Part 53
Arnheim had zich warm gesproken; hij sprak voor alle partijen, en daarom hoorden zelfs de tegenstrijdigste gaarne naar hem. Maria werd door zijne woorden in het diepst harer ziel verkwikt en hare sprekende blikken betuigden hem liefdevol dank. Bewogen richtte zich de gravin overeind.
„Wanneer gij reeds zulke groote verwachtingen aan de overwinning hecht,” zeide zij, „hoe moet ons dan het hart kloppen, ons, die in dezen slag voor de vrijheid van ons vaderland streden! O, als de dag was aangebroken, de zoolang, zoo gloeiend verlangde dag, waarop het in het stof gebogen Polen den edelen nek weer trotsch kon oprichten; wanneer de witte adelaar de verlamde vleugelen kon uitbreiden en de stoute vlucht naar de zon der vrijheid en des roems ondernemen! O, dan, dan driewerf heil en zegen over deze overwinning! Het bloed der gesneuvelden ware niet vergeefs gestort.” Als eene koningin stond de fiere vrouw daar, met handen en blikken plechtig ten hemel geheven.
HOOFDSTUK III.
Lodoiska trad weder binnen. De afwisseling van angst en vreugde had haar teeder gestel zoo aangetast, dat het lichte rood op hare wangen eer een ziekelijk spoor van koortsachtige aandoeningen dan een teeken van gezondheid en inwendige tevredenheid geleek.
De gravin wist, dat lichamelijke beweging en versche lucht haar in dien toestand het beste waren; zij zelve had eene wandeling in de open lucht noodig, om het jagen van haar boezem te doen bedaren. Zij sloeg voor, in den tuin te gaan; de zaaldeur openende, trad zij terstond zelve naar buiten, de anderen volgden.
De zon had de grauwe wolken aan den hemel een weinig verdeeld, en wierp een halflicht door de dunne witte strepen, die langs de schitterende schijf heentogen.
Maria bleef een oogenblik staan en zag naar den hemel op; zij verloor zich in stille bespiegelingen.
Arnheim, die steeds trachtte haar nabij te blijven, vestigde zijne blikken op haar gelaat. Er lag oneindig veel meer zachte vrouwelijkheid dan hoogheid in hare trekken, doch tevens iets zoo reins en edels, dat zich alle liefde voor deze vriendelijke gedaante met eerbied of ten minste met de teederste schroomvalligheid paarde. Misschien was de gravin, die een scherpen blik voor alle toestanden had, niet zonder oogmerk met Lodoiska vooruitgegaan, zoodat Maria zoo goed als alleen met Arnheim achterbleef. Zij zelve althans had het niet bemerkt.
„En wat zoekt en vraagt het oog mijner schoone vriendin daar boven?” vroeg hij eindelijk, haar zwijgend mijmeren afbrekende.
„Ach! ik dacht aan ons vaderland,” zeide zij op hartelijken toon en met volkomen vrijmoedigheid. „Gij hebt zulke schoone troostwoorden voor mij gesproken, zulke dierbare verwachtingen in mij opgewekt!—Moest mij deze hemel niet als een zinnebeeld van onzen toestand voorkomen? Het licht strijdt met duistere wolken. Vóór een uur lag alles nog in een donker grauw bedolven; thans verbergen nog slechts witte, halfverlichte sluiers de zon. Zoo hebben ook uwe woorden mijne uitzichten verhelderd; zij liggen niet meer achter geheel donkere wolken.”
„O, deze zullen zich spoedig geheel verdeelen,” riep Arnheim met drift uit. „Wij zijn alleen. Ik moet voorzichtig zijn; maar een hart, dat ook in den vrouwelijken boezem zoo vaderlandsch klopt als het uwe, mag ik wel een mannelijk geheim toevertrouwen, dat uwe hoop gelijk een morgendauw zal verkwikken. De gezindheid van broederlijke eendracht, waarop ik met mijne woorden doelde, is in ons vaderland geen schoone droom, geen vrome wensch meer. Met levendigheid is zij ontwaakt; de ijzeren druk der tijden heeft de kracht des wederstands te voorschijn geroepen. Gelijk het staal eerst door zijne harde aanraking de vonk uit den kouden steen lokt, zoo hebben de slagen van het noodlot in Duitschland edele vonken doen voortkomen, die eens, tot een stil aangroeienden gloed vereenigd, als eene heldere vlam zullen opflikkeren. Ja, de edelste mannen reiken elkander de hand; een voor lang gesloten verbond, dat wel voor het uiterlijk weder ontbonden werd, doch in zijn hooger doeleinde bleef voortbestaan, vereenigt hen en slingert zich als eene geheime keten door geheel ons vaderland. Nader en vertrouwelijker dan ooit zijn deze edelen nu verbonden, en in allen leeft het vaste besluit, het onwaardige niet rustig lijdend te verdragen. Doch met de sterke teugels der matiging houden zij de uitbarsting der diepste verontwaardiging terug, totdat de krachten in evenredigheid met den wil zijn aangegroeid. Het gunstig oogenblik zal worden afgewacht; het is geen traag uitzien, want dikwijls vertoont zich de gunst van het noodlot aan het opmerkzame oog. Ondertusschen worden alle krachten voorbereid en gevoed, vertrouwde vrienden aangeworven en in stilte het goede zaad gestrooid. De geheime draden tot het weefsel van groote gebeurtenissen zijn uitgespannen; één wenk, en duizend handen zijn er aan werkzaam.” Arnheims blikken flonkerden van geestdrift, terwijl hij zoo sprak; ook in Maria's oog schitterde een straal van hoop.
„O,” zeide zij, „dus zullen in dit hart toch nog vreugde en hoop terugkeeren; dat zijn gewaarwordingen, die het sinds langen tijd vreemd waren. Hoezeer dank ik u voor dit bericht! Hoe krachtig richt zich de reeds gezonken moed in mij op!—En gij behoort tot dit verbond?” vroeg zij na eenige oogenblikken.
„Eerst sinds twee weken, toen waardige mannen in Pruisen mij die eer waardig rekenden,” hernam Arnheim.
„Neem ook mij daarin op, als een zwijgend, doch niet minder getrouw lid,” zeide Maria en reikte hem de hand. „In mijn hart behoorde ik reeds lang tot zulk een verbond.”
Arnheim greep Maria's hand. Hij kuste ze niet, maar drukte ze met warmte. Een zonderling gevoel beklemde hem de borst. Maria stond zoo beminnelijk voor hem, haar blauw oog zag hem zoo trouwhartig en open aan—o, zij was schoon en goed, en beter dan schoon!
„Hoe noemt gij dat schoone verbond, waartoe ik in stilte wil behooren?” zeide zij, toen hij bevend stilzweeg; „ik heb echter slechts gevraagd, wanneer gij mij moogt antwoorden.”
„Het voert een schoonen, misschien te trotschen naam. Doch deze moet slechts van den wil en niet van het volbrengen der broeders verstaan worden; het heet het _Deugdverbond_.”
Op dit oogenblik dreven de laatste wolken voor de zon heen en haar schitterend licht viel rein en glansrijk op de sprekers. Tegelijk verhief zich een statig ruischen in de herfstelijke toppen, alsof edele geesten op machtige vleugels voorbij zweefden. De wolkengordijn werd wijd geopend; het licht stroomde uit de blauwe ruimte neder en goot zich als eene gouden golf over het gras en de zich trotsch wiegelende kruinen der boomen uit.
„Dat is de nabijheid des Almachtigen, het is Zijn heilverkondende wenk, het teeken Zijner zegenende goedkeuring,” riep Maria met geestdrift en richtte haar verheerlijkt oog naar het gewelf des hemels, wiens donker, zuiver blauw hoog boven de verstrooide wolken stond. „Welk hard lot mij ook treffe, welke beproevingen Gij mij ook toezendt, aan dit teeken wil ik mij vasthouden. Dat zal voor mij lichten in de donkere dagen, door welke Uw wil mij voert.” Zoo sprak zij in de volheid van haar geloovig vertrouwen.
Arnheim stond met diepen eerbied voor haar. In zijn boezem bewogen zich hevige aandoeningen; doch een donker voorgevoel zeide hem, dat haar hart, dat zich zoo vrij, zoo onverdeeld aan haar vaderland toewijdde, slechts van deze hoogere vlam en niet van den stilleren gloed der liefde vervuld werd. Smartelijk getroffen zweeg hij. Het nabijzijnde beeld der geliefde, dat hij eerst meende te omvatten, verdween; maar eene hoogere, edeler gedaante zweefde voor hem en zag hem uit eene lichtende hoogte aan. Geen bruid waagde hij aan het hart te drukken, tot eene heilige verhief hij zijn blik. Want zóó stond zij thans voor hem. Met zijn veredeld gevoel groeide de verlangende smart in zijn boezem aan, maar ook tevens de kracht, om over deze te heerschen.
„Ja,” hernam hij met mannelijke vastheid, „gij hebt recht. Deze grootsche verwachting moet ons als de vlam eener baak, als het vaste doel midden in den stormachtigen nacht dezes levens voorlichten. Ook de schipbreukeling mag nog den laatsten blik derwaarts wenden, en, wanneer hij edel weet te denken, den troost medenemen, dat anderen, door haar geleid, de haven der vrijheid en des vredes, voor welke hij strandde, zullen bereiken.”
„Ik geloof, dat de gravin ons wacht,” zeide Maria, die haar ver achterblijven nu eerst een weinig blozend, bemerkte. „Wij zijn inderdaad geheel achtergebleven.”
Met deze woorden ging zij sneller vooruit.
De gravin merkte beider ontroering dadelijk op; doch met ware fijngevoeligheid verried zij dit zelfs niet door een glimlach, niet door een oogopslag; maar scheen het achterblijven, als bloot toevallig, niet eens een opmerking waardig te achten.
„De lucht is onze wandeling gunstig,” merkte zij aan, toen de zon juist door de wolken brak. „Zij gaf gedurende eenige oogenblikken de schoonste verlichting aan het park. De wolkenschaduwen vlogen er over heen en de stroom des lichts ijlde ze als vervolgend achterna.”
„Die afwisselende verlichting maakte mij den herfst, ik meen de herfstlandschappen, zoo lief.”
„Hij gelijkt zeker veel op een treurspel in het vierde bedrijf,” hernam Arnheim, terwijl hij zijne gemoedsbeweging achter den lichten toon der samenleving trachtte te verbergen.
„Waarom dat?” vroeg de gravin.
„Daar immers beginnen de gelukkige betrekkingen gewoonlijk te weifelen; de heldere hemel, dien de dichter als contrast van den storm, welke hij wil oproepen, over ons uitgespreid heeft, verduistert zich langzamerhand en wij aanschouwen den strijd van het licht met den nacht van het tragische noodlot. De melodieuse tonen van gelukkiger dagen zijn nog niet geheel vervlogen, maar reeds rollen de doffe tonen des donders in de verte. Evenzoo de herfst, die misschien daarin zijne grootste bekoorlijkheid vindt, dat wij alle schoonheden der natuur gereed zien ons te ontvluchten. Zoo worden onze betrekkingen ons eerst recht dierbaar bij het afscheid; daar eerst erkennen wij weder thans waarde; ja het onverschillige stijgt hoog in prijs, wanneer wij er van moeten scheiden.”
„Gij hebt gelijk, doch ik zou aan den herfst toch ook wel eenige zelfstandige waarde willen toekennen. Het bewijs schijnt mij daarin te liggen, dat ik mij in den zomer reeds in zijne verschijning verheug; wie echter hoopt op het afscheidsuur?”
„Ik wil mijne vergelijking niet verdedigen. Niet eene is er onkwetsbaar; op de eene of andere plaats dringt de pijl der kritiek altijd door. Alle, voornamelijk de schertsende verliezen wanneer men ze standvastig wil volhouden. Mij schijnt het ook een zeer groot gebrek aan poëzie te verraden, dit te willen doen; slechte dichters alleen wagen het. De schoonheid der vergelijking bestaat slechts in de half uitgedrukte, maar tegelijk diep verstaanbare beteekenis der waarheid; men moet ze daaruit erkennen en gevoelen, maar niet bewijzen of verklaren.”
De gravin luisterde opmerkzaam naar de woorden van Arnheim; een gesprek, dat nadenken vorderde, was haar steeds het aangenaamste. Maria had zich bij Lodoiska gevoegd, in wier vreugde zij thans met een even verblijd hart kon deelen.
Opeens klonk tusschen het geruisch der boomen en het waaien des winds het plechtig gelui der klokken van de nabijgelegen Andreaskerk heen.
„Op dezen ongewonen tijd? Wat mag dat beteekenen?” vroeg de gravin.
Het gelui der klokken liet zich thans van verschillende kanten hooren; van nader en verder afgelegen kerken drong het gedreun door de stilte des voormiddags.
„Het zal de viering der overwinning beteekenen,” merkte de ritmeester aan.
„Gij hebt gelijk. Ja, en het is eene zege, voor welke wij den hemel moeten danken. Hoe mij het hart vol wordt bij deze klanken! Eene zege! Eene zege! Uit de donkere onweerswolken van den slag breekt misschien het nieuwe morgenrood voor ons vaderland aan.—Thans versta ik dien onrustigen aandrang in mijn boezem; onder het biddende, dankende volk moet ik mij mengen, de gloeiende ziel in eigen gebed ten hemel verheffen.”
Haastig wendde zij zich om en ging op het paleis aan. Haar voornemen was een onweerstaanbaar gebod voor de overigen, ook zelfs indien hun eigen vreugdegevoel hen niet naar het altaar des Almachtigen gedreven had.
„Geen rijtuig, geen rijtuig!” riep de gravin eenen bediende toe, die, daar hij bemerkte, dat men zich gereed maakte uit te gaan, de vraag, of hij den koetsier zou bestellen, op de tong had. „Wij gaan te voet. Gelijk het gansche volk ter kerke stroomt, zoo ook wij. Het is een dag van deemoed en niet van trotschheid. En toch, hoe fier klopt mij het hart!”
Ondertusschen had zij een donkeren sjaal omgeslagen. Arnheim bood haar den arm aan. Maria en Lodoiska volgden.
Op de straten was alles in beweging. Het volk stroomde over de pleinen naar de kerk. Alle klokken luidden, als op den feestdag eens heiligen. Onder het hôtel van den gezant kruisten zich twee wapperende driekleurige vanen. De in de stad aanwezige troepen vereenigden zich, om in parade naar de kerk te worden geleid. Als door een tooverslag was de werkdag in een hoogen feestdag veranderd. Het volk had zijne zondagskleederen aangetrokken; mannen, vrouwen, meisjes en kinderen, alles stroomde in bont gewoel naar het altaar des Heeren. Hoe schitterden de vurige oogen der meisjes en jongelingen. Genen golfde het lange, zwarte haar onder de sluiers weg en bedekte den blanken hals. Deze hadden de hooge, met tressen versierde mutsen, van welke rijke kwasten afhingen, trotsch in de oogen gedrukt en met mannelijke fierheid de sabel aangegord.
Maria werd het bijna bang om het hart, toen zij de algemeene volksvreugde aanschouwde. Ach, in haar vaderland had zij zulk een feest nog niet beleefd. En zal men daar niet over deze overwinning treuren? Is ons hart niet aan de zijde des vijands, ofschoon ook onze landgenooten, door de macht der wereldgebeurtenissen gedwongen, tegen hem zijn uitgetrokken? En zal deze slag waarlijk zulke zegenrijke gevolgen voor ons hebben, als de verwachtingen nu gespannen zijn?
Met zulke gedachten was men de St. Andreaskerk genaderd, wier wijde deuren openstonden. De tonen des orgels klonken den binnentredenden plechtig tegemoet en vermengden zich met het dreunend geluid der klokken; de kaarsen op het altaar brandden: voor alle beelden der heiligen waren zij aangestoken. Het volk vulde bijna reeds de ruime gewelven, doch nog steeds drongen nieuwe scharen binnen. Met moeite bereikte de gravin nog haar afgesloten bidstoel, door welks tralies men de gansche kerk overzag. Tegenover het koor waren de zitplaatsen van het fransche gezantschap; links zag men het groot altaar, rechts den kansel.
Het traliewerk van hare plaats was Maria zeer welkom, wijl zij dezen dienst moest bijwonen zonder de uiterlijke plechtigheden mede te verrichten en derhalve slechts als toeschouwster verscheen, terwijl haar hart toch innig dankbaar voor het behoud der haren sloeg en haar vurig smeekgebed voor eene zegenrijke wending van het lot haars vaderlands tot God omhoog steeg. Zij ondervond thans, dat de ware vroomheid, het ware, vaste geloof geen secten, geen vormen des gebeds kent. Gij vindt uwen God overal, waar gij in waarheid tot Hem bidt.
Terwijl de gravin en Lodoiska met den rozenkrans in de hand nederknielden, bleef Maria stil, doch aandachtig op haar afgezonderden zetel. Arnheim was niet mede in den bidstoel der gravin getreden, wijl het gebruik de mannen en de vrouwen in de kerk scheidde.
Lodoiska bad met den gloed eener dweepster; haar oog vestigde zich onafgebroken op een tegen haar over hangend Mariabeeld. Zacht bewoog zij de lippen, doch geen geluid werd hoorbaar. De gravin was ernstig; ook knielend behield zij de majesteit harer houding, want de hoogheid straalde van haar open voorhoofd. Haar groot, donker oog verhief zich van tijd tot tijd onder de lange wimpers en zag met heiligen ernst omhoog.
De mis was geëindigd, de vrouwen verlieten de Kerk. Dicht bij de deuren kruisten zich de stroomen van menschen, zoodat er eene stremming ontstond. Van beide kanten kwamen zij, die op het koor gezeten hadden, de trappen af; van drie kanten drong de stroom uit het schip van de kerk voort. Arnheim had zich niet weder bij de vrouwen kunnen aansluiten; zij waren alleen en hielden zich stijf aan elkander vast. Nu kwam ook de fransche gezant met zijn talrijk gevolg de trappen af. De stroom van menschen voerde hem dicht langs de vrouwen heen. Langzamerhand zag Maria zich geheel van uniformen omgeven; zij boog het hoofd, om de somwijlen zeer stoute blikken dezer mannen te ontwijken. Daar hoorde zij eenige fransche woorden door eene stem uitspreken, die haar bekend was. Zij keek op, doch, als had zij op een adder getrapt, deinsde zij onwillekeurig bevend achteruit en verbleekte, want zij zag, met het gelaat half naar haar toegekeerd, den gevreesden, gehaten Beaucaire voor zich en twee treden van hem af ook St. Luces. Zij moest al hare tegenwoordigheid van geest bijeenroepen, om zich niet door een gil te verraden; hare knieën knikten, nauwelijks vermocht zij een voet te verzetten. Zij zou zekerlijk zijn neergezonken, wanneer het gedrang der naar buiten stroomende menschen haar niet met geweld had staande gehouden. Hare gewaarwording geleek die van een wandelaar, die plotseling ontdekt, dat hij zich naast eene in het gras slapende slang heeft nedergevlijd om uit te rusten; hij weet niet of vluchten dan blijven hem in het verderf zal storten. Zooals Beaucaire en St. Luces op dit oogenblik stonden, was het hun onmogelijk Maria te zien. Doch of zij niet reeds lang door beiden bemerkt was, kon zij niet weten. O, hoeveel had zij er thans niet voor gegeven, zoo zij, evenals Lodoiska en de gravin, een sluier gedragen had, om haar gelaat te verbergen. Zij wendde het af, bedekte het met haren zakdoek, zocht zich te verbergen zoo goed het mogelijk was, doch de voortstuwende massa drong haar immer nader aan het gevaar en zij zag het oogenblik komen, waarop zij in de onmiddellijke nabijheid van Beaucaire zoude zijn en haar arm den zijnen moest aanraken. Zij zou de gravin een wenk gegeven hebben, doch ieder woord was gevaarlijk en kon haar verraden. In doodsangst wachtte zij stil den afloop af en gaf zich aan haar lot over. Slechts een zwijgend gebed zond zij tot den Almachtige op, dat Hij haar uit dit gevaar mocht redden. Daar keerde de stroom zich plotseling zijwaarts af, daar men eene tweede deur geopend had. De gravin volgde dezen stroom, en zoo bereikte men in weinige minuten de open lucht, waar voor het oogenblik ten minste veiligheid was. Thans eerst kon Maria harer moederlijke vriendin het gevaar ontdekken, waarin zij verkeerde. Deze sloeg dadelijk een omweg door eenige zijstraten in, om ongemerkt het paleis te bereiken. Zij zocht Maria gerust te stellen door de verzekering, dat niemand in Warschau het zou durven wagen, het heiligdom der gastvriendschap te verontrusten, ook zelfs als men haar verblijf ontdekt had. „Intusschen twijfel ik hier aan,” voer zij voort, „want had een dezer mannen ons herkend, dan zouden zij hun oogen onafgewend op ons gericht hebben, doch hiervan heb ik niets bemerkt.” Ook Lodoiska voegde zich bij deze meening.
Door deze verzekering eenigermate gerustgesteld, haalde Maria weer vrijer adem. Had de gravin gelijk, dan was zij inderdaad een groot gevaar gelukkig ontkomen; want bij den toenmaligen stand van zaken had zij, in Duitschland ten minste, van de willekeur van zulk een vijand als Beaucaire en allerdenkelijkst ook St. Luces was, alles te vreezen. Er was geene andere redding, dan de vlucht of deze of gene machtige bescherming. Op deze hoopte Maria door het aanzien der gravin; aan zich zelve overgelaten, ware zij verloren geweest, want het geringste vermoeden van in staatkundige bemoeiingen gewikkeld te zijn geweest was immers voldoende, om zelfs tegen vrouwen de hardste maatregelen te billijken, en Maria wist zeer goed, dat zij en hare moeder deze slechts door de ijverige en behendige tusschenkomst van Rasinski en door het gelukkig toeval van St. Luces' vertrek uit Dresden ontkomen waren. Wat toen de broeder voor haar gedaan had hoopte zij thans van de zuster. Om zekerheid nopens den stand van zaken te verkrijgen, begreep de gravin, dat men Arnheim, zoo al niet geheel, dan toch gedeeltelijk in het geheim moest inwijden: een vertrouwen, dat Maria hem, na wat hij haar dezen morgen geopenbaard had, volkomen waardig keurde. In de kerk was men wel van hem gescheiden geraakt, doch men twijfelde geen oogenblik, of hij zou zich zeer spoedig weder in het huis der gravin laten zien. Ondertusschen werd het middag en nog verscheen hij niet. Dit verwekte bij Maria eenige bezorgdheid, ofschoon zij over haar eigen toestand reeds rustiger werd, daar zij, zoo Beaucaire haar bemerkt had en vervolgen wilde, reeds nu de werking zijner booze aanslagen zou bespeurd hebben. Immers, hij kon haar niet anders dan in gezelschap van Lodoiska en de gravin gezien hebben, welke hij beiden kende, hetgeen genoeg was, hem haar verblijf te ontdekken. Eindelijk tegen den avond liet Arnheim zich aandienen. Wanneer hij geweten had, hoe smartelijk men naar hem verlangde, was hij reeds lang daar geweest; doch hetzelfde gevoel, dat hem zoo machtig naar deze plaats trok, hield hem juist terug. Niet zelden toch schroomt men het meest, dáár een bezoek te maken, waar men het liefst is, wijl men eene teleurstelling in zijne poging zoozeer vreest, dat men die somtijds liever in het geheel niet onderneemt. Voor dit avondbezoek had Arnheim evenwel een geldig voorwendsel of liever eene dringende reden, want hij moest nog dezen nacht als koerier vertrekken. Te negen uur was hij bij den gezant bescheiden, om zijn depêches te ontvangen. Toen hij met deze verontschuldiging zijn bezoek inleidde, begreep men terstond, dat zijne hulp in de zaak, welke men hem wilde toevertrouwen, niet meer mogelijk was. Doch hij bracht zelf het gesprek daarop, daar hij zich spoedig liet ontvallen: „Het schijnt, dat alle badgasten uit Teplitz zich in Warschau willen verzamelen, want ik ontmoette er twee bij den gezant, de beide Franschen, die op die buitenpartij naar Aussig bij ons kwamen.”
„Hebt gij hen gesproken?” vroeg de gravin op een toon, die te haastig was, om niet opgemerkt te worden.
„Slechts even,” antwoordde Arnheim; „doch waarom? Wenscht gij misschien.....”
„O ja, wij wenschen zeker iets en zouden u een gewichtigen, dringenden dienst kunnen vergen,” viel de gravin hierop in en zag Maria aan.
„Met groot genoegen stel ik mij tot uwe beschikking,” antwoordde Arnheim.
„Het is de vraag, of gij het nog kunt. Ons verlangen namelijk is dit, dat de beide Franschen, zoo mogelijk ons verblijf in 't geheel niet te weten komen, want wij hebben dringende reden, om hen te mijden. Misschien hebt gij ons echter reeds genoemd en dan....”
„Stellig niet,” viel Arnheim haar in de reden; „want ik herinner mij nog uit Teplitz, dat deze heeren u,” hier zag hij Maria aan, „reeds bij de toenmalige ontmoeting niet aangenaam waren; mij zijn zij het inderdaad ook niet en wij wisselden daarom slechts eenige onbeduidende woorden. Ook kunt gij geheel zonder zorg zijn, want zij reizen nog heden, op hetzelfde uur als ik, van hier.”
„Goddank!” riep Maria uit, die tot hiertoe met eene angstige spanning had toegeluisterd en wie nu de aangename verrassing dezen uitroep uitlokte.
Arnheim was verbaasd over hare drift; doch zijne bescheidenheid verbood hem, navraag te doen. Maria gevoelde nochtans, dat zij zich verklaren moest, wanneer zij niet tot vreemde vermoedens aanleiding wilde geven.