1812: Historische roman

Part 60

Chapter 603,883 wordsPublic domain

„Het tegenwoordige behoort ons ten minste zeker,” zeide Bernard, die naast Jaromir reed. „Doch ook dat niet,” voegde hij er snel bij, „want toekomst of verleden kunnen het vergiftigen. Maar juist daarom, wijl ons niets behoort, behoort ons alles. Waar geen gebieder is, heerscht hij, die heerschen wil, en wat onze wil ons geeft, behoort ons.”

„Ik geloof toch niet, dat gij gelijk hebt,” merkte Boleslaw aan, „want hoe gering is de macht van onzen wil tegen de hoogere machten.”

„Dat is zekerlijk de eindelijke grenspaal van ieder mensch,” zeide Lodewijk; „maar dit geldt toch ook slechts tot aan een zeker punt. Ik geloof niet, dat Bernard staande zal willen houden, dat er geen geluk of ongeluk bestaat, maar dat de mensch zich alles zelf maakt; maar gelijk heeft hij, wanneer hij gelooft, dat er buiten het geluk, laat het het schoonste, het edelste zijn, hetwelk deze aarde aanbiedt, nog iets hoogers is, dat ons machtig kan ondersteunen, wanneer smart of vreugde ons overmeesteren. Zoo kent de schipper boven de zon, die hem een heldere vaart geeft of weigert, nog de eeuwige sterren, naar welke hij opziet, wanneer de aarde in duisternis ligt gedompeld.”

„Zeer waar,” zeide Bernard en schudde zich eens ter deeg, daar de herfstwind hun juist onzacht tegen woei; „maar de eeuwige sterren zijn koud en geven ook niet bijster veel licht. Men komt licht op klippen, wanneer men den neus naar haar uitsteekt.—Gelooft evenwel niet, dat dit eigenlijk mijne philosophie is; ik heb slechts die, er geene andere te hebben, dan welke ik telkens van de omstandigheden leen. Zoo bijvoorbeeld nu, daar wij allerlei rommel zien verbranden, neem ik de leer aan dat men aan zulk een rommel zijn hart niet moet hechten. Daarentegen zou ik, wanneer ik hier ergens een gevulden bakkerswinkel zag, dadelijk bewijzen, dat hij meer waard is, dan alle schatten van Croesus.”

„Hebt gij honger?” vroeg hem Jaromir; „hier is nog brood, dat ik bij mij heb gestoken. Ik eet zeer weinig.”

„Neen, mijn waarde,” hernam Bernard en weigerde het geschenk, „gij weet dat ik even goed ontbeten heb als gij allen. Mijne vergelijking was in de ziel van het gansche leger gedacht.”

„Tot Smolensko, hoop ik,” zeide Rasinski, „zullen wij er ons, ofschoon met moeite, doorslaan. Daar zijn magazijnen.—Maar luistert! Was dat geen kanonschot? Waarachtig! nog een, een derde! Het geluid komt van den kant van Wiasma!—Zouden de Russen er zijn?”

Allen luisterden met spanning naar de doffe, verwijderde schoten, die de stilte van den vroegen morgen afbraken.—Doch spoedig werd het weder stil; men hoorde niets meer. Ondertusschen was Rasinski bezorgd geworden. Tot hiertoe had men slechts de moeielijkheden van een langen, lastigen marsch te overwinnen gehad; doch was de vijand nagerukt en tastte hij met frissche krachten het uitgeputte leger aan, dan kon men niet voorzien, hoe men het geheele verderf zou ontkomen. Het stelde hem niet gerust, dat het schieten weder ophield; want daar hij de wijze van vechten van het russische leger kende, was hij overtuigd, dat ten minste een troep stoutmoedige, snelle kozakken de achterhoede had aangevallen, die wel spoedig kon teruggedreven zijn, maar niettemin bewees, dat het groote leger niet ver meer af was.

Nadenkende over de gevolgen, welke een ernstige aanval konde hebben, reed hij zwijgend voor de zijnen uit. „Bliski,” riep hij na eenige minuten een zijner ruiters toe en wenkte hem, nader te komen.

Bliski reed in krijgsmanshouding naar zijn overste en vroeg, wat zijn verlangen was.

„Gij zijt lang in Rusland geweest, Bliski,” begon Rasinski; „kent gij de wegen tusschen Malo-Jaroslawez en Smolensko volkomen?”

„Dat zou ik denken! Ik heb ze wel dertigmaal met de kibitki gemeten,” antwoordde de vroolijke krullekop levendig en met een zekeren trots, dat zijn aanvoerder bij hem om raad moest komen.

„Hoe verre rekent men van Malo-Jaroslawez naar Wiasma over Medyn?”

„Ten minste eene, zoo geen twee dagreizen nader, dan de weg, dien wij genomen hebben.—Als de kozakken lust hadden gehad, moesten zij ons reeds van Wiasma tot halverwege Gjaz te gemoet zijn gekomen.”

„Zoo meent gij?” vroeg Rasinski glimlachend en verheugd over het vlugge verstand van den knaap, die de bedoeling van zijne vraag spoedig inzag.

„Bij de Heilige Maagd, overste,” hernam Bliski levendig, „ik heb mij verwonderd, dat het niet gebeurd is. Maar wij zouden ze geraakt hebben! Ik had mijn sabel expres geslepen; want ik ben nog in hunne schuld wegens den houw hier over mijn linker oog en den steek in mijn arm! Nu, wie weet het, misschien ontmoeten wij elkander bij Dogorobuye.”

„Waarom daar?” vroeg Rasinski, ofschoon hij zeer goed wist waarom.

„Omdat daar de groote weg van Kaluga dien van Smolensko kruist. Ik denk, wij zullen wat te doen vinden.”

„Wenscht gij het?”

„Wanneer mijn paard en ik tot zoover goed gevoerd worden, zal mij niets liever zijn; maar het ziet er niet naar uit. Zie maar eens, overste, hoe het arme dier het vleesch van de ribben valt, en de heupbeenderen steken hem uit, dat men er zijne chakot aan zou kunnen ophangen.”

„Troost u, Bliski, wij leven ook niet in overvloed,” sprak Rasinski vriendelijk.

„Ei wat,” riep Bliski, „om mij zelf geef ik niet; want een vette ruiter is de dood voor het paard, zooals wij bij ons in het wooiwoodschap Sendomir zeggen; maar mijn paard zie ik even ongaarne gebrek lijden, als ik mijne sabel ongeslepen en mijne pistolen zonder steen zie. Kan men zich niet meer op een flink ros verlaten, dan is de gansche ruiter niets meer waard. Niet waar, oude?” Hierbij bukte hij zich en klopte zijn paard vriendelijk op den hals.

Rasinski had weinig naar dit gepraat geluisterd, wijl de gevaarlijke toestand des legers zijne gedachten te ernstig bezighield.—„Hoe ver rekent men van Kaluga naar Dogorobuye?” viel hij Bliski in diens aanspraak aan zijn paard in de rede.

„Het zullen wel omtrent honderd en twintig wersten zijn.”

„En is de weg goed?”

„Dat ligt aan het weer; tegenwoordig denkelijk zooals hier; op de hoogten dragelijk, in de diepte moerassig. Maar als het sneeuwt, is het de beste sledebaan in het gansche keizerrijk.”

„Nu, naar sneeuw ziet het er nog niet uit.”

„Wie weet het, overste? Het jaargetij is er, de vrucht wordt rijp, zoo zeker als de pruimen in den herfst.”

„Goed, goed, Bliski; rijd nu maar weer naar uwe kameraden terug; ik weet nu al, wat ik weten wilde. Gij kent den omtrek en zult niet verdwalen, wanneer ik u noodig heb.”

„Vrees daarvoor niet,” riep Bliski met levendige oogen; „ik vind den weg van hier naar Madrid.” Daarop reed hij weder bij zijne kameraden in het gelid.

Daar thans de weg een hoek maakte en de boschjes ter zijde ophielden, zag men eenige honderden schreden vooruit een zwart gewemel van menschen, die aan de zijde van den weg druk bezig waren. Tegelijk zag men wagens het veld inrijden.

„Daar zal het weer een vuurtje geven,” zeide Rasinski tot zijne vrienden.

„Het is ook noodig, de kanonnen nog sterker te bespannen, want zij komen niet van de plaats.” Het loopen en de beweging nevens den weg hield de blikken der ruiters voortdurend geboeid. De zon scheen helder; plotseling werd haar beeld midden uit de zwarte massa der verzamelde menschen schitterend teruggekaatst.

„Dat is het kruis van den heiligen Iwan!” riep Bernard, die zich dadelijk het voorval bij Moskou herinnerde. Met gespannen verwachting volgde men nu alles, wat op dat punt voorviel.

Daar de weg tegen eene hoogte opliep, overzag men spoedig het geheele veld. Een klein meer werd ter zijde zichtbaar. Rondom dat meer was eene rij van wagens bijeengereden, bij welke ontelbare menschen bezig waren met afladen. Anderen spanden de paarden af en voerden deze terug op den grooten weg.

Als men nader en nader kwam en de voorwerpen duidelijker kon onderscheiden, zag men, dat de in Moskou buit gemaakte tropeeën, die als teeken der overwinning bestemd waren, om door de bewoners van Parijs bewonderd te worden, hier in het meer bedolven werden. Prachtige sieraden van erts, aan die oude trotsche paleizen der grijze czarenstad ontrukt, vreemde kanonnen, welke Rusland in zijne oorlogen met het oosten veroverd had, eindelijk zelfs dat schitterende kruis van den heiligen Iwan werden hier in de moerassige diepten van den troebelen vloed begraven.

Alzoo bleef het heiligdom toch op zijn vaderlandschen bodem! De proef om het weg te rukken was niet gelukt. De beschermende goden en heiligen van het land hadden het niet verlaten; ja, met smaad moest de vijand het bezit opgeven en bekennen: gij waart machtiger dan ik in mijn overmoed.

Met siddering zag Jaromir het reusachtige gouden kruis in de golven nederzinken. Hij dacht aan de zonderlinge voorvallen, welke hij bij het afnemen te Moskou beleefd had. Hadden die duistere voorteekens gelogen of profeteerden zij waarheid. Beginnen de vloeken en verwenschingen, welke het volk over de schennis van zijne heiligdommen luide had uitgestooten, hunne vervulling te genaken? Zal het vrijwillig opgeven van den buit den toorn der beleedigde huisgoden van dit land verzoenen?

Gelooft gij dat deze zoen toereikend is? Ziet gij niet, hoe vertoornd de zwarte golf opstijgt, nadat zij het gouden heiligdom in haar schoot verborgen heeft? Zij ruischt en kookt als van geheime machten bewogen, en in haar doffer slaan tegen den oever klinken murmelende tooverwoorden! Waanzinnigen, hebt gij met de heilige teekens dan ook de vloeken van u geworpen, welke de heiligschennende roof tegen u opriep? Deze zijn niet mede verzonken in de diepten dezer wateren, maar zij zullen weder opstijgen als uit een kokenden tooverketel en u als gevleugelde harpijen met giftigen adem vervolgen. Ziet gij niet hoe de zware, doffe mist uit dezen modderpoel opwalmt, waarin gij het heilige kleinood hebt doen zinken? Opstijgen zal hij tot den hoogen, helderen hemel en zich tot een schrikkelijk onweer saampakken, om zich boven uwe hoofden te ontlasten. Reeds verduistert de zon! Ziet wel toe! Gij ziet haar niet weder, zooverre Ruslands volkeren voor het beeld van den heiligen Iwan knielen. Verborgen zal u haar zuiver aanschijn blijven, totdat de laatste van ulieden uit deze grenspalen verjaagd is, indien er één van u ze levend bereikt, om het verderf der overigen te huis te verkondigen! Want vervolgen zal u de hand des Almachtigen, zoolang gij op dezen bodem wandelt, welken gij met heiligschennende voeten betraadt, waar gij met roovershanden ingebroken zijt in het heiligdom des geloofs, des vaderlands, des huisgezins! Daarom ontsluiert zich het oog des heelals donker, vreeselijk! Bloedig rood slechts zal het u nog tegengloeien door de grauwe nevels, met welke de hemel zich thans dreigend bedekt.

Nu rust het kruis van Iwan weder op zijn vaderlandschen bodem! Ontrukt is het aan de schendende handen der verwatenen! Thans zal het zijne oude beschermende kracht openbaren, en de volken van dat onmetelijke rijk om zich heen verzamelen. Zij stroomen aan van de oevers van den Don en de Wolga, uit de wouden van het Uralgebergte, uit de steppen van Azië, de sneeuwwoestijnen van de pool, van de oevers der Witte en der Zwarte Zee. In duizend drachten en tongvallen, gewapend met zwaard en lans, met knods of met pijl en boog stroomen zij nader. Geen wapen, dat niet tot uwe verdelging wordt opgeheven, geene taal waarin de volken niet wraak over u roepen. Wee, wee u! Het uur des noodlots heeft geslagen. Gelukkig moogt gij ze noemen, die gevallen zijn, eer zij dezen dag behoefden te zien.

HOOFDSTUK VI.

Een ruwe, snerpende wind verhief zich tegen den avond. Hoe dicht zich de vermoeide krijgslieden ook om de vuren legerden, doch verkleumden hun bijna de ledematen daar, waar zij niet naar de vlam waren toegekeerd. Met verlangen werd naar het morgenrood, als het einde dezer kwelling, uitgezien. Eindelijk klonk het geluid der trommels en trompetten tot opbreken. Doch juist thans eerst had de slaap aangevangen, de overmacht op koude en honger te verkrijgen, en nu moesten de door marschen en honger oververmoeiden zich met geweld oprichten. Velen waren zelfs door sterk schudden en roepen niet in beweging te brengen, zoo verlamden koude en vermoeidheid hun de leden. Als zij eindelijk op hunne voeten stonden, wankelden zij met weigerende knieën eenige treden voort, doch vielen bij de geringste oneffenheid van den grond tuimelend, als verdoofd, weer neder.—Rasinski trad op eene hoogte, van waar hij zijne wachtvuren overzag. „Hier heen, kameraden,” riep hij met vaste stem, „hier heen, verzamelt u om mij, op, op, te paard!” Hem zelf deed de nachtvorst ook nog bibberen, doch, om den moed zijner manschappen aan te wakkeren, bedwong hij met vaste wilskracht de vermoeide natuur.

Zoodra de plaats tot aantreden door vele aangekomenen genoegzaam was aangeduid, ging hij bij de wachtvuren rond, waar eenige talmers en zwakken nog achterbleven, en sprak hun moed in. „Houdt moed, mijne jongens! De nacht was bar, maar de dag zal beter zijn. Wanneer gij maar eerst in beweging zijt, zult gij ook wel weer warm worden. Het ontbijt was schraal, maar ik heb het eerlijk met u gedeeld en gij ziet, ik ben wel te moede. Verliest slechts den moed niet; hij, die het eerst wanhoopt, is het eerst verloren. Wij hebben immers reeds menig boozen dag te zamen doorleefd; waarom laat gij dan heden den moed zakken? Een Pool wanhoopt nooit!”

Zoo hen toesprekend, ging hij door de gelederen; zijn woord, ja zijn blik alleen reeds deed den gezonken moed der manschappen herleven; spoedig zaten allen te paard en begonnen den marsch.

„Het zal van daag laat licht worden,” zeide Bernard tot Lodewijk; „de hemel moet dik met wolken bezet zijn, want er is geen ster te zien.—Hoe is u de nacht bekomen?”

„Het was hard; maar men leert iederen dag meer uitstaan,” antwoordde Lodewijk.

„Ik geloof ook, dat de mensch een plant is, die lichtelijk aan alle luchtstreken gewent. Wij rukken heden, dunkt mij, de koude in; ten minste als ik mijn rug, die van nacht naar de windzijde lag, tot thermometer neem, moeten wij sterk onder het vriespunt gedaald zijn.—Mijn lijf en gezicht daarentegen hebben den ganschen nacht in de verzengde luchtstreek gelegen.”

„Pas toch op uwe oogen, mijn vriend; reeds onlangs hebt gij er over geklaagd,” hernam Lodewijk met goedheid.

„Wat wonder! Ik heb ook nooit gehoord, dat rook van groen hout en de helle schijn van het vuur een conservatief voor de oogappels waren.—Intusschen is het waar, mijne oogen zijn in zeker opzicht mijne schaafbank, mijn ploeg, ja zelfs nog iets beters, de werktuigen namelijk, waarmede ik den honig uit het leven zuig, dat anders, evenals de lindebloesem, die toch na de kruiken uit het dal van Chamouny den besten honig absorbeert, misschien een beetje bitter zou smaken.—Maar zijn uwe oogen u dat ook niet?”

„O zeker,” zeide Lodewijk weemoedig, want hij dacht aan de liefelijke gedaante zijner beminde; „doch voor u is het kleinood toch nog dierbaarder.” Hierbij legde hij zijn vriend de rechterhand op den schouder, liet ze langs zijn arm afglijden en vatte zijne hand, welke hij met innigheid drukte.

„De wind is verduiveld scherp!” riep Bernard wrevelig uit, om zijne aandoening voor den vriend te verbergen.—„Ik ruik zoo iets alsof er sneeuw in de lucht steekt.”

Inderdaad woei er een scherpe, snijdende noordwesten wind hun vlak in het gezicht. Na een uur had hij het gelaat reeds tot smartens toe koud gemaakt en nog scheen hij heviger te worden.

Eindelijk brak de dag aan; doch wat hij liet zien, kon het stille, akelige van den nacht slechts vermeerderen. Dichte, zwarte wolken trokken langs den hemel en schenen met ieder oogenblik lager te drijven. De nevel streek reeds over de dennenbosschen, die langs den heirweg zich uitstrekten, ja raakte reeds de toppen der hoogste boomen aan. Al lager en lager daalde zij neder.

„Er is hoop, dat wij een helderen dag krijgen,” zeide Lodewijk tot Rasinski.

„O ja,” zeide deze ras en stellig, maar hij geloofde het tegendeel, daar hij het onderscheid tusschen een duitschen en russischen winter kende.

De dampen vielen niet in droppels ter aarde; zij zonken niet voor de opstijgende zon neder, om een helderen dag voort te brengen, maar zij werden dichter en dichter en zweefden, langzaam in het rond dwarrelend, in de lucht. Eenigen tijd werd het geheel windstil; doch in deze weinige oogenblikken nam de koude aanmerkelijk toe, en daarop verhief de wind zich weder met nieuwe kracht en streek met ijskoude vleugelen over hen heen. Plotseling scheen het, alsof de zwevende dampen verdwenen en in een dichten rijm nedervielen. Uit hoogere luchtgewelven vielen enkele sneeuwvlokken neder, en eer men nog tijd had gehad, zich over deze snelle, zeldzame verandering te verwonderen, scheen de geheele dampkring in sneeuwvlokken opgelost, die door den wind gedreven, dwarrelend en jagend de geheele atmospheer vervulden.

Met ontzetting zag de soldaat zich plotseling door den winter overvallen. Als had hij arglistig eene hinderlaag gelegd, zoo stoof deze van alle zijden nader en wierp het onmetelijke net over zijn buit heen. De sneeuw viel zoo dicht en scherp, dat men ze op de wang als het ware voelde steken, tot deze in verkleumende verstijving gevoelloos werd. Met stommen schrik togen de scharen der krijgslieden voort. Het vaste land scheen in weinige oogenblikken in eene beweginglooze, ongebaande en onbegrensde zee veranderd. Hoe zou zich een uitweg uit deze woestenij opdoen, waar men geene zon, geen afgelegen bergtop of toren ontdekken, geen weg voor zijne voeten zien kon? De krijgslieden, die sinds twintig jaren van de piramiden van Egypte en de woestijnen van Syrië tot aan den mond van den Taag, van de gebergten van Calabrië tot aan de golvende Belt, van de Pyreneeën tot aan den voet van het Uralgebergte over de aarde waren getogen en overal het gevaar een trotseerenden blik hadden getoond, gevoelden thans voor de eerste maal het koude spook der ontzetting in hunne borst en staarden met een vreesachtig voorgevoel naar omhoog, in den dwarrelenden baaierd boven hunne hoofden, van waar de vlokkige wolken uit onafzienbare hoogte als een zwartachtige zwerm insecten nederstoven. Het met sneeuw bedekte en met geheimzinnige snelheid geweven lijkkleed overtoog de geheele oppervlakte in het rond, en wat het aanraakte scheen de dood voor eeuwig te verstijven.

Gelijk een zich steeds vernieuwend tooverweefsel breidde het zich voor de voeten uit en wikkelde iederen tred in de arglistige strikken zijner fijne draden. Geen ijzeren, onverbreekbare boeien legde het om den voet, maar het putte, door de duizendmaal herhaalde poging om den lichten band te verbreken, de krachten uit. De foltering was langzaam, maar het offer zeker; het stortte niet neder onder een verpletterenden knodsslag, maar zonk langzamerhand onder een last ineen, die, van seconde, slechts bij atomen aangroeiende, eindelijk toch de maat van iedere kracht overtrof.

Bernard trachtte den stommen schrik, dien hij in zijn eigen boezem ondervond en op het gelaat van al zijne kameraden las, weg te schertsen. „Ik wenschte wel, dat het sprookje in Herodotus waar was,” zeide hij, „dat in Scythië zich de lucht dikwijls door neervallende vederen zoo verdikt, dat een ruiter de ooren van zijn paard niet meer zien kan. Het ware niet kwaad voor het bivak, wanneer wij het eiderdons gereed vonden, om ons een warm nest te bezorgen.”

Rasinski, die ernstig bleef, maar in zijne trekken de vaste, moedige houding niet verloor, verheugde zich, dat Bernard hem in zijne poging, om eene rustige stemming onder het volk te houden, te gemoet kwam. „Hebben de ouden dat waarlijk geloofd?” vroeg hij glimlachend.

„Herodotus?” hernam Bernard, „niet zoo geheel en al, ten minste was de oude stroosnijder de waarheid wel wat op het spoor. Hij vermoedt, dat het wel sneeuw zou zijn, waarvan de Thraciërs vertelden, want hij had het ook eens zien sneeuwen.”

„Eenmaal! Die gelukkige Ioniër!” riep Lodewijk bijna onwillekeurig uit.

„Het is mij toch zoo aangenamer,” zeide Rasinski opzettelijk luid; „ik zou slechte soldaten hebben, wanneer het eiderdons sneeuwde. Dat zoude ons Capua zijn. Met de soldaten die zich door de sneeuw der Alpen eene baan gebroken hadden, sloeg Hannibal de Romeinen van den Ticinus tot aan Cannae.”

„Nu, Capua hebben wij vooreerst nog niet te vreezen,” liet Bernard zich ontvallen; „het ziet er hier naar geen oranjeboschjes uit.”

De sneeuwmassa werd ondertusschen met iedere minuut dichter. Niet tevreden met die hij uit de wolken nederschudde, joeg de storm haar ook van den grond op en sloeg ze zoo den soldaten in het gezicht. Van alle vlakten en hoogten dreef hij de dwarrelende kolommen aan en vulde de groeven en lage plaatsen, door welke de weg heen liep.

„Men zou toch denken, dat zoovele duizenden zich spoedig eene vaste baan moesten maken,” zeide Lodewijk; „doch hier vinden wij vóór ons geen spoor en achter ons laten wij er geen terug, zoo snel verwaait de storm het en verdwijnt het onder de altijd vallende sneeuw.”

De trein stopte. Eerst dacht Rasinski, dat het slechts een oponthoud van eenige minuten zouden zijn, zooals dit bij lange marschcolonnes dikwijls voorvalt. Doch spoedig bemerkte hij, dat er een ernstiger hinderpaal moest zijn, want de stilstand duurde al langer. Een adjudant kwam eindelijk op zijn afgemat paard met moeite door de sneeuw galoppeeren en sprak Rasinski aan: „Overste! ik breng u de order, dadelijk de helft uwer paarden uit te leveren, om ze voor het geschut te spannen. Het kan niet meer voorwaarts in de diepe sneeuw. Voor ons ligt een holle weg waar de storm haar ter manshoogte opeen gewaaid heeft. De sappeurs moeten ons eerst baan maken.”

„De cavalerie moet afzitten?” vroeg Rasinski met verwondering, ja verbazing.

„Het is eene harde noodzakelijkheid, maar de order gaat over alle regimenten. Zelfs de garde moet afzitten en te voet gaan. Zadel en gepak blijven op de paarden; de manschappen kunnen hen geleiden.”

Rasinski begreep, dat hij niet weigeren mocht, doch het koste hem een zware strijd, zijne manschappen, zoo ongewoon aan het gaan, van hunne paarden te berooven. Echter liet hij van deze gevoelens niets merken en behandelde dit geval, als alle andere, met ernst, maar als iets zeer gewoons. Zonder dralen kommandeerde hij: „Eerste en tweede escadron met sectiën rechts zwenkt! Marsch!” en liet hen ter zijde van het regiment uit nevens den weg rijden. Thans zwenkten zij met halve sectiën in colonne en volgden onder Rasinski's aanvoering den vooruit rijdenden adjudant. Zij moesten hunne paarden twaalf aan twaalf voor de kanonnen der naaste batterij spannen, wat trouwens in den nood slechts met touwen en slechte borstzeelen kon geschieden. De manschappen gingen er te voet naast. „Gij doet heden het werk, morgen zullen uwe kameraden het doen,” zeide Rasinski. Bernard en Lodewijk behoorden tot het eerste escadron; zij zouden dus hunne paarden ook moeten gegeven hebben; doch daar Rasinski hen voor zijn ordonnancedienst bestemd had, behielden zij ze. Beiden echter gevoelden, dat de tijd, waarin eene uitzondering mogelijk en geoorloofd was, voorbij was. Het strenge gebod van den nood, die allen gelijk maakt, was begonnen te heerschen. Nog eenige zulke dagen, en er zouden nog slechts kameraden, geene officieren en soldaten meer zijn. Zij reden daarom op Rasinski toe en verzochten hem in het lot hunner kameraden te mogen deelen.

„O, wanneer ik het u besparen kon,” zeide deze. „Doch morgen _moet_ gij doen, wat gij heden _wilt_; daarom hebt gij gelijk.”

Zij reden daarop ook naar het hoofd der colonne en meldden zich bij den artillerie-officier, die de paarden voor een houwitser liet spannen, wiens ellendig, hoogst vermoeid voorspan de hulp het meest behoefde.