1812: Historische roman

Part 51

Chapter 513,508 wordsPublic domain

Het trouwe ros stond, hoewel niet aangebonden, geduldig aan de tuindeur en scheen zijn heer op te wachten. Jaromir wierp zich in den zadel en rende met lossen teugel de straat op.

Van alle zijden stonden de gebouwen thans reeds in blakenden gloed; de nacht was helderder dan de dag. Slechts waar de opeengepakte smook en walm of de dichte aschregens voorbij togen, was het stikduister. De brandende straten schenen uitgestorven; alles was gevlucht. De reddingsmiddelen wendde men slechts aan om de nog vrijgebleven panden te beschutten, want waar het vuur eens was losgebroken, was elke worsteling met het vernietigend element vruchteloos. De vlam knapte en knetterde overal in het rond; het scheen Jaromir toe, dat het de furiën der hel waren, die hem vervolgden. Zijn paard werd door de sporen en den angst even krachtig voortgedreven; het vloog als een pijl uit den boog met hem voort. Maar de bedwelmde zocht geen uitweg, hij hield de teugels, maar bestuurde die niet, hij gaf geen acht op eenige teekens, hij lette niet op de richting van den wind; zijn paard bewusteloos de vrije keuze latende, verdoolde hij dieper en dieper in het labyrintische warnet der vlammende straten. Eerst toen het schuwe dier zich eensklaps van alle zijden in eene heining van vuur en vonken en gloed en licht zag besloten, en deinsde en zich wilde omwerpen en nogmaals deinsde, en brieschte en snoof, terwijl het zich steigerend op de achterpooten uitrekte, en spranken en vuurvlokken uit de smeulende manen trachtte te schudden,—eerst toen zag Jaromir, in welk een helschen poel hij geraakt was. De doorgloeide lucht was nauwelijks meer in te ademen, het oog brandde en sloot zich, door de hitte verblind; eene duldelooze, stekende pijn doorpriemde de hersenen. „Dus hier moet ik sterven?—Zijn het de vlammen der hel, die mijne misdaad zoo spoedig straffen?”

Hij was het leven moede, doch de natuur verzette zich tegen dezen pijnlijken marteldood. Met geweld spalkte hij de verblinde oogen open en staarde in de vuurzee, om ergens een uitweg te ontdekken. Een rukwind gierde huilend door de vlammen, perste ze met kracht te zamen en dreef ze vervolgens uitéén, den waggelenden muur met vernielende woede omversleurend. Jaromir wierp zich in de gapende kloof; een oogenblik lang werden de vlammende golven naar boven opgestuwd, zoodat de blik tot het punt waar de redding wenkt kon doordringen. Doch reeds sloegen de vlammen weder over zijn hoofd samen; plotseling hoorde hij een vreeselijk donderen en kraken; het was een dak, dat instortte; gloeiende balken en sparren en ribben kletterden naar beneden; zijn paard, door een zwaren hoeksteen in het kruis getroffen, zeeg verpletterd onder hem neder. Bedwelmd tastte hij in het rond, doch richtte zich weder op en drong te voet verder. Reeds waande hij zich verloren; met de oogen, die, door den gloed verblind, in de holen zengden, halfgesloten, spoedde hij voorwaarts, op de plaats toe, waar hij voor eenige minuten eene opene ruimte bespeurd had. Daar, in dien eenzamen vuurchaos, drong eensklaps eene ernstige, mannelijke stem tot zijn oor door. „Weet gij ons nog een uitweg uit de vlammende straten aan te wijzen?” hoorde hij zich van ter zijde toeroepen.

Blij verrast, toch één mede den dood gewijden makker in deze verlatenheid te hebben aangetroffen, wendde hij zich naar de zijde, vanwaar de stem kwam. Doch door schrik en eerbied versteend, bleef hij roerloos staan, toen hij den _keizer_, die met een klein gevolg uit ééne enge zijstraat vluchtte, voor zich zag. „Hoe? Hij zelf! Hij, van wien het lot van allen afhangt, in deze golvende vuurzee, waar nergens meer een reddingsweg te ontdekken is? Neen, zóó kan _hij_ niet verloren gaan!”—Deze levendige, profetische overtuiging gaf hem kracht en bezinning terug. Door de rustige kalmte van den onverzettelijken man, die hem met dezelfde onveranderlijke trekken aanblikte, waarmede hij in den storm van het gevecht aan het roer stond, voelde hij zijn eigen vertrouwen versterkt. Het nam toe door een blik op de radelooze, bevende geleiders van den veldheer, die, door schrik verblind en verbijsterd, niet meer in staat waren de oude sporen der straten in de wentelende vlammen weer te vinden. Met bezielende kracht doordrong hem het gevoel, dat zijn nietig leven in vergelijking met dit onberekenbaar gewichtige niets gold, en daarom bedwelmde het hem niet meer, dat hij door duizend smarten verscheurd en thans door een reddeloos verderf bedreigd werd. Eer en mannenplicht verhieven hem boven zich zelf.

„Weet gij geen uitweg!” herhaalde de keizer. „Ik vertrouw ja,” was het vaste antwoord; „doch de weg gaat door vuur en vlammen.”

„Welaan dan! Het heeft haast,” hervatte de keizer en ging, werwaarts de hand des jongelings heenwees. Deze ging voor, vast besloten zich stout in den gloed te werpen. Doch het scheen, dat de losgelaten elementen huiverden, den machtige aan te tasten; althans de stormwind verhief zich met verdubbelde woede en brak eene baan door de vlammen. Jaromir snelde vooruit; het pad ging door asch en vuurregens, over smeulende balken en puinhoopen. Men ademde gloed in; het oog scheen te koken; tong en lippen verdorden. Daar waaide eene frissche windvlaag den jongeling leven en verkoeling toe; de ruimte was bereikt, de redding verzekerd!

NEGENDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

De maand September was aangevangen met een onbewolkten helderen hemel; de dagen gingen stil, zonnig, zacht verwarmend voorbij. Wel is waar begon het loof reeds te verkleuren, ja zelfs af te vallen, doch de velden waren toch nog met een welig groen bekleed, dat zich met de schoonste herfstbloemen versierde. In dit opzicht hadden de gravin, Lodoiska en Maria eene allergenoeglijkste reis gehad; wat aan het landschap ontbrak, vergoedde de aangenaamheid van het seizoen, dat zich in zijne vroolijke stilte met den zachten trek van weemoedigheid, dien de aanblik der natuur in den herfst aanbiedt, als men vriendelijke deelneming aan de droevige zielsstemming, waarin vooral de jonge meisjes verkeerden, aansloot.

Het paleis der gravin was, ofschoon de inrichting daarvan met eene luisterrijke levenswijze overeenkwam, toch nu een zoo stil, genoegelijk verblijf, als vrouwen, die afgezonderd begeeren te leven, met mogelijkheid konden wenschen. Zij hadden de benedenkamers van den linkerzijvleugel betrokken, die tegen den tuin aan en zelfs gedeeltelijk reeds daarin lag. De glazen deur van de gemeenschappelijke zaal opende zich onmiddellijk op een, van vlier en jasmijnstruiken omgeven, zacht glooiend grasperk. Rozeboomen, die in de lente het aangenaamste gezicht verschaffen, stonden in een halfrond er omheen geplant; hun bloesem was wel lang afgevallen, doch daarvoor schitterde in het midden van het perk een rijk medaillon van herfstbloemen, waaronder eene pracht van bonte asters zich onderscheidde, aan welke de kunst des tuiniers eene bijzondere zorg besteedde. Aan de binnenzijde des vleugels, welke naar de bassecour en den tuin zag, woonden Maria en Lodoiska. Zij hadden elkander als zusters lief gekregen en zich daarom ook uiterlijk vertrouwelijk bij elkander aangesloten. Een wijngaard liep slingerend tegen de vensters van hare slaapkamer op, die dicht aan het ijzeren hek was gelegen, dat zich dwars van den eenen tot den anderen vleugel van het slot uitstrekte en den tuin van de bassecour scheidde. De vruchten werden zeker slechts zelden aan dit staketsel rijp, doch de muren waren vriendelijk door het loof bedekt en de stralen der zon werden door dit bewegelijk groene scherm aangenaam gematigd, zonder geheel en al afgekeerd te worden. Van het slaapvertrek ging men door eene boekenkamer in de woonkamer, en deze paalde aan de zaal. Aan de andere zijde van den vleugel woonde de gravin in de kamers, welke met die van Maria en Lodoiska evenwijdig liepen, doch door een gang daarvan gescheiden waren. Ook deze zagen op den tuin uit, doch naar den kant van den ringmuur; ook was de tuin hier slechts omtrent dertig schreden breed en de gansche ruimte met hooge en donkere struiken bezet, die den muur bedekten, welke zich langs het zijstraatje, waar Françoise Alisette gewoond had, uitstrekte en, in dezelfde richting door, op een zijmuur van het hoofdgebouw uitliep. Eene rij van hooge populieren langs dezen muur benam aan de bewoners der straat elk gezicht op den tuin of de vensters der gravin. Dus lagen deze ook zeer stil en afgezonderd; ja, door de donkere, dichte struiken verkreeg de woning iets sombers, dat zeer goed met den ernst der bewoonsters overeenstemde.

Op deze wijze geheel afgezonderd in het midden der groote, levendige stad leidden de drie vrouwen een stil en slechts onder vrouwelijke bezigheden voortvliedend leven. Zelden ontvingen zij bezoek; nog zeldzamer beantwoordden zij dat; hare eenzaamheid werd haar met iederen dag dierbaarder en zij genoten die meer, naarmate zij elkander langer leerden kennen en beminnen. Moeielijk zou men onder drie vrouwen een grooter verschil bij eene zoo innige overeenstemming kunnen aantreffen. De gravin, de beide meisjes in jaren aanmerkelijk vooruit, overtrof haar evenzeer door koenheid van geest, als door rankheid van leest. Zij bezat wel een fijn vrouwelijk gevoel en verstand, doch zonder de weemoedige neigingen, die aan het jonkvrouwelijk gemoed eigen plegen te zijn. Opgegroeid onder groote gebeurtenissen, was zij vroeg uit de enge beperking van den vrouwelijken levenskring in de grootere banen van den loop der wereld gevoerd geworden. Zij had het vaderland voor haar vaderlijk huis verruild; hare ziel leefde in alle openbare zaken belangstellend. Zij was met geestdrift eene dochter van haar volk. Ook op Maria hadden de machtige gebeurtenissen des tijds een vormenden invloed gehad; ook zij gloeide voor een in slavernij zuchtend vaderland, doch op eene geheel andere wijze. De gravin nam een werkdadig deel aan de algemeene aangelegenheden; haar hart sloeg daarvoor reeds uit gewoonte en ontbeerde het verlies der huiselijke, vrouwelijke rust des gemoeds niet meer. Daarom las zij ijverig de dagbladen, de staatkundige geschriften van den dag; zij was met de geschiedenis der gebeurtenissen vertrouwd, volgde die met een scherpen blik en bracht het lot van verafgelegen volken met dat haars vaderlands in verbinding. Maria beminde daarentegen slechts haar geboorteland, het volk, waartoe zij behoorde, bovenal; zij was door taal en denkwijze eene Duitsche. Haar edele haat richtte zich alleen tegen de vijanden en onderdrukkers van haar vaderland. De geschiedenis der overige wereld beschouwde zij niet onverschillig, maar op den schuwen afstand, met den vrouwelijken eerbied, die erkent, dat haar rijk hier eindigt, dat haar blik op dit gebied geen grenzen ziet en in het verwarde gevoel geen leidraad ontwaart. Daarom keerde zij gaarne in haar stil huiselijk heiligdom terug en was lijdelijk, waar zij niet handelend kon zijn. Met de bevrijding van haar vaderland zou haar aandeel aan het openlijke leven verdwenen of ten minste evenzoo op den achtergrond teruggetreden zijn, als bij de meeste vrouwen. Zij verlangde uit den strijd slechts een stil heiligdom van duitsche huiselijkheid te winnen. Geheel anders de gravin, die met hare wenschen steeds over den drempel des huizes naar buiten snelde. Maria begeerde slechts het geluk, de rust des vredes voor haar vaderland; voor de gravin was het zielsbehoefte, aan den glans, den roem en de macht er van te denken. Op de bewegelijke schilderij van den strijd der volken hield Maria slechts hare landgenooten en naaste vrienden als de vertegenwoordigers in het oog; de gravin daarentegen hield haar blik op de helden van den dag gericht en volgde met bange verwachting het lot der hoofden. Maria zag wel het slagveld op het hoofdvak der schilderij; doch op den voorgrond haar broeder, Bernard en, zooals zij zich zelve beschroomd bekende, Rasinski. De gravin stond midden in den slag; haar blik volgde de vanen, de veldheeren; zelfs in haar broeder zag zij op den dag der beslissing slechts den aanvoerder. Lodoiska daarentegen, geheel meisje, geheel liefde, hoorde den doffen donder van den slag slechts uit de verte; maar de bloedende, verbleekte beminde zonk stervend voor haar neer. De liefde had geheel haar hart zoo vervuld, dat er voor niets anders plaats bleef. Zelfs de dweepende vroomheid, waarmee zij iederen dag de mis bezocht, was slechts een andere vorm van de angst der liefde, want haar gebed steeg slechts voor den vriend harer ziel naar boven.—Gelijk het echter bij edele zielen pleegt te zijn, hield elk der vrouwen de andere voor beter, volkomener, alleen wijl deze bezat, wat haar ontbrak. Zoo beschouwde Lodoiska hare moederlijke beschermster met den diepsten eerbied en schikte zich deemoedig onder Maria, wijl zij in beiden de kracht bewonderde van zich te beheerschen. De gravin en Maria daarentegen vereerden de heilige kracht der liefde in Lodoiska's boezem, die uit hare reine vlam al het vreemde verwierp en het gansche hart van het meisje alleen vervulde en doordrong. En Maria zag met bewondering op tot de heldin, onder wier bescherming zij zich in hare blooheid en angst had begeven.

Op de tafel der gravin lag eene landkaart van Rusland uitgeslagen; zij volgde naar de courantenberichten nauwkeurig iederen marsch, iedere beweging der legers, en teekende ze met spelden aan, welker toppen zij met zinvolle kenteekenen voorzien had, om niet slechts vriend en vijand, maar ook den stand der afzonderlijke korpsen met één oogopslag te onderscheiden. Voor Rasinski's regiment had Lodoiska eene gouden naald uit hare lokken genomen; de schitterende knop van deze toonde haar oog iederen dag, waar haar hart den geliefde moest zoeken.

De laatste berichten had zij na het innemen van Smolensko ontvangen. Met levendigheid sprak de gravin over deze gebeurtenis en knoopte de vroolijkste verwachtingen over den uitslag van den strijd daaraan vast.

„Reeds wij,” zeide Maria, „die hier op een verren afstand zitten en na den volbrachten strijd het bericht ontvangen, dat onze dierbaarsten nog ongedeerd onder de levenden wandelen,—reeds wij volgen de tijdingen van den dag met angstig kloppende harten. Hoe zouden wij te moede zijn, wanneer het verderf ons zoo nabij was, als aan die arme bewoners van Smolensko; wanneer wij, gelijk zij, wisten, dat onze broeders, vaders, echtgenooten voor de poort waren in den strijd op leven en dood voor vrijheid, vaderland en haardstede, voor ons leven, onze eer!”

„Mij zou het geprangde hart naar de muren drijven,” riep de gravin, terwijl zij, zooals zij in hare levendigheid, steeds placht te doen, snel door de kamer op en neder ging, „ik zou met mijne oogen de kansen voor den strijd moeten volgen.”

„Dat zou ik niet vermogen,” hernam Maria met zachten nadruk; „doch mij dunkt,” voegde zij er met den onzekeren toon der bescheidenheid bij, „ik zou genoeg standvastigheid behouden, om de gewonden te verplegen.”

„Ach, en ik,” riep Lodoiska zuchtend uit, „ik zou zeker niets kunnen doen, dan voor het beeld der heilige moeder Gods bescherming voor het dierbare hoofd des geliefden afbidden.” Ook zij stond op, doch om hare opwellende tranen te verbergen.

De vrouwen hadden zich oprecht, zonder achterhoudendheid verklaard; slechts Lodoiska miskende zich zelve, want zij hield voor zwakheid wat sterkte was. In het oogenblik des gevaars zou zij met den heldenmoed eener heilige de hulpvaardige verpleging midden in den slag gedragen, den geliefde onder de dreigende bliksems des doods opgezocht en gered hebben.

Om haar gejaagden boezem te doen bedaren, was zij naar buiten in den tuin getreden. De middagzon straalde helder door de hooge boomen, een lichte wind ruischte door de takken. Zachte wolken zweefden door de helder blauwe ruimte. Maria wier fijn gevoelend hart de vriendin snel begrepen had, ging haar na, om haar te doen bedaren, want bij het vertrouwelijk gesprek in het uur vóór het insluimeren had Lodoiska haar hart geopend en zich zelve wegens de overweldigende macht, die de liefde op haar uitoefende, aangeklaagd, zonder Maria's troost te willen aannemen, die in deze krachtige openbaring van den hartstocht eene zeldzame grootheid van gemoed erkende. Doch toen Lodoiska nu de fontein genaderd was, waar zij haar verbond met Jaromir had gesloten, trad Maria haastig op haar toe, legde den arm om haren hals, kuste hare wang en zeide: „O, lieve, ik wenschte, dat gij mijn naam droegt.”

„Ik wenschte, dat ik uw zacht, sterk, zich zelf beheerschend hart had, mijne dierbaarste,” hernam Lodoiska en droogde hare tranen af.—„Doch waarom wenscht gij mij uw naam toe?”

„Om u te kunnen zeggen: „Maria heeft het goede deel uitverkoren.””

„Ja, ja, dat heeft zij,” riep Lodoiska en nieuwe tranen welden in hare donkere oogen op. „O, ik gevoel het maar al te goed, ik ben krank van liefde en mijn geluk wordt eene kwaal, eene misdaad.”

„Neen, neen, waarlijk niet,” hernam Maria. „Voor het edele mag men geheel gloeien; ik bewonder u, dat gij het geheel vermoogt. Geloof mij, onze rust ligt niet in onze sterkte, doch slechts in de mindere kracht onzer liefde. In mijn hart kon ik moederliefde, broederliefde, vaderlandsliefde zuiver afwegen, totdat....”

Hier zweeg zij; want van haar bestreden hartstocht voor Rasinski had zij hare vriendin nog nooit gesproken, wijl het geheim haar niet alleen toebehoorde en naardien zij gevoelde, dat zij zich op eene zedelijke overwinning niet kon beroemen zonder die te verliezen.—En was zij dan overwinnares? Vernieuwde zich de strijd niet menigmaal in de eenzame uren des nachts in haren boezem? En stroomden hare tranen niet nog steeds over het verloren geluk?

„Totdat?” vroeg Lodoiska, toen Maria zweeg.

„Nu ja dan,” sprak zij verward, „ook ik heb bemind. Een oogenblik!—De jonge plant werd door den ruwen storm des tijds snel ontworteld, zij kon hare bloesems niet openen, noch wortel schieten. Doch zelfs dit vluchtig oogenblik, korter dan een droom, verbrak bijna de oudere, heilige banden van liefde en plicht. En evenwel gevoelde ik mij grooter, edeler, beter door de liefde. Waarlijk, het is iets groots, wanneer men alles in haar en door haar vermag te zijn. Daarom bekommere het u niet, mijne beste, dat gij geringere krachten en plichten door deze hoogere in u opgelost en vernietigd voelt. Wanneer wij sterker wederstand bieden, wie zegt u, dat daarom grooter sterkte in ons woont? Wij wederstaan, omdat wij niet zoo heftig worden aangegrepen. Kleine zielen kunnen geen groote mate van liefde bevatten. Daarom waardeer dan ook uwe ziel naar de kracht uwer liefde.”

„Gij troost zoo beminnelijk,” antwoordde Lodoiska bewogen, „gij wilt als een welriekend viooltje in de stille schaduw treden, waar gij zoudt kunnen schitteren! Mijn liefde is sterker dan ik zelve; dit is mijn vergrijp, en dikwijls heb ik een voorgevoel, dat het zich vreeselijk gestraft moet zien. Of staat de plicht niet hooger dan de liefde?”

„Maar welken plicht hebt gij geschonden?”

„Ik gevoel, dat ik ze alle zou schenden.”

„Dat gevoel bedriegt u; slechts zou elke geringere plicht bij u voor dezen eenen, hoogeren verdwijnen.”

„Neen, bij mij verdwijnt de blik, om die hoogere te onderscheiden.”

„Gij zult ze gewis duidelijk voor u zien, wanneer hunne vervulling van u geëischt wordt en wanneer zich hoogere plichten voor u opdoen! De wereld zal ze misschien vorderen; maar is dit niet eigenbaat der wereld? Moet uw doen dan eene wet voor allen zijn? Bijzondere krachten geven bijzondere plichten. Ik heb steeds dien Romein moeten vereeren, die vrij uit aan de rechters bekende: „Ik zou het kapitool in brand hebben gestoken, zoo mijn vriend dit begeerd had.”—Wanneer ik zelve niet aldus zou handelen, dan is het nog de vraag, of mij dit als verdienste dan wel als schuld moest toegerekend worden. Is liefde, is vriendschap waarlijk zoo groot, wie durft haar deswege beschuldigen? De misdaad, welke zij op zich laadt, is dan geene meer. Hier, mijne lieve, heerscht geen koude, voor allen gelijke wet; doch ieder handelt naar het gevoel in zijne borst, en naar dit richt ons de Eeuwige, die alleen de maat der in ons strijdende krachten vermag te bepalen.”

In haar ijver voor de vriendin had Maria het eigenaardige in deze weten te verdedigen, zonder zelve de heldere bewustheid van haar gevoel te verliezen, die haar in haar handelen en gevoelen den rechten weg aantoonde: zij had zich met levendigheid van de schoone zijde van het karakter harer vriendin doordrongen. Lodoiska was een zuiver kind der natuur, in de droomen harer jeugd opgegroeid, slechts overgegeven aan de gevoelens van haar hart, die, rein en edel op zich zelve, tot het goede en schoone haar bijna buiten haar weten heendrongen. Maria had haar gemoed door de klare wel van een meer ontwikkeld bewustzijn gelouterd; de ernst, de scherpzinnigheid van Lodewijk waren daar hij zich veel met zijne zuster bemoeide, niet zonder invloed gebleven. Zij had het ontvangen geestelijk goed in haar eigendom veranderd; op den bodem van het vrouwelijk hart groeide het edele zaad misschien niet meer zoo krachtig en hoog op, maar het bloeide des te schooner. Zij gevoelde met bewustzijn; oordeel en neiging smolten in haar te zamen, zonder dat zij het wilde of begeerde. Zoo ondervond zij ook, dat in het gemoed, waarin het zedelijk gevoel heerscht, de hartstocht niet zoo wild kan opschieten, en dat men dezen, wanneer hij het hart met eene edele vlam doordringt, tevens alle andere edele krachten, die het evenwicht verleenen moeten, toenemen.

Lodoiska zou zeker, zonder het voorbeeld der vastberaden gravin, der zacht zich schikkende vrienden, zich zelve niet met zulke bezorgde blikken hebben gadegeslagen. Zij leerde zich zelve eerst beter kennen door vergelijking en tevens leerde zij de behoefte kennen eene kracht, die ontbrak en waaraan zij onder andere omstandigheden misschien nooit gebrek zou hebben gevoeld.