Part 6
Lodewijk ontdekte nog een groen heestertakje, dat op eene zonnige plaats van den rotswand, tusschen de steenkloven uitstak en zijne teedere bladeren even begon te ontwikkelen. Hij plukte het, om een herinneringsteeken van de laatste grenzen der lente in het barre wintergebied mede te voeren. Het pas ontloken groen was een beeld van zijne hoop, wier even geopende kelk, tegen den storm van zoo gedurige en ruwe teleurstellingen niet bestand, zich bijna geheel weder gesloten had. Wie weet, dacht hij, of de bloesems mijner hoop niet reeds geheel zijn afgevallen, als deze nauwelijks geopende knoppen aan den dorren stam beginnen te verwelken. Hij hechtte de twijg op zijn hoed vast en reed in diep stilzwijgen naast zijne geleiders verder. Toen zij den hoogen sneeuwpas, waarover het spoor door lange seinstaken was afgebakend, bereikt hadden en zich, door snerpende winterkoude verkleumd, aan den voet der beide steile rotskegels bevonden, waartusschen de beroemde straatweg heenkronkelt, wierp hij nog eens den blik terug. De zon, de hooge bergkruinen tot zeer nabij genaderd, schoot hare laatste vlakke stralen over de blauwe, nevelachtige steilten in het dal neder. Zoo ver zijn oog reikte, waren slechts sneeuwvelden en granietklompen te bespeuren. De aanblik van dit sombere kerkhof der natuur verlevendigde het smartelijk gevoel, dat zijn boezem beklemde. O God, zuchtte hij, laat mij haar wedervinden, haar, de eenige, die den helderen straal der hoop in mijn treurend, diep gewond hart deed nederdalen. Gij zondt mij haar toe als eene hemelsche verschijning uit uw zalig rijk, o laat haar niet als een ijdel droombeeld spoorloos weder verdwijnen; ontruk mij haar niet, evenals gij mij haar geschonken hebt!
De ruwe storm, die gierend over de kale hoogte heenblies en de sneeuw in dwarreling deed opstuiven, was het eenige antwoord, dat zich op deze klacht deed hooren; de zon zonk weg achter eene breede rotskruin en eene reusachtige schaduw breidde zich over het sneeuwvlak uit.
„Verder,” riep Lodewijk den gids toe en wendde zijn muildier om, „verder!”
„Wij zullen onzen tijd ook noodig hebben,” was het antwoord, „willen wij Andermatt nog vóór den nacht bereiken. Als de storm aanhoudt, kon het licht mogelijk zijn, dat wij bij den kapucijn te Realp overnachten moesten.”
Men reed door, Lodewijk in sombere mijmering verzonken, zijne geleiders onder het voeren van een levendig gesprek in den zwitserschen tongval, waarvan een vreemde, ook als hij er naar geluisterd had, weinig verstaan kon.
Toen men de hoogte achter den rug had, werd de storm minder hevig en, vroeger dan men gedacht had, kwam men te Realp aan, waar men eenige oogenblikken in de hut vertoefde van den kapucijn, die de vreemdelingen op brood, honig en melk gastvrij onthaalde. Deze ververschingen worden om niet aangeboden; wat de reiziger daarvoor betalen wil, is eene vrijwillige gift, en de goede pater, die in deze sombere eenzaamheid zijne dagen vreedzaam slijt, ontvangt het in naam van zijn klooster in eene armbus. Op zijne navorsching naar Bianca ontving Lodewijk ten antwoord, dat sedert 17 October geen enkele reiziger was voorbijgekomen, en tot bevestiging legde de monnik hem het vreemdelingenboek des voorgaanden jaars voor. Hiermede was zijne laatste hoop verdwenen; hij haalde diep adem, bedwong met moeite zijne tranen en stond op om te gaan. „De hemelsche Vader trooste en zegene u! Gij schijnt niet gelukkig,” sprak de monnik en reikte hem vriendelijk de hand. Lodewijk drukte die met warmte en verliet haastig de kleine cel.
Toen hij weder onder den vrijen hemel stond en de snijdende wind hem de fijne stuifsneeuw in het aangezicht joeg, scheen het hem een oogenblik toe, dat hij zijne gestoorde zielrust moest terug bekomen in een rustig verblijf, te midden eener zwijgende eenzaamheid als deze, waar hij tijd had alleen voor zijne droomen en in de wereld der herinnering te leven, onbekommerd over het lot der aardbewoners, die daar buiten door den storm der wisselende gebeurtenissen rusteloos heen en weder geslingerd worden.
Maar neen, dacht hij weder, gij zoudt ook hier den storm niet ontvlieden, die in uw eigen boezem zich verheft. Sluimeren niet in de ziel, ook des eenzamen, al die verderfelijke zaden, die eensklaps tot giftplanten opschieten, wanneer de vijand ze ontkiemen doet? En wie anders is des menschen vijand dan hij zelf? Neen, ook die hoop zou grievende teleurstelling baren!
Allengs begon het duister te vallen. De storm verhief zich opnieuw en deed de aan weerszijden van den weg opeengehoopte sneeuwheuvels in tallooze vlokken verstuiven. Het werd vinnig koud. Nu begon Lodewijk eindelijk te voelen, dat zijne krachten waren uitgeput, dat zijn afgetobd lichaam na de geweldige overspanning dringend rust behoefde. Met zekere ontevredenheid over zich zelven bespeurde hij, dat het bereiken eener herberg, het vinden van een goed bed, ongemerkt de vurige wensch was geworden, die zich, nevens het verlangen naar het verlorene, van geheel zijn hart had meester gemaakt. De laatste dagen waren dan ook boven alle beschrijving vermoeiend geweest, en misschien had wel nooit een reiziger in één dag den afstand afgelegd, die zich tusschen zijn voorgaand nachtverblijf en Andermatt, het plaatsje dat hij nu naderde, uitstrekte.
Door den vochtigen nevel en de toenemende duisternis, waarmede de nacht het dal overtoog, liet zich van tijd tot tijd een flikkerend schijnsel van verlichte vensters in de verte ontwaren, dat den vermoeiden reizigers tot eene troostende leidstar diende. Eindelijk bereikte men de eerste huizen en, na verloop van eenige minuten, steeg men af voor een vrij aanzienlijk gebouw, welks benedenverdieping van heldere lichten straalde.
HOOFDSTUK VII.
„God dank, dat wij onder dak zijn!” riep Jozef. „Het was geen klein dagwerk. Ik ben anders geen van de zwaksten, maar wij hebben toch een eindweegs afgelegd van daag!”
De gids hielp Lodewijk uit den zadel stijgen; een gedienstige huisknecht was met hetzelfde oogmerk toegesneld en noodigde hem uit in het warme vertrek te treden, alwaar reeds eenige, zoo even eerst aangekomen gasten tot den avondmaaltijd verzameld waren.
Het verwekte bij den jongeling eene zeldzame gewaarwording, zich zoo eensklaps uit de woeste, zwijgende wildernis, die hem den ganschen dag had omgeven, in den vriendelijken kring des gezelligen levens verplaatst te zien. Hij trad toch in eene ruime, door een aantal kaarsen helder verlichte zaal, in wier midden eene zindelijk gedekte tafel hem uitlokkend toelachte. Aan het boveneinde, om de gloeiende kachel, zaten drie reizigers, voor wie men juist het avondeten had opgedragen.
„De heeren hebben zich reeds aan tafel gezet,” zeide de knecht: „verkiest mijnheer dadelijk aan den maaltijd deel te nemen, of zich eerst op zijn kamer te ontkleeden?”
Lodewijk, niets anders bij zich hebbende dan hetgeen hij aan het lijf droeg, zou dat gemak moeten ontberen, al ware het hem ook niet zoo aangenaam geweest, dadelijk aan tafel te kunnen gaan, om zich daarna te spoediger ter rust te begeven. Hij trad dus op de vreemden toe en groette beleefd, zonder hen echter aan te spreken. Zij beantwoordden zijn groet met eene zoo voorkomende vriendelijkheid, dat hij zich daardoor reeds aangenaam verrast gevoelde. Naar hunne kleeding en hunne door de zon verschroeide gelaatstrekken te oordeelen moesten zij officieren zijn. Schoon zij hem in het Fransch hadden aangesproken, verried een zeker iets in hun voorkomen, dat zij tot eene andere natie behoorden. Twee, de oudste ongeveer zes en dertig, de jongere omstreeks twintig jaar oud, hadden zwart haar en kleine zwarte knevels; de derde was blond en blozend van gelaatskleur. Lodewijk nam plaats en trachtte, zich zelf geweld aandoende, de opgeruimde stemming der vreemden ten minste uiterlijk tot de zijne te maken. „Komen de heeren uit Italië of zijn zij derwaarts op weg?” vroeg hij.
„Onze weg,” hernam de oudste, wiens rijzige gestalte en, men had kunnen zeggen, koninklijk voorkomen hem iets gebiedends gaven, „onze weg leidt ons waarschijnlijk diep het noorden in. Voorloopig echter gaan wij naar Duitschland en wel naar Dresden, werwaarts de Fransche keizer zich dezer dagen begeven moet.”
„De oorlog is dan zeker?” vroeg Lodewijk.
„Wij hopen het,” sprak de vreemdeling op een toon, die meer uitdrukte dan de gewone vreugde des krijgsmans, die bij het begin van een veldtocht eene reeks van glansrijke daden en overwinningen door de onzekere toekomst ziet heenblinken.
Lodewijk zweeg. Als Duitscher zag hij met diepen weemoed de vreemde krijgsbenden zijn ongelukkig vaderland opnieuw overstroomen; echter zeide hem de onwraakbare rechterstem der waarheid, dat Duitschlands smaad niet geheel onverdiend was en dat, hoe zwaar het vreemde juk knellen mocht, hoe grievend het ware, zich zonder vrije keus en onvoorwaardelijk aan den overwinnaar te moeten aansluiten, dit, schoon vernederender voor de vorsten, voor de volken toch nog steeds eervoller bleef, dan langer zich te zien prijsgeven, aan die ontzenuwde, smadelijke en baatzuchtige staatkunde, waardoor sedert eene eeuw, en voornamelijk sinds den dood van den grooten Frederik, de duitsche natie zoo schandelijk was verlaagd geworden. De drie woorden des vreemden: „wij hopen het” wekten derhalve den innerlijken tweestrijd zoo levendig weder in zijne borst op, dat zelfs de bange bezorgdheid, die hem sinds gisteren vervulde, voor een oogenblik daardoor verdrongen werd.
De vreemdeling scheen den indruk te bevroeden, die zijn gezegde op Lodewijks ziel had te weeg gebracht. Na eenig stilzwijgen vervolgde hij in het hoogduitsch. „Het bevreemdt u, mijnheer, dat ik van een, naar alle waarschijnlijkheid bloedigen oorlog zeide: wij hopen, dat hij zeker zij; het bevreemdt u te meer, daar gij, naar ik hoor, een Duitscher zijt. Door een lang verblijf zijn wij het ten halve; vergun dus, dat wij ons van de taal van uw land bedienen. Het moet u ten hoogste roekeloos en lichtzinnig toeschijnen, dat wij op een keer der wereldgebeurtenissen hopen, die half Europa met siddering en bange verwachting te gemoet ziet. Het is inderdaad hard, zich in een toestand te bevinden, waarin men slechts uit een groot, algemeen onheil eenige gegronde hoop op de herkrijging der eigene, dierbaarste goederen kan opvatten; wij echter bevinden ons in dat geval.”
Hier hield hij een oogenblik op en scheen door een hevige gemoedsbeweging verhinderd om verder te gaan. Zijne mannelijke gelaatstrekken kenteekenden innigen, diepen weemoed; eene donkere wolk van zwaarmoedigheid breidde zich over zijn open voorhoofd uit en zijn oog staarde mijmerend voor zich heen, zonder dat de wil den weifelenden blik bestuurde.
Lodewijk waagde 't niet de diepe stilte af te breken; ook de beide jongelingen zwegen en vestigden weemoedige blikken op het peinzend gelaat van hun geleider.
„Wij zijn Polen, mijnheer!” vervolgde deze eindelijk op vasten, mannelijken toon. „Wij verwachten van den op handen zijnden krijg een vaderland, terwijl wij nu als arme ballingen rondzwerven. Gij zult thans toestemmen, dat ik zeggen mocht: wij hopen op oorlog!”
Lodewijk was zoo verrast, dat hij niet wist wat dadelijk te antwoorden; doch de vreemdeling bespaarde hem die moeite, door het gevulde wijnglas op te vatten met den uitroep: „Het vaderland! Met dien dronk kan ieder instemmen, tot welk land hij ook behoore.”
Met dit glas wijn scheen de vreemdeling als door een toovermiddel zijne sombere stemming op eens verbannen te hebben. „Wij zijn reizigers,” ging hij voort, „die elkander in een buitengewonen tijd, op een buitengewone plaats aantreffen. Uit de gebergten van den Gotthard, waarop wij ons bevinden, ontspringen bronnen naar alle vier deelen der wereld, die hare stroomen uitgieten over Duitschland, Frankrijk en Italië. Daarentegen loopen de wegen dier landen op dit ééne punt te zamen en ontmoeten elkander in dit middelpunt. Men bevindt zich hier als het ware op den kruisweg der wereld. Morgen volgt deze den Rijn of de Reuss, die den Tessino, een derde de Rhône. Het oogenblik van samenzijn moet men genieten, het als eene vroolijke en zoete herinnering in aandenken houden, want wie weet of men elkander op de wegen dezer aarde wel immer weer ontmoet.—Wij drieën,” ging hij zich tot Lodewijk wendende voort, „kennen elkander, zijn landslieden en krijgsmakkers. Gij moet ons vreemd blijven, wij u, wanneer wij hier geen vriendschappelijke vertrouwelijkheid laten heerschen; zoo kon een gelukkig uur, waaraan wij naderhand nog wel eens gaarne zouden terugdenken, ons koud en ongenoten voorbijvliegen. Mij dunkt dus, wij geven naam voor naam. Ik noem mij Stephanus Rasinski en ben overste bij het keizerlijk leger; deze mijne jonge vrienden en kameraden zijn officieren bij hetzelfde regiment, graaf Boleslaw en graaf Jaromir, en gij, mijnheer?”
„Mijn naam is Lodewijk Rosen, ik ben een Duitscher,” antwoordde de gevraagde.
„Welkom dan! Rosen is een schoone naam. Wel hem voor wien nog rozen bloeien, al zijn 't slechts alpenrozen. Die tijd is voor mij voorbij, want wie dra zijn veertigste jaar bereikt heeft, mag niet meer aan bloesems denken en kan ten hoogste nog op eenige late vruchten hopen. Nu, ook ik zag bloesems ontluiken en zag ze vallen! Op de ontwikkeling van elken schoonen bloesem der jeugd, der hoop en der liefde! Klinkt meê, jonge vrienden want de wensch betreft meer u dan mij zelf!”
Lodewijk hief met ontroering den beker omhoog. Rasinski's woorden troffen zijn hart, maar vervulden het tevens met een zachte schemering van hoop, daar hij, gelijk men in eene dergelijke gemoedsstemming vaak aan kleinigheden pleegt te hechten, er eene gelukkige voorbeduidenis in waande te ontdekken. Nog eene tweede gedachte rees bij hem op. Hoe gelukkig werkte de gulle openhartigheid van den graaf, daar zij vier vreemden door het eenvoudige, maar tooverachtig werkende middel eener mededeeling van namen en naaste betrekkingen zoo ras met elkander in verbintenis bracht. Wanneer ik, dacht hij, door schuwe blooheid weerhouden, slechts niet verzuimd had aan het bekoorlijke wezen, hetwelk mij hare betrekkingen verbergen moest, ten minste de mijne op te geven, en haar mijn naam te noemen, dan ware de band tusschen ons beiden, nog niet geheel afgebroken, schoon ik haar nu ook al dadelijk niet wedervond. Neen, hoe nauw de vrouwelijke kieschheid ook in hare handelingen beperkt zij, voorzeker zou Bianca mij toch een teeken hebben weten te geven, waardoor ik haar naderhand nog eens kon opsporen. Zoo heeft dat pijnlijk verzuim mij wellicht voor altijd het geluk van mijn leven ontroofd!
Dergelijke gedachten vervulden zijne ziel, terwijl het gesprek over verschillende onderwerpen voortliep. Graaf Rasinski scheen de droeve snaar welke hij in den beginne had aangeroerd, opzettelijk te vermijden en de jonge officieren eerden daarin bescheiden zijn wensch. Men sprak over Italië, over Parijs, over de verdiensten des keizers als veldheer en staatsman, van zijn tocht over den grooten St. Bernard, in welks nabijheid men zich bevond, van de vreeselijke toerustingen tot den aanstaanden oorlog, over de reusachtige ontwerpen van zijn heldengeest, die Frankrijks vanen van de piramiden naar den Taag, van den Taag naar Ruslands sneeuwvelden rusteloos voortjoeg; kortom, men sprak over alles wat toenmaals ieders hart en hoofd bezig hield en de tongen van geheel Europa in beweging bracht.
Ongemerkt was een uur vervlogen; het maal was afgeloopen en men begaf zich ter rust.
Door een vloed van gedachten en tegenstrijdige gewaarwordingen zoo geslingerd, dat hij, niettegenstaande zijne geweldige afmatting, den slaap niet dadelijk vatten kon, overdacht Lodewijk op zijne zachte legerstede, wat hem den volgenden dag te doen stond. Zou hij de reis voortzetten, of terugkeeren? Moest hij Bianca langs een anderen weg opsporen, of den kortsten, die naar Duitschland voerde, blijven volgen? Het was hem niet ontgaan, dat de Polen met hem dezelfde bestemming hadden, en in het eerste oogenblik had zijne vreugde daarover hem bijna verraden; bij nader inzien deed het hem echter genoegen, te rechter tijde gezwegen en zich zelven beheerscht te hebben, daar een dergelijk geleide hem alle mogelijkheid zou benomen hebben, om zijne navorschingen voort te zetten. Hij besloot derhalve, wanneer zulks doenlijk was, zonder zijn hoofddoel te ver uit het oog te verliezen, zijn nieuwe bekenden zoodra mogelijk weder vaarwel te zeggen en alleen de reis te vervolgen.
Onder deze overleggingen overviel hem eindelijk de slaap, welke zijne uitgeputte krachten zoozeer noodig hadden.
HOOFDSTUK VIII.
Het was reeds helder dag, toen hij door een zacht tikken aan zijne deur ontwaakte. Op zijn: „binnen!” trad de jongste der drie officieren, de blonde, bloeiende graaf Jaromir de kamer in. „Vergeef mij,” sprak deze, „dat ik u zoo stoor. Ons allen zou het echter zulk een groot genoegen zijn, de reis in uw gezelschap te mogen voortzetten, dat ik door mijne kameraden verzocht ben u daarover te spreken; eene opdracht, die ik zeer gaarne op mij neem, zelfs op het gevaar af van u vertoornd te hebben.”
Lodewijk verontschuldigde zich over zijn lang slapen en beloofde dadelijk op te staan en in de ontbijtzaal te komen. Binnen weinige minuten trad hij die binnen en werd door de officieren met hartelijkheid begroet. Rasinski, die alle gezellige betrekkingen gaarne zoo ver mogelijk scheen uit te breiden, verklaarde dat hij het was, die het voorstel gedaan had, op Lodewijk te wachten, daar men onmogelijk had kunnen besluiten, vóór hem af te reizen en hem de beroemde straat van den Gotthard alleen te laten langs trekken. „Twee menschen,” meende hij, „die gezamenlijk over de Duivelsbrug gegaan zijn, blijven door die herinnering hun leven lang even nauw verbonden, als de beide oevers der Reuss door de brug zelve worden aanéén gehecht. Zelfs de wilde vloed des levens zal niet alle banden tusschen hen verbreken, zoo onuitwischbaar is de herinnering aan een belangrijk uur, hetwelk men te zamen doorleefde.” Lodewijk gevoelde de waarheid van deze opmerking en dankte den graaf met warmte voor zijne vriendschappelijke oplettendheid. De frissche, wintersche morgen, het gevoel van teruggekeerde lichaamskracht, de innemende gulhartigheid zijner reisgezellen, dit alles te zamen was bij hem van eene zoo gelukkige uitwerking, dat hij zelfs een zweem van opgeruimdheid gevoelde, ofschoon Bianca's beeld niet uit zijne ziel week en als eene stomme, treurende gestalte stand hield te midden der schoone, frissche tooneelen, welke het tegenwoordige oogenblik hem voorspiegelde.
De muildieren waren getoomd, de gidsen reisvaardig. Men verliet het statelijke hotel der Drie Koningen te Andermatt en reed nu het dal afwaarts, op zijn donkere uitgangspoort toe. De gelijksoortigheid dezer landstreek met die, welke hij een paar dagen vroeger was doorgetrokken, maakte weemoedige herinneringen bij den jongeling levendig. Evenals op den Simplon opende zich thans de duistere kloof, het Urnerloch genaamd; gelijk dáár stortte zich de stroom schuimend in de diepte neder, gelijk dáár viel in het midden van den doorgang eene kortstondige schemering door eene vierkante opening naar beneden en zag men de Reuss, een wit spooksel gelijk, al schuimende voorbijschieten. Nu verdoofde de vreeselijke donder van den rollenden stroom het oor. De kloof opende zich, en men stond in de door hemelhooge rotsen ingesloten bergpas, waar de bruisende Reuss klaterend in den afgrond nederstort en in hare onstuimige woede boorden en oeverdammen dreigt vaneen te rijten. Over dezen borrelenden, ziedenden waterketel is de smalle brug met zulk eene koenheid heengeslagen, dat de overlevering gelijk schijnt te hebben, wanneer zij beweert:
_Die brug is het werk niet der menschelijke hand, Wie toch zou zich zoo iets vermeten._
Toen de reizigers zich op het midden dier brug bevonden, bogen zich de dunne boomstammen onder den tred hunner lastdieren. Graaf Rasinski hield een oogenblik stil, mat met het oog het rotsgewelf boven zich en wierp toen een blik in den schuimenden afgrond. Hij wilde iets zeggen, maar in het gedonder der vallende watermassa's verliest zich elke menschelijke stem. En toch heerscht hier voor het gevoel eene huiveringwekkende, eeuwige stilte en ledigheid. Geen vogel verroert zich, geen mugje gonst, geen halm, geene mosplant groeit hier; slechts de versteende, onbewegelijke granietklompen stijgen loodrecht op en verliezen zich in den blauwen hemel. Te midden van dit rusteloos woelen en klateren en donderen der wentelende golven gevoelt men, dat, wanneer de Reuss plotselijk verstomde, ook elk ander geluid ophouden en men zich als in een steenen grafkuil der natuur bevinden zoude.
Eene poos lang vertoefden de reizigers en staarden het schrikwekkend verhevene schouwspel met stomme verbazing aan. Lodewijk had het oog gevestigd op eenige witte, lichte wolkjes, die in de enge, blauwe ruimte des hemels, die tusschen de steile rotsmuren zichtbaar was, over het dal heentogen. Als zalige geesten schenen zij in die heldere kringen des lichts over de vreeselijke kolk des duisteren afgronds heen te zweven. Rasinski wekte hem eindelijk uit deze mijmering, door onder het voorbijrijden zijne hand te grijpen en haar te drukken met een blik, die scheen te kennen te geven: Niet waar? een prachtvol schouwspel! Die het gemeenschappelijk genoten, verbindt die herinnering voor langen tijd!
Rasinski was door zijne jaren en zijne bedaardheid, door zijn dieper inzicht en rijker ervaring de stilzwijgend erkende Mentor zijner metgezellen, zoodat men ook de verdere inrichting der reis geheel aan hem overliet, daar hij overal de juiste maat en wat voor het oogenblik het best voegde, gelukkig wist te treffen. Hij was het, die den tocht bestuurde; de anderen volgden zonder dwang en als onwillekeurig.
Langer dan een uur reed men over scherpe ijsschollen en breede, naakte granietvloeren voort; aan beide zijden stegen vlakke rotswanden omhoog, doch rechts baande zich de Reuss, in eene onafgebroken keten van watervallen in het dal neerbruisend, tusschen het smalle pad en den rotsigen muur van den tegenovergestelden oever een kronkelend spoor. Boven de naaste steenglooiingen hieven de steile, met sneeuw beladen toppen der Alpen zich trotsch in de hoogte en hulden nu eens het glansrijke hoofd in grauwe wolkensluiers, terwijl zij zich dan weder, in zonnegloed fonkelende, met koene omtrekken op den donkerblauwen grond des hemels afteekenden.
Ware het verder in het jaargetijde geweest, dan zoude het dal spoedig bloeiender en vriendelijker zijn geworden. Nu echter heerschte de winter hier nog in volle kracht en dikke sneeuw bedekte nog de meeste rotsklompen, ja zelfs de toppen der dennen, die zich gedurig talrijker begonnen te vertoonen. Langzamerhand werden de hoogten toch meer begroeid en boschachtig, en zag men van tijd tot tijd eene heldere, groene grasstrook door het dunne sneeuwdek heenschemeren.