1812: Historische roman

Part 57

Chapter 573,662 wordsPublic domain

„Gij moet den moed niet verliezen,” zeide hij: „wij kunnen den volgenden winter te Petersburg inhalen, wat wij in Moskou verzuimd hebben. Gelukkige reis!” Met deze woorden galoppeerde hij vooruit, zonder Jaromir te bemerken. Doch de jonge dame wendde zich thans links. Almachtige hemel! Het was Alisette! Zij ontstelde, verbleekte en sloeg haar blik neer. In Jaromirs ziel bruiste en kookte het geweldig. Toorn en afschuw wisselden als ijs en vuur op hetzelfde oogenblik in zijn boezem af; doch hij bedwong zich met geweld; slechts een verachtelijken, vernietigenden blik wierp hij haar toe, daar zij heimelijk het oog naar hem opsloeg, en keerde toen zijn paard af. Alisette trok den sluier over haar gelaat en trachtte den gloed van toorn en van schaamte, die hare wangen kleurde, onder zijne plooien te verbergen. Nog had niemand anders haar herkend; thans wilde zij ook van niemand meer herkend zijn. Zij nam daarom haar zusters dochtertje, dat zij bij zich had, op haar schoot en hield zich daarmede bezig, tot Rasinski en zijne manschappen den nu weder langzaam rijdenden wagen opnieuw een eind weegs waren vooruitgekomen. Daar zich spoedig daarna een gelijke grond naast den weg opdeed, waarop men sneller voort konde komen, brak Rasinski wederom naar rechts uit en zocht de voorhoede der colonne te bereiken, daar het zijn voorname doel was, de regelmatige troepen weder in te halen en zich bij zijn korps aan te sluiten, achter hetwelk hij sinds gisteren avond door den te grooten marsch was teruggebleven.

HOOFDSTUK III.

Zeven dagen waren er verloopen sinds de keizer Moskou verlaten had. Het leger stond bij Malo-Jaroslawez, dat den dag te voren stormenderhand was veroverd geworden. Men zag verlangend het bevel om voort te rukken te gemoet en hoopte, zich nog vóór Kaluga met de gansche macht van Kutusow te zullen meten. In eene kleine ellendige hut, welke Rasinski tot zijne woning had gekozen, wachtten Lodewijk, Bernard, Jaromir en Boleslaw op zijne terugkomst uit het hoofdkwartier, waarheen hij nog laat op den avond was uitgereden.

Jaromirs droefgeestigheid en hare oorzaak waren voor de vrienden thans geen raadsel meer, evenmin als de aanwezigheid van Alisette bij het leger. Dikwijls hadden zij getracht, hem te troosten en gerust te stellen, doch te vergeefs. Diep in zijn boezem was de reine bron des levens vergiftigd; de kwaal knaagde aan zijn hart en dreigde den jongeling te doen wegkwijnen. Boleslaw gevoelde in zijne reine, edele ziel de smarten van Jaromir bijna zoo diep als deze zelf. Aan den mannelijken strijd der zelfbeheersching gewoon, had hij de laatste beslissende overwinning op zich zelf behaald, en daardoor was hem, te midden van zijne droefheid en zijne ernstige bekommering, een vroolijke kracht in de ziel gedrongen, die steeds het loon is eener zedelijke overwinning. Het was zijn waarachtig streven, Jaromir weder met zijne geliefde te vereenigen, den verbroken band weder aan te knoopen. Zorgvuldig verborg hij, welke vlam voor Lodoiska in zijn hart gloeide; met belangelooze vriendschap zocht hij de verdorde kiemen van hoop in den boezem zijns vriends opnieuw te doen herleven, de afgevallen bloesems zijns geluks met den zachten dauw van troost en opbeuring te verfrisschen. Ook Lodewijk en Bernard namen met liefde deel in Jaromirs toestand en hadden hem zijne schuld in hun liefderijk hart lang vergeven; doch beiden waren nog door wat zij in Moskou beleefd hadden zoowel als door de beschouwing van hun eigen, zonderling ingewikkeld noodlot te zeer geschokt, om zich geheel in den toestand huns vriends te kunnen verdiepen. Boleslaw daarentegen werd juist door den band der gelijke liefde machtig tot Jaromir aangetrokken; hij voelde denzelfden kommer als deze, en daarom verbonden zich de zielen van beiden te inniger aan elkander. Hij beminde edel, zonder eigenbelang, maar de vreemde smart in hare verschrikkelijke grootte het naast voor hem. Hij dacht aan de eenzaam verlatene, door Jaromirs zelfveroordeeling ganschelijk verpletterde Lodoiska. Daar hij haar met heiligen gloed in het verborgen beminde, scheen het hem plicht en roeping te zijn, haar geluk, wanneer hij het vermocht, weder op te bouwen; want hij was vast overtuigd, dat de liefde alles verzoenen kan, wanneer zij aan het berouw de hand van vergiffenis reikt. Daarom liet hij niet na, verzachtende woorden van troost in het hart zijns vriends uit te storten. Gelijk de gestadige waterdroppel de rots uitholt, zoo, hoopte hij, zou het hem eindelijk gelukken, de ijzeren onverbiddelijkheid van Jaromir tegen zijne schuld te overwinnen en de ijskorst, waarmede deze zelf zijne borst omschorst had, te doen wegsmelten.

Boleslaw trad met Jaromir naar buiten uit de hut, die op eene kleine hoogte lag. Men overzag bij het zwakke licht van de reeds ondergaande maan een uitgestrekt, vlak veld, met gelegerde soldaten en ontelbare wagens overdekt; de Louja met haar kronkelenden stroom omsloot deze vlakte. Daarachter verhieven zich steile, met dennenbosschen bezette hoogten. In die bosschen lag Kutusow in eene sterke, onaantastbare stelling. Vóór de hoogten lagen de rookende puinhoopen van Malo-Jaroslawez, gisteren het tooneel van een bloedig gevecht, dat echter slechts het voorspel van een grooteren slag scheen te zijn.

„O, dat wij aan dien strijd geen deel konden nemen!” zuchtte Jaromir. „Er liggen daar zekerlijk zoovelen, die de zon van heden nog gaarne weder begroet hadden.”

Boleslaw verstond zijn vriend.

„Is dat nu wel recht en billijk Jaromir?” sprak hij vriendelijk, maar ernstig. „Denkt gij niet meer aan hen, die met bittere tranen om u zouden weenen?”

„Hebt gij u nooit den roemvollen dood op het slagveld toegewenscht?” riep Jaromir heftig uit.

Boleslaw zweeg een oogenblik; hij voelde zich getroffen, want in zijn somberen, stillen kommer had hij dezen wensch zekerlijk dikwerf in zijne borst rondgedragen. Doch het was er een van de velen, die slechts uit de verte opstijgen en die een heilige schroom voor het onredelijke er van ons niet veroorlooft, in vollen ernst op te vatten.—„Ik heb hem dikwijls in mij bedwongen, en dat vorder ik ook van u.”

„Ach, Boleslaw,” zuchtte Jaromir, „gij kondt dit misschien lichter dan ik.”

Deze woorden drongen diep in Boleslaws ziel; een namelooze pijn griefde zijn boezem. Hij kon niet antwoorden zonder zich zelf te verraden.—„En wanneer gij ook gelijk hadt, Jaromir, verandert dit toch niets voor u. Wees een man, leef en handel. Niet het berouw, de daad verzoent.”

„Beiden,” antwoordde Jaromir somber.

„Wanneer thans Lodoiska voor u trad en zachtmoedig, gelijk zij is, zeide: Ik heb u vergeven; want de liefde vergeeft duizend en duizendmaal—maar kom weder aan mijn hart, vertreed niet alle bloesems van mijn geluk!”

Jaromir zag hem strak aan; eene beving greep hem aan; plotseling riep hij in wilde droefheid en hoon tegelijk: „Zon, schijn zacht als de maan,—stroom, neem uw loop het gebergte op,—pijl, keer in uwe vaart terug,—minuut, kom weder uit de oneindige ruimte van het verleden! O, Boleslaw, gevoelt gij dan niet, dat gij het onmogelijke denkt? _Heb_ ik dan de bloesem van haar geluk niet vertreden? Is de daad dan niet _geschied_? Ik klaagde de reine, schuldelooze heilige van eene misdaad aan, die ik in hetzelfde oogenblik zelf beging! Mijne trouweloosheid mag zij mij vergeven, maar nooit mag zij vergeten, dat ik het geloof aan haar verloor—nooit mag ik vergiffenis aannemen.”

„O, gij moogt beide, geloof mij—mij!”

„Gij hebt nooit bemind, Boleslaw,” riep Jaromir uit. „Gij weet niet, hoe zwaar de misdaad is, tegen de geliefde gepleegd.”

„Jaromir, ik weet, hoe onuitputtelijk de vergevende kracht van een minnend hart is.”

„Liefde kan zich niet met verachting paren.” Hij stiet deze woorden wild uit, staarde naar den grond en maakte met zijne rechterhand eene afwendende beweging, als wilde hij zeggen: Verzoeker, wijk van mij!

„Lodoiska heeft u geen oogenblik veracht; zij heeft slechts bittere tranen om u geweend,” antwoordde Boleslaw ernstig, „en in plaats van hare tranen te drogen, verscheurt gij nu koelbloedig hare borst.”

„Ik trok den pijl slechts ras uit de wonde en bespaarde haar het langer lijden. Heb ik haar doodelijk gewond, dan zal zij spoedig bezwijken en—haar bloed komt dan over mij! Was genezing mogelijk, dan was zij het slechts op die wijze. Met den pijl in den boezem ademt gij nog eenige pijnlijke uren, maar leven kunt gij toch niet lang meer. Beslissing is beter.”

„De droefheid benevelt uw blik. Vertrouw het oog van uw vriend.”

„Boleslaw, ik moet het u herhalen: hier beslist slechts een minnend hart.”

„En wie zegt u,” riep thans de vriend, door zijn gevoel medegesleept, „wie zegt u, dat ik..... nooit bemind heb?” voegde hij er met eene gesmoorde stem bij.

„Alzoo ook gij? En zonder geluk, zonder den schoonen tak van den bloeienden boom te plukken?” hernam Jaromir en legde hem zachtkens de hand op den schouder. „Laat ons dan lotgenooten in het ongeluk zijn!—Waarom hebt gij Lodoiska niet bemind! Met u ware zij gelukkig geweest, gij zijt veel beter dan ik,—ja, gij zijt goed, gij zoudt de heilige nooit gelasterd hebben.”

De opwellende smart dreigde Boleslaws boezem te verscheuren, en toch kon hij zijn hart niet uitstorten voor den vriend, zonder het geheim zijner liefde voor Lodoiska te openbaren. Beiden hielden elkaar innig omarmd.

„Maar toch hebt gij gelijk, geliefde broeder,” brak Jaromir eindelijk de stilte af: „de wensch naar den dood is misdadig, want hij is de wensch eener lafhartige ziel. Een zware schuld rust op mij, maar ik wil die door een werkzaam leven goed maken. Het vaderland wil ik vergelden, wat ik tegen zijne reinste, schoonste dochter misdeed. Sta gij mij bij; richt mij op door uwe edele kracht, wanneer ik in mijne zwakheid vertwijfel en neerzink; wees mijn voorbeeld, mijn leidsman! Gij zijt het immers reeds sinds lange jaren geweest, want u streefde ik steeds na. Hoe benijdde ik u dat kruis op uwe borst, hoe beijverde ik mij, het gelijk gij te verdienen! En zoo moet het weder worden. Gij zult mij niet meer krachteloos in tragen kommer verzonken zien. De jeugdige levenslust kleurt mijne wangen wel niet meer, want hare vleugels zijn gebroken; ik toon u geen helder voorhoofd meer; doch ik wil dat ook niet. Weg daarmede! Litteekenen en groeven van ernstige mannelijkheid zullen het versieren, mijne wangen zullen bruin worden in den gloed der zon, in den ruwen stroom der lucht. Dat wil ik, Boleslaw! Daartoe voel ik eene nieuwe kracht door mijne aderen stroomen—maar wat gij vordert, wat gij hoopt—daarvan nooit iets meer!”

De galop en het brieschen van een paard braken de stilte van den nacht af. Het was Rasinski, die den heuvel oprende. Jaromir en Boleslaw traden hem te gemoet; hij begroette hen, sprong van het paard en gaf het dier haastig over. „Voer het af,” riep hij den stalknecht toe; „wij zullen spoedig opbreken.”

„Gaat het voorwaarts?” vroeg Jaromir, toen zij in de hut waren getreden, met een gevoel van vreugde; want hij geloofde er een gunstig teeken van het toeval in te zien wanneer de gelegenheid zich spoedig aanbood, om zijn ras genomen besluit door de daad te bekrachtigen.

„Voorwaarts! Dat woord zullen wij voor dezen veldtocht moeten verleeren,” hernam Rasinski somber. „Iets ontbrak den keizer nog aan zijn roem van een groot veldheer te zijn. Hij kon nog geen beroemden terugtocht aanwijzen; van heden af zal hij ook daarvan kunnen spreken.”

De diepe rimpels op zijn voorhoofd, de donkere blik, waarmede Rasinski deze woorden sprak, wekten een bang voorgevoel op in de harten van die hem omringden.

„Terug moeten wij? Naar Moskou, of waarheen?” vroeg Boleslaw verwonderd.

„Naar Moskou? Om op de puinhoopen van het Kremlin onze vanen te planten?” hernam Rasinski. „Hebt gij den doffen slag, de bevende schudding van den grond van eergisteren reeds vergeten? Het was Mortier, die het oude kasteel der czaren in de lucht deed vliegen. Gisteren middag ontving de keizer het bericht, dat de kozakken nu reeds weder onder de puinen van Moskou rondzwerven en de nalezing van den buit houden. Mortier is naar Werreja opgebroken, hij heeft den generaal Winzingerode gevangen genomen. Ziedaar de nieuwste berichten van ginds; de nieuwste van hier zijn, dat wij binnen een uur insgelijks opbreken, om naar Smolensko te trekken.”

„Onmogelijk!” riep Jaromir uit.

„De krijgsraad heeft tot middernacht geduurd, de terugtocht is besloten. Het is onstuimig toegegaan. De koning van Napels wilde Kutusow aantasten; Bessières, die zijne positie had opgenomen, verklaarde ze voor onneembaar. De keizer zeide: Wij hebben genoeg voor den roem gedaan, het is tijd, ook iets voor onze zekerheid te doen. Davoust verlangde, dat wij ons ten minste op Platof en zijne kozakken zouden werpen en ons den weg naar Medyn banen. De keizer verklaarde zich voor den terugtocht over Mosaisk. Wij zullen alzoo denzelfden treurigen weg teruggaan, dien wij voor twee maanden reeds langs getrokken zijn.”

„De keizer op den terugtocht!” riep Jaromir en zag Rasinski vol verwondering aan, als kon hij het nog niet gelooven.

„En zoo is dan de bloedige zege van gisteren eene vergeefsche geweest?” vroeg Boleslaw en schudde bedenkelijk het hoofd.

„Zij zal ten minste een eeuwig gedenkwaardigen grenspaal voor de daden des keizers hebben opgericht,” hernam Rasinski. „Ik heb het slagveld gezien. Het levert eene verschrikkelijke vertooning op. Bloedenden, verminkten kruipen nu nog van onder de brandende puinhoopen te voorschijn. In Rusland bestaat er geene overwinning, waarvoor de menschheid niet terugbeeft. Hier is de vlam steeds de woedende strijdgenoot van het zwaard. Zoo voerde ook de Scyth, die voor duizende jaren deze steppen doorkruiste, den oorlog.—Doch welke daden zijn hier weder geschied! De moedige Delzons tast aan de spits zijner soldaten de Russen aan, een kogel werpt hem neder. De soldaat, die zijn aanvoerder ziet vallen, stokt, geraakt in verwarring, vlucht; de Russen dringen voort. Delzons' broeder werpt zich alleen in de dampwolken der vijandelijke vuurmonden, om ten minste het lijk te redden. Hij omvat het met zijne armen, neemt het op; daar treft ook hem het doodend lood, hij zinkt met zijn dierbaren last ter aarde, en de laatste slag van zijn hart klopt tegen de koude borst zijns broeders.—De italiaansche rekruten hebben voor de eerste maal gestreden als jonge leeuwen, die hun eersten roof najagen. Geen volk is dapper; _allen_ zijn het, wanneer dapperen hen aanvoeren.”

„En de koenste voert ons thans op den terugweg!” riep Jaromir met onwil uit.

„Wie weet,” hernam Rasinski ernstig, „of niet juist hiertoe de dapperste ook noodig is. Tot roem, ter overwinning lieten zich de volken gemakkelijk van den Ebro tot de Moskowa leiden, zonder dat het vuur van hun moed verflauwde. Maar zal de gloed niet verdooven, wanneer alleen de roem van den heldhaftig lijdenden martelaar te verwerven is? Zal hij voedsel genoeg hebben voor de onmetelijke tijds- en afstandslengte? Zal hij blijven leven onder de wintersneeuw, die spoedig deze vlakten zal bedekken, op de ijsvelden, die ons tot leger zullen verstrekken? Thans roep ik u op, u, die mannen zijt en met bewustzijn handelt, thans roep ik u op, om met trotsch opgeheven hoofd en moedig voorhoofd uwe kameraden voor te gaan; want hoe zwaar ook het werk was, dat wij volbracht hebben, het zwaarste begint eerst van dezen dag.”

Hij sprak met hoogen ernst; men hoorde het aan ieder woord, dat zijne vrees haar grond had in zijne innigste overtuiging. Met bezorgdheid richtten zich dus hunne blikken op de toekomst.—Lodewijk wierp de zijne nog verder voorwaarts dan Rasinski, want hij vroeg zich zelf af: En wat zal van u en Bernard worden? Wanneer wij al den vaderlijken grond weder betreden, wat zal dan ons lot zijn?

Rasinski had hem dadelijk na den slag bij Mosaisk gezegd, dat nu het gunstige oogenblik daar was, waarop hij iets zekers in zijne en Bernards belangen hoopte te kunnen doen. Na eene overwinning was de keizer het meest tot zachtheid geneigd; het regiment had zijne erkentelijkheid verworven, en men mocht derhalve, zonder iets op het spel te zetten, van het verwonderlijke toeval gewag maken, dat Lodewijk en Bernard in de rijen der dappere Polen had gebracht. Ondertusschen had Rasinski sedert niet weder over dit onderwerp gesproken, ja, gelijk het scheen, iedere herinnering daaraan vermeden. Lodewijk, die van hem kon vertrouwen, dat hij uit eigen beweging alles zou doen, wat men van zulk een vriend mocht verwachten, had hem daarom aan deze zaak niet willen herinneren. Thans evenwel geloofde hij, daarvan te mogen spreken, zonder Rasinski te beleedigen. Hij vroeg hem derhalve rechtuit, of hij dan eindelijk eens hoop had van onder zijn waren naam te kunnen optreden, te meer, daar hij dien toch, bij een mogelijken terugmarsch naar Duitschland, niet meer zou kunnen verbergen. Rasinski zag zijn vriend weemoedig en ernstig aan.

„Ik weet, wat gij denkt, Lodewijk,” zeide hij. „Gij gelooft, dat ik u en Bernard vergeten heb, maar waarlijk, dit is zoo niet. Ik kan u thans den geheelen stand van zaken blootleggen; doch hoort mij rustig aan, laat mij geheel uitspreken, en oordeelt dan beiden, of ik voor u gehandeld heb, zooals ik kon en moest. Vóór de overwinning op Kutusow was de keizer zoo moeilijk te naderen en hield hij zich zoo geheel met ernstige plannen bezig, dat ik niet waagde hem aan te spreken. Ik moest bedenken, hoeveel op het spel stond, hoezeer ik u en mij in gevaar bracht, wanneer ik den stand der zaken openbaarde. Ik had immers geen genade, maar het onderdrukken eener aanklacht tegen twee beschuldigden, welke men nog niet had kunnen opsporen, te verzoeken. Na den slag bij Borodino, gij weet het immers zelf, waren wij dag en nacht te paard, zoodat zich geen enkele gelegenheid opdeed. Ook hadden de onmetelijke offers, welke de overwinning had gekost, en hare geringe gevolgen den keizer alles behalve gunstig gestemd. In Moskou hoopte ik alles ten einde te brengen—daar kwam de brand, die ons niet alleen verdreef, maar ook de mogelijkheid om den keizer met zulke zaken te naderen, nog oneindig moeilijker maakte. Bovendien stonden wij op de voorposten; het was slechts zelden mogelijk naar Moskou te komen. Evenwel liet ik niets onbeproefd, om iets voor u te doen; doch ik moest voorzichtig te werk gaan. Alle berichten toch, welke ik inwon, waren ongunstig. Men had den keizer omtrent u, Lodewijk, hoogst nadeelige en verkeerde berichten geleverd, ja, het vermoeden, dat gij in het leger waart, was geuit geworden en het lasterlijke bijvoegsel er bij verdicht, dat gij hier uwe rol als spion der russische regeering voortzettet. Ik verzweeg dit voor u, om u noodeloozen kommer te besparen, want ik kan u de verzekering geven, dat men tot heden van uw plaats in het leger onkundig is. En daarvan kunt gij overtuigd zijn, dat, komt het gevreesde ongeluk der ontdekking, ik met mijne eer als aanvoerder voor u beiden borg zal staan, en ik hoop, dat het mij gelukken zal, u daardoor te beschermen. Maar laten wij nu nog in de gerustheid blijven, welke de verborgenheid ons verschaft. De tijd om voor u te spreken, is zoo ongunstig mogelijk; want door den half raadselachtigen, half verklaarden brand van Moskou is het mistrouwen tegen vreemden nog slechts aangegroeid, en wij mogen niet vergeten, dat in het paleis, waar ik mijn kwartier had opgeslagen, de brand het eerst uitbrak. Ook deze omstandigheid zou u ongunstig zijn. Bij dit alles komt, dat de keizer, zooals ik uit goede bronnen weet, brieven op brieven uit Duitschland ontvangt, die hem de oprechtheid zijner duitsche bondgenooten steeds twijfelachtiger maken. Maarschalk Macdonald meldt, dat de pruisische korpsen wel dapper in het gevecht zijn, maar met onwil tegen de Russen strijden, ofschoon het tegendeel in zijne rapporten staat. Met de werkloosheid des legers onder den vorst Von Schwarzenberg is de keizer insgelijks niet tevreden; het bewijst hem ten minste, dat Oostenrijk, niettegenstaande de banden van verwantschap, die het thans aan Frankrijk binden, geen oprecht bondgenoot is. De agenten uit het binnenste van Duitschland schrijven van geheime vereenigingen van duitsche patriotten tegen Frankrijk en alle fransche regeeringen, van hier en daar openbaar geworden onvoorzichtige uitlatingen omtrent eene gemeenschap, tot in het leger der vijanden zelfs onderhouden. Oordeel zelf, zijn zulke berichten geschikt, om iemand van uwe onschuld te overtuigen?—En nu nog iets. Wanneer de keizer de aanklacht tegen u onderdrukte en daardoor uwe betrekking tot het leger ophield, wat zoudt gijlieden dan doen? Sinds heden, daar tot den terugtocht besloten is, bleef u niets over, dan in het lot des legers te deelen; en waar zoudt gij zulks beter kunnen dan bij mij, daar ik steeds uwe bijzondere belangen voor oogen houd en niet eenmaal een dienstplicht van u vorderen zou, wanneer gij dien niet zelven vrijwillig op u naamt, of als de uitzonderingen zich altijd zoo lieten maken, dat zij niet al te zeer de aandacht tot zich moesten trekken?—Want alleen, op uwe eigene gelegenheid, de schrikkelijk lange terugreis te ondernemen, dat zou thans niet geraden zijn. Gij weet, hoe het land gezind is, aan welke gevaren een enkel persoon zich blootstelt. Gij hebt nog niet kunnen vergeten, hoevelen, die, afgezonderd overvallen, in de handen der fanatieke Mugiks vielen, onder de schrikkelijkste folteringen zijn opgeofferd. En het gevaar zelfs daargelaten, waar zult gij middelen vinden, om op zulk eene reis te bestaan? Het vereenigde geweld van zoovelen vermag zich de noodwendigste behoeften aan te schaffen; doch de enkele kan niets. Hoe zult gij op den verwoesten weg, langs welken wij hier gekomen zijn, waar wij in plaats van dorpen en steden slechts de puinhoopen zullen vinden, die hunne voormalige ligging aanwijzen,—hoe zult gij daar huisvesting, levensmiddelen, paarden vinden, wanneer de uwe, door moeite en slecht voedsel uitgeput, niet meer te gebruiken zullen zijn of sterven? Ik heb noch den lust, noch den moed verloren, om u met vollen vriendschapsplicht te dienen, maar zeg zelf, weet gij thans een zekere uitkomst? Mijne eigene verantwoordelijkheid zou ik het minst ontzien. Geef mij een goeden, uitvoerbaren raad, ik zal hem volgen; gij zelven; Boleslaw en Jaromir, moet beslissen, wat er gedaan moet worden.”

De vrienden zagen elkander aan; zij zochten te vergeefs naar eene wederlegging van Rasinski's gronden, en toch werd Lodewijks ziel diep bedroefd door het besef dezer dreigende toekomst, waarin hij zijne vrienden en zijne hulpelooze zuster gewikkeld zag.