Part 54
„Gij moet weten, heer Von Arnheim,” begon zij dus, „dat ik de oorzaak ben, waarom de gravin een bezoek dier beide heeren wenscht te ontwijken. Eene aaneenschakeling van gebeurtenissen, welke ik het recht niet heb mede te deelen, heeft bewerkt, dat ik deze beide mannen vermijden, ja ontvlieden moet. Gij kunt u dus van mijn innigsten dank verzekerd houden, wanneer gij nu noch ooit, waar gij hen ook moogt ontmoeten, iets van mijn tegenwoordig verblijf alhier laat merken. Het is een dienst, waarom uwe landgenoote u in de volste beteekenis van het woord bidden moet.”
„Ik zou mij zelf voor een ellendeling houden, zoo ik ook maar met een woord, met een blik tegen uw wil handelde,” riep Arnheim met levendigheid uit.
„Ik ben overtuigd, dat gij doen zult, wat gij vermoogt, om mij iets onaangenaams te besparen,” zeide Maria vriendelijk en reikte hem de hand; „neem mijn warmen dank daarvoor reeds bij voorbaat aan.”
„Wanneer gij mij slechts meer, slechts iets, dat waarlijk naar eene daad, naar een dienst geleek, had opgedragen! Wenscht gij misschien iets anders van deze beide mannen te weten?”
„Ik weet niet, of het mij helpen zou,” antwoordde Maria; „doch zeg ons wat gij weet; want schadelijk kan het mij nooit zijn, de betrekkingen van hen, voor wie ik mij in acht moet nemen, te kennen.”
„Het is inderdaad weinig. Voor zoover ik weet, zijn zij beiden bij de burgerlijke administratie, die tot de groote armee behoort, aangesteld en in die betrekking gaan zij thans daarheen. Hun post schijnt zich bijzonder tot de hospitalen te bepalen, die in den rug van het leger aangelegd zijn en gedeeltelijk nog worden aangelegd.”
„Dan zullen zij misschien niet naar de armee zelve gaan?” vroeg Maria en een zweem van hoop herleefde in haar binnenste.
„Hun naaste bestemming is Wilna; verder kan ik niets zekers opgeven. Maar derwaarts zullen zij reeds binnen eenige uren op reis zijn.”
„Het is ook voldoende, en genoegzame geruststelling voor ons,” zeide de gravin. „Doch uwe eigene afreize is zoo nabij, dat wij bijna vreezen moeten, u door het verzoek, om het overige van dezen avond bij ons te blijven, den tijd tot uwe toebereidselen te ontrooven.”
„Indien gij mij wilt veroorlooven, deze weinige uren zoo gelukkig door te brengen, mijne bezigheden zijn afgedaan. Te negen uur ontvang ik mijne depêche, te tien uur ben ik zeker reeds een goed van Warschau verwijderd, want ik heb mijn wagen voor het hôtel van den gezant besteld. Tot negen uur dus....”
„Zijt gij mij de meest welkome gast,” viel de gravin hem in de rede.
Men bracht licht in de zaal en er werd thee rondgediend. Het weêr was weder ruwer geworden, de wind ruischte najaarsachtig door de boomen en sloeg tegen de vensters. Dit verhoogde slechts de gezelligheid van het vertrek; zelfs Arnheim vergat, dat hij dit geluk slechts voor zulk een vluchtig oogenblik kon genieten, dat hij na weinige uren door de ruwe hand des krijgs weder van alle vertrouwelijk, gezellig bijeenzijn voor langen tijd zou gescheiden worden. Men sprak van den slag, van de offers, welke zij geëischt had, van de nog meer beklagenswaardigen, die eerst na een langdurig lijden het geruste perk des doods zouden bereiken. Arnheim schilderde met kennis van zaken den dringenden nood, die dikwijls in hospitalen heerscht, het gebrek aan werktuigen, doch vooral aan verplegende handen.
„Ieder leger,” riep Lodoiska, door hare deelneming medegesleept, „moest door vrouwen en meisjes gevolgd worden, om de verzorging der gewonden op zich te nemen.”
„En zoudt gij moed tot zulk eene onderneming hebben?” vroeg de gravin glimlachend, maar toch ernstig.
Lodoiska, die wel gevoelde, wat haar den moed hiertoe zoude verleenen, werd hoog rood, doch antwoordde snel: „Ja, gewis, ik acht mij daartoe in staat.”
„Ik weet niet,” zeide Maria op weifelenden toon, „of niet allen, die betrekkingen onder de strijders hebben, zulk eene verplichting moesten gevoelen. Wij meisjes moesten ons misschien daarvan onthouden; maar eene vrouw, die weet, dat haar gemaal in gevaar is, moest ten minste wel nabij genoeg zijn, om in de ure van den nood tot zijne hulp te kunnen toesnellen.”
„Wanneer dat slechts mogelijk was en veroorloofd kon worden,” hernam Arnheim niet onbewogen; „onze soldaten zou zulk eene verpleging met dubbele koenheid naar het veld drijven, waar de wonden te halen zijn, waaraan zij een zoo groot geluk zouden te danken hebben.”
„De troost voor de te huis blijvende gade,” merkte de gravin aan, „ligt gewis in het gevoel, dat de man zijn edelste roeping vervult, dat hij voor den roem, de eer, de vrijheid of veiligheid van zijn vaderland strijdt. Eene waarlijk edele, den man waardige vrouw zal zoo moeten denken en daarom ook aldus leeren gevoelen. Zij mag hem het offer, dat alleen zijne persoonlijkheid zoude gelden, niet brengen, daar zij, zonder hem te beschamen, niet mag veronderstellen, dat hij het vordert. De man, die den ganschen omvang zijner plichten overziet, weet ook, dat, wanneer hij ten strijde trekt, hij aan het vaderland vrouwen en huismoeders moet achterlaten, die het opkomend geslacht voor _de toekomst_ aankweeken; ja dat have en goed van ieder in het bijzonder, die vereenigd have en goed van het algemeen zijn, ten algemeenen nutte zorgvuldig moeten bestuurd worden. Door deze overweging schijnen de plichten eener vrouw mij voorgeschreven, en lichter gemaakt te zijn.”
Niet slechts Arnheim, maar ook Maria en zelfs Lodoiska moesten bekennen, dat de gravin de plichten der vrouw op de waardigste wijze opvatte; zij luisterden met eerbied naar haar. Want wat ernstige zelfbeheersching zij ook eischte, toch verloochende zij het teeder vrouwelijk gemoed niet; zij vergunde het zijne rechten, slechts de alleenheerschappij wilde zij het niet toestaan.
„In het algemeen is dat zeker het alleen ware en rechte,” zeide Maria; „doch er komen ook gewis gevallen voor, die eene uitzondering maken. Ten minste zullen wij die, wanneer zij zich opdoen, uit de eigenaardigheid der karakters verklaren, dikwijls rechtvaardigen en somtijds ook wel bewonderen kunnen.”
„Zoo is het,” riep Arnheim met levendigheid en hechtte zijn oog op het schoone, stil gelaten wezen, dat hem, hoe nader het oogenblik des afscheids kwam, nog gestadig dierbaarder werd. Doch hij besloot met mannelijke kracht zijn gevoel te beheerschen en het hart van Maria niet tot een besluit te dwingen, dat het gansche leven omvat, in een oogenblik, waarin zij nauwelijks tijd zoude hebben, haar ja of neen uit te spreken.
De uren waren sneller dan minuten vervlogen. De klok van den St. Andreastoren sloeg negen uur; het strenge gebod van den plicht veroorloofde geen langer vertoeven. Hartelijke wenschen begeleidden den vertrekkende; het afscheid was voor allen roerend, Arnheim moest het verhaasten, om zich niet te verraden.
HOOFDSTUK IV.
De eerstvolgende dagen gingen voor de vrouwen zoo stil als gewoonlijk voorbij. De gewonnen slag maakte voor haar, gelijk voor alle inwoners van Warschau, nog steeds den hoofdinhoud van het gesprek uit. Van tijd tot tijd werden meer juiste berichten daaromtrent bekend, daar ieder, die den zijnen, hoe vluchtig dan ook, geschreven had, toch de eene of andere omstandigheid had vermeld. De bestorming der groote redoute was door de meesten kortelijk meêgedeeld. Bijna niemand was er, die niet van het groote verlies, de hardnekkigheid van het gevecht, het ontzettend artillerievuur en de ongeloofelijke inspanningen het een of ander aanhaalde.
Na drie dagen verscheen een uitvoerig officieel bericht in de couranten. De gravin las het eerst met de meest ingespannen aandacht. Trotsch klopte haar hart, zoo dikwijls de dapperheid der poolsche troepen werd vermeld, vooral echter, waar het bericht van de cavalerie sprak. Toen zij had uitgelezen, ging zij naar Lodoiska en Maria, die, met vrouwelijken arbeid bezig, op hare kamer zaten, om haar voor te lezen, wat de couranten inhielden. De belangstelling der beide meisjes was zoo groot, dat de naald haar onwillekeurig ontzonk; bij elken nieuwen strijd, die geschilderd werd, beefden zij opnieuw voor hare betrekkingen. Vooral toen het heette: „Nu kreeg de koning van Napels bevel van den keizer, om alle cavalerie, die hem ten dienste stond, bijeen te zamelen en daarmede de russische liniën overhoop te werpen, zoodat de schrikkelijke redoute in front aangevallen kon worden. Twee regimenten saksische kurassiers, drie poolsche regimenten lichte cavalerie....”
Hier begon Lodoiska te beven en verbleekte; zelfs de meer bedaarde Maria verschoot van kleur, Rasinski werd niet genoemd, doch een voorgevoel zeide haar, dat hij er met zijn regiment bij tegenwoordig geweest was. Deze voorstelling werkte sterk op haar; de beschrijving van het gevecht was levendig. Zij erkende groote verliezen, doch schilderde ook de zegepraal met schitterende kleuren.
De gravin was aan het einde. Als op een afgesproken teeken sprongen de meisjes, die tot dusver in bevende spanning hadden gezeten, op en zonken elkander in de armen. Het was de diepste aandoening over de redding harer geliefdsten uit het schrikkelijk onweder van dezen strijd. Zelfs de gravin werd week, sloot de meisjes aan hare borst en boog haar moederlijk hoofd tot haar neder.
Eerst den vijfden dag kwam een tweede brief van Rasinski, waarin met potlood geschreven blaadjes van Lodewijk en Jaromir lagen. Rasinski schreef:
„Dierbare Zuster!
„Sinds vier dagen vervolgen wij den vijand zonder ophouden en dagelijks vallen er schermutselingen voor. Evenwel rukken wij langzaam voort, daar de Russen zich in goede orde terugtrekken. Het zou niet zoo zijn, als onze afmatting het mogelijk had gemaakt, hen sneller te vervolgen. De zorg voor onze gekwetsten en voor ons onderhoud neemt bijna ieder oogenblik in beslag. Daarom slechts deze weinige regels. Wij hebben vele dierbare vrienden verloren! Twee derden van mijn regiment liggen op de hoogten van Smolensko, en onder hen ook mijn trouwe Petrowski, wiens lijk ik niet eens kon opzoeken en begraven. Sinds duizenden van jaren is er zoo geen bloedige slag gestreden. Onze vermoeienissen zijn onbeschrijfelijk, doch door Gods goedheid zijn wij nog gezond en wel. Over het bloedige slagveld van Borodino zal de vrijheidszon van Polen opgaan. Daarom, Johanna, treur niet over de dooden. Het vaderland zal hun eereteekenen stichten, die hun roem onvergankelijk doen schitteren. Vaarwel, Johanna! Het morgenrood breekt eindelijk aan. Verheug u!
Uw Broeder.”
Lodewijks blaadje luidde:
„Maria! dagen had ik noodig, om mijn hart voor u uit te storten, en slechts minuten zijn mij vergund. Den avond vóór den slag vernam ik den dood onzer moeder. O, welk een lieve, vertroostende brief van u. Midden in het gewoel van den strijd was mijn hart slechts bij u, gij arme, en de dreigende gevaren verloren bijna hunne macht over mij. Bernard is de trouwste ziel op aarde; hij waande mij verloren en zocht mij onder de dooden. Doch wij vonden elkander levend terug. Vaarwel! vertwijfel niet! de dag des wederziens en des geluks komt ook voor ons. Dat deze schrikkelijke dag mij spaarde, zij u daar borg voor.”
Jaromir schreef slechts:
„Lodoiska, mijn eenigst leven! Beef niet meer, alle gevaren zijn voorbij! De slag was geweldig; ook ik beween vele getrouwe broeders en kameraden. Doch mij beschermde uw gebed; u dank ik alles, geluk en leven. O, kon ik slechts weder aan uw boezem zinken. Boleslaw, Lodewijk en Bernard leven.—Dierbaarste, vaarwel! en denk aan uw eeuwig getrouwen
JAROMIR.”
Deze eerste berichten van de eigen hand der beminden maakten de vrouwen onbeschrijfelijk gelukkig. Ieder spoor van twijfel was nu verdwenen, zij gaven zich geheel aan het zalig gevoel over, dat na de doorgestane bange zorgen en gevaren aan het hart de zoetste belooning schenkt.
Voor en na bezocht Lodoiska dagelijks de mis. Doch hare gebeden waren nu dankgebeden geworden, en hare tranen werden niet meer door angst en verlangen afgeperst, maar vloten uit dankbare aandoening.
Zoo verliep eene week.
Daar kwam het bericht van het binnenrukken van het keizerlijk leger in Moskou; uit den burcht der oude czaren was het bulletin gedagteekend, waardoor de keizer deze nieuwe, laatste overwinning aan het verbaasde Europa bekend maakte. Derhalve was nu het groote doel, de lang gewenschte vrede, bereikt. Met wien toch zoude men oorlog voeren, wanneer er geen vijanden meer te overwinnen waren? Thans herleefden weder alle verwachtingen in alle harten, nu eindelijk geloofde men den dag der rust, de vergelding voor de zoo oneindig vele offers te zien aanbreken. De Pool gevoelde zich reeds weder vrij. Hij hoopte weder een vaderland, een uit den boezem des volks te voorschijn getreden koning, eene geschiedenis te zullen bezitten. In dit gevoel was de gravin gelukkig en trotsch. Lodoiska leunde de hut van haar stil geluk tegen het koene paleis van verwachtingen aan, dat hare verzorgster opbouwde. In hare warme borst koesterde Maria de kiemen, welke Arnheims beschouwing der dingen troostvol in haar had opgewekt. Ofschoon niet dadelijk, zullen zij toch spoedig opschieten; gij zult nog dagen van vrijheid zien aanbreken, zult uw vervolgden broeder weder vrij en veilig aan het hart drukken, zult zijn trouwen vriend onbeschroomd de hand durven reiken. Eindelijk zullen de zwarte wolken, door dezen laatsten slag uiteengejaagd, zich verdeelen en zal de blauwe hemel weder vroolijk over uw vaderland lichten. Lang genoeg hebben de ruwe winterstormen geduurd. Er moet ook weder een dag der lente aanbreken.
In deze gelukkige verwachtingen wiegden zich de zielen der vrouwen gedurende vijf dagen.
Daar verspreidde zich, het eerst door Joden, die van Brzesc Litewski kwamen, het gerucht, dat Moskou door de Russen in brand was gestoken. In het geheim mompelde men het, en fluisterde het elkander zacht, half geloovig in de ooren; want men waagde niet het luid uit te spreken, om niet de blijde hoop der opgewonden menigte door een misschien blinden schrik neder te slaan. Zooals het gewoonlijk gaat, overdreef de een, terwijl de ander wilde weten, dat het geheele geval zich tot enkele, door toeval in brand geraakte gebouwen bepaalde. In het hôtel van den gezant was alles stil, niemand vernam den inhoud der depêches, welke de koeriers aanbrachten. Doch luider en steeds aangroeiend herhaalden zich de geruchten; reeds durfde niemand ze meer tegenspreken. Eindelijk was de ramp niet meer te verbergen. Openlijk bevestigden de berichten des franschen gezants, dat de Russen in hunne razende woede zelven hunne hoofdstad der vernieling gewijd hadden. Wat ook gezegd werd, om het verschrikkelijke van deze tijding te verzachten, om het vermoeden tegen te gaan, alsof deze gebeurtenis het fransche leger gevaar of zelfs verderf konde aanbrengen,—de daad scheen te verschrikkelijk, te ongehoord, wanneer zij niet den zekersten uitslag met zich voerde. Slechts om Rusland met gewisheid te redden, kon Moskou aan de vlammen zijn prijsgegeven, gelijk men, slechts om Frankrijk te redden, de brandfakkels in Parijs zoude werpen. Dat gevoelde ieder met onoverwinnelijk bewustzijn. Een stomme, kille schrik had zich van de gemoederen meester gemaakt; eene huivering sloop door de zielen der stoutmoedigsten; de tijd had de menschen aan schrikkelijke gebeurtenissen, aan daden zonder voorbeeld gewend, deze echter ging verre de maat te buiten, overschreed verre de grens van iemands verbeelding. Men herinnerde zich, dat in den schrikkelijksten tijd der fransche revolutie een der redenaars, welker woorden eene vlam, een zwaard, een bliksemschicht werden, wanneer de opbruisende hartstocht ze uit den krater der borst slingerde, om zijne tegenstanders te verschrikken op de tribune had uitgeroepen: „Dan zal de dag komen, dat men aan de Seine de woeste plek zal aantoonen, waar eens Parijs stond.” Deze gedachte reeds had in die dagen, toen men aan bloedige schrikbeelden, aan de ontzettendste heksendansen aller furiën en demonen, die het menschelijk hart kunnen innemen, gewoon was, het bloed in de aderen doen stollen. En nu zoude iets zoo schrikkelijks, ongehoords, ondenkbaars werkelijk geschied zijn? Die stad, welke sinds eeuwen allen roem, glans en rijkdom van het onmetelijk rijk der czaren in hare burchten en paleizen vereenigde; die stad, waar de weelde van Azië zich met de kunst en bedrijvigheid van Europa wedijverend verbond; de oude hoofdstad, gewijd als een zetel van den voorvaderlijken godsdienst!.... deze zoude tot den bodem geslecht, in een akeligen aschhoop verkeerd zijn! Slechts het ijselijkste kon dit ijselijke voortbrengen, het ontzettendste alleen dit ontzettende baren. Een stortvloed van golvende vermoedens kwam bruisend nader. Daarbij kwam, dat deze nauwelijks begrijpelijke gebeurtenis op de vleugels des geruchts tot in het reusachtige aangroeide; men schilderde de verwoeste stad als een aschhoop, die geen levend wezen meer eene toevlucht verschafte als een uitgebranden krater, waarin ook de laatste levensvonk uitgedoofd was. Onder de asch zou het verbrande gebeente der legers begraven, slechts enkele aanvoerders en weinige personen zouden, door een wonder gered, ontkomen zijn. Men kon zich niet verbeelden, dat zulk een worp zou gewaagd zijn, wanneer het niet buiten twijfel was, alles daardoor te winnen. Daarom verhaalde men, dat de keizer reeds op de vlucht, ja deze of gene meende reeds te weten, dat hij in Warschau was. De bedaardsten en bezadigsten geloofden ten minste niet meer aan den vrede, maar hielden deze daad voor het onbedriegelijkste bewijs, dat de strijd nu eerst recht zou beginnen. Zoo volgde de dofste verdooving en de meest moedelooze schrik op den korten roes der vreugde, die de overwinning had aangebracht.
De gravin geleek een marmeren beeld, zoo bleek zag zij, sinds deze schrikkelijke tijdingen waren aangekomen. Zij sidderde niet voor het lot van haren broeder, voor dat harer naaste betrekkingen, maar voor dat van haar vaderland. Zij waande in het op den donkeren achtergrond brandende Moskou het schrikkelijke beeld der toekomst van Warschau te zien, en in de haar overstelpende droefheid riep zij angstig voorzeggend uit: „Wie weet, hoe nabij de dag is, dat de vlammen boven de tinnen mijner vaderstad opstijgen, ten zoen voor het ontzettende brandoffer, dat Rusland zijner gebracht heeft.”
Lodoiska was geheel moedeloos en verslagen; slechts Maria vond in hare stille gelatene ziel de rust, deze schoone vrucht des geloofs en des bewustzijns tevens. Zij, die zich niet vrij aan de uitgelatenheid der vreugde had kunnen overgeven, maar slechts verwijderde verwachtingen aan het gebeurde knoopte, was ook nu niet zoo diep in den afgrond der moedeloosheid vervallen. De gravin, het met zich zelve volkomen eens zijnde, behoefde geen troost; zij stond ontzet, maar moedig, zonder beven, aan de geopende poorten des verderfs. Doch Lodoiska werd door den stroom der gebeurtenissen bewogen als eene slingerende wijngaardrank; zij had ondersteuning noodig. De liefdevol troostende Maria, die ieder vonkje der hoop met eene alles uitputtende liefde wist aan te wakkeren, was haar steun; want voor de koele, moedige gestalte der gravin beefde Lodoiska heimelijk terug, wijl zij in hare ernstige blikken, in de diepe trekken van hare verheven droefheid het heimelijk verwijt meende te lezen: Gij treurt om niets, dan om uwe armzalige, kleine liefde! Uwe ziel is niet groot genoeg, om het verlies van een vaderland te gevoelen. Mogen allen vrij hun ondergang gevonden hebben in de vlammen, in den aschhoop, wanneer gij slechts uw minnaar behouden hadt.—Lodoiska bedroog zich; deze strenge taal zou Johanna niet gevoerd hebben, daartoe gevoelde haar hart te menschelijk, te medelijdend het lijden in den boezem eens anderen.
Doch spoedig veranderde de gestaltenis der zaken weder. In deze dagen dobberde elk levensschuitje op eene stormachtige zee. Nu zag men van den top der baar de nabijzijnde haven, de redding, de overwinning; dan weder stapelden zich de golven hoog boven het hoofd op en lieten nauwelijks eene plek van den eeuwigen hemel aanschouwen. Er kwamen latere berichten uit Moskou, die bewezen, dat het leger geen gevaar liep, dat men, ondanks de schrikkelijkste verwoesting, genoeg woningen voor winterkwartieren had overgehouden; dat de oorlog wel is waar nog voortduurde, maar dat toch de eerste stappen tot vredesonderhandelingen reeds gedaan waren. Thans verdween de verslagenheid, welke de mare des onheils had teweeggebracht, en nieuwe verwachtingen ontsproten.
De vrouwen wachtten slechts op berichten van hare vrienden, om zich geheel aan hare vreugde over te geven. Daar kwamen op een avond twee brieven tegelijk aan; de eene van Jaromirs hand was aan Lodoiska, de andere van Rasinski aan zijne zuster gericht. Dit bevreemdde, daar anders alles in Rasinski's brieven ingesloten placht te zijn. Lodoiska was in de vesper; de gravin opende alleen den brief van Rasinski aan haar; hij was van den 15. September, den dag na het begin van den brand, en luidde:
„Dierbare Zuster!
„Wij zijn, wat ons zelven betreft, een groot gevaar op de verwonderlijkste wijze ontkomen. Moskou staat in volle vlam. Er heerscht eene verwarring zonder voorbeeld. Wij moeten uit de stad naar buiten rukken en liggen thans op bivak. Ik maak van de eerste minuut, welke ik vind, gebruik, om u te melden, dat wij allen in leven en gezond zijn. Wanneer dit briefje weggaat, weet ik niet. De overste Regnard, dien ik zoo even sprak, bezorgt het op de veldpost.
Uw Broeder.”
Doch in den brief lag nog een afzonderlijk, gesloten briefje met het opschrift: „Voor u alleen.”
„Wij vermissen Jaromir! Verzwijg dit voor Lodoiska. Dat hij omgekomen zou zijn, is haast niet denkbaar. Ik moest hem met een bericht naar den maarschalk Mortier zenden; zoo is hij van ons gegaan. In deze onmetelijke stad, bij deze ongehoorde verwarring is echter niets gemakkelijker dan te verdwalen. Ik hoop, dat wij allen morgen weder bijeen zijn. Ik schrijf dit _alleen aan u_, omdat ik u heilig beloofd heb, u nooit iets te zullen verbergen. Zoo moogt gij mij ook gelooven, als ik u verzeker, dat ik hoegenaamd niet over Jaromir bekommerd ben.”
Toen de gravin het gesloten briefje gelezen had, geloofde zij natuurlijk, dat de tegelijk gekomen brief van Jaromir zijn verdwijnen zoude ophelderen. Zij hield dien met de grootste waarschijnlijkheid voor later geschreven en tot Lodoiska's geheele geruststelling nagezonden. Daarom verheugde zij zich op de terugkomst van deze, om haar met den brief te verrassen. Maria dacht ook zoo. Na een klein half uur kwam Lodoiska terug. De gravin trad haar met den brief te gemoet, hield dien half schertsend, want zij was in eene zeer vroolijke stemming, daar ook de laatste bezorgdheid van haar hart was weggekomen, omhoog en riep: „Lodoiska, wat geeft gij mij voor dezen brief?”
„Van Jaromir?” riep zij met van vreugde fonkelende oogen; tegelijk trok zij verlangend de opgestoken hand der gravin met hare linkerhand naar beneden en streelde haar met de rechter. Een hartelijke kus was het loon, dat het gelukkige meisje voor den schat gaf. Daarop opende zij haastig, met wangen, die van vreugde en verwachting hoog gekleurd waren, den brief en hield hem tegen het licht, om te lezen. Doch als ware zij plotseling op den rand van een ontzettenden afgrond geraakt, beefde zij terug, werd bleek als de dood, liet de handen krachteloos zinken en het papier vallen. Een gil, dien zij wilde uitstooten, stikte in hare benauwde borst, hare stem beefde, en nog voor de gravin of Maria haar te hulp konden snellen, zonk zij bewusteloos neder.
„Om 's hemels wil, wat deert u?” riep de gravin en zocht met behulp van Maria, die angstvol was toegesneld, de ongelukkige op te richten, doch met moeite slechts vermochten zij haar op de sofa te brengen. De gravin schelde om hulp. Maria, nam den gevallen brief van den grond op en zag, een vluchtigen blik daarin werpende, dat hij slechts één regel bevatte. Zij waagde niet hem te lezen, doch de gravin deed dit zonder bedenking. Hij bevatte niets dan de woorden:
„Huichelaarster! Trouwelooze! wij zijn voor eeuwig gescheiden.
JAROMIR.”