Part 55
Beide vrouwen waren sprakeloos van verbazing.
„Die slag moest de arme zeker verpletteren,” zeide de gravin op den toon van diepe verontwaardiging. „Op zoo iets kon zij niet bedacht zijn. Het is afschuwelijk, een gruwel zonder voorbeeld.” In hevige ontroering ging zij de kamer op en neder, Maria las tot hare eigene overtuiging het onheilbrengende blad nog eenmaal en legde het dan met bevende handen neder. „O gij rampzalige,” zeide zij, terwijl zij zich over het hoofd der onmachtige neerboog, „hoe zullen wij thans uw lijden verzachten!”
De kamenier van Lodoiska was binnengetreden. Zij ontstelde bij den aanblik van hare meesteres. „De gravin is plotseling ongesteld geworden, zij moet te bed gebracht worden. Kasimir moet vliegend naar den arts. Bestel dat en kom spoedig terug.” Op deze met gedwongen bedaardheid en kalmte gesproken woorden der gravin verliet de kamenier de zaal weder. Maria had ondertusschen Lodoiska's slapen met koud water besprenkeld, om haar weder tot bewustzijn te brengen. De gravin ging nog steeds driftig op en neder. „Daaraan herken ik de mannen! Hunne eigene slechtheid opent hun hart voor ieder onwaardig vermoeden. Wie zou hebben kunnen gelooven, dat op deze engelreine ziel de zwartste verdenking zou kunnen worden geladen! Dit hart, dat zich zelf in den gloed zijner liefde verteerde, wordt van trouweloosheid beschuldigd. Afschuwelijk! Ongehoord! Grenzeloos afschuwelijk! En welke bewijzen kan de lichtzinnige knaap, die met ruwen tred de bloesems van zijn eigen onschatbaar geluk in het stof trapt, voor zijne onnoembaar zware beschuldiging hebben! Een gerucht, een lasterende brief, een boosaardig verdichtsel van den een of anderen eerloozen of tot misdadig wordens toe lichtzinnigen kameraad!”
Zij ging voor Lodoiska staan, wier borst zich onder het verlichte ademhalen—Maria had haar kleed losgemaakt—nauwelijks scheen te bewegen. „Hoe zacht deze reine engel sluimert! Zelfs het ontzettende spooksel van den schrik, die haar zoo plotseling ter neder sloeg, heeft hare minzame trekken niet misvormd. Een blik op haar afbeeldsel moest het bewijs harer onschuld tegen duizend getuigen geweest zijn! Hebt gij haar vermoord, hebt gij dit teedere leven geknakt door den slag, dien uwe ruwe hand in den blinde gedaan heeft, dan moge haar beeld u als een schrikkelijk spook vervolgen!”
„Neen, neen, zij leeft, zij ademt, zij zal ontwaken, wij zullen haar troosten, bemoedigen!” antwoordde Maria met eene door tranen verstikte stem. „Alles zal tot klaarheid komen, ook dit vreeselijke misverstand.”
„Hier kan het weefsel niet meer ontward worden! De knoop is met het ijzeren zwaard doorgehouwen; alle teedere banden, die twee jonge harten verbonden, zijn verscheurd. Waar een zoo duistere geest des argwaans in het heiligdom der liefde en des vertrouwens eens is ingebroken, daar zijn zijne sporen nooit te verdelgen. Overtuigd kan Jaromir worden, dat Lodoiska geen zonnestofje ontrouw of valschheid in haar reinen boezem omdroeg; overtuigd, als van den glans der sterren aan den eeuwigen helderen hemel. Doch het schoone, heilige, onschendbare _geloof_ van beiden aan elkander is vernietigd, voor eeuwig vernietigd. Eene begane daad, een gesproken woord zijn onherroepelijk en zoomin te achterhalen als de vervlogen minuten. Wat gij ook doet, om het verzuimde in te halen, om eene schuld te verzoenen, het is ijdel bedrog en schijn; het verzuim, het vergrijp zijn begaan, zij blijven onveranderlijk en geen godheid is in staat, de eeuwige schriftteekens in het boek van het volbrachte uit te wisschen.”
De kamenier trad weder binnen; Lodoiska werd in hare kamer te bed gebracht. Maria zette zich bij haar neder en wachtte vol angst den terugkeerenden adem, het opslaan van haar oog af. De gravin stond in ernstige, diepe treurigheid zwijgend aan het voeteneinde van haar bed en hechtte de donkere oogen onafgewend op de levenlooze.
Eindelijk opende Lodoiska de lieve oogen weder, zag smartelijk op, reikte toen hare lieve verzorgster de handen toe en sprak zacht, maar uit het diepste harer borst: „O, ik ben onbeschrijfelijk rampzalig!”
TIENDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
De avond was reeds gevallen. Een ruwe storm loeide over de vlakte en ruischte hol in de toppen der hooge dennen toen Rasinski met de kleine schaar zijner getrouwen, die hij niet meer zijn regiment durfde noemen, het bivak bereikte. Men was moe en uitgeput; de ledematen verstijfden in den killen wind.
„Hier, op de helling van dezen heuvel, willen wij ons nederslaan,” beval Rasinski. „Wij hebben hier ten minste beschutting tegen den wind.” De ruiters zwenkten linksom.
Het was een, in twee heuveltoppen vooruitspringende hoek van een oud, donker pijnbosch, dien Rasinski tot zijne legerplaats had uitgekozen. Hooge boomen stonden op de vrij steile ofschoon niet zeer hooge heuvels, die eene bijna ringvormige kloof met haar bochtigen rand omvatten. De toppen der aloude stammen kruisten zich, zoo smal was de laatste boven haar; laag, zwaar kreupelhout klom tegen de helling op.
Tegen den herfstwind verschafte de plaats wel eenige bedekking, doch zij was vochtig en koud, daar de zon nauwelijks in het midden van den zomer door de sombere kronen der reusachtige dennen vermocht te dringen, veel minder nu, in het najaar. Slechts eenige berken met hun witten stam en bleekgeel, verdord loof stonden als spoken op den donkeren achtergrond.
„Eene goede hinderlaag,” zeide Bernard, bij het binnenrijden door de enge opening van de kloof.
„Ja, voor eene rooversbende mocht zij goed zijn,” hernam Rasinski.
„Waarlijk,” antwoordde Bernard, „als wij nog allen bijeen waren, zou de legerstede wat klein uitvallen, doch voor honderd is in allen gevalle plaats genoeg hier.”
„Halt! Front! Afzitten!” kommandeerde Rasinski. „Hier langs den rand des heuvels naar omlaag de piketpalen gestoken en de stallijnen gespannen. Wij legeren ons dadelijk daarachter. Twaalf man tot fourageeren, twaalf tot houthakken, twaalf tot waterhalen. De anderen verzorgen intusschen de paarden.”
Nadat deze bevelen gegeven waren, zette Rasinski zich mistroostig en vermoeid op een dicht met mos begroeiden boomstam, die op den grond lag. Hij legde zijne handen op de tusschen zijne knieën staande sabel en keek somber voor zich neer.
„Waar zal ik ons vuur doen aanmaken?” vroeg Bernard.
„Waar gij wilt.—Daar onder dien grooten den.” Rasinski bleef, in gedachten verzonken, onbewegelijk zitten, terwijl Bernard met eenige manschappen toebereidselen tot de legering van het korps maakte.—Zware, donkere voorgevoelens beroerden de ziel van den dapperen strijder. Hij zag donker als de nacht en het woud om hem heen. Spoedig joeg de onrust hem op. Hij ging met groote schreden op en neder. Nu en dan gaf hij in korte, afgemeten woorden een bevel; want hoe onrustig het ook in zijn binnenste golfde, bemerkte zijn aandachtig oog toch alles, wat rondom hem voorviel.
„Wilt gij niet komen, om u bij het vuur te legeren?” dus stoorde Bernard hem na eenige minuten. „Zie, het brandt al vroolijk en verlicht de oude boomstammen en de lang uitgestrekte reuzenarmen der takken op grillige wijze. Wanneer wij door dien ijskouden wind niet zoo verkleumd en huiverig waren, zou ik lust hebben, deze boomgroepen af te teekenen.”
„Of Boleslaw en Lodewijk heden niet eindelijk eens terug zullen komen? Ik verlang met ongeduld naar berichten van Jaromir,” antwoordde Rasinski, alsof hij de woorden van Bernard in het geheel niet verstaan had.
„Zet u dat uit het hoofd, Rasinski,” zeide Bernard op een biddenden toon; „het is een koortsachtige droom, verder niets! Zulk een helsche nacht, als Jaromir in Moskou doorbracht, moest wel waanzinnige inbeeldingen in de hersenen voortbrengen. Dan nog zijn liggen in het hospitaal, van alle vrienden verlaten, onder het gejammer der doodelijk gewonden—geloof mij, zoodra hij hersteld is, zoodra zijne zinnen weder helder zijn, houdt de gansche akelige droom op.”
„Ik heb den brief niet verzonden,” zeide Rasinski na een pauze. „Ik kon hem niet afzenden!”
„En gij hebt wel gedaan!”
„Om te handelen,” hernam Rasinski, „moest ik zekerheid hebben; om de bezorgdheid in mijne borst op te wekken ware de helft der kenteekenen reeds genoegzaam geweest. Ja, ik geloof, Jaromir heeft zich aan eenig vergrijp tegen Lodoiska schuldig gemaakt en het is geen koortsachtige droom alleen, die hem op dit denkbeeld brengt. Thans eerst valt mij in, wat hij met Lodewijk den avond vóór den brand gesproken heeft. Toen was hij nog niet ongesteld. Geene brandwond folterde hem toen nog, geen bovenmatige vermoeienis had hem doodelijk uitgeput, de akelige beelden van dien nacht vervulden zijne ziel toen nog niet met schrik, en evenwel....”
„Voor zoover ik het verhaal van Lodewijk begrepen heb,” meende Bernard, „twijfelde hij toen aan Lodoiska's liefde. Dat kan een kwaad vermoeden zijn, gelijk een toeval dat op het een of ander oogenblik in zijn jong, vurig beminnend gemoed lichtelijk kon doen oprijzen. In het naastvolgende oogenblik schaamde hij er zich over en klaagde zich zelf aan. In die stemming van zijn gemoed vielen de verschrikkelijke gebeurtenissen van den nacht voor. Deze herinneringen vervolgden hem in zijn koortsachtige droomen en in zijne ontstelde verbeelding rekende hij zich zijn wantrouwen als eene zwarte, onverzoenbare misdaad aan. Zoo schreef hij haar den brief, die u zoo ongerust maakt. Wanneer Lodewijk en Boleslaw terugkeeren, zullen zij ons gewis ophelderingen geven, want met hen heeft Jaromir ongetwijfeld daarover gesproken.”
„Ik ben koud. Wij willen bij het vuur gaan. Ook ben ik moê. Verdrietige oorlog! men hangt den geheelen dag op het paard, ziet den vijand aan en vecht toch niet. Het is eene groote gebeurtenis, wanneer een kozak een pistoolschot afwacht. Ja, als onze paarden nog zoo frisch waren, als op den dag, toen wij over de Weichselbrug reden, dan zouden die plagerijen spoedig ophouden. Weet gij, dat men mompelt, alsof de vredesonderhandelingen zouden zijn afgesprongen? Mij dunkt, Kutusow wist dat lang! Het is niet zonder reden, dat men haar rekt, tot de winter ons hier overvalt. Ook in dit opzicht zie ik Boleslaws terugkomst van Moskou met verlangen te gemoet. Ik wil hopen, dat het hem gelukt zal zijn, ten minste iets van wat wij zoo dringend noodig hebben, aan te schaffen.”
„Als Lodewijk een paar nieuwe laarzen meêbracht,” schertste Bernard, „zou hij mij zeker geen kleinen dienst doen, en een pels in plaats van dezen gescheurden, half verbranden mantel, kon ik ook kostelijk gebruiken.”
„Spreek zoo lichtzinnig niet, Bernard,” hernam Rasinski ernstig; „gij hebt nog niet ondervonden, hoe grimmig de scherpe tand van het gebrek iemand kan aangrijpen. Ik, die menigmaal gezien heb, hoe moeilijk beter uitgerusten dan wij zich daartegen verdedigen, ik moet ernstig zorg dragen, dat wij aan zijne duizend kwetsende wapenen niet te veel onbedekte punten bloot geven. Thans reeds maakt de nachtvorst onze lieden ziek, thans, daar wij nog overvloed van hout hebben. Doch als de winter inviel, als....”
„Welnu, mij dunkt, dat wij dan naar Moskou moesten terugtrekken. Vijftien wersten zullen wij toch nog wel marcheeren kunnen.”
„Dunkt u?”
Een uitgezette post riep: „Werda!”
„Goed vriend van Moskou,” luidde het antwoord.
„Dat is Boleslaw!” riep Rasinski driftig en sprong op.
Een oogenblik later sprong Boleslaw van het paard en groette de vrienden.
„En waar is Lodewijk, en wat brengt gij voor goed nieuws van Jaromir?” vroegen Bernard en Rasinski bijna te gelijker tijd.
„Eerst de dienstzaken,” antwoordde Boleslaw. „Ik ben gelukkig geweest. Hoe groot de nood en de toeloop ook zijn mochten, heb ik toch eenigszins voor de nooddruft onzer manschappen kunnen zorgen. Uwe mildheid, Rasinski, stelde mij in staat, de hoogste prijzen te betalen.”
„Laat dat daar!” viel hem deze in de reden.
„Ik werd den koop met twee Joden eens. Zij hebben mij tachtig paar laarzenzolen en dertig paar nieuwe laarzen bezorgd. Doch ik kon slechts zestig mantels bijeenkrijgen en meest oude, maar toch bruikbare, voor een gedeelte goed gevoerd. Ook kocht ik drie schapevachten, die 't is waar, misschien reeds jaren lang op het lijf van russische boeren gezeten hebben, maar die ik, hoe duur ik ze ook moest betalen, niet kon laten gaan. De winter komt en wij Polen kennen dien ten minste zoo half. De Franschen, schijnt het, willen maar niet gelooven, dat het heldere herfstweder, dat wij tot nu toe hadden, een einde zal nemen. Ik zeide hun, dat zij maar eens drie nachten hier bivakeeren moesten.”
„Nu, en waar zijn uwe schatten?”
„Lodewijk escorteert met de manschappen het transport. Zij komen op een wagen, dien ik in beslag genomen heb. Ik ben vooruit gereden. 't Is te hopen, dat zij ons maar spoedig vinden in dezen schuilhoek.”
„De wind heeft ons hierheen gedreven,” antwoordde Rasinski. „Wij willen den wagen eenige lieden te gemoet zenden. Bernard, kies eenige manschappen uit, die tot den grooten weg gaan en daar post vatten.”
Bernard ging.
„Goed! dat hebt gij uitmuntend bezorgd,” ging Rasinski thans tegen Boleslaw voort. „Het was waarlijk hoog noodig! Hebt gij al het geld uitgegeven?”
„Niet alles; ik kon zoo verkwistend met het uwe niet omgaan. Gij offert u voor allen op! Ik heb nog veertig dukaten over.”
„Foei, Boleslaw! Hier alleen hadt gij niet spaarzaam moeten zijn. Als gij wollen kousen gekocht had!”
„Die waren niet te krijgen. Daarvoor zou ik het laatste geld hebben uitgegeven. Maar de andere dingen zijn ook waarlijk nog zoo broodnoodig niet. Gij moest toch iets voor u zelf behouden! Het is moeielijk, hier weder aan geld te komen.”
„Als ik het voor mijne kameraden besteed, brengt het mij de beste renten op, Boleslaw. Ik weet, zij zullen mij in den nood niet verlaten, en de mantel dien ik heden voor den soldaat koop, dekt morgen mij zelf, als de nacht guur is en de trouwe kameraad ziet, dat zijn aanvoerder dien noodig heeft. Maar zou een volle beurs mij verwarmen?”
„Gij geeft in uwe grootmoedigheid alles weg!” riep Boleslaw uit. „Werkelijk, het zou tegen mijne eer en mijn geweten zijn, als ik zulk een misbruik van uwe goedheid maakte. Ook wij overige officieren moeten immers een klein deel dragen in hetgeen voor de manschappen geschiedt. Ik breng u slechts terug, wat wij ons verplicht achten, aan te vullen.”
„Dus gij, die weinig bezit, wilt u opofferen!”
„Vertel ons nu van Jaromir,” brak Bernard, die juist weer nader trad, het halfluid gevoerde gesprek tusschen Rasinski en Boleslaw af.
„Straks; eerst nog iets zeer gewichtigs. De onderhandelingen zijn afgebroken.”
„Heb ik het niet gedacht,” riep Rasinski met levendigheid.
„Kutusow heeft den koning van Napels aangetast en teruggeslagen. De keizer ontving de tijding juist toen hij in het Kremlin de troepen van het leger van Ney inspecteerde. Dadelijk riep hij: „Oorlog dus! Welnu, het zij zoo.” Er volgde order op order. Morgenavond breekt het leger op, naar den kant van Kaluga heen. Wij en alle troepen, die in het noordoosten staan, rukken morgen weder voor Moskou en sluiten ons dan bij het groote leger aan. Ik breng u de order daartoe.”
„Dus wordt de strijd hernieuwd. Ik dacht het wel,” zeide Rasinski. „Nu moeten wij ons een weg naar de zuidelijke provinciën banen. Daar is hoop, dat wij nog vóór den winter vasten voet winnen of ten minste Kiew bereiken, om daar te kantonneeren. Het was hoog tijd! Goddank dus, dat het eindelijk bepaald is. Wanneer de krijg zich daarheen wendt dan heb ik nog hoop. De winter begint in die streken ten minste eene maand later, en is oneindig minder streng. Ook is het land rijk en zal ons beter voeden dan de woestenij, die wij tot nog toe zijn doorgetogen. Deze tijding is van eenige waarde.—Maar nu spreek op van Jaromir. Is hij hersteld?”
Boleslaw zweeg een oogenblik. „Ja,” zeide hij daarop met een donker gelaat, „als wij dat hersteld willen noemen! Zijne brandwonden zijn geheeld, zijne heete koorts is verdwenen, ja hij voelt zich zelfs sterk genoeg om met ons te marcheeren. Hij wil niet bij de achterhoede van het leger blijven; ook geloof ik, dat hij lichaamskrachten genoeg herkregen heeft. Maar....”
„Welnu?”
„Zijne ziel is duister, de heldere glans zijner oogen verdoofd, zijn open voorhoofd bewolkt. Het is onze frissche, vroolijke Jaromir niet meer. Ik vrees....” hier hield Boleslaw plotseling op. „De keizer heeft hem,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „het kruis van het legioen van eer gezonden. Hij heeft het afgeslagen met de woorden: „Het toeval alleen heeft mij geleid; ik mag dit teeken niet aannemen. De keizer beware het voor mij, tot ik eene wezenlijke daad verricht heb.”—Geen redeneeringen hadden eenigen invloed op hem; hij bleef onbewegelijk. En gij weet, met wat brandende begeerte hij nu al verscheiden jaren naar dat kruis haakte en hoe hij het mij benijdde.”
„O, ik weet alles,” zeide Rasinski. „Er heerscht eene duisternis in zijne ziel, die al de vlammen van het brandende Moskou niet in staat zijn te verlichten. Heeft hij u van zijn brief aan mij gesproken?”
„Geen woord.”
„Hij moet hem evenwel juist den dag voor uwe aankomst geschreven hebben.”
„Wat behelsde die brief?” vroeg Boleslaw.
„Luister!” Rasinski nam den dichtgevouwen brief uit zijn portefeuille en las:
„Rasinski!
„Gij waart mijn tweede vader,—heden noem ik u voor het laatst bij dezen dierbaren naam; want van heden af zult gij slechts mijn bevelhebber zijn. Gij moogt dit zijn, want de soldateneer heb ik niet verloren. Om één dienst, den laatsten uwe oude, vaderlijke vriendschap, bid ik u echter nog; zend dezen brief aan Lodoiska. Driemaal heb ik vol innig berouw aan haar geschreven en hare vergiffenis afgesmeekt; het geschiedde nog in de verwarde droomen der ziekte; doch ik vernietigde de brieven weder en heb er niet een van verzonden. De ziekte is geweken; thans weet ik, wat ik doe, en handel gelijk ik moet.
JAROMIR.”
„En wat schrijft hij aan Lodoiska? Ik bid u, verberg mij dit niet,” vroeg Boleslaw haastig, terwijl hij scheen te beven.
Rasinski sloeg een anderen brief open en las:
„Lodoiska!
„Wij zijn voor eeuwig, doch door _mijne schuld_ gescheiden; werp uw ring in de rivier, den uwen wierp ik in een dieperen afgrond. Antwoord mij niet, want gij zoudt in de overmaat uwer hemelsche goedheid mij kunnen willen vergeven; ik mag geene vergiffenis aannemen. Uw eeuwigdurend stilzwijgen zij dan ook mijne straf, gelijk ik mij voor eeuwig uit uw gezicht verban.
JAROMIR.”
Boleslaw stond sprakeloos, de donkere blikken naar den grond geslagen; eene vreeselijke storm van tegenstrijdige gewaarwordingen verhief zich in zijn boezem. Jaromir verbrak den band, die hem aan Lodoiska verbond. Een straal van hoop lichtte tusschen de donkere onweerswolken door en wierp een zacht schijnsel in het hart van Boleslaw. Zult gij uit denzelfden beker, die uw vriend vergiftigt, de zaligste vreugde drinken? Terwijl uwe lippen zijn rand met huiverende zaligheid aanraken, verbleeken die uws vriends en sluiten zij zich voor eeuwig!—Neen, Boleslaw!—Moge het de zwarte slang der schuld zijn, die hare kronkels om zijn hart slaat; mogen het enkel donkere droomen zijn, die zijne ziel in hun verward weefsel verstrikken, voor u mag geen bloesem uit dit noodlottig zaad opschieten. Wees een man. Wend uw laatsten blik af van de deur des hemels, die zich voor u schijnt te openen. Het is een drogbeeld; gij moogt daar niet binnentreden; de rozekleurige uchtendschemering, waarin gij uwe brandende borst verkoelend meent te baden, is slechts de weerglans van verborgen vlammen des afgronds. Volgt gij de verleiding, treedt gij over de geheiligde grens, dan stort gij tot uw eeuwig verderf naar beneden. Hier bestaat geene twijfeling voor u. De bruid, van wie uw vriend afstand doet, zij u nog heiliger dan die hij in zijne armen, aan zijn hart drukt. Iedere andere gedachte, iedere andere hoop is verraad tegen de heilige wetten der vriendschap.
In de vuurproef dezer gevoelens, die Boleslaws borst doorstroomden, hardde zich zijn edel hart tot de sterke wilskracht der zelfverloochening.
„Nu,” vroeg Rasinski na eene lange, ernstige pauze, „wat denkt gij van dezen brief? Is hij een voortbrengsel van zijn koortsachtig ijlen? Of drukt waarlijk eene misdaad tegen zijne liefde op Jaromirs hart?”
Het antwoord van Boleslaw werd door een luid „Werda!” dat Lodewijks aankomst aankondigde, afgesneden. De vrienden verwelkomden hem hartelijk. Doch nu dreef de dienstplicht boven; de kleedingstukken, welke Lodewijk bracht, moesten ontvangen en verdeeld worden; dit veroorzaakte eene drukte, die langer dan een uur duurde. Ondertusschen was het nanacht geworden en de vermoeide strijders hadden rust noodig. Bernard ondervroeg Lodewijk wel naar Jaromirs toestand; doch deze wist niet meer dan de anderen. Met ijzeren dichtheid hield de jongeling het geheim in zijne borst; want hij wilde slechts de straf zijner misdaad, niet de goedwillige verontschuldiging, niet het medelijden, niet de vergiffenis.
HOOFDSTUK II.
Het was tegen den avond van den 18 October toen het fransche leger de hoofdstad der czaren, waarin het veel te lang of veel te kort vertoefd had, begon te verlaten. De keizer had evenwel de gedachte nog niet kunnen verdragen, dat hij terugtrekken moest voor de overmacht der natuur en der onuitputtelijke middelen, welke zij den vijand aanbood, terwijl zij hem niets dan onoverkomelijke hinderpalen in den weg wierp; hij dacht er veeleer nog aan, het leger van Kutusow, dat bij Kaluga stond, aan te tasten, het te verslaan, zich een weg naar de zuidelijke provinciën te banen, zijne reserves aan zich te trekken, zijne communicatiën met Polen te vermenigvuldigen en te verzekeren, zich op den rechtervleugel der armee te leunen, en zich zoo tot het voorjaar in het hart van 's vijands land staande te houden. Menige stem had zich zekerlijk reeds voor den terugtocht doen hooren en in angstig voorgevoel, dat het bleeke spook van den winter onverwacht zou tegenwoordig zijn, op zijne verhaasting aangedrongen; doch de raad, die het meest met den koenen geest des keizers overeenstemde, ofschoon dan ook de stoutste, geenszins de verstandigste, behield de overhand.
In den vroegen morgen van den 19 October, een vroolijken herfstmorgen verliet Napoleon zelf Moskou. Ofschoon de uittocht des legers reeds den geheelen nacht geduurd had, drongen de dichte drommen echter nog steeds de poorten der half in puin liggende stad uit. In onafzienbare rijen trokken zij langs den breeden weg voort. Niet zoozeer het getal der strijders maakte den onmetelijken trein uit, als wel de ontelbare wagens met buit beladen, de menigte kanonnen en ammunitiewagens, welke men niet mocht achterlaten. Aan beide zijden braken derhalve de colonnes van infanterie en cavalerie uit den trein en trokken, waar het terrein het slechts eenigszins vergunde, over de landen naast den grooten weg heen, om den meer gebaanden weg voor de voertuigen vrij te laten. Evenwel kwam er spoedig stremming in den onmetelijken trein. Zelfs de keizer en zijn staf konden geen doortocht vinden, zoo hadden de wagens alle doorgangen versperd. Op dit oogenblik kwam Rasinski, die des nachts voor de poorten van Moskou op bivak had gelegen, met zijne kleine bende door eene zijstraat der voorstad, om zich bij de hoofdmacht aan te sluiten. Hij moest stilhouden en zag den keizer dicht voor zich; zijne trekken drukten verstoordheid uit over het oponthoud dat hem overkwam, en met misnoegen zag hij naar dat bovenmatig getal wagens. Hij wierp een scherpen blik op Rasinski, die hem met eerbied groette. Echter sprak hij niet, maar scheen alleen het geringe aantal ruiters, dat nog van het regiment overig was, met bekommering na te tellen. Eindelijk werd er een doortocht geopend en hij rende met zijn volk voort.