1812: Historische roman

Part 58

Chapter 583,492 wordsPublic domain

„En al waren wij ieder zevenmaal zoo wijs, als de zeven wijzen van Griekenland te zamen genomen,” aldus verbrak Bernard de ingevallen stilte, „wij zouden geen beteren raad vinden. Het recht van Rasinski is zoo klaar als de hemel daarbuiten, wiens sterren ons recht gunstig op onzen terugtocht schijnen te lichten. Troost u, vriend Lodewijk; ons omgeven niet meer doodsgevaren dan anderen; misschien houdt, wel bezien, de draad van ons leven zich nog te lang goed en spint zich vervelender en treuriger ten einde dan wij dachten. De schaar der schikgodin gaat in eene minuut meermalen toe en open en zal menigeen het voorzichtig gesponnen garen eer afsnijden, dan het zekerlijk vrij dunne haar, waaraan ons het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. Zooveel weet ik evenwel, dat wij, blijven wij hier, onder goede vrienden leven en sterven, waarop het mijns bedunkens meer aankomt, dan of wij eenige meerdere waarschijnlijkheid voor de apotheek en eenige mindere voor de zandhoop konden aantoonen. Maar gij, Rasinski, bekommer u deswege niet; gij hebt meer voor ons gedaan, dan wij u ooit kunnen vergelden. De dankbaarste mensch toch blijft een ondankbare ezel, ik vooral.—Geeft mij de handen, vrienden, wij willen blijde zijn, wanneer de zon ons morgen nog beschijnt en het woud eenige bleekgroene bladeren onder de gele en roode toont, die de wind als een eeuwigdurenden regen van herfstbloesems afschudt. Mij dunkt, de wereld is nog recht aardig, en die haar nog een poosje bezien mag, kan van geluk spreken, in vergelijking met de zes duizend, die daar boven met verbrande kneukels in de asch en het puin van Malo-Jaroslawez liggen.”

Daarmede schudde de wakkere, krachtige vriend Rasinski en Lodewijk de hand, en stak ze dan ook Jaromir en Boleslaw toe. Zijn stoute, vroolijke aard, waarmede hij de hardste slagen des noodlots bespotte, gaf dikwijls aan al zijne vrienden een gevoel van de krachtige zelfstandigheid, welke zich onder geen juk des levens kromt.

Een ordonnans trad binnen; hij bracht het bevel om op te breken, dat Rasinski verwachtte. „Om drie uur!” zeide deze. „Stil dus en in het diepste en holste van den nacht!” Twee malen ging hij met over elkander geslagen armen en ter aarde gerichten blik in het nauwe vertrek op en neder.

„Laat thans opzadelen! Het zal spoedig tijd zijn.”

Jaromir en Boleslaw gingen, om het noodige bij hunne lieden te bevelen. Lodewijk en Bernard hadden tenminste voor zich zelven schikkingen te maken. Zoo scheidden de vrienden. Doch nauwelijks was er een half uur verloopen, of zij bevonden zich weder bijeen, doch te paard en op den terugmarsch. Op Rasinski's voorhoofd lagen donkere wolken; hij sprak niet, doch zag meermalen zwijgend naar de streek om, waar de schouwplaats der laatste overwinning, welke het leger bevochten had, in den sluier van den nacht gehuld lag. Toen de weg om een eenzamen, steilen heuvel heenliep, reed hij dien alleen op. Toen hij boven op den, door winden omruischten top stil stond, richtte hij zijne blikken naar de woeste, door rook omringde stede des doods, die thans het uiterste doel van den ongehoorden krijgstocht was geworden. De rook der puinen vermengde zich met dien der nachtvuren, welke de achterhoede helder liet branden, die, onder de bevelen van den maarschalk Davoust, den vijand omtrent den terugtocht van het groote leger zoude misleiden. Aan de overzijde langs het woud kon men aan tallooze, in donkerrooden gloed schitterende vlammensterren de plaats van het russische leger onderkennen. Langzaam togen de zwarte dampwolken onder den, in het twijfelachtig schijnsel der ondergaande maan, flauw lichtenden hemel heen; zij schenen zich tot een zwaar onweder te verzamelen.

„Daar dan!” zeide Rasinski tot zich zelf, „daar zal de wandelaar in volgende eeuwen de plaats opzoeken, waar den onmetelijken geest, die de koningen der aarde stormend uit hunne oude rust opjoeg, de grenspaal zijner krachten werd geplaatst! Mag dan geen sterveling een groot werk ten einde brengen? Kan dan de geest des menschen niet eens deze kleine, armzalige aarde omvatten, welke hem ter woonplaats is aangewezen, zoolang hij in de boeien van zijn aardsch omhulsel smacht? Zijn wij dan zoo gering, dat dit punt, dit zonnestofje in het heelal eene onmetelijke ruimte voor onze krachten is? Cyrus viel aan de grenzen van het wilde noordsche rijk der Scythen, Cambyses moest terugkeeren aan de gloeiende poorten van Ethiopië, Alexander bij het fabelachtige rijk der Indianen.—En hier zal dan het nageslacht de grenssteenen _zijner_ daden oprichten? Hier! Wie houdt dit staande? Waarom niet reeds bij de piramiden? Wat daar geschiedde herhaalt zich hier. Is dan de cirkelloop der tijden reeds voleindigd? Dwaasheid, aan de grenzen van het ruim te blijven hangen! Alsof de wereld daarheen niet even wijd ware als hierheen!—En evenwel!”

Eene rilling doorvoer zijne leden. De wind suisde over de hoogten en ruischte door de toppen der oude pijnboomen, die hunne takken over Rasinski's hoofd uitstrekten. Zijn ros krabde met den hoef in de aarde en schudde zijne in den wind vliegende manen. Sombere voorgevoelens, welke de beelden der toekomst voor zijn geest schenen heen te voeren, verkregen meer en meer macht over hem.

„Evenwel,” zuchtte hij na eene minuut zwijgens, „evenwel, is het waar, de daad des menschen is door de enge beperkingen der ruimte onzichtbaar omgeven; hij ziet de onoverkomelijke grenspalen eerst, wanneer hij ze bereikt heeft, en geene hand verzet ze, geen tijd doet ze verdwijnen.—Voorzegt hem zijn voorgevoelend hart niet, wanneer hij ze nadert?—Is hier dan de plaats, waar de stroom van groote daden zich in de zee der onmetelijkheid uitstorten en voor eeuwig spoorloos verdwijnen moet? Of keert hij slechts zijn loop, om zich trotsch door nieuwe velden uit te gieten en de nieuwe rotsdammen, die hem tegenstand willen bieden, te doorbreken? Wie zegt ons, waar onze voet de geheime teekens van het noodlot aanraakt, die als een bannende tooverkring om ons getrokken zijn? Openen zich thans de poorten van een nieuw olympisch kamp- en overwinningsveld, of staan wij voor de ijzeren gegrendelde deuren, waarmede de Almachtige in den raad des noodlots onherroepelijk besloot, onzen loop te stuiten? Is hier de plaats, waar de eindige kracht zich aan den metalen dam der eeuwige moest verpletteren?”

„Ja, ja, zoo is het. Eene geestenstem roept het mij toe uit dezen duisteren hemel, uit het ijzingwekkend suizen van den herfstwind.”

„Hier alzoo! Waarlijk hier! Thans grijpt de ijzeren arm van het noodlot in de vleugelen des geweldigen en verlamt en verbreekt ze! En was hij dan niet vernietigd? Neen, nimmer. Eeuwig zal zijn reuzenmonument vaststaan in de voortrollende baren des tijds. Hij zal den sluier van dit duister tegenwoordige oplichten. Weinige maanden of jaren—polsslagen der eeuwigheid—en het boek des noodlots ligt opgeslagen voor ons. De toekomende geslachten zullen het weten, of de klokslag van dit uur eene wisseling der wereldgebeurtenissen aankondigt. Welnu, het zij zoo! De sporen van zijn reuzentred op aarde kan geen eeuwigheid verdelgen. Zoo moge dan hier de grenssteen van zijn machtig volbrengen worden opgericht. De reusachtige altaren aan den Ganges, het slagveld bij Cannae, de rookende puinhoopen bij deze dennenbosschen—zij zijn hieroglyphen van dezelfde beteekenis, en na duizende jaren nog zal de wandelaar ze met huiverige vereering lezen!”

Deze gedachten golfden in Rasinski's heldenziel op en neder. Hij gevoelde met ontegensprekelijke zekerheid, dat een zwaar, verpletterend onheil naderde! Doch met dit klare bewustzijn van het gevaar keerde zijne geheele mannenkracht terug en richtte hij borst en hoofd moedig tegen de toekomst op. Nog één blik wierp hij over het duistere, in nacht verzonken landschap, waar de geschiedenis besloten had, de nieuwe zuilen van Hercules op te richten; daarop wendde hij zijn ros en keerde met bezadigden moed tot de zijnen terug.

HOOFDSTUK IV.

„De nachtwind was koud. En welk een dichte nevel ligt er weder op de aarde,” zeide Bernard en schudde zich rillend af. „Ik ben door en door koud, als een kikvorsch.” Met deze woorden sprong hij van zijn leger aan het bijna uitgegane vuur op en sloeg zijne armen over elkander, om zich te verwarmen. „Ik geloof, dat wij bevroren zouden zijn, wanneer hier weldra niets meer had gebrand dan die drie verkoolde blokken onder de asch!—Hé, Lodewijk; schud u wakker; hoort gij den trompetter niet!”

Lodewijk sloeg, daar zijn vriend hem aanvatte, de oogen wijd open en zag hem vreemd aan. „Nu kent gij mij niet?” vroeg Bernard hem. „Gij ziet er immers uit, alsof gij uit een andere wereld op deze waart neergevallen!”

„Bijna is het ook zoo,” hernam Lodewijk, die uit den diepen, vasten slaap, waarin hem zijne vermoeidheid niettegenstaande de koude gedompeld had, weder tot bewustheid begon te komen. „In mijne droomen zag ik andere gestalten, dan deze om mij heen.”

„Ik heb van bietebauwen, ratelslangen, krokodillen, kozakken, heksen en spoken gedroomd,” antwoordde Bernard. „Toen was ik blijde, dat de ruwe wind mij wakker blies! Satans, is dat een nacht geweest! De vochtige nevel dringt iemand tot in het merg zijner beenderen en maakt het waterig. Als wij maar eerst weder te paard zitten, zal het wel beter worden.”

Lodewijk had zich intusschen opgericht en zocht eveneens door sterke beweging zijne versteende ledematen te verwarmen. „Waar is Rasinski?” vroeg hij.

„Hij moet met de overigen reeds lang op zijn. Ik ontwaakte eerst door het geblaas der trompet en door de koude aan mijn linkerzijde, waar Jaromir gelegen had. Het ergert mij eigenlijk; maar zij zijn toch aan het soldatenleven veel beter gewoon dan wij en verdragen de moeielijkheden gemakkelijker. Wilt gij u wasschen? Hier is nog water in den kookketel; gij ziet er van den rook een weinigje zwart uit, mijn goede vriend. Ferm er in met uw gezicht; het is koud, maar verkwikt. Voor het overige behoeft gij, om versch water te hebben, slechts uw haren uit te drukken; zij hangen vol mistdroppels.”

De beide vrienden maakten hun bivaksmorgentoilet, zoo goed de omstandigheden het vergunden, en begaven zich daarop naar hunne paarden, waar de meesten hunner kameraden zich reeds bevonden en zich tot den marsch gereed maakten. Spoedig zaten zij op en de tocht ging voorwaarts.

Nauwelijks schemerde het, en toch waren zij eerst te middernacht ter rust gekomen; want de marschen werden, wijl men dagelijks het aanrukken van het russische leger vreesde, met haast en inspanning afgelegd.

Men reed, toen het dag werd en de nevel begon te vallen, langs eene helling van het dal naar beneden. Rasinski wees met zijn vinger naar eenige, nog half in mist, half in rook bedolven gevels. „Dat is Mosaisk,” zeide hij; „thans zijn wij weer op onzen ouden weg. Wanneer wij toch hierheen hadden moeten gaan, ware het beter geweest, dat wij dadelijk van Moskou af dezen weg gevolgd waren. Zoo hebben wij volle acht dagen verloren! Wij konden reeds bij Smolensko zijn.”

„Rijden wij door het nest?” vroeg Bernard.

„Neen,” hernam Rasinski; „wij nemen onzen weg hier links door de beek, want daar beneden verstopt zich weer alles. Het is een groot voordeel voor ons, dat wij zulke stipte bevelen niet behoeven te volgen als de anderen. Maar helaas, reeds begint ieder slechts voor zijn eigen voordeel te zorgen; het ware beter dat men strenger orde hield. Ik vrees nochtans, dat dit niet lang meer mogelijk zal zijn.—Ziet gij, hoe daar tegen ons over de artillerie reeds tegen de hoogten optrekt? De kanonnen blijven bijna steken in de diepe sporen en hebben toch reeds het dubbel getal paarden voorgespannen.”

„Ik geloof, dat wij vorst krijgen,” merkte Lodewijk aan; „de lucht wordt zoo helder.”

„Dat was zoo kwaad niet,” meende Bernard; „want in het taaie slijk marcheert het verduiveld slecht.”

„Verlang maar niet naar den winter; hij zal ons spoedig genoeg inhalen!” antwoordde Rasinski ernstig. „Thans gaat onze marsch bezwaarlijk, maar is toch vol te houden. In Rusland blijft de winter niet aan de grenzen van den herfst of de lente staan, maar hij heerscht spoedig in volle kracht; daarom waag het niet hem op te roepen.”

„Mij dunkt, hij komt zonder dat,” meende Bernard; „want de wind blaast ons uit het noordoosten in den nek, wat trouwens beter is dan gisteren, toen hij ons den natten stofregen in het gezicht joeg; maar ik ruik zoo iets van sneeuw in de lucht.”

Onder deze gesprekken waren zij, van den hoofdweg afgaande, bij de beek beneden in het dal gekomen en doorwaadden haar op eene ondiepe plaats. Aan de overzijde sloten zij achter de artillerie aan, die, de spits der colonne uitmakende, reeds een groot eind weegs vooruit was. Zij bereikten de bergvlakte, waarover de weg loopt.

„Duivels, hier blaast de wind scherper,” riep Bernard; „hij draait zich immer meer noordoost.”

Rasinski zag met zijn opmerkzamen veldheersblik over de vlakte heen. Zij bood bijna geen afwisseling aan, maar breidde zich in onmeetbare uitgestrektheid naar alle zijden uit; nauwelijks verhieven zich eenige heuvels in lichte kromming boven de zuivere kringlijn van den gezichteinder.

Niets brak het doode, troostelooze grauw van dit landschap af, dan de lange, zwarte strepen der dennenwouden, die zich aan den rand der vlakte onder blauwzwarte nevelwolken uitstrekten. Zelfs de lange rij van wagens en kanonnen en van de zich afbeulende paarden en artilleristen verlevendigde de eenzaamheid niet, maar maakte haar slechts te meer merkbaar door de tegenstelling.

De zon had een oogenblik geschenen; doch reeds betrok de hemel weder met sombere wolken.

„Heden schijnt de winter het toch nog niet te meenen, hoewel de wind scherp is en wij hierboven reeds sporen van den vorst zien,” zeide Lodewijk na eenigen tijd. „Het zuiver blauw des hemels is bijna weder geheel verdwenen.”

„Enfin! Dit is zeker, dat onze weg niet door het paradijs gaat,” hernam Bernard.

Men marcheerde eenige uren voort, bijna zonder te spreken; want deels brak de draad van het gesprek door het dagelijks bijna ongestoord bijeenzijn somwijlen af, deels boden de voorvallen van den dag zoowel als de omringende voorwerpen slechts stof tot bedroevende opmerkingen aan, welke ieder liever in stilte maakte. Eenige colonnes infanterie hadden van tijd tot tijd de cavalerie en artillerie ingehaald, daar deze wegens de afmatting der paarden slechts langzaam voorttrokken, terwijl het voetvolk, gedeeltelijk om zich te verwarmen, gedeeltelijk omdat de marsch in het algemeen verhaast moest worden, sneller dan gewoonlijk marcheerde. Men zag wonderlijke drachten onder deze menschen. Van de regelmaat eener uniform was niets meer te zien; ieder beschutte zich zoo goed hij kon tegen weer en wind. Aan velen zag men, dat zij de ongemakken van den marsch reeds met moeite begonnen te dragen.

Toen Rasinski zijne opmerkzame blikken over deze manschappen liet gaan en uit hunne houding gissingen trachtte te maken omtrent den toestand der zaken in het algemeen, bemerkte hij een ruiter onder hen. Het scheen een hoofdofficier te zijn. Beide herkenden elkander tegelijk; het was Regnard.

„Aha, Rasinski, zijt gij het?” zeide hij, terwijl hij naar hem toereed en hem de hand reikte. „Hoe gaat het ulieden?”

„Vrij goed!” hernam deze, die het zich tot een stelregel had gemaakt, altijd goeden moed te toonen, wanneer zijne manschappen hem konden hooren of zien.

„Gij zijt met weinig tevreden; ik heb het van mijn leven al beter gehad. Mijn oog is ontstoken; sinds den brand van Moskou werd ik daarmede gemarteld, en deze vochtige herfstnachten hier hebben het kwaad nog maar erger gemaakt.”

„Gevaar zal er niet bij zijn; zulke dingen gaan gewoonlijk tegelijk met de aanleiding weer over.”

„Soms ja, evenals de honger, maar duurt de aanleiding een poosje te lang, dan komt de genezing te laat. Het kon gemakkelijk gebeuren, dat het mij ook zoo ging.—Doch,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „ik geef er geen weerga om; men ziet hier met één oog toch al te veel.”

„Hoezoo?”

„Zijt gij niet door Mosaisk gekomen?”

„Neen, ik heb met mijne manschappen een zijweg ingeslagen.”

„Gij hebt niets verloren! Het gansche nest is een hospitaal. Drie duizend gekwetsten liggen er in en zullen er wel blijven liggen. Ik ril er nog van, als ik er om denk. Zeven weken rekken zij nu hun leven onder jammer en ellende. Zij zijn half verhongerd, half bevroren, want de meesten liggen op verrot stroo, dikwijls zonder dekens. Nauwelijks heeft men hun een ouden mantel gelaten. Hunne wonden zijn met werk dicht gestopt, meestal ontstoken en vreten in hunne beenderen in.”

„Spreek zachter,” zeide Rasinski; „zulke schilderingen ontmoedigen de manschappen.”

„Wat hebben zij schilderingen van noode? Zij hebben de ellende zelve gezien! Toen wij doormarcheerden strekten zij, die zich nog roeren konden, ons de armen smeekend uit de vensters toe en riepen: „Neemt ons mede, laat ons hier niet omkomen;” want het gerucht, dat wij terugtrokken, had zich als een loopend vuur onder hen verbreid. Tot hiertoe hielden zij zich met de hoop in hun jammer staande; thans komt nog de vertwijfeling bij de ellende. Zij huilden en weeklaagden luid; sommige vervloekten hemel en aarde! Een dragonder—ik herkende hem aan zijn mantel—wien beide de voeten afgezet waren, had zich met de slecht verbonden stompen tot aan den drempel der hut, waar hij lag, gesleept, en het bleeke beeld des jammers kermde mij met uitgestrekte handen te gemoet. Nu kwam de keizer voorbij; de rampzalige riep: „Sire, ik heb in Egypte gediend, laat mij hier niet versmachten! Naar Frankrijk, naar Frankrijk—mijn arme oude vader.” Daar begaf hem de spraak; de keizer beval, hem op zijn eigen wagen te leggen en zorg voor hem te dragen. Ik zelf tastte meê toe, om hem op te beuren, doch nog voor dat wij er hem konden optillen, had hij den laatsten adem uitgeblazen.”

„Wèl hem!”

„Dat is waar! Doch verbeeld u nu de ellende en den angst der achterblijvenden, wanneer een stervende deze toekomst zoo afgrijselijk voor zich ziet, dat de hoop om haar te ontvluchten hem nog in zijne laatste oogenblikken zulke krachten leent.”

„En _moeten_ zij dan achterblijven?” vroeg Rasinski met eene inwendige rilling.

„Kunt gij ze wegbrengen, en kunnen zij den marsch uithouden? De keizer heeft bevolen dat iedere bagage- of amunitiewagen een man zal opnemen; hen, die nog te redden zijn, wil men trachten te redden. De anderen blijven der grootmoedigheid des vijands aanbevolen.”

„Grootmoedigheid!” riep Rasinski bitter uit.

„Zij mogen van geluk spreken,” voer Regnard voort, terwijl hij den doek over het ontstoken oog terecht trok, „wanneer zij maar spoedig den vijand in handen vallen. Blijft hij lang uit, zoo verhongert en versmacht wat terugblijft op de ellendigste wijze; want het zijn immers louter menschen, die zich van hun leger niet verroeren kunnen. Maar, wat is dat weer een mist!”

Inderdaad hadden de dampen zich weder vochtig en koud rondom op de vlakten gelegerd, zoodat men nauwelijks honderd passen voor zich uit kon zien. Met ieder oogenblik scheen het, dat zij dichter werden; spoedig was het gezicht tot de naaste voorwerpen beperkt.

„Zulk een mist heb ik, geloof ik, nog nooit beleefd,” zeide Bernard; „zelfs in Schotland niet; men ziet immers het tweede kanon niet duidelijk meer. Hoog kan hij echter niet zijn, want de zon boven ons laat zich toch nog als eene helderroode maan zien.”

Eene koude windvlaag streek door de in kringen langzaam wentelende nevelgestalten en joeg ze in grauwe, langgerekte strepen over het veld.

„De wind is ook weer gedraaid; hij is noordwest geworden,” zeide Lodewijk, die de richting van den mist aandachtig met het oog volgde. De ruiters wikkelden zich dichter in hunne mantels en reden stom nevens elkander voort. Vooraan Rasinski met Regnard, vlak achter hen Jaromir, Boleslaw, Lodewijk en Bernard. Het was een wonderlijk, schrikbarend gezicht; rondom eene diepe stilte; slechts het stommelend ratelen der kanonnen was uit de verte te hooren, daar de mist het geluid dempte en de ruiters omtrent honderd treden ter zijde van den weg reden, om de paarden niet zoo diep in het uitgereden, moerassig spoor te doen wegzinken. Eenige kleine oneffenheden van den weg hadden toevallig Lodewijk omtrent twintig of dertig schreden rechts van de vrienden afgeleid. Plotseling struikelde zijn paard; hij rukte het aan den teugel op en boog zich voorover, om het voorwerp, waarover het gevallen was en dat hij, onnadenkend voortrijdende, eerst niet gezien had, op te nemen. Het was een half vergaan, half gekleed lichaam; het aangezicht, door verrotting en door de vogelen des hemels tot een walgelijk mengsel van bloed en etter gemaakt, staarde hem akelig aan. Een onwillekeurige schreeuw ontvoer hem door den schrik; zijn afgrijzen vermeerderde, toen hij om zich heen zag en in den naasten omtrek nog meerdere lijken, reeds half geraamten, in de diepe voren van den akker zag liggen. „Wat is er?” riep Bernard, toen hij den gil hoorde.

„Zie slechts eens rond!” riep Lodewijk rillend. Allen waren in het eentonige grauw van den mist voortgereden, zonder op weg of plaats acht te slaan. Eene sterke windvlaag joeg in dit oogenblik de dampen een weinig uiteen en vergunde eenige honderden schreden in het rond te zien.

„Wij zijn op het slagveld,” riep Rasinski, en eene zonderlinge mengeling van afgrijzen, eerbied en grootsche herinneringen greep hem aan.

„Waarachtig! Ik had niet gedacht, dat wij er reeds zoo nabij waren,” sprak Regnard en zag om zich heen.