blijven? Moed, vertrouwen, vast geloof! En evenwel, hoe machtig bindt mij dit heilige leven hier op aarde, dat ik warm, lichamelijk, met zelfbewustzijn gevoel! Algoede Vader! O, zend Uwen zegen reeds in de aardsche borst neder, los de raadsels, in welke Gij ons hier laat wandelen, ook hier weder op! Laat dit hart niet breken in ongestild verlangen! Waarom moeten wij het met namelooze smart koopen? Ik lijd als een pelgrim dezer aarde, laat mij ook hier rust en lafenis vinden! Voor de wonderen der eeuwigheid is mijn boezem te eng. Geef mij, wat ik vermag te vatten. O, Gij zijt immers zoo rijk in zaligheid, dat Gij ons hier eene opgevulde maat kunt reiken en daar evenwel nog eene grenzelooze zee van verheerlijking voor ons uitbreidt! Gij geeft mij aan dit leven, en dit leven aan mij. Vader, is het dan een schuld mijns harten, wanneer ik met innige liefde aan zijne reinste genoegens hang?
Onder deze gedachten bekroop hem de meer verdoovende dan verkwikkende slaap. Doch de vermoeide natuur haakte gierig naar die karig verleende verkwikking.
Spoedig omving hem de droomgod en spon de bedriegelijkste droombeelden om zijne ziel. De woeste tooneelen van dezen dag schemerden hem nog voor de gesloten oogen. Zijn in halve bewusteloosheid wegzinkende geest vernam nog de naklanken van zijn waken. De wezenlijkheid versterkte ze. Zoo doolde Lodewijk ademloos, uitgeput, met geboeide voeten, welker looden zwaarte hij niet kon overwinnen, want de banden des slaaps en zijn liggen stremden de beweging der spieren, door diepe sneeuwvelden rond. De storm huilde om hem heen, want zijn oor vernam dien in den slaap, hoe hij over de toppen der boomen gierde, en scheurde wijdgapende kloven in den dwarrelenden oceaan van grauwe wolken, die hem omgaf. Wanneer de nevels zich verdeelden, meende hij van verre eene zonnige landstreek te zien schemeren, naar welke hij vol verlangen zijne armen uitstrekte.—Waar ben ik? Alleen in deze woestijn! Ach, thans zie ik het; het is immers de St. Bernard met zijne sneeuwvelden, waarop ik verdoold ben. Dezen helderen schijn moet ik volgen, dan bereik ik het schoone land aan mijne voeten.
Zoo fluisterde hem de stem in den droom toe, en de goedertieren God leende hem zijne vleugelen, om hem zacht naar die schoone beemden omlaag te voeren.
Thans wordt het mij licht om het hart; met deze wolk zweef ik naar beneden.—Gelijk zoo menigmaal in den droom, had hij natuurlijk, daar hij lag, het gevoel, alsof hij zachtjes van eene hoogte afzweefde. De nevel en wolkengedaanten verdeelden zich, de sneeuw verdween; Lodewijk meende op eene zachte, groene bergweide, langs een rotsachtig dal, te wandelen.—O, Goddank, dat ik mij uit deze wildernis weder op het goede pad bevind! Daar achter mij ligt immers het hospitum op de besneeuwde hoogte; hier daal ik naar Aosta af. O gij lieve, aanminnige, waarom vliedt gij voor mij? Ik zie immers uw groenen sluier fladderen; ik heb u immers reeds lang herkend! Bianca! Bianca! Waarom wacht gij mij niet? Waarom wilt gij, gelijk toen, immer verder en verder heentrekken!—Daar wendde zich de edele gestalte der geliefde om en zij sloeg den sluier op en zag hem liefelijk glimlachende aan. Ik ben u immers zoo nabij! Een droom kwelt u, dat gij mij zoo roept. Ziet gij het bekoorlijk landschap niet om ons heen? Vat moed, zet u bij mij op deze bank bij de hut. Ja, mijn geliefde, hier willen wij wonen, hier is het huiselijk en stil. Zie slechts hoe de wijngaard zich om het venster slingert en de breede kastanjeboom, die zijne takken wijd over het dak uitspreidt!
Als een lentekoeltje troffen hem deze woorden, en een zoete, zalige weemoed drong in zijn hart. Bianca! Is het dan geen droom? Ben ik eindelijk met u vereenigd? riep hij beangst en strekte zijne armen der geliefde te gemoet. Zij neigde zich naar hem toe, hij trok haar tot zich en drukte haar bevend aan zijn kloppend hart. Zij zaten nevens elkander op het gras, tegen den stam van den ouden kastanjeboom geleund. Lodewijk had zijn arm zacht om den hals der aanminnige geslagen, en zij liet haar hoofd op zijne schouders rusten; hunne handen hielden ze in elkaar geklemd.
De droom sleurde den sluimerende in nieuwe verwarde voorstellingen mede. Door den storm en de warrelende sneeuw, die zijn aangezicht _werkelijk_ trof, werd hij uit de aangename beelden, welke zijn verlangen hem voorspiegelde, onmeedoogend uitgedreven. Hij geloofde met Bianca te vluchten. Waarheen zij zich wendden ploften sneeuwvallen. De herinneringen aan dien eersten nacht op den Simplon stegen in wonderlijk samenvloeiende beelden in zijne ziel op. Hij geloofde diep begraven te zijn, maar des te inniger en angstvoller drukte hij de bevende geliefde aan zijn hart. Hij troostte haar. Wees niet bang, mijn lieve. Weet gij nog, toen wij in dien eersten nacht naar redding wachtten? Ach, hoe haakte toen mijn hart naar uwe omarming. Bemindet gij mij dan toen reeds?—Sinds het oogenblik, dat ik u voor het eerst zag, antwoordde zij met eene onuitsprekelijke zoete stem, toen gij mij den gouden armband bracht, weet gij nog? Het was immers bij de hut in het dal, waar wij zoo even vertoefden.
O, toen! Hoe schoon was het toen, daar ik uw gelaat voor het eerst aanschouwde; gij lachtet mij tegen als de lente van Italië, naar welke wij afstegen. Ziet gij, daar opent zich de zwarte poort; zie slechts, hoe de heldere stralen der zon er binnendringen.
Hij ging arm in arm met de geliefde naar de opening van het rotshol. Het dal lag voor hem uitgebreid, de lente opende de eerste knoppen en lachte van den blauwen hemel over de bergen.—Zie slechts, hoe de kleine ons te gemoet huppelt. Zij herkent de schoone signora weder, die zoo vriendelijk tegen haar was. Maar laat ons verder gaan naar de blauwe meren, de wijnbergen en de bloeiende tuinen. Thans wandelen wij tusschen de rotsen voort; de zon zal ondergaan, wanneer wij aan den rand staan en in het zalige land nederblikken. Ziet gij? Ziet gij—thans dringt haar roode gloed ons in de oogen. Daar achter die Alp gaat zij onder. Hoe schoon trekt de gouden rook over het geheele dal en hoe smelten ginds de velden door het avondrood verguld met den hemel ineen. O, hoe schoon is het hier!
Steeds bekoorlijker beelden tooverde hem de droom voor. Arm in arm wandelde Lodewijk met zijne geliefde in zalige eenzaamheid door de lachende beemden. Een schaduwrijk priëel bood hem eene rustplaats. Onder de lichte kromming der takken door zweefde het oog over dalen en heuvels, die in het avondpurper gloeiden.
Daar rolde in de verte een doffe donder, aan sneeuwvallen gelijk, die in den afgrond storten. Hij vliegt op uit de omarming zijner geliefde; bevend en bleek staat zij voor hem. Ziet gij, roept zij uit, de zon ontsteekt de aarde en alles vlamt op in laaien gloed. Lodewijk staart voor zich. Eene woeste zee golft rondom hem henen. Vol ontzetting wil hij vlieden. Zijn voet is aan den grond gekluisterd. De geliefde vliegt door den nacht; slechts haar wit gewaad ziet hij schemeren. Hij strekt de armen naar haar uit, hij wil haar roepen, de stem begeeft hem; de vlammen branden hem met stekende pijn in de oogen. Daar treft plotseling een donderend geraas zijn oor en verbreekt met geweld de boeien des slaaps, die hem nog in hunne verdoovende kluisters hielden. Hij springt op en ziet verwilderd om zich heen.
Zelfs wakend staat hij nog onthutst en kan het onmetelijk verschil tusschen droom en werkelijkheid niet begrijpen. Eindelijk verneemt hij de roffelende trommels en trompetten, het sein om op te breken. De wind drijft hem de hoog opflikkerende vlam van het wachtvuur in het gelaat, die zich reeds zoo verschrikkelijk in zijne droomen gemengd had, totdat het krijgsrumoer den voorhang, die zijn bewustzijn omhulde, plotseling verscheurde. Thans eerst gevoelt hij, hoe de ruwe hand der werkelijkheid hem onverbiddelijk aantast en hem uit den liefelijken waan opschudt. Verdwenen is het beeld der geliefde, verzonken de toovertuinen zijner droomen, verduisterd het hem omringende Eden. Alleen het onbegrensde der ijskoude woestenij en der duisternis is overig. Uit de gewesten der zaligen is hij in de plaats der verdoemden nedergestort. Welk een gruwelijke spot. Dat is te veel! Verpletterend daalt de smart in zijne borst. Zij moet breken onder dezen last.
Daar vatte Bernard zijne hand en ziet hem verwonderd in de oogen. „Wat deert u, Lodewijk?” vroeg hij met eene zachte stem.
Hij omarmde hem vurig; aan het hart zijns vriends loste zich de akelige verstijving zijner borst op, en in zachte golven vloot nu de diepe, onuitputtelijke stroom zijner kwellingen voort.
HOOFDSTUK VIII.
Eindelijk lag Smolensko, het lang beloofde en gewenschte einde hunner rampen, voor de blikken der krijgslieden en steeg met zijne zwarte tinnen en muren duister uit het sneeuwveld op. Daar zult gij eene toevlucht vinden tegen de winterstormen; daar zal de razende honger, die in uwe ingewanden woedt, gestild worden; daar zullen de verkleumde leden warmte, de overspannen gepijnigde spieren rust, de afgematte, uitgeputte geestkracht versterking vinden.
Niet zoo vroolijk zagen de tien duizend Grieken den spiegel van hunne vaderlandsche zee van het gebergte af hun tegenschitteren, niet met zulk eene vreugde en dankbaarheid begroette Columbus' vertwijfelende manschap de kusten van een nieuw werelddeel, als de door de woede des winters, des hongers en der doodelijke afmatting vervolgde krijgslieden de muren der stad aanschouwden, waar hun het einde hunner rampen beloofd was. Een zweem van vreugde vloog over de bleeke, vermagerde gezichten, een laatste bewijs van moed en kracht keerde in de vermoeide lichamen terug.
Reeds was men tot op een uur afstands de muren dezer vesting genaderd, toen men aan beide zijden van den weg, eerst een voor een, vervolgens in groote troepen, de uitgehongerde spookachtige gestalten dergenen ontwaarde, die hunne wapenen verloren of weggeworpen en, daar de banden der orde en der gehoorzaamheid overal verbroken waren, gehoopt hadden, dat zij, alleen en hun eigen weg kiezende, met minder gevaar door de woestijnen der sneeuw en der wouden zouden dringen, dan wanneer zij bij het gros des legers bleven, voor welk laatste het weinige, dat men op eene plaats konde bijeenbrengen, nooit genoegzaam was. Zoo waren zij dan nu eens vooruit, dan achterna getogen of hadden het leger van ter zijde omzwermd. De razernij van den honger in hunne gierige, van ontsteking gloeiende oogen, zwart van rook en zand, in lompen gekleed, wierpen deze scharen zich als harpijen over alles heen, wat zij vonden. Geen stem des verstands breidelde hunne tot waanzin geklommen begeerte. Vonden zij ergens eenige spijs, zoo vielen zij met de woede eens roofdiers er op aan en verslonden ze met eene zoo razende drift, dat de meesten, alsof zij vergif gegeten hadden, dadelijk daarop onder de onlijdelijkste pijnen ter aarde stortten en den geest gaven. Doch geen voorbeeld schrikte de later aankomenden af; als door blinden waanzin gedreven, stortten zij zich in hetzelfde verderf, dat hunne kameraden voor hunne oogen gedood had. Ja, het gehuil en het gekerm zelfs der nog lillende stervenden schrikte hen zoomin af, als het hun ook slechts een blik van medelijden kon afpersen. De ellende had de menschelijke natuur in deze rampzaligen op het schrikkelijkst doen ontaarden; ieder kende slechts zich zelf en het tegenwoordige oogenblik. Want de folteringen van het oogenblik waren te schrikkelijk en alles, wat deze stilde, scheen een onbegrijpelijk geluk, al kwam ook in de volgende minuut deze ellende dubbel daarvoor terug. Deze afschrikwekkende gedaanten verschenen eensklaps, in donkere drommen opeengedrongen, naarmate zij uit de naastbijzijnde bosschen, waardoor zij hun weg genomen hadden, toevallig vroeger of later op den grooten weg geraakten. Een kwartier uurs voor de stad hoopten zij zich dermate opeen, dat de nog geordende korpsen der oude en jonge garden zich slechts met moeite den weg tot hun marsch vrijhielden.
Thans naderden de hoogten langs de oevers van den Dnieper meer tot elkander en vernauwden den weg. Aan beide zijden vertoonden zich deze ontzettende horden. Zij trachtten langs de besneeuwde, gladde afhellingen af te dalen, om den weg te bereiken; doch de zwakke kracht hunner voeten bewees hun den dienst, waartoe behendigheid en sterkte vereischt werden, niet meer. Zij tuimelden over elkander heen, de helling af, en kleurden de sneeuw met het bloed hunner van ijssplinters gewonde handen en wangen. Onder weeklagend gekerm stortten zij naar beneden, doch vermochten zich niet meer van hun val op te richten, maar bleven bedwelmd aan den weg liggen.