1812: Historische roman

Part 56

Chapter 563,838 wordsPublic domain

Rasinski kon evenwel met zijne manschappen nog niet in het gelid inrukken, maar moest op een gunstiger oogenblik wachten, om door dezen wagenbrug heen te breken. Dit was hem lief, daar hij Jaromir nog verwachtte, dien Lodewijk uit het hospitaal, waarin hij als zieke gelegen had, afhaalde, daar het bevel tot oprukken zoo onverhoeds gekomen was, dat men Jaromir daarvan niet verwittigen kon, maar Boleslaw voor zijne bagage en paarden had moeten zorgen. Zij werden hem door zijn stalknecht voorgebracht, en hij had niets verder te doen dan op te stijgen. Daarom was Lodewijk door Rasinski mede tot hem gezonden, om hem met ernstige woorden tot het besluit te brengen, den geheimvollen sluier, waarmede hij het gebeurde bedekte, ten minste voor een vriend op te lichten. Bij het waarlijk vaderlijk belang, dat Rasinski in Lodoiska zoowel als in Jaromir stelde, ging hem de zorg voor deze twee zoo ter harte, dat deze zelfs door de zoo plotseling ontstane oorlogsgebeurtenissen niet kon verdrongen worden.

Daar zag hij de aankomenden reeds van verre; zij reden snel op de wachtenden aan. Jaromir reed volgens het gewone dienstgebruik op Rasinski toe en meldde zich aan als hersteld, terwijl hij weder in de gelederen der strijders trad. Hij zag er nog bleek uit, ja hij scheen zich slechts met moeite recht en kloek in den zadel te houden; zijne stem had iets hols, het vuur zijner oogen was uitgebluscht.

Rasinski nam geene diensthouding aan, maar reikte hem met vaderlijke deelneming de hand, zeggende: „Wees ons welkom, Jaromir; wij zijn uwentwege bezorgd geweest; wees hartelijk gegroet.”

Bij deze, op den toon van innerlijke ontroering uitgesproken woorden verloor Jaromir de vaste houding, welke hij met geweld had trachten aan te nemen. Hij zag zijn welwillenden vriend wel ernstig aan, doch kon een traan, die in het matte oog opwelde, niet weerhouden. Bevend reikte hij hem de hand, doch waagde niet den hartelijken druk van Rasinski te beantwoorden. „Wees streng, wees hard tegen mij; ik ben geen goedheid meer waard,” zeide hij met eene gesmoorde stem.

Het geoefend oog van Rasinski zag tot in het diepst van des jongelings ziel; thans was hij er ten volle van verzekerd, dat niet een verwarrend schrikverschijnsel zijn brein benevelde. Het oogenblik was gunstig; hij zag hem aangedaan, thans kon hij zijn vertrouwen winnen. Doch hij moest zich haasten, eer het voornemen om hardnekkig te zwijgen weder de overhand in hem verkreeg.

„Boleslaw,” zeide hij daarom tegen dezen, „breng de manschappen daar de tweede straat door en zie naar de vlakte te komen. Dan houd u rechts van den weg. Hier kunnen wij nog een halven dag wachten, voor wij ons baan gemaakt hebben. Ik zelf zal met Jaromir achter de tuinen omrijden en vindt u dan op den heuvelrand voor de stad weder.” Hij wenkte Jaromir, rende met dezen de straat af en reed eerst weer langzamer, toen zij nabij de vlakte tusschen de tuinmuren geheel alleen waren.

„Heeft Lodewijk niets op u kunnen uitwerken, Jaromir?” aldus sprak hij hem ernstig, maar zacht aan. „Wilt gij geen uwer vrienden, ook mij niet, die u zoon kan noemen, uw vertrouwen schenken? Welke schuld bezwaart u? Is zij de inbeelding van door koorts ontstelde hersenen, of is zij werkelijk bestaande? Ofschoon _gij_ ook van het laatste overtuigd zijt, moet _ik_ toch het eerste gelooven; want heeft de man gestruikeld, dan bekent hij het vrij en openhartig.”

„Wil ik het u dan verbergen?” riep Jaromir uit. „Zou ik beter willen schijnen, dan ik ben? Neen, ik wil mij slechts de boete opleggen, mijn berouw en mijne schaamte alleen te dragen; ik wil niet, dat het uwer medelijdende goedheid op het laatst zou gelukken, mij te overreden, dat er vergiffenis voor mij mogelijk zoude zijn. O, misken mij niet, Rasinski! Zie geen lafheid in het besluit, om alleen en stom te boeten, wat ik zonder medeplichtige misdreef.”

Rasinski trok den brief aan Lodoiska uit zijne brieventasch. „Dan neem dezen brief terug; ik mag hem niet verzenden.”

„Hoe? Gij hebt het niet gedaan?” riep Jaromir verschrikt uit.

„Zend hem zelf!”

„Ach, Rasinski, gij _moet_ het doen; want zij zal geen brief meer openen, dien ik haar zend.”

„Hoe? waarom niet!”

„Wanneer gij mij beloven wilt, dezen brief, van uwe vaderlijke, vertroostende woorden begeleid, zoo spoedig mogelijk aan haar af te zenden, dan wil ik mijne lippen voor u openen. Maar geef mij daarop uwe rechterhand, dat gij mij niet weder aan het wankelen zult zoeken te brengen in mijn besluit.”

Rasinski beloofde het; Jaromir beleed nu, hoe hij door Françoise Alisette bedrogen, verstrikt, gevallen was. Een donker schaamrood kleurde zijne bleeke wangen bij het verhaal.

„Arme vriend!” zeide Rasinski, „gij werdt alzoo het offer eener sluwe boeleerster! Gij hebt misdaan, zwaar misdaan; maar niet onvergefelijk! Lodoiska zal u vergeven, gelijk ik het doe. _Ik_ zal haar schrijven.”

„Dat zult gij niet,” riep Jaromir heftig. „Gij hebt mij beloofd, naar mijn wil te handelen. _Mijn_ brief verzendt gij; doch _gij_ moet uwe hand daartoe leenen, anders wijst zij hem ongeopend terug.”

„Waaruit vermoedt gij dit?”

„Wijl hare beleedigde waarde niet anders mag. Ach! ik heb u nog niet alles gezegd. Na dien rampzaligen stond, toen ik in gelijke verblinding van smart en van geluk door de zwarte, nog niet door mij herkende furiën gegeeseld, rusteloos omdwaalde, ontving ik Lodoiska's laatsten brief. De reine glans der heilige straalt uit dien brief; doch mijn waanzin zag slechts het verblindend, verraderlijk schijnsel der hel. Ik antwoordde op staanden voet, noemde haar eene onwaardige huichelares, en verscheurde onze verbintenis. Met eigen hand deed ik den brief nog des avonds laat, nadat Lodewijk mij verlaten had, op de veldpost. Gelooft gij nu, dat Lodoiska na dezen brief er nog een van mij zoude openen?”

„Heeft zij u sedert geschreven?”

„Ik ontving geen enkel woord, doch ik verwachtte er ook geen.”

Rasinski had in dezen geheelen tijd mede geene brieven ontvangen; doch bij de onregelmatigheid van de veldpost verklaarde hij zich zulks daardoor, dat zij vermist of verloren gegaan konden zijn. Evenwel geloofde hij thans, dat Lodoiska, vooral door de edele groothartigheid der gravin zoodanig bewogen, eene aanklacht met stilzwijgende verachting zoude hebben afgewezen.

„Ik zal,” antwoordde hij na eenig nadenken, „uw brief verzenden, ik wil hem aan mijne zuster richten en haar schrijven, dat uw lot in de grootmoedigheid van Lodoiska berust.”

„Neen, dat zult gij niet, dat is tegen uwe belofte. Wanneer ik hare engelachtige goedheid inroep, dan wordt mijn berouw huichelarij en ik verlies het laatste, wat ik nog in mij zelf kan achten: het voornemen en de kracht om boete te doen. Zoo gij niet wilt, dat ik in rechtmatige verachting van mij zelf mijn nietswaardig leven eindige, vervul dan, wat gij beloofdet. Gij zelf moet zeggen, dat ons verbond onherroepelijk verbroken is; weigert gij mij dit, dan—doch neen, gij doet het niet! Ik zou dan een weg moeten gaan—ik ijs er aan te denken—doch ik zou moeten!”

Rasinski schudde ernstig het hoofd en zuchtte. „Nu, het zij zoo, ik wil doen, wat gij verlangt, gij zult den brief aan mijne zuster Johanna zelf lezen; doch gij zult het hart van Lodoiska breken!”

„Dat heb ik reeds lang gedaan!” riep Jaromir vol vertwijfeling en legde zijne rechterhand over zijne oogen en aan het gloeiend voorhoofd.

Zwijgend reden zij nu naast elkander voort. Thans bereikten zij de hoogten. Goede God! Welk een schouwspel! In drie breede stroomen golfde de onmetelijke rij van soldaten en wagens door het veld. Nimmer eindigend schenen zij uit de ruïnen van Moskou voort te stroomen; in den blauwen nevel van de gezichteinder verloren zich hunne uiterste spitsen. Daarenboven was het veld nog aan weerszijden met verstrooide ruiters en voetgangers bedekt, welke rondom den opééngepakten hoofdstroom zwierven.

Rasinski bleef op de hoogte staan. Niettegenstaande zijn omweg, was hij toch sneller vooruit gekomen dan de keizer zelf; want hij herkende aan de witte pluimen dezen en zijn gevolg nog ver onder aan den heuvel, midden in het gedrang der wagens. Ook Boleslaw zag hij in de verte; hij marcheerde reeds op het vrije veld, aan de rechterzijde van den weg, alwaar men, om den ongebaanden weg, de een achter den ander moest rijden.

„Waar moet dat heen!” zeide Rasinski, toen hij den trein overzag. „Hoe zal een leger met zulk eene bagage zich bewegen? Mijn beste troost is, dat de eerste aanval der kozakken ons ten minste van de helft van dien lastigen overvloed zal bevrijden. Wat de hebzucht al niet in het blinde bijeengesleept heeft! Hoe zich de begeerlijkheid met een noodeloozen last bezwaart, waaronder zij bezwijken moet!”

„Het zou mij verwonderen, zoo de keizer niet, zoodra wij het vrije veld bereikt hebben, den geheelen boel deed verbranden,” zeide Jaromir, die met onverschillige blikken het gewoel overzag.

„Dat zal hij niet,” antwoordde Rasinski. „Want hij mag den soldaat, die met zooveel moeite twee derden van Europa doormarcheerde, het loon van den meermaals beloofden buit niet ontnemen. Doch geloof mij, nog eer de dag voorbij is, zullen de onzen zelven hun ballast beginnen weg te werpen. Zie maar eens naar die lieden daar! Het schijnen mij officiersoppassers te zijn. Hebben zij zich niet voor eene handslede gespannen en trekken zij niet hun vracht als stomme lastdieren voort? Geen zes uren ver zijn hunne krachten toereikend; maar door de hebzucht verblind, vergeten zij, dat de weg van Moskou naar Parijs acht honderd uren lang is! En deze massa's van hoog bepakte wagens, waar zullen zij tijd en plaats vinden, om voort te komen? Hoelang zullen hunne assen het uithouden? en wanneer er eene breekt, wie zal een andere bezorgen? Nauwelijks kan de artillerie dit volhouden. De keizer ziet dezen tros met verdriet aan; maar hij laat het aan den tijd over, den hebzuchtigen de onuitvoerbaarheid hunner onderneming te leeren. Daar valt een wagen om. Ziet gij? Let op, deze laat hier, een half uur van Moskou, reeds alles achter, wat hij misschien naar Parijs had hopen te brengen.”

De wagen, dien Rasinski zag vallen, was met buitgemaakte voorwerpen overladen geweest; er brak eene as, en nu lag hij op den weg omver. Dadelijk ontstond er stilstand; de achtersten schreeuwden driftig „voorwaarts!” want ieder besefte, dat men in deze verwarring alles moest aanwenden om vooruit te komen. De menigte belemmerde zich zelve in hare bewegingen; de enkele persoon was daarom blijde, wanneer een toeval het aantal der voertuigen verminderde. Toen de omgevallen wagen niet dadelijk kon geholpen worden en er ook geen ruimte bleef om te wijken, riep een der volgende wagenmenners: „Smijt den rommel uit den weg! Hier moet ieder zien, hoe hij vooruit komt. Wij kunnen geen halven dag op dien eenen wachten. Komaan, kameraden, spant de paarden uit en werpt de geheele kraam in het veld.” Dadelijk waren er twintig, dertig, vijftig lieden gereed om de uitnoodiging te volgen. Te vergeefs raasde en tierde de eigenaar van den wagen en zocht hij zijn buit te verdedigen. In twee minuten was hij van alle kanten omringd en de wagen niet alleen ledig geplunderd, maar ook de paarden uitgespannen, de raderen uitgelicht, en het onderstel in brokken uiteengenomen en op zijde geworpen, zoodat de baan voor de nakomenden vrij werd. De waanzinnige woede, waarin de beroofde uitbrak werd door het honend gelach der overigen verdoofd; niemand bekommerde zich om het geheele geval of hield het der moeite waard, den gewelddadig geplunderde in bescherming te nemen, die op het laatst blij moest zijn, althans nog zijne paarden behouden te hebben.

„Wanneer dat op den eersten dag van den marsch en voor de poorten van Moskou geschiedt,” merkte Rasinski aan, „wat moeten wij dan verwachten, wanneer de vijand eens deze onbeholpen massa bedreigt? Die moradeur heeft niets gered dan een paar vermagerde paarden. De anderen mogen blij zijn, wanneer dit hun bij den eersten aanval van slechts vijftig kozakken ook gelukt. De kerel, die huilt en vloekt, is de gelukkigste van allen, want hij is het onnut tuig het eerst kwijt geraakt. Hij zal gelegenheid genoeg hebben, misschien van daag reeds, om zich schadeloos te stellen door met het verdriet van anderen, wellicht van dezelfden die hem verongelijkt hebben, te spotten. En eer acht dagen voorbij zijn, prijst hij zijn lot, zeg ik u, dat hem de vergeefsche moeite, om zijn last voort te sleepen, ontnomen heeft. Het onderscheid is maar, dat hij vandaag verliest, wat de overigen morgen en overmorgen moeten prijsgeven; van duizend komt er niet een zoover, dat hij genot van zijn buit zal hebben.”

Boleslaw had thans met de ruiters de hoogte bereikt; hij verkreeg ruimte om hen in sectiën te doen opmarcheeren en rukte zoo op het punt aan, waar Rasinski wachtte. Deze stelde zich aan het hoofd der zijnen en reed, zijne vrienden dicht om zich hebbend, weder nevens den weg voort. De weg over de hoogte, dien zij genomen hadden, vergunde hun voortdurend het overzicht over den geheelen trein.

„Het is mij lief,” zeide Bernard, „dat wij bijna de laatsten zijn; want ik geloof niet, dat de vooruitmarcheerende regimenten er zich een denkbeeld van kunnen maken, welk een drakenstaart zij achter aansleepen, en het gezicht is toch aardig genoeg. De heksenprocessie op den Bloksberg kan er niet wonderlijker uitzien, dan de maskerade hier onder en nevens ons. Bij den torenbouw van Babel heeft men niet in zoovele talen gevloekt als hier, en een inventaris van alle dingen, die in een rond jaar in Londen gestolen zijn, zoude een prul zijn tegen die van dit landloopersameublement. Ik geloof, dat in Moskou geen koperen ketel, geen braadpan, geen oude drievoet, geen tang of bezemsteel meer te vinden is, zulk een rommelzoô ligt er op deze wagens gepakt! Zie maar eens,” zoo wendde hij zich tot Jaromir, om diens donker gelaat wat op te helderen, „zie maar die rij van wagens eens, waarbij de keizer zoo zal aankomen. Het schijnt mij wel een amazonentroep, want ik zie bijna enkel vrouwen, en zij zijn toegetakeld, als wilden zij zoo terstond een oostersch stuk met groot spectakel opvoeren, de Turandot of zoo iets.”

„Het zullen denkelijk de acteurs zijn, die in Moskou waren,” merkte Lodewijk aan.

Bij het woord acteurs schrikte Jaromir hevig en wierp snel een blik op den troep; eene woeste, koude grimmigheid vervulde zijne borst. Alisette kon er bij zijn. Hij moest het vermoeden.

Sedert dien verschrikkelijken nacht had hij niets verder van haar vernomen. Regnard had, het valt moeilijk te beslissen, of het uit grootmoedigheid, uit gevoel van zijn onrecht of uit medelijden met Jaromir geschiedde, de zaak niet weder aangeroerd, ofschoon hij tweemaal in het hospitaal was gekomen, om kranke officieren van zijn regiment, die daar ziek lagen, te bezoeken, bij welke gelegenheid hij Jaromir natuurlijk ook had moeten zien. Regnard was anders in zaken van eer meer dan nauwgezet; doch de vreeselijke keer, dien het gebeurde, waarover hij zich eerst beleedigd had gevoeld, voor Jaromir zoowel als voor Alisette genomen had, maakte dit opzettelijk vergeten zeer natuurlijk. Jaromir van zijn kant wist niet, of des oversten betrekking met haar (want hij was het, die haar onderhield en bewerkt had, dat zij naar Moskou was gekomen) nog voortduurde, dan of hij de trouwelooze thans aan haar lot overliet; ja hij zou niet eenmaal vernomen hebben, of zij zich in dien nacht gered had, wanneer niet eene toevallige vermelding van het meisje door een officier van Regnards regiment hem bewezen had, dat zij nog leefde. Thans was zij misschien geen honderd schreden van hem verwijderd. Daar de weg zich deelde en Rasinski slechts een gunstig oogenblik afwachtte om dien te bereiken, kon het gebeuren, dat hij haar weder van aangezicht tot aangezicht zou moeten zien. Die gedachte joeg zijn boezem weder in wilde golven op. Hij gevoelde, dat, zoo hij de verraderes plotseling ontmoet had, hij de heerschappij over zich zelf zoude verloren hebben. Nu, door Bernards wenk voorbereid, had hij tijd zijne gedachten te verzamelen. Hij besloot haar met de koelste minachting met blik noch woord te verwaardigen, wanneer het toeval hem in hare nabijheid mocht brengen.

Bernard en Lodewijk reden naast den somber zwijgende voort. Rasinski had hun en Boleslaw slechts met een vluchtig woord toegefluisterd, dat hij thans Jaromirs geheim wist. Hij scheen eene nadere mededeeling tot gelegener tijd te willen besparen. De deelneming zijner vrienden in het lot van hun trouwen makker was even warm gebleven als te voren, daar zij hem van geen schuld konden verdacht houden, doch slechts het ergste onheil voor hem vreesden. Bernard, wiens scherpen blik zelden eene gelaatsuitdrukking ontging, merkte de verandering in Jaromirs wezen, toen hij van de acteurs sprak, oogenblikkelijk op. Hij had echter geen vermoeden, dat Alisette te Moskou was; want na den brand had hij, alles saamgenomen, geen twee dagen in Moskou doorgebracht, daar het regiment dadelijk een bivak voor de stad betrok en vijf dagen later in de noordelijke voorpostenlinie rukte. Doch zijn scherpzinnig verstand, zoo bijzonder geschikt tot het ontdekken van intriges, gaf hem dadelijk duistere vermoedens der waarheid. Echter verried hij deze ook zelfs door het geringste teeken niet, maar zette zijne opmerkingen over het hem omringend schouwspel voort.

„Wat mag het zijn, dat daar beneden zoo schittert?” vroeg hij plotseling. „Ik geloof, dat het de gouden tooverspiegel uit de „Duizend en Een Nacht” is, die daar op den wagen met acht paarden ligt, of een bundel bliksems, of een hoop vuur als staaltje van den brand.”

Ook Lodewijk en Rasinski zagen daarheen; want inderdaad flikkerde tusschen de zwarte gedaanten, die in de laagte voorttrokken, iets als een schitterende zon door. De menigte der voorbijtrekkende ruiters en wagens verhinderde nochtans, het voorwerp te onderkennen. Toen er evenwel gedurende een oogenblik eene opening ontstond, bemerkte men, dat het een vervaarlijk groot gouden kruis was.

„Het is,” zeide Jaromir op een ernstigen toon, „het kruis van den heiligen Iwan, dat op den toren van het Kremlin heeft gestaan. De Russen vereeren het als hun grootste heiligdom, als het palladium hunner stad. Uit mijn venster heb ik het zien afnemen. Het was een donkere dag; de avondschemering was reeds ingevallen. Ontelbare raven doorkruisten de lucht en fladderden krassend rondom den glanzenden, hoogen top. Men had eene stellage gebouwd, ladders aangebracht, windassen geplaatst, strikken omgeslagen, en de arbeiders waren zonder ophouden bezig, doch de zwermen van raven weken niet, maar klapwiekten met heesch geschrei nu in wijder, dan in enger kringen om het schitterende kruis heen. Onder mijne vensters stond een hoop Russen; er waren ook vele vrouwen bij. Zij kruisten hunne armen over de borst, bogen zich vol eerbied en mompelden zacht gebeden. Eene der vrouwen, avontuurlijk gekleed, een rooden doek als tulband om het grijze haar gebonden, stond midden onder hen, hief de handen omhoog, maakte allerlei wonderlijke gebaren en sprak op een bezwerenden toon in onverstaanbare woorden. Het gezicht had iets angstverwekkends. Toen nu de windassen werkten en het kruis zich begon te bewegen, verhief de schare een luid geschreeuw, sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit het hoofd en stoof als ontzet uit elkander. Het scheen, dat zij geloofd hadden, door hunne bezweringen en gebeden het heiligdom te zullen redden, en nu waren zij buiten zich zelven van schrik, daar zij het onder de schennende handen gevallen en hunne goden overwonnen zagen. Ondertusschen klonk een rauw gekras en geruisch door de lucht; het gansche heer van raven stoof verschrikt uiteen, daar hun oude toevluchtsoord, het kruis, waaronder zij eeuwen lang hunne nesten gebouwd hadden, plotseling begon te wankelen, en trok in eene zwarte wemelende schaar onder de grauwe wolken voort.”

„Een nachtstuk!” merkte Bernard aan. „Mij dunkt, ik heb de vrouw, die gij schildert, ook dadelijk den eersten dag in Moskou op de muren van het Kremlin gezien. Zij zag er waarlijk als eene priesteres der Druïden of als de tooveres van Endor uit.”

De anderen zwegen; doch ieder voelde zijne borst door eene vreemde beangstheid benepen, te meer daar Jaromir op zulk een ernstigen toon sprak, als hij hem nooit te voren eigen was, en zijne bleeke lippen en wangen, de matte blik zijner oogen het hart der vrienden met meewarige droefheid vervulden.

Bernard hing met onafgewende blikken aan zijn gelaat. Wat was er van dien nog onlangs zoo bloeienden jongeling geworden! Het krullende blonde haar zelfs hing sluik langs zijn schedel neder. Gelijkt hij dan nog op zich zelf? dacht Bernard. Wanneer gij hem nevens het portret steldet, dat gij in Warschau van hem geschetst hebt, zoudt gij het dan nog herkennen?—Hij legde den jongeling de hand trouwhartig op den schouder. „Richt u op, mijn vriend, verzamel uwe krachten, denk aan geen treurige voorteekens meer. Vóór ons ligt de krijg, daar heeft men moed en kracht noodig. Wat waart gij een soldaat! Ik kreeg moed, wanneer ik u zag; thans zoudt gij mij tot een lafaard kunnen maken. Komaan, broeder mijns harten, schud alles, wat u den nek nederbuigt, van u af en richt uw edel hoofd weer fier omhoog.”

Juist wilde Jaromir antwoorden, toen het trekken van den trein rondom een heuvel, die den grooten weg eenige oogenblikken geheel aan hun gezicht onttrokken had, de ruiters recht daarop aanvoerde. Daar Rasinski juist een opening bemerkte, waardoor hij tusschen de rij wagens konde indringen, beval hij, in galop te rijden en rende zelf vooraan.

Op deze wijze werd het gesprek, dat Bernard begonnen had, afgebroken. Rasinski's voornemen gelukte; hij rukte onvoorziens de opening in en was spoedig met zijne manschappen op den grooten weg, zoodat hij den wagentrein nu vaneen scheidde. „Zoo,” sprak hij tevreden; „nu kunnen wij ten minste op den weg blijven, zoolang het ons bevalt, en verlaten, wanneer wij willen.”

Doch zooals het bij zulke marschen gewoonlijk gaat, werd de voortgang telkens gestremd; nu en dan moest men verscheidene minuten stil houden en dan weder met verdubbelden spoed oprijden. Dit maakte den marsch zeer onaangenaam; ook had deze zijn vorige aantrekkelijkheid verloren, daar men den trein van wagens niet meer tot in de verte overzag, maar alleen de naaste voorwerpen kon waarnemen. De keizer was nog achter Rasinski's manschappen. Vlak voor hen reed eene rij wagens, met buitgemaakte vaandels bedekt; turksche, tartaarsche, russische zegeteekenen lagen in bonte verwarring opeengehoopt.

„Plaats, plaats voor den keizer!” werd van achteren geroepen, en Rasinski liet zijne manschappen bij rotten afbreken, om de halve breedte van den weg vrij te maken. De keizer kwam van verre aangerend; doch opeens reed hij stapvoets en scheen zich met eenige lieden, die zich nevens hem op een wagen bevonden, te onderhouden. Hun voerman zette zijne paarden aan, om den snelleren pas van het ros, dat de keizer bereed, bij te houden. Zoo kwam de wagen langzamerhand nader en reed de poolsche ruiters voorbij, zoodat deze links bleven, terwijl Napoleon rechts van den wagen reed, waarop drie bevallige vrouwen en een kind zaten. Toen de keizer de plaats naderde, waar Jaromir te paard zat, zag deze slechts schroomvallig naar hem op; want half zou hij verheugd zijn geweest, half zoude het hem gehinderd hebben, zoo Napoleon hem herkend had. Doch de keizer was juist druk in gesprek met eene dame, die, dicht in een fraaien pels gewikkeld, naar hare kleeding te oordeelen de vrouw van een hoofdofficier moest zijn.