Part 59
Met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel lieten allen hunne blikken over het eenzame, akelig zwijgende veld des doods weiden, dat zeven weken te voren van het ontzettende gewoel van den slag en den duizendvoudigen donder van het geschut weergalmde. Gelijk in de schemering het oog eerst slechts eenige sterren en dan met iedere seconde er meer ziet, zoodat het zich spoedig in de onmetelijkheid verdiept, zoo vermenigvuldigden zich hier op de ontzettendste wijze de lichamen en overige teekenen der verwoesting, welke men overal ontdekte, voor het gezicht. Terwijl de mist, door den wind over de steppe gejaagd, zich langzaam voortbewoog, scheen hij als het ware de gordijn van de schrikkelijke schilderij af te rukken. Allen stond de adem in de borst stil, toen zich die akelige baaierd aan hunne oogen vertoonde. In het eerst had men slechts de naastbijzijnde lichamen, waartegen de hoeven der paarden stieten, gezien; doch toen hun blik verder reikte, steeg het aantal weldra tot in het oneindige; want men merkte spoedig, dat elke zwartachtige hoogte, die het oog zag, niet een steen, een boomstam of aardhoop was, maar een menschelijk lichaam of eene opgestapelde menigte daarvan. Met elken tred verder in deze, slechts door lijken bevolkte woestenij werd het beeld der verwoesting schrikkelijker en treffender. De wind joeg eene giftige pestlucht aan, die zelfs de paarden zóó aandeed, dat zij, schuw terugdeinzend, den ruiters niet wilden gehoorzamen, en slechts met vliegende manen en opengesperde neusgaten, als zochten zij eene reinere lucht in te ademen, de sporen gehoorzaamden en vooruitgingen. Thans zag men enkele hoogten, als hunnebedden, waar groote lijkenhoopen opgestapeld en zoo dun met aarde bedekt waren, dat storm en regen dit bedeksel reeds bijna hadden weggespoeld. Uit de akelige vermenging der over elkander opgestapelde lijken staken er enkele, het gebeente half met vergaan vleesch bedekt, bijna naakt en wit glinsterend, in schrikverwekkende houding uit. Den een was het hoofd, met borstelig bloedig haar bedekt, op de aarde gezonken en staken de beenen onnatuurlijk omhoog; een ander stak een arm hoog op, als leefde hij nog en als zocht hij zich uit het rottende graf naar boven te werken. Enkele ledematen, van roofvogels en wolven half afgeknaagd, lagen rondom verspreid. Grijnzende bekkeneelen met ledige oogholten of sluik afhangend bloedig haar zagen ijzingwekkend van den grond op. Tusschen deze schrikkelijke overblijfselen lagen de krijgshaftige gedenkteekenen van den slag verspreid; hun aanblik verwarmde de verkleumde borst ten minste door de herinnering aan den grootschen strijd, die hier gewoed had. Verbrijzelde affuiten, raderen, trommels, roestende kogels, de overblijfsels van gebroken geweren en sabels, glinsterende helmen en kurassen der ruiters lagen overal over het onbebouwde veld; de plaatsen waar de cavalerie en artillerie gestreden hadden, herkende men dadelijk; zij waren met glinsterende paardengeraamten, die nog half in het uitgedroogde vleesch staken, doch wit schitterden daar, waar de raven en vossen ze afgeknaagd hadden, rondom bedekt. De nevels rolden in lange strepen over het veld, en nu eens vertoonden, dan weder verborgen zij deze velden des schriks. Doch met elke seconde trokken zij meer en meer weg, en spoedig kon men ongehinderd zijne blikken zoo wijd laten rondgaan, als de schrikbarende teekens der verwoesting en des doods te onderscheiden waren.
„Ziet gij daar dien heuvel?” riep Rasinski en wees met zijn vinger op eene vormlooze massa, die juist uit den nevel scheen op te rijzen; „dat is die schrikkelijke redoute, waar wij zoovelen der onzen gelaten hebben. Thans eerst vind ik mij weder te recht op deze velden des doods, waar dertigduizend onzer kameraden hun bloed vergoten.”
Zij reden naderbij, om nog eenmaal de plaats te betreden, die hen met zulke grootsche herinneringen moest vervullen.—Niemand sprak, ieder droeg eene sprakelooze huivering in zijn boezem om. Hoeveel ontzettender was het slagveld nu, dan toen de brullende donder het oor verdoofde, de gansche hemel in rook en vuur gehuld scheen en de ijzeren kar des doods verpletterend over de gevallenen heenrolde; want toen vertoonde dit veld het schrikwekkend gelaat van een vertoornden gigant, thans het ijzingwekkende van een tot verrotting overgaanden.
Toen Rasinski en zijne vrienden—want het regiment hield den grooten weg—nader bij de redouten kwamen, konden de paarden nauwelijks voortkomen door de lijken en de kogels, die hier den grond bedekten.
„Wat mag dat daar boven op de borstwering zijn?” vroeg Rasinski, toen men nog omtrent vijfhonderd schreden van de verschansing verwijderd was.
„Ik kan het niet onderscheiden,” zeide Regnard; „'t gelijkt wel een half afgebroken piramide.”
„Wellicht ongestapeld hout,” sprak Lodewijk.
„Hoe zou dat daar komen?” hernam Bernard, het hoofd schuddende. „Waarlijk een zonderlinge vorm, die een schilder in verlegenheid zoude brengen.”
Zij reden naderbij, de zon brak met krachtige stralen door de wolken heen en sloeg de zwevende dampen neder. Eensklaps verlichtte zij de redoute met een helderen glans, terwijl alles in het rond nog in een grauw lag.
„Het zijn geraamten,” riep Rasinski, die verreweg het scherpste gezicht had. „Ziet gij hoe de beenderen, door zon en regen gebleekt, als zilver blinken?”
Door afgrijzing en verbazing getroffen, renden de ruiters sneller nader. Het was zooals Rasinski gezegd had. Van de lijken, die in het inwendige der verschansing opeengestapeld waren, staken eenige hoog boven den wal uit. Een ijselijk spel van het toeval had hen met de ruggen tegen elkander in eene half opgerichte stelling gebracht. Aan de lucht, den regen, den storm en de roofdieren het meest blootgesteld, waren de beenderen bijna geheel van vleesch ontbloot en de afschuwelijke geraamten schenen nu, op hun troon van lijken zittende, met een grijnzenden lach het veld der vernietiging rondom hen, als hun schrikkelijk rijk te overzien.
Bij dit gezicht tastte een kil, huiveringwekkend gevoel van schrik zelfs den koelbloedigen Regnard aan. Hij trok zijne wenkbrauwen donker samen en rilde, alsof eene koude koorts door het merg zijner beenderen voer.—„Dat alzoo is Caulaincourts grafnaald?” zeide hij eindelijk, terwijl alle overigen stokstijf en zwijgend stonden.—„Komt, laat ons verder rijden.”
Hij wendde zijn paard om.
Rasinski was als aan den grond genageld; zijn oog hing onafgewend aan den heuvel van lijken. „En dat alles te vergeefs!” zeide hij eindelijk, diep uit zijne borst ademend. „En wij hebben dan toch den slag verloren!”
„Verloren?” vroeg Bernard half luid.
„Ja, ja, verloren! Het was eene overwinning in schijn, een bedriegelijk beeld van eene bloedige zegepraal! Daarom kwam op dien droevigen avond geene vreugde in onze borst! O, gij hebt nooit overwonnen; gij weet niet, wat eene overwinning is! Dat wekt een ander gevoel in de borst. Eerst heden ruimen wij het veld! Heden, na zeven weken, beslist het zich, wie den slag verloren heeft! Maar welaan,” zeide hij, zich met koninklijke waardigheid oprichtende en met zijne opgeheven rechterhand naar de geraamten wijzende, „deze bergen van lijken mogen ten minste getuigen, dat hier dapperen gestreden hebben! Den roem van dezen dag zal geene macht op aarde ons ontrooven! Want de roem is waar; het geluk is valsch!”
Een edel vuur vlamde, toen hij deze woorden sprak, in zijne donkere oogen; hij wierp zijn hoofd trotsch in den nek en draafde, zonder deelneming of toestemming van zijne begeleiders te verwachten, over de verrottende lijken hen voorbij. De vrienden bemerkten, dat hij alleen wilde zijn, en volgden hem langzaam op eenigen afstand.
„Voorwaar, hij moest een koning zijn!” riep Bernard vol geestdrift Lodewijk toe. „Hebt gij zijn heldenblik gezien? Toen hij zijne hand uitstrekte, was het mij, als vermocht hij deze dooden te gebieden, zich op te richten en opnieuw naar de wapenen te grijpen.”
„Hij is een held in den volsten zin des woords,” zeide Lodewijk; „want hij vereenigt de grootmoedige zachtheid met de machtig gebiedende kracht. Hij kan alles _eischen_, en hij _verzoekt_ alles.”
„Zoo is het!” riep Jaromir levendig; het was zijne eerste warme ontboezeming na dien ongeluksdag.
„O, gij moest hem in beter tijden gekend hebben,” zeide Boleslaw; „maar reeds sinds wij Duitschland verlaten hebben, is hij niet meer, die hij was. Hij moet diepen kommer in zijn boezem voeden of het onheil, hetwelk hij thans vreest, vooruit hebben gevoeld.”
Zoo had de mannelijke houding van Rasinski eensklaps de ijzingwekkende indrukken van het slagveld verdreven en voor hartverheffender gevoelens plaats doen maken.
Regnard had zich bij Rasinski gevoegd en samen wachtten zij thans de overigen af. Om het regiment weder in te halen, zetten zij hun weg in versnelden draf voort; steeds liep hun pad nog over lijken en gebroken wapens. Een diepe holle weg doorsneed opeens het veld, dezelfde, waardoor zij toen op den avond na den slag naar de legerplaats terugreden, en dien zij den volgenden dag vol vonden van ongelukkigen, die gewond en versmachtend hier bescherming gezocht hadden tegen de ruwe nachtvorst. Ook hier lagen geraamten van paarden en menschen.
Plotseling trof een klagend geluid hun oor. Allen schrikten en luisterden; eene rilling bekroop allen bij de gedachte, dat onder deze algemeene versterving nog een levend wezen kon zijn. Men zag rond, doch zonder te ontdekken, van waar de klagende stem kwam.
„Het moet daar uit die inspringende holte achter ons zijn,” zeide Rasinski, en hij wierp zijn paard om en sprong in eene kleine, met verwelkt kreupelhout half dicht begroeide grot, langs welker mond zij zoo even gereden waren.
„Heilige God!” klonk dadelijk daarop zijne stem, terwijl hij zich eensklaps van het paard wierp. De anderen begrepen de oorzaak niet zoo terstond; doch zij stonden verslagen van schrik, toen zij daar in den buik van een opengesneden paard een mensch ontdekten, die uit deze verschrikkelijke legerstede zijne handen smeekend naar den toesnellenden Rasinski uitstrekte.
„Begoocheling der hel!” riep deze uit en drukte zich beide handen voor de oogen; „het is Petrowski!”
Als verpletterd stonden Lodewijk, Bernard en Jaromir daar bijeen, toen zij dit woord hoorden en nu den rampzaligen grijsaard herkenden. Jaromir was het eerst van het paard, om Rasinski bij het werk der redding te helpen. Deze stond voor den ongelukkige en hield diens beide handen krampachtig in de zijne; hij had zijn gelaat, van den stervende afgekeerd, naar Jaromir gericht. In zijne trekken was een krampachtig geweld te bespeuren, om de ontzettende smart geen heer over zich te doen worden; doch hij moest bukken. Droppels van angstzweet stonden op het voorhoofd van den held; groote tranen rolden over zijne wangen; hij kon geen woord spreken.
„Gij nog onder de levenden, mijn oude, trouwe kameraad!” riep hij eindelijk uit en gaf daardoor lucht aan zijne beklemde borst;—„en ik zocht u te vergeefs onder de dooden.”
De grijsaard, door ellende en kommer uitgeput, had bij deze laatste vreugde toch nog een traan.
„God in den hemel,—dank!” waren de eenige woorden, welke hij met eene gebroken stem nog vermocht te stamelen. Het vreeselijke van zijn lijden had hem nog de kracht gegeven van om hulp te roepen; de onuitsprekelijke vreugde beroofde hem thans van bewustzijn en spraak.
„Mijn God, mijn God, zijt Gij dan alwetend?” riep Rasinski uit. „In de afgrijselijke armen der verrotting en des doods lag deze levende; zijne spijs was, wat de hongerige wolf en de krassende raaf versmaadt; ieder oogenblik eene hel—en vijftigmaal ging Uwe zon er over op, zag deze ellende en Gij zondt geene redding!”
Jaromir, Bernard, Lodewijk en Boleslaw waren nader gekomen en wilden beproeven, den ongelukkige uit zijne verpeste legerstede op te richten. Doch reeds staarde zijn in de kas weggezonken oog hen gebroken en bewusteloos aan, een lachje zweefde over zijne trekken, die door de grenzelooze ellende diep ingevallen waren; nog eenmaal haalde hij diep adem—toen zonk hem het hoofd op de borst neder en zijne ziel was het veege lichaam ontvloden.
Rasinski liet de handen van den doode niet los; zijn met tranen gevuld oog hechtte zich aan het verbleekte gelaat, dat zelfs in den strijd des lijdens en des doods den krijgsmansadel bewaard had. „Ziet dit schoone voorhoofd vol litteekens, versierd met zilveren haren!—O, dat was een trouw soldatenhart!—En zoo verschrikkelijk te sterven!”
„Neen, hij had een schoone dood,” zeide Lodewijk, wiens ziel zich geloovig tot den Algoede verhief, die den gemartelde in zijn doodsuur zijne dierbaarste vrienden als door een wonderwerk in deze schrikkelijke eenzaamheid toezond; „hij stierf een schoonen dood! Zie slechts, hoe zijne trekken zich verheerlijkt hebben!”
Jaromir sprong plotseling te paard en snelde ras op den weg, dien zij gekomen waren, terug; men wist niet wat hij voor had. „Wacht hier twee minuten,” riep hij, „ik ben dadelijk terug.”
Zwijgend stonden de vrienden rondom den gestorvene.—„Geef mij eene schaar,” vroeg Rasinski. „Ik wil tot aandenken een lok van zijn hoofdhaar medenemen.”
Bernard reikte hem uit zijne portefeuille het verlangde toe. „Gunt gij mij tien minuten,” zeide hij, „zoo teeken ik den kop hier in mijn studieboekje. Deze trekken tref ik gewis.”
„Het blad zal mij heilig zijn,” hernam Rasinski en dankte zijn vriend door een handdruk.
Terwijl Bernard teekende, keerde Jaromir terug. Hij had twee spaden dwars voor zich over den zadel liggen. „Wij moeten onzen kameraad begraven!” riep hij reeds van verre, „dat is de wil van God, die ons in zijn doodsuur tot hem heeft gezonden.”
„Van waar hebt gij die spaden?” vroeg Rasinski verwonderd; „ik had gewis dadelijk aan eene begrafenis gedacht, wanneer ik de mogelijkheid had ingezien van haar te bewerkstelligen. Gij brengt den schoonsten troost aan mijne ziel!”
„Door een toeval ontdekte ik ze. Daar straks, toen wij van de redoute afkwamen, zag ik in een gat twee gebroken russische affuiten liggen, waarbij ik nog de houweelen en spaden ontdekte. Dat viel mij thans in, en daar ik de plaats onthouden had, snelde ik heen om ze te halen.”
„Geef hier,” zeide Rasinski en nam de eene spade. „Hier onder dezen jongen den, dien misschien eens een grijsaard onder de boomen wordt, gelijk de doode er een was onder de helden, hier willen wij hem begraven.” Tegelijk stak hij zelf de eerste kluit uit den grond; Jaromir werkte ijverig mede. Eene aardkloof, die slechts eenigszins verwijd behoefde te worden, moest het laatste leger van den ouden krijgsman worden.—Boleslaw en Lodewijk hielden het hoofd van den doode even omhoog, opdat Bernard zou kunnen teekenen. Een kwartier werd aan dezen liefdedienst gewijd. Regnard bleef een zwijgende, innig ontroerd getuige; hij hield het voor eene zaak van eer, zich niet aan de plechtigheid der begrafenis van een zoo grijzen kameraad te onttrekken.
„Ik ben gereed,” zeide Bernard en reikte Rasinski de met vaste, stoute trekken geschetste beeltenis van den doode over.
„Wij zijn het ook!” zeide deze en nam het blad aan. „Voortreffelijk!” riep hij, terwijl hij het beschouwde. „Het is geheel en al de oude, trouwe kameraad; het is zijn eerwaardig voorhoofd, zijne zachte glimlach in den dood.—Bernard, ik dank u voor dit kleinood.” Hij drukte hem bewogen de hand. „Thans neemt hem uit zijn ontzettingwekkend bed en legt hem in zijne laatste, koele, stille woonplaats. Gij zult eenzaam rusten, oude vriend! maar de wolf zal toch uw graf niet opwroeten, de raaf uw trouw oog niet tot spijs voor zijne jongen in zijn nest dragen.”
Het lijk werd nedergelaten; de aarde bedekte het spoedig.
„Rust zacht!” sprak Rasinski, en strekte zijn arm zegenend over het graf uit. „De wil des Almachtigen zond u eene maat van ellende toe, welke de menschelijke borst niet kan bevatten, voor welke zelfs de ijzeren zenuwen van den held terugbeven. Doch Zijne genade is rijker dan Zijne gestrengheid; u zal vergolden worden. Gij rust hier eenzaam, want geen uwer broederen slaapt nevens u, en verre is het vaderland der uwen. Maar op den dag der opstanding zullen dertig duizend helden om u heen ontwaken en gij zult met hen in zegepraal de poorten der eeuwigheid binnentrekken.—Uw graf kunnen wij niet versieren, de volgende lente moet het doen! Vervloekt zij de bijl, die dezen jongen boom treft, die nog in de latere jaren ons deze plaats kan aantoonen; doch gezegend zij hij, die aan dit graf een teeken van liefde wijdt.” Hier zweeg hij.
Bernard riep: „Laten wij dien steen daar op zijn graf wentelen!” Weinige schreden verder lag een granietblok, dat bijna de gedaante van een teerling had. De krachtige mannen pakten het zware blok aan en wentelden het gelukkig tot op het graf. Toen braken zij groene takken van den denneboom af, staken deze in de versch opgeworpen aarde, en Bernard krabde met zijn mes een _P_ in den steen.
„Thans de laatste krijgsmaneer,” zeide Boleslaw en trok zijne pistolen uit de holsters; de anderen deden hetzelfde. Rasinski trad voor om te commandeeren. Hij trok de sabel en commandeerde: „Legt aan! vuur!” De schoten vielen, de rookzuil steeg recht naar boven en schitterde in een vluchtigen blik, dien de zon door de wolken wierp. Doch door den slag opgejaagd, vlogen rondom troepen van raven op en vluchtten met ruischend klapwieken.
Driemaal werd den begravene den krijgsmanseer gebracht, waaraan ook Regnard zich niet onttrok.
Daarna zaten zij op en reden snel en zwijgend naar de hunnen terug.
HOOFDSTUK V.
Na twee moeitevolle dagen bereikte het leger Wiasma. Hier liet de keizer een rustdag houden, om de achterhoede, onder bevel van den maarschalk Davoust, op te wachten.
Reeds waren de krachten der troepen tot het uiterste ingespannen; velen, door ziekte of wonden verzwakt, bleven achter; zelfs de meeste vaste wil kon de weigerende lichaamskrachten niet vergoeden.
Rasinski was gelukkig genoeg geweest, nog geen der zijnen te verliezen; dit was hij deels zijner tijdige zorg voor hunne warmere en betere kleeding verschuldigd, deels aan de onvermoeide werkzaamheid, waarmede hij nog voortdurend in al hunne behoeften trachtte te voorzien. Vooral had hij door het voorbeeld van moed en beradenheid den geest van orde, van eer en van vertrouwen weten te bewaren, die in zulke benauwde tijden het zekerste redmiddel, de werkzaamste bescherming tegen het naderend verderf verschaft. De soldaat is geheel overmand en verloren, zoodra hij eenmaal, ook maar een oogenblik, den moed opgeeft, om zijn grimmige vijanden, het gebrek, de koude en de bovenmatige inspanning te trotseeren. Zoo was Rasinski thans streng in het handhaven der orde op marsch; hij veroorloofde volstrekt geen achterblijven, geen alleen marcheeren, geene veronachtzaming van paarden, kleedingstukken of wapenen. Hij wist het zijnen ruiters aan het verstand te brengen, dat het kleine gebrek, hetwelk zij nu nog, ofschoon met eenige moeite, herstellen konden, in weinige dagen door verwaarloozing tot eene onherstelbare ramp zoude worden. Zijne officieren zoowel als Lodewijk en Bernard sloten zich door een even zorgvuldig toezicht en door eigen voorbeeld ijverig bij hem aan.
In Wiasma was het Rasinski gelukt nog een dragelijk onderkomen voor man en paard te vinden. Drie half staande gebleven muren eener groote schuur, die nog zoowat een dak had, dienden den paarden tot stal; doch daar er voor allen geen plaats was, moesten zij om de acht uren verwisselen. Er was stroo genoeg bijeen gebracht, zoodat allen konden liggen; maar de fourage viel mager genoeg uit. Doch reeds de rust binnen den warmeren omtrek der muren deed den dieren goed. Voor zich en zijne manschappen had Rasinski een huisje in beslag genomen, dat nauwelijks dertig man scheen te kunnen bevatten; maar door de wijze verdeeling der enge ruimte van kamer en zolder, waarbij ieder plekje in acht werd genomen, was het toch mogelijk geweest, zestig man, zekerlijk een weinig benauwd, te legeren. Door eene verwisseling van acht tot acht uren, gedurende welke dezen sliepen, anderen de paarden, de wachtvuren en de keuken bezorgden, gelukte het den op alles bedachten aanvoerder, de manschappen volkomen te doen uitrusten en zich te verwarmen, zoodat zij, toen de marsch moest vervolgd worden, met frissche krachten tot de moeielijke reis konden aantreden.
Vóór het aanbreken van den dag zetten de colonnes zich in beweging. De weg liep door lange dennenbosschen; de doodsche eentonigheid scheen den onmetelijken afstand, op welken zich de krijgslieden van hun vaderland gevoelden, nog te vermeerderen. Ook de lengte der buitendien moeielijke dagreizen groeide daardoor aan. Rasinski kreeg bevel met zijne manschappen de achterhoede uit te maken en de achterblijvers voort te drijven; want sinds de twee laatste dagen hadden zich zoo vele traineurs opgedaan, die zich op de nakomende korpsen verlieten en tot deze aankwamen eenige rustdagen meenden te verwerven, dat men deze wanorde op alle wijze moest tegengaan. Hij reed dus achter de lange rij van wagens, die deels levensmiddelen en gewonden medevoerden. De overtollige munitiewagens en vele andere, die den tocht hinderden, had men reeds verbrand en de paarden voor de kanonnen gespannen. Want ofschoon het weder helder bleef, ijzelde het iederen nacht, en dan kon men met de slecht beslagen, ongescherpte paarden zelfs kleine hoogten nauwelijks meer opkomen, zoodat de kanonniers zich zelve mede voorspanden, om de hun toevertrouwde wapenen, waaraan zij, even als de regimenten aan hunne adelaars, hunne eer verbonden, niet te moeten achterlaten.—Met moeite bereikte men het bivak, waaruit men, na eene door honger en koude gestoorde nachtrust, nog in den donker weder opbrak.—De aankomende dag vertoonde een beklagenswaardig schouwspel. Eene menigte manschappen was uit krachteloosheid achtergebleven; het was onmogelijk hen in het gelid te houden. Daarbij werd de weg slechter en de slecht gevoerde paarden sleepten zich met moeite voort. De colonnes rukten bijzonder langzaam voort. Er werden al meer en meer paarden tot het vervoeren van het geschut vereischt. De keizer gaf bevel, van alle bagagewagens, zelfs van die der hoofdofficieren, de helft der voorgespannen paarden te nemen, om ze voor de kanonnen te spannen. Daar op die wijze de reeds te groote last door het halve span niet meer vooruit te brengen was, moest deze in gelijke mate verminderd worden. Men zag derhalve alles, wat zich van ontbeerlijke werktuigen en zelfs kunstwerken op de wagens bevond, als een nuttelooze ballast wegwerpen en wat zich daarvan verbranden liet, door vuur vernietigen.
Toen Rasinski naast Jaromir bij een dezer nog vlammende brandstapels voorbijreed en zij hunne paarden moesten afwenden, om niet in de scherven van kostbare porseleinen serviezen te trappen, welke men onvoorzichtig midden op den weg had geworpen, zeide hij tot dezen: „Herinnert gij u het voorval dicht bij Moskou nog, waar die wagen geplunderd werd? Had ik geen gelijk met te zeggen, dat die man de gelukkigste van allen was, daar men hem de nuttelooze zorg voor zijne rommelzoô het eerst ontnomen had?”
„Dat wel,” hernam Jaromir, „doch wie ziet dit in? Geluk en ongeluk, berusten ze niet in onze eigen harten? En wanneer wij ons door den schijn laten bedriegen, is dat niet hetzelfde, alsof wij door de waarheid lijden! Mij zelf is het reeds menigmaal voorgekomen, alsof wij eerst later inzagen, wat gelukkige of ongelukkige voorvallen voor ons zijn. Bij onzen eersten aanval in den slag bij Mosaisk rukte mij een kogel de pluim van het hoofd. Ik prees mij gelukkig, dat hij mij niet een voet breed lager getroffen had. En toch zou het mijn geluk zijn geweest, want als mij nu of later dat lot treft, wat heb ik dan gewonnen, dan eenige dagen van kwelling? En evenwel gevoelde ik mij in die oogenblikken werkelijk gelukkig. Wat is nu waarheid, wat valschheid in onze gedachten?”