Part 52
Daarbij sluimerde eene schrikbarende gedachte in het diepst harer ziel; zij waagde niet, die voor zich zelve duidelijk te doen worden, veel minder zou zij eene vreemde tot vertrouwde daarvan hebben gemaakt. Van het oogenblik, waarop Jaromir haar dierbaar werd, beschouwde zij—en zij herinnerde zich zulks maar al te wel—de verleidelijke schoonheid van Françoise Alisette met angstige blikken. Dat meisje scheen haar onwederstaanbaar; het voorval bij het afmarcheeren van het regiment, dat zij mede had aangezien, was haar, hoezeer het ook slechts eene onschuldige galanterie geleek, onvergetelijk gebleven. Het had eene vonk van jaloezie—neen, dit woord is te hard—maar toch van bezorgdheid in hare ziel geworpen, die, hoe menigmaal zij die ook door ernstig ongenoegen tegen zich zelve wilde verstikken, altijd opnieuw aanglom en bleef gloren in haar door sombere voorgevoelens bewogen gemoed. Somwijlen meende zij, dat ze was uitgedoofd, doch plotseling brak ze bij de eene of andere gelegenheid opnieuw uit en scheen zich slechts dieper in de schuilhoeken harer ziel verborgen te hebben. Dit was eigenlijk de oorzaak van haar bangen kommer; van hare dweepachtige droefgeestigheid. Niet dat het spook van den argwaan haar zoo vervolgde; maar zij beschouwde bij het gevoel harer onverbreekbare trouw jegens den geliefde eene verdenking tegen de zijne als de zwaarste misdaad. Zoo leed zij de dubbele kwaal van angst en van berouw tevens over hare eigene schuld; slechts in de gloeiendste liefde, in de teederste opoffering geloofde zij boete voor hare strafbare gedachte te kunnen doen, en daarom groeide haar dweepachtige ziekelijke hartstocht in dubbele verhouding tot de beangstigende kwaal aan, welke zij zwijgend in haar binnenste omdroeg. Kon zij zoo door en in hare liefde gelukkig zijn? Slechts in de bedwelming van het oogenblik, waarin zij alles vergat, was dit mogelijk, namelijk wanneer zij brieven van Jaromir ontving, wanneer zij hem schreef en onder het schrijven zich meer en meer opwond, wanneer zij van zijne nabijheid, zijne omarming droomde. Doch spoedig hingen weder zwarte wolken aan den hemel harer verwachtingen, en vergiftige planten sproten rondom den reinen bloesem harer liefde uit. Met deze knagende kwaal paarde zich de diepe aanleg tot zwaarmoedigheid, die van hare jeugd af in hare ziel woonde; deze schiep duistere, schrikkelijke beelden, welke haar, daar zij menigmaal in hare onrustige droomen terugkeerde, spoedig als gewisse voorgevoelens voorkwamen. Of sponnen de koortsachtige hartstocht, de ziekelijk opgewekte aandoening harer zenuwen misschien een onzichtbaren band tusschen haar en de toekomst? Zijn er waarschuwende, voorzeggende stemmen voor een aandachtig luisterend oor? Is het slechts het ruischende gewoel eener uiterlijke wereld, naar welke wij slechts al te zeer heenneigen, dat ons verhindert haar te hooren?
Ach! Lodoiska vernam ze als het verre, akelige rollen van een naderend onweder, als bange klaagtonen in het nachtgeruisch des winds, onder het angstvolle kloppen harer borst.
Dan vluchtte zij in de kapel; slechts in het gebed vond hare edele ziel de rust weder. Want daar zwegen de stemmen des levens en van den hartstocht; de opgeruide golven legden zich neder, de troebele, vreemde stoffen zonken op den bodem, en de hemel spiegelde zich helder en diep in den gestilden vloed.
HOOFDSTUK II.
Het was een grauwe Septemberdag, toen Lodoiska, slechts door hare kamenier begeleid, de nabijgelegen kerk bezocht. Haar weg leidde haar voorbij het hôtel van den heer De Pradt, den franschen gezant in Warschau. Voor de deur stond het rijtuig van een koerier, en er had eene in het oog vallende beweging onder de dienstboden plaats. Er moest eene gewichtige tijding zijn aangekomen. Met een kloppend hart naderde zij. Zeker konden er koeriers uit alle oorden van Europa, uit Spanje, Parijs, Italië of Weenen aan het gezantschap aankomen; doch de groote gebeurtenissen vielen dáár voor, waar haar hart zich bevond. Eene inwendige stem zeide haar, dat er berichten van de armee moesten gekomen zijn. Zij verhaastte haren tred, en te beschroomd, om zelve er naar te vernemen, droeg zij dit aan hare kamenier op en wilde, langzaam voorbijgaande, deze aan de andere zijde van het hôtel opwachten. Doch terwijl zij de deur voorbijging, kwam een officier in groot tenue er uit; hij stond stil toen hij haar zag, scheen haar te herkennen, trad snel op haar toe, boog zich en sprak:
„Ik hoop misschien te veel van de welwillendheid van uw geheugen, wanneer ik vooronderstel, dat gij mij nog zoudt kennen, genadige gravin?”
De jonkvrouw stond verrast, maar herkende evenwel dadelijk den ritmeester Arnheim uit Teplitz.
„O zeker herken ik u,” was haar antwoord, „ofschoon ik maar weinige dagen in Teplitz heb doorgebracht. Doch daarentegen is het ook slechts kort geleden dat wij het verlaten hebben. Maar wat voert u naar Warschau?”
„Mijne herstelling is volkomen. Ik vertrek naar het leger in Volhynië.”
„Het schijnt, dat er zoo even gewichtige berichten bij den franschen gezant zijn aangekomen,” zeide Lodoiska een weinig angstig, en zag rond, of hare kamenier haar niet volgde.
„De gewichtigste der wereld,” hernam de ritmeester met drift; „de koerier heeft ze zoo op het oogenblik gebracht; er is een groote slag geleverd bij Mosaisk, twee dagmarschen van Moskou.”
„Zonder twijfel zeer bloedig?” viel Lodoiska verbleekend en sidderend in.
Arnheim bemerkte onder het gaan niet, dat zij door dit bericht zoo hevig werd aangegrepen, en voer daarom onvoorzichtig voort: „Bloedig zooals er in de geschiedenis geen tweede voorbeeld te vinden is; het aantal gesneuvelden en gewonden is nog niet juist bekend, doch in het ruwe geeft de depêche dit op zestig of zeventig duizend man aan beide zijden op. De overwinning des keizers is met onmetelijke offers gekocht.”
Het tooneel van het slagveld trad plotseling met zoo akelige kleuren voor de oogen van Lodoiska en vervulde hare ziel met zulk eene ontzetting, dat zij, zich zelve niet meer meester, verbleekend terugtrad en onder den uitroep: „Heilige moeder Maria!” ineenzeeg.
Arnheim sprong toe en ving haar in zijne armen op. Verlegen zag hij rond om hulp, toen reeds Lodoiska's kamenier haastig toeschoot en angstig riep: „Om Godswil, wat deert mijne meesteres?”
„De schrik over de tijding van den slag heeft haar zoo hevig ontroerd; wij zullen haar hier in het huis van den gezant dragen,” zeide Arnheim.
Doch Lodoiska opende hare oogen weder. Een donkere schaamtegloed verspreidde zich over het albast harer wangen; diep zuchtte zij; spreken vermocht zij niet, doch zij richtte zich op en bleef slechts op den arm harer kamenier leunen.
„Hoe zal ik vergiffenis voor mijne onverzichtigheid kunnen hopen? Wij soldaten zijn zoo ruw, dat wij bij de tijding van een slag nooit aan de offers denken.”
„Gij hebt geen schuld,” antwoordde Lodoiska; „het was mijne dwaze zwakheid.” Daar barstten hare tranen met stroomen los. „Ik moet naar huis—vergeef mij....” sprak zij met moeite.
„Mag ik u mijn arm aanbieden? Of wilt gij, dat ik een rijtuig bezorg?” vroeg de ritmeester gedienstig.
„Wanneer gij mij ondersteunen wilt, zal ik u zeer verplicht zijn; ik ben inderdaad ten uiterste afgemat.” Arnheim gaf haar den arm. Aan de andere zijde leunde zij op de kamenier, en liet zich zoo naar het paleis der gravin terugleiden.
Gelukkig had Lodoiska's onmacht slechts eene minuut geduurd, en de opmerkzaamheid der lieden op de straat was in dat oogenblik zoozeer op de beweging in het hôtel van den gezant gericht geweest, dat het voorval geheel onbemerkt voorbijging. Men sloeg nu eene stille zijstraat in, en zoo kwam de ondersteunde gelukkig aan het paleis der gravin, zonder dat de nieuwsgierigheid van lastige kijkers haar vervolgde.
Niet moeielijk viel het den ritmeester, zich de oorzaak van haar hevigen schrik in het algemeen te verklaren. Wie had niet een vriend, een broeder of vader bij het leger? Intusschen dacht hij fijn genoeg, om geen onderzoek te doen, en zocht ook den verpletterenden indruk der eerste tijding door verzachtende berichten te matigen.
Toen men aan de deur des huizes stond, zeide Lodoiska: „Ik dank u van harte voor uwe deelnemende hulp; zeker moest ik u verzoeken, mij nog verder te volgen; toch....” Arnheim liet haar niet uitspreken; met warmte viel hij haar in de rede: „Deze eerste uren der ontroering behooren der eenzaamheid; de welwillendste bezoeker zou hier slechts komen storen. Doch gij verbiedt mij immers niet, op een meer gunstigen tijd te komen?”
Lodoiska zag hem met een dankbaren blik aan. „Het zou mij zeer leed doen, indien wij u niet zagen; ik hoop, dat wij u dan blijder welkom zullen heeten.” Met deze woorden reikte zij hem de hand tot afscheid en trad toen, zich ras omwendend, wijl zij haar angst niet meer betoomen kon, binnen. Met moeite bereikte zij de stille tuinkamer. Maria was de eerste, die haar ontmoette. „Leen mij uwe sterkte, Maria,” riep zij haar toe en breidde hare armen uit; „leen mij uwe kracht, mijne dierbare, om den doodsangst te kunnen doorstaan, tot wij bericht hebben.”
„Om Gods wil, wat is er gebeurd?” riep Maria verschrikt, terwijl zij hare vriendin, die zich buiten adem aan hare borst wierp, teeder omarmde. Lodoiska kon een geruimen tijd niet spreken; Maria hoorde slechts het luid kloppen van haar hart. Zij leidde de half bezwijmende naar de sofa. Daar eerst begon deze na eenige minuten in de hevigste aandoening: „Er is een slag geleverd. Zeventig duizend dooden en verminkten bedekken het veld. Het verschrikkelijk beeld van dezen oneindigen jammer zal mij waanzinnig maken. O, Maria! ik zie niets dan bloed en het bleeke, stomme gelaat der dooden.”
De gravin trad binnen. Zij had van de kamenier reeds vernomen, wat er was voorgevallen. Bij haar zegevierde het gevoel der overwinning op den angst omtrent hare betrekkingen. Vriendelijk, maar rustig, trad zij naar de beangste Lodoiska toe en zeide: „Kom aan mijn hart, beminde dochter; ween aan de borst uwer moeder uwe smart uit. Dan zult gij rustiger worden en met gelatenheid de verdere berichten afwachten, welke wij toch spoedig moeten ontvangen.” Het voorbeeld van standvastigheid vereenigd met de zachte deelneming, welke hare moederlijke verzorgster toonde, richtte den moed der vertwijfelende verwonderlijk op. De vriendelijke liefkoozingen van Maria, die haar eigen angst over haar broeder zorgvuldig verborg en juist uit Lodoiska's zwakte de kracht daartoe putte, maakten hare geruststelling, zooverre dit thans mogelijk was, volkomen.
Na eenige minuten trad een bediende binnen en berichtte, dat de ritmeester Arnheim zeer dringend verzocht, toegelaten te worden, daar hij gelukkige tijding overbracht.
[Illustratie: „Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend.]
Thans eerst vernam Maria, aangenaam verrast, doch een weinig verlegen, de tegenwoordigheid van dezen bekende uit het vaderland, wiens groote belangstelling in haar persoon haar niet kon ontgaan zijn. Lodoiska, tot hiertoe slechts met de voor haar zoo beangstigende gebeurtenis beziggehouden, had tot nu toe nog niet weder aan hem gedacht. De gravin wist door de kamenier verder niets, dan dat een vreemd officier Lodoiska ondersteund en begeleid had. „Is welkom!” sprak zij en wenkte den bediende toe.
Lodoiska was in de grootste spanning, want zonder eene dringende reden en, gelijk alles aanduidde, ook niet zonder eene verblijdende, kon de ritmeester na de wijze, waarop zij afscheid van hem had genomen, onmogelijk nu reeds een bezoek brengen. Met een kloppend hart vernam zij zijne rassche schreden in de voorzaal.
„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend tegen de gravin, „maar ik kon mij onmogelijk het genoegen ontzeggen, zelf de brenger van dit blad te zijn, dat zonder twijfel uwe bekommering omtrent den slag dadelijk zal wegnemen.” Daarbij reikte hij haar een open papier over, waarop eenige met potlood geschreven woorden in de poolsche taal stonden.
„Duizendmaal dank,” hernam de gravin, nadat zij een oog in het papier geslagen had. „Hier Lodoiska, lees zelve, wat mijn broeder schrijft: „Dierbare zuster! De slag is voorbij, ik leef, onze naaste vrienden zijn allen ongedeerd. Eerstdaags meer.””
„Heb dank, heilige moeder Gods,” riep Lodoiska buiten zich zelve uit en wierp zich onder een vloed van tranen aan den boezem der gravin. „Hoe vol genade zijt gij voor uwe dochter!” Hare oogen richtten zich in heilige vreugde ten hemel; zij vouwde de handen over de borst samen en kon niet meer spreken.
Ook Maria was hevig aangedaan. „Allen ongedeerd,” herhaalde zij, en een traan trilde aan hare wimpers, „dat is meer, dan ik zelfs waagde te hopen. O, eerst nu gevoel ik aan mijne onuitsprekelijke vreugde, hoe nameloos mijn angst geweest is! Heb dank voor deze boodschap.”
Gelijk een groot geluk of ongeluk edele harten opent en de bekrompen grenzen, die men zich in de samenleving gesteld heeft, doet vergeten, zoo ging Maria open en vrij op Arnheim toe en reikte hem met warmte de hand. Deze stond ten uiterste getroffen, want Maria's tegenwoordigheid op deze plaats, welke hij niet vermoeden kon en nog niet bemerkt had, verraste hem nu zoo plotseling, dat zij hem bijna van stuk bracht. Met vroolijke verwarring greep hij de hem toegereikte hand en drukte ze aan zijne lippen. „Gij hier?” sprak hij op den toon der grootste verbazing; „dat zou ik nooit geraden hebben.”
„Ik ben eene zeer vriendelijke uitnoodiging gevolgd,” antwoordde Maria; „nochtans is in het vreemde land de ontmoeting van een landsman en vooral van eenen, dien wij nader kennen, eene zeer aangename verrassing.”
„O zeker, zeker!” riep de ritmeester en kuste hare hand met zulk een vuur, dat Maria ze zacht moest terugtrekken.
„Wij zijn u oneindigen dank verschuldigd, heer ritmeester,” zeide de gravin; „en zij, welke hem niet eenmaal weet te uiten, wel het meest.” Zij wees daarbij op Lodoiska, die in tranen van dankbaarheid wegsmolt en nog steeds het gelaat met haren zakdoek bedekt hield. „Maar hoe komt gij aan dit papier?”
„Op de eenvoudigste wijze van de wereld,” hernam de ritmeester. „Ik had mij juist aan het bureau van den gezant aangemeld, toen de depêches aankwamen. Een officier, aldaar werkzaam, zeide mij, dat de koerier, zooals gewoonlijk, eene menigte vluchtig geschreven brieven en mededeelingen, gedeeltelijk open, gedeeltelijk in te voren gereed gemaakte omslagen, gedeeltelijk slechts met potlood geschreven, had medegebracht, waardoor zij, die aan een slag hebben deelgenomen, aan de hunnen de eerste geruststelling doen toekomen in zoodanigen vorm, als de omstandigheden het veroorloven. Dit bracht mij op de gedachte, of er voor u, genadige vrouw, niets daarbij zoude zijn. Ik snelde naar het bureau terug, en inderdaad er bevond zich voor u deze open met potlood geschreven brief. Ik vroeg hem voor mij, om hem u dadelijk ter hand te stellen, wat men terstond toestond, daar men deze brieven liefst tegelijk met de tijding doet toekomen. Zoo werd ik de overbrenger.”
„Van ons grootste geluk,” viel hem de gravin in de reden. „Nogmaals zijt gij als een heilverkondende bode ons hartelijk welkom.”
Lodoiska gevoelde in haar vroom gemoed de behoefte, om de hemelsche beschermster van haar geluk den dank des gebeds toe te brengen. Onbemerkt sloop zij het vertrek uit en zocht de eenzaamheid van hare kamer op, waar een Mariabeeld hing, door haar zelve met herfstbloemen versierd. Hier knielde zij neder en bad in stilte. Maria had haar begrepen en volgde haar derhalve niet. In de diepte van haar boezem richtte ook zij dankgebeden tot den Almachtige, die haar broeder behouden had. Doch te gelijker tijd overviel haar een bang weemoedig gevoel over de gevolgen van deze groote gebeurtenis. Het gesprek, dat de gravin met den ritmeester aanving, gaf haar grootendeels uitsluitsel omtrent de vragen, welke zij zich zelve in haar binnenste deed.
„Gij gelooft dus,” begon de gravin, „dat deze overwinning beslissend is voor den uitslag van dezen oorlog?”
„Zonder den minsten twijfel. Twee kleine dagmarschen van de oude hoofdstad des rijks behaald, brengt zij deze gewis in de macht des keizers en dan kon het lot van Rusland licht opeens beslist zijn.”
„Het rijk strekt zich nog ver achter Moskou uit, de bloeiendste en volkrijkste provinciën volgen langs de zuidelijke helling van het Uralgebergte op elkander. Voor geheel overwonnen zou ik Rusland nog niet willen houden, al waren ook de beide hoofdsteden in des keizers macht.”
„O zeker niet,” hernam Arnheim; „doch zijne zedelijke kracht is door het innemen zijner hoofdstad vernietigd. Uiterlijk is de voortzetting van den strijd zonder twijfel mogelijk, maar innerlijk zal zij onuitvoerbaar zijn. Aan de hoofdstad des rijks knoopen zich te veelvuldige en verschillende belangen; zij is het punt, waar alle wegen des rijkdoms, des handels en des vertiers zich vereenigen. En gelijk een verpletterende slag slechts één der edele deelen behoeft te kwetsen, om het leven in het geheele lichaam te verdelgen, zoo heeft in den oorlog het indringen des vijands in de hoofdstad eene doodelijke verlammende uitwerking op alle overige krachten des rijks.”
„En zoo is dus de wereldheerschappij van Napoleon beslist?” vroeg Maria met eene stem, waarin men de onderdrukte, doch diepe smart hooren kon.
„Voor het vasteland zonder twijfel,” hernam Arnheim.
De gravin, die Maria's denkwijze kende, dacht te edel, om hare vreugde over de wending eener gebeurtenis te uiten, die voor eene Duitsche zoo ter nederslaand moest zijn. Maria, van haar kant, die inzonderheid sinds haar verblijf in Polen, licht begreep hoeveel deze natie van de overwinningen des keizers te hopen had, droeg haar kommer in stilte, nauwelijks, dat een smartelijke trek van den gesloten mond dien verried. Arnheim echter scheen haar, wijl hij op dezelfde wijze dacht, te verstaan. Doch de smart over zijn vaderland tastte niet zoo diep in zijne ziel; gedeeltelijk wijl hij hoop had, Oostenrijk, zijn bijzonder vaderland, nu hooger gesteld te zullen zien, gedeeltelijk wijl hij als soldaat een diepen eerbied voor den franschen keizer als veldheer koesterde, maar voornamelijk, wijl hij zich met gelukkiger vooruitzichten voor Duitschland streelde, dan men toen gewoon was te hebben. Hij achtte het goed van deze te spreken. „Misschien,” dus uitte hij zich, „is het gevolg van dezen slag zegenrijk voor geheel Europa. Tegen wien toch wordt deze oorlog gevoerd? Naar mijne meening niet tegen Rusland, maar tegen Engeland. Door het overwinnen der russische legers is de keizer nu eindelijk heer over alle stranden van Europa, want Spanje en Portugal zullen spoedig in zijne macht zijn. Dan is hij in staat, den Engelschen zoo al niet de voorwaarden des vredes voor te schrijven, hen ten minste tot het aannemen van billijke schikkingen te bewegen. De macht van Engeland is zoo groot, dat het gansche vasteland noodig is geweest, om tegen dit kleine eiland het evenwicht te houden. Dit groote doel schijnt mij thans bereikt te zijn; ten minste zijn wij het nabij. Dan, hoop ik, zal een algemeene vrede, dien alle volken behoeven, naar welken alle volken en Frankrijk misschien het meest reikhalzen, de vreeselijke beroeringen, welke Europa sinds de laatste twintig jaren moet lijden, tot rust brengen, de verbroken banden opnieuw aanknoopen en de met geweld geknoopte voorzichtig los maken. Veel kwaad, dat de keizer thans, door den drang der gebeurtenissen genoodzaakt, den volken moet aandoen, zal ophouden. Hij gaf den overwonnen volken vreemde koningen, strenge stedehouders. Waarom? Omdat hij niet zeker van hen was en bij zijne onmetelijke krijgstochten toen geen gevaarlijke vijanden in zijn rug kon dulden. Misschien herstelt hij thans, juist om den band der gerustheid vaster te knoopen, de rechtmatige vorsten weder; want aan de personen ligt hem niets gelegen, vooral aan zijne broeders en bloedverwanten niet. Zij zijn slechts vorsten, wijl hij het zekerst is van hunne trouw, want hij is de stam, op welken zij bloeien. Is hij eenmaal diep en vast geworteld, dan kan hij de woekerende takken, die eene nadeelige schaduw op het land werpen, ontberen. Ja, ik hoop dat zijn nauwe verwantschap met ons keizerlijk huis het geluk van Europa zal zijn. Oostenrijk zal de vertegenwoordiger van het duitsche volk worden. Napoleon zal gaarne zien, dat het met hem in een vreedzaam verbond leeft; dan zal hij, daar men liever sterke dan zwakke bondgenooten heeft, ook den voorspoed van het land op alle mogelijke wijze bevorderen. Er moest veel oud, lastig puin bij ons in Duitschland worden weggeruimd, eer een nieuw gebouw vasten grond en ruimte vond. De verouderde vormen heeft de fransche keizer, als vertegenwoordiger van een grooten, jeugdigen, krachtigen, nieuw ontwakenden tijd, vernietigd; wat thans bestaat, is voorbijgaande. Hij weet het zelf, dat het niet vaststaand is; want hij zelf breekt immers dagelijks af, wat hij uit nood voor het oogenblik opbouwde, en laat vorsten en volken met gelijke snelheid hunne plichten verwisselen en veranderen. Maar wanneer eenmaal het groote doel van zijn geweldigen wil bereikt en het vasteland _een even zoo vast inwendig aaneengeschakeld geheel_ is, als de massa's van landen, waaruit het bestaat, dan zal de groote man een vasten, duurzamen grond leggen en op dezen een trotsch gebouw voor de toekomst grondvesten. Daartoe moest deze laatste strijd gestreden zijn. Niemand gevoelt zoo diep als ik, hoevele offers van deemoed, van verloochening, van gekrenkte trotsch Duitschland moest brengen; maar thans zullen deze een einde hebben. Zij waren eene vergelding voor oude, zware schulden; de geschiedenis bespaart geen volk de boete voor oude misstappen. Zij richt niet de daders, niet de personen, maar de daden, de zaken met onverbiddelijke gerechtigheid. En kan Duitschland de voordeelen loochenen, welke het reeds aanvankelijk door het afschaffen van zooveel ouds, gebrekkigs gewonnen heeft, ofschoon het nieuw goede nog niet in de plaats van het vernietigde getreden is? Laat ons ernstig ons zelven afvragen, of het voor twintig jaren bij ons goed was? Wij moeten antwoorden: Neen! Het stond slecht met alles, wat het geluk eens volks moet uitmaken. Sinds eeuwen heeft Duitschland slechts oorlog met zich zelf gevoerd. In ontelbare landen verdeeld, gehoorzaamde het aan velerlei willekeur. De eenheid der natie was verdwenen. Slechts de taal vormde nog den inwendigen, geestelijken band. Duizend beperkingen stelden zich tegen de vrije werkzame ontwikkeling der volkskrachten in den weg. Slechts tot zijn binnenste was de Duitscher bepaald; dat heeft hij zooveel mogelijk beschaafd, maar de nieuwe kennis kon hem in den toestand van zijn volksbestaan geene levende vrucht voortbrengen. Een door stormen opgeruide vloed bruischte over Duitschland heen, en onder zijne ruwe golfslag verdwenen de oude, diep ingevreten sporen van aangeërfde vooroordeelen, onderdrukkingen en beperkingen. Wij hadden deze kluisters reeds zoo lang gedragen, dat de gewoonte ons gevoel daarvoor verstompt had; ja, zij waren in ons vleesch ingegroeid. Doch wij mogen niet vergeten, hoe ruim wij ademhaalden, toen voor twintig jaren de ijzeren hand des tijds voor het eerst aan de staven van onzen kerker schudde. Thans knellen ons nieuwe banden, welke wij onwillig dragen. Doch zoozeer mogen wij toch in onze gerechte smart en in onzen toorn de oogen niet toedrukken, dat wij niet meer zouden zien, hoe wij, ofschoon wij nieuwe kluisters dragen, toch van de oude, waaronder wij zuchtten, bevrijd zijn. Neen, nauwelijks zuchtten wij, en dat was bijna nog erger, want wij zonken reeds in dien staat der diepste slavernij neder, die de behoefte aan vrijheid niet meer voelt. Thans voelen wij ze, en zoo mogen wij niet wanhopen een doel te bereiken, dat schitterend voor ons zweeft, het moge dan door de kracht van eigene daden, of door een gelukkigen keer der gebeurtenissen bereikt worden. Deze laatste nu kon juist thans misschien wel eens daar zijn.”