Part 5
Hij stond als verpletterd; met moeite herstelde hij zich in zoo verre van zijn schrik, dat hij vragen kon of zij niet twee dames onder geleide van een bediende gezien hadden. De eene ontkende het, de andere herinnerde zich, voor omstreeks een uur, op hare wandeling dieper in het dal, in de verte twee dames onder mannelijk geleide den weg naar de Rhône te hebben zien inslaan. Lodewijk dankte in haast voor dit naricht, en verheugd nu ten minste eenig spoor ontdekt te hebben, en te weten, werwaarts hij zich wenden moest, snelde hij weer terug, den loop van den schuimenden stroom te gemoet. De angst bevleugelde zijn spoed. Spoedig had hij de plaats weder bereikt, vanwaar hij was uitgegaan en hij volgde nu rusteloos het pad aan den oever. Doch nu was het in het diepe, aan beide zijden door den hoogen muur der Alpen ingesloten dal reeds volkomen duister, en binnen het uur kon men niet verwachten, dat de maan den wandelaar zou te hulp komen. Huiveringwekkende eenzaamheid omringde hem; de landstreek werd spoedig woest en ongebaand. De ruwe bergklompen stapelden zich gestadig steiler en reusachtiger opeen; de glinsterende spitsen der sneeuwkruinen staken hoog boven de zwarte granietwanden uit. Bruisend stuwde de Rhône haar breeden vloed nevens hem voort en bekranste hare zwarte golven met sissend waterschuim. Thans werd de oever aanmerkelijk steiler; dra zelfs boog zich een dreigend rotsblok ver daarover heen. Lodewijk ontwaarde, dat dit de plaats was, waar hij voor meer dan een uur op de hoogte stond; het pad liep onder de hellende rots door. Wellicht was Bianca juist op hetzelfde oogenblik met een angstig beklemd hart hier beneden voorbij gespoed, dat hij daarboven in doodelijken angst voor den afgrond stond en niets hoorde dan den rollenden stroom, die aan zijne voeten door de klippen worstelde.—De weg werd zeer ongebaand en zelfs bij de steeds toenemende duisternis zeer gevaarlijk; want nu eens steeg hij steil tegen de rotswanden op, dan weder daalde hij bijna loodrecht in de diepte neder. Lodewijk getroostte zich gaarne deze hinderpalen en gevaren, daar hij hoopte, dat Bianca daardoor zoolang zoude zijn opgehouden, dat hij haar spoedig moest inhalen. Met bedaarden moed drong hij voort, ofschoon zijne handen bloedden en zijne door den verhaasten loop als vuur gloeiende voeten hem bij elke schrede eene hevige pijn veroorzaakten. Een groot uur bleef de weg even bezwaarlijk; toen steeg hij bij de hoogte op en voerde Lodewijk op een heuvel, waar het laatste spoor van een gebaand pad, deels door het diepe zand, deels door de lage, overhangende struiken geheel onzichtbaar werd. De angst der onzekerheid maakte zich opnieuw van den jongeling meester; want hoe licht kon hij hier zijne richting geheel uit het oog verliezen en, bij de woestheid van het dal, in geheel ontoegankelijke streken uitkomen! Wel is waar bemoedigde hem de gedachte, dat de hoofdrichting van den weg geen andere zijn konde en dat hij dus waarschijnlijk den volgenden morgen zou kunnen inhalen, wat hij heden verzuimde; doch welk een zorg en bekommernis moest die vertraging hem niet doen doorstaan! In allen gevalle won hij iets, wanneer hij zooveel mogelijk voorwaarts trachtte te komen; hij hield dus, voor zoover het duister zulks toeliet, de hoofdrichting in het oog en gunde zich rust noch verademing. Andermaal verstreek er een uur. Daar schemerde hem een lichtstraal in de oogen; hij bevond zich in de nabijheid van een hut, de eerste menschelijke woning, welke hij tot hiertoe op zijn pad had aangetroffen.
Een zoet voorgevoel zeide hem, dat hij daar de geliefde moest aantreffen; want verder konden hare zwakke krachten haar toch onmogelijk hebben gebracht. Haastig trad hij op den vriendelijken glans van het licht toe; binnen weinige minuten had hij het huis bereikt. Hij klopte aan.
„Wie is daar?” deed zich een ruwe mannenstem hooren en twee zware holsblokken rammelden in langzamen tred over den grond.
„Een verdwaald reiziger,” antwoordde Lodewijk.—„Goed vriend; ik zal dadelijk openen,” klonk het van binnen.
Zijn hart sloeg met hevigheid in de hijgende borst; elke seconde, die voor het openen van de deur verliep, folterde hem met onbeschrijfelijken angst.
De grendel werd eindelijk teruggeschoven en een grijsaard met zilverwitte haren en neerhangenden baard stond, door den vlammenden houtspaan, dien hij in de hand hield, wonderbaar verlicht, voor hem en heette hem vriendelijk welkom.
„Hebt gij geen andere gasten, goede Vader?” vroeg Lodewijk.
„Geen mensch,” hernam de grijsaard; „wie zou mij armen, ouden man hier in de wildernis ook komen opzoeken?—Ik vrees niet eens booze gasten, want bij mij is niets te vinden, dat de hebzucht kan opwekken. Maar wie zijt gij, lieve vriend, en hoe komt gij zoo laat in den avond nog hierheen?”
Er verliepen eenige oogenblikken eer Lodewijk, door deze grievende teleurstelling geheel verbijsterd, in staat was eenig antwoord te geven.
„Ik ben in het gebergte verdwaald en van de mijnen, over wie ik nog in de grootste ongerustheid verkeer, gescheiden. Zij wilden van Brieg het dal door op de Rhône afgaan; ik volgde hen en ben, zonder eenig spoor van hen te vinden, hier eindelijk aan de eerste menschelijke woning gekomen, waar ik hen stellig dacht aan te treffen, daar, naar ik meende, een andere weg zijlings af niet mogelijk was.”
„Zeker wel,” hervatte de oude: „de hoofdweg van het dal loopt langs den anderen oever der Rhône; maar gij hebt vermoedelijk in de duisternis de plaats waar men overgaat niet bemerkt. Dit pad verliest zich in onze wildernis.”
„Kunt gij mij op den rechten weg brengen, goede vader?” riep Lodewijk driftig. „Ik zal u rijkelijk beloonen.”
„Morgen vroeg gaarne, mijn goede heer,” was het antwoord „doch heden avond zijn mijne zwakke, vermoeide krachten er niet meer toe in staat, want de weg is in het donker uiterst gevaarlijk, zelfs voor de beste bergbeklimmers, die hem nauwkeurig kennen.”
Lodewijk had, hoe vermoeid ook, gaarne den geheelen nacht doorgewandeld; maar een blik op den zwakken, sidderenden grijsaard overtuigde hem, dat het onmogelijk was van hem te vorderen, nog dezen zelfden avond den tocht te ondernemen. Hij nam derhalve de gastvrije uitnoodiging om den nacht in de hut door te brengen aan en volgde zijne vriendelijke gastheer in het kleine, bekrompene, door den brandenden houtspaan mat verlichte woonvertrek.
„Het doet mij leed, dat mijn zoon niet te huis is,” sprak de oude; „die zou beter voor u kunnen zorgen. Doch morgen tegen den avond komt hij eerst van Sion terug, waar hij bij zijne moei ter bruiloft genood is. Dus moeten wij ons alleen trachten te behelpen.”
„Goede vader,” sprak Lodewijk, „ik heb slechts rust noodig en die zoude ik toch niet vinden, al kondt gij mij het kostelijkste bed geven.—Het eenige, dat ik u verzoeken wil, is, dat wij morgen vroegtijdig opbreken.”
„Dat zullen wij,” sprak de grijsaard, „daar de maan reeds vóór 3 uur opkomt; neem het thans met een stuk zwart brood en alpenkaas voor lief; ook eene teug melk kan ik u geven. Heden morgen had ik nog een restje wijn, maar dat heb ik waarlijk zelf al leeggeschonken.”
Lodewijk zette zich met den ouden aan den landelijken maaltijd. De eenvoudige kost zoude hem voortreffelijk gesmaakt hebben, wanneer zijn hart niet met kommer en bange zorgen was vervuld geweest. Intusschen deed het genot van rust en verkwikking zijne frissche krachten en met deze zijne zoete verwachtingen langzamerhand terugkeeren. Hij voelde spoedig de zware lichaamsvermoeidheid, welke zijn rusteloos voortsnellen langs onbegaande paden, dat meer dan vijf uren geduurd had, na een slapeloozen nacht en de vermoeiende wandeling van gisteren natuurlijk moest te weeg brengen. De legerstede van geurig alpenhooi, door den vriendelijken oude voor hem uitgespreid, was hem dus van harte welkom en spoedig zonk hij in een diepen slaap, die, hoe dikwijls ook door akelige droomen verontrust, zijne krachten deed terugkeeren en hem tot de nieuwe, moeielijke wandeling sterkte.
HOOFDSTUK VI.
Aan Bianca's zijde had de bedriegelijke droomgod den jongeling verplaatst, en hij waande eene bloeiende landstreek met haar te doorwandelen, toen de stem van zijn huiswaard hem wekte.
„Het wordt tijd, mijnheer; de maan komt even boven den Simplon op en schijnt helder in het dal. Wanneer gij haast hebt, moeten wij thans op weg.”
Nog half in den droom verward, hoorde Lodewijk des grijsaards woorden aan en hij kon zich niet bezinnen, waar hij zich bevond; want uit de lachende velden van Italië, uit den helderen zonneschijn, die zijn sluimerend oog had omgeven, zag hij zich thans, daar hij het opende, in eene enge, duistere ruimte verplaatst, waar het bleeke maanlicht zonderling kampte met het roodachtige schijnsel van den mat glimmenden dennespaander. Eerst toen de oude hem de hand reikte om hem op te richten, en de maanschijf hem door het kleine venster vriendelijk in de oogen blonk, kwam hij volkomen tot bewustzijn. „Zoo dadelijk, goede vader; ik was nog half in den droom; zoo dadelijk.”
Met deze woorden sprong hij van zijne harde legerstede op en was binnen weinige oogenblikken geheel reisvaardig.
„Gij moet eerst ontbijten mijn goede heer,” sprak de oude; „ik heb de melk al gewarmd. De morgenlucht is koel en de koude zou u bevangen, als gij zoo nuchteren buiten kwaamt. Een warme dronk is altijd goed.”
Door des grijsaards gulhartige voorzorg getroffen, wilde Lodewijk de aangeboden verversching niet afslaan; echter vergunde hij zich daartoe slechts weinige oogenblikken, daar de onrust van gisteren zich weder geheel van zijne ziel had meester gemaakt.
De grijsaard liet bij het verlaten der hut de deur ongesloten. „Hier berooft ons niemand van ons weinigje bezitting,” zeide hij; „enkel des nachts schuiven wij den grendel toe om wilde dieren buiten te houden, want aan wolven is geen gebrek hier op het gebergte.”
De maan scheen vrij helder op hun pad; weldra bemerkten zij ook de schemering van den dageraad. Lodewijk moest toestemmen, dat de weg inderdaad gevaarlijk was want zelfs nu nog, terwijl men zien kon waar men den voet zette, was behoedzaamheid noodig, wilde men geen gevaar loopen van uit te glijden. Echter scheen hem zijn leidsman al te omzichtig, al te zorgvuldig toe en vooral waar de weg effen was, stelde diens wankelende, slepende grijsaardstred zijn geduld meermalen op de zwaarste proef.
Na ongeveer twee uren wandelens, zeide de oude met zijn stok vooruit wijzende: „Ziet gij, mijnheer? Daar links hebben wij nu de brug over de Rhône.”
Lodewijk zag op eenigen afstand twee sterke, zeer lange boomstammen in de schuinte over de rivier gelegd en herkende ook de plaats weder aan eenige vreemd gevormde rotsklompen, die den vorigen avond zijne aandacht getrokken hadden: in het duister had hij de boomen niet voor eene brug, maar voor een sterk naar het water overhellenden den gehouden, hoedanige hij er meer langs den oever had gezien. Dat het pad zich hier verdeelde, was, vooral bij avond, voor een vreemdeling nauwelijks merkbaar; want naderbij gekomen zag hij, dat men om de brug te genaken, eensklaps ter zijde wenden en alsdan eenige steile rotstrappen beklimmen moest, die, bij dag zelfs, bezwaarlijk voor een pad te onderkennen waren.
Juist wilde Lodewijk aan zijn geleider de vraag doen of hij zich stellig kon verzekerd houden, dat de weg aan de overzijde der Rhône de eenige was, dien de reizigers welke hij zocht, konden zijn ingeslagen, toen een voorwerp, dat bij toeval zijn oog trok, hem met blijde verrassing vervulde. Hij werd namelijk aan een boomstam, juist bij de plaats waar de rotstrap naar de rivier afdaalde, een rozerood lint gewaar, dat in den koelen morgenwind lustig heen en weer fladderde! Vol zoete verwachting snelde hij er op toe en bemerkte met verrukking, dat een strik van Bianca's kleed daaraan was vastgehecht.
„O, dat de nacht dat schoone teeken gisteren voor mij verbergen moest!” riep hij uit en voelde een traan in zijn oog opwellen. „Voorzeker vervulde mijn achterblijven haar met angst en wilde zij mijne schreden richten en voor afdwalen behoeden.”
Hij knoopte het lint van den boom los, verborg het zorgvuldig in zijne brieventasch en trad met vernieuwden moed verder. Aan de overzijde der rivier gekomen, hield de grijsaard hem andermaal staande met de vraag: „En waarheen moet ik u nu verder brengen, mijn goede heer?”
„Wel, het dal door; er is immers maar één weg,” antwoordde Lodewijk.
„Nu ja, een hoofdweg,” hervatte de oude; „maar gij zeidet gisteren, dat uwe vrienden, het gebergte door, Zwitserland dieper in wilden, en dan hebben wij ruime keus, want hier zijn verscheidene wegen, die u over de Alpen in het Berner-bovenland brengen; de vraag is maar, welken gij verkiest.”
Lodewijk stond eene poos besluiteloos. Eensklaps rees de gedachte bij hem op: zij zal mij voorzeker wel een tweede teeken geven en ook verder op het spoor doen blijven. „Voorwaarts maar,” sprak hij; „zoodra de weg zich verdeelt, zullen wij verder zien.”
Zij traden voort en kwamen spoedig op een weg, die voor bergwagens en muilezels bruikbaar begon te worden. Bovenal op spoed bedacht, zoude Lodewijk gaarne zijne schreden verdubbeld hebben, maar de loome tred van den oude, die met moeite de wandeling voortzette, noodzaakte hem zijne vurige drift te beteugelen. Na reeds verscheiden jonge landlieden ontmoet te hebben, wier voorkomen de kracht en vlugheid aanduidde, welke Lodewijk zoo gaarne aan zijn gids had toegewenscht, nam deze eindelijk uit eigen beweging het woord op en zeide: „Ik zie wel mijnheer, dat gij gaarne sneller voort wildet dan mijne zwakke krachten toelaten. Wilt gij niet liever een geleider nemen die wat vlugger ter been is? Zoo dadelijk komen wij aan eene hoeve, waar ik bekend ben en u licht een gids kan bezorgen, die tot Bern of Zurich nauwkeurig den weg weet.”
Lodewijk, wien dit voorstel reeds lang op de lippen zweefde zonder dat hij er, om den goedhartigen oude niet te krenken, voor dorst uitkomen, nam het met blijdschap aan en antwoordde: „Het zal daarom uwe schade niet zijn, oude heer; maar spoed is voor mij van zooveel aanbelang, dat ik desnoods alleen verder zou gegaan zijn om maar haastiger voort te komen. Ik moet, het koste wat het wil, mijne vrienden van daag nog inhalen.”
„Daar komt Jozef waarlijk zelf aan!” viel hem de grijsaard met een vroolijken uitroep in de rede en wees op een jonkman, die met een korf op den schouder, in de verte naderde.
„Ei, Seppi,” riep hij hem op eenigen afstand toe, „gij komt juist van pas; wilt gij dezen heer over het gebergte brengen?”
„Van harte gaarne,” antwoordde de gevraagde met eene krachtige basstem; „was ik dan maar van dit pak bevrijd, dat naar Brieg moet.”
„Geef maar over,” riep de oude; „dat bezorg ik voor u; brengt gij den heer maar verder.”
Lodewijk nam een hartelijk afscheid van den wakkeren grijsaard, en moest zich, door met spoed zijn weg voort te zetten, aan de luide en herhaalde dankbetuigingen onttrekken, waarin eene rijkelijke belooning den oude deed uitbarsten. Zijne eerste zorg was nu bij den nieuwen gids te vernemen of deze misschien ook eenig spoor van de door hem gezochte reizigers ontdekt had.
Het antwoord was ontkennend.
Eene tweede taak was, uit te vorschen welken weg de vreemden, die spoedig en zonder opgemerkt te worden hunne reis wenschten voort te zetten, wel konden genomen hebben om op de veiligste wijze over het gebergte te komen en de Duitsche grenzen te bereiken. Dit was bezwaarlijk, zonder den samenhang der omstandigheden te doen gissen; nochtans verzon hij eene fabel, waardoor hij alle verdenking van Bianca en hare geleiders hoopte af te weren, en zeide op een vertrouwelijken toon: „Ik zal u maar zonder omwegen bekennen, goede vriend, dat vurige liefde voor eene jonge engelsche dame, die ik, van Italië komende, op den Simplon ontmoette, mij tot zulk een haast aanzet. Te Brieg vernam ik, dat zij, niettegenstaande het vroegere jaargetij, besloten had, midden door het gebergte te trekken om de woeste natuur te beter te leeren kennen. Daar hare reis overigens grooten spoed vordert, wilde zij een weg nemen, die haar daartoe het best de gelegenheid aanbood en tevens nader naar Duitschland bracht. Haar mijn geleide aanbieden durfde ik niet, daar zij, alleen door eene kamenier en een oude bediende vergezeld, verder geen gezelschap verlangt, maar vrij en zelfstandig de wereld wil doorreizen, zooals dat wel meer de verkiezing der engelsche vrouwen is. Echter was mijn verlangen om bij haar te blijven zoo groot, dat ik vast besloten had haar heimelijk te volgen en mij dan in het gebergte, waar de wegen niet zoo spoedig weer uiteen loopen, als toevallig bij haar te voegen. Of zij mijn voornemen geraden had en het opzettelijk wilde verhinderen, weet ik niet; doch hoe 't zij, gisteren tegen den middag, terwijl ik eene wandeling deed, heeft zij Brieg verlaten, schoon zij mij gezegd had, niet voor den volgenden morgen te willen vertrekken. Het eenige, dat ik met zekerheid heb kunnen gewaar worden, is dat zij dezen weg langs de Rhône heeft ingeslagen. Wat dunkt u nu, dat ik verder moet doen om haar op het spoor te komen, goede vriend? Was ik gelukkig genoeg haar te vinden, dan zou ik u rijkelijk voor uwen goeden raad beloonen.”
„Ja, mijnheer, dat is waarlijk eene moeielijke zaak, iemand op te zoeken van wien men niet weet, welken weg hij genomen heeft. Er zijn hier eene menigte van wegen. Als wij bij Naters, dat daar beneden voor ons ligt, over de bergen gaan, kunnen wij, de Jungfrau voorbij, in het Bovenland komen. Dat zou de naaste weg naar Bern zijn, maar in dit jaargetij is hij hoogst gevaarlijk en de beste gemzenjager zou hem niet licht uitkiezen. Drie uren verder bovenwaarts loopt nog een pad over de steilte, dat de Jungfrau links laat liggen en waarlangs wij, zoo God wil, Grindelwald bereiken kunnen. Maar dat is ook al een weg, dien men in den zomer neemt; bij wintertij, zooals nu, wordt hij zelden of nooit gebruikt. Die wegen denk ik dus niet, dat de dame genomen heeft, ook zou zij daartoe bezwaarlijk een gids vinden. Nu blijft er nog een pad over, dat bezijden den Grimsel heenloopt, of, willen wij in het Rhônedal blijven, een ander, dat over de Furca naar Realp, Hospital en vervolgens op de Gotthardstraat brengt. Dat zijn de vier hoofdwegen; wie klimmen en klauteren wil en voor omwegen niet bang is, kan nog verscheidene andere nemen, maar met die bijpaden zijn wij landlieden niet bekend, en om daarop te recht te komen, dient men een goed bergjager bij zich te hebben, die dag en nacht in de bergen rondzwerft. Thans echter, in het voorjaar, daar de sneeuw nog zoo hoog ligt en men elk oogenblik lawinen te wachten heeft, thans is het waarachtig niet te wagen, mijnheer! Ik geloof dus zeker, dat de dame òf over de Grimsel òf over de Furca gegaan is en, heeft zij haast, dan is de laatste weg nog de beste; want hij loopt regelrecht op den grooten weg naar Altorf uit en gaat verder door Brunnen en Zug naar Zurich. Nader weg op Duitschland is er niet; er zijn er wel, die meer rechtuit loopen, maar daar ze dikwijls zoo ongebaand en gevaarlijk zijn, vallen zij bij slot van rekening doorgaans nog wel eens zoo lang. Wanneer het weêr bovendien eens onstuimig werd, konden wij licht acht dagen op het gebergte liggen, zonder een voet verder te komen.”
Lodewijk hoorde deze niet zeer troostrijke berichten onder het voortwandelen aan. Hij besloot, tot aan Maienwand het dal te volgen en op ieder zijpad scherp acht te slaan, om te zien, of Bianca hem misschien ook eenig nieuw teeken mocht hebben achtergelaten.
Vrij spoedig bereikte men het kleine dorpje Naters, waar het meisje waarschijnlijk moest overnacht hebben. Lodewijk won overal berichten in, doch niemand wist hem eenig uitsluitsel te geven. Toen hij, het dorp verlatende, aan de plaats kwam waar de weg ter linkerzijde naar het gebergte afsloeg, zag hij te vergeefs naar een lint of eenig ander teeken om: geen spoor van de geliefde was in het rond te ontdekken. Hoe bekoorlijk het dal ook zijn mocht, door hetwelk hij aan de zijde van zijn geleider stilzwijgend voortwandelde, trok toch geene der hem omringende schoonheden zijne oogen tot zich. Zijne gansche ziel was met Bianca vervuld, die hij thans vreezen moest even snel en onverhoeds weder te zullen verliezen als hij haar gevonden had. Elken wandelaar, dien hij ontmoette, ondervroeg hij; in verschillende aan den weg gelegene woonhuizen deed hij onderzoek naar de reizigers; doch al zijne pogingen bleven zonder gevolg. Nauwelijks vergunde hij zich zooveel rust, als hem en zijnen leidsman tot verademing volstrekt noodzakelijk was. Met klimmende beangstheid zette hij zijn tocht voort; de laatste bewoonde plaats die hij aantrof, was Ulrichen. Het was drie uur in den namiddag toen hij daar aankwam; twaalf volle uren had zijn wandeling nu reeds geduurd en de weg was bij tusschenpoozen uiterst vermoeiend geweest. Onbegrijpelijk scheen het hem, dat hij tot hiertoe zelfs niet het geringste spoor van het voorwerp zijner navorsching ontdekt had. Verder toch kon zij, ook bij den grootsten spoed, bezwaarlijk gekomen zijn; ja, al had zij ook den ganschen nacht door hare vlucht voortgezet, het laatste gedeelte van den weg moest zij toch bij helderen dag hebben afgelegd en kon zij dus, daar eene reizende dame in het tegenwoordige vroege jaargetij een zeldzaam verschijnsel was, onmogelijk onopgemerkt zijn gebleven. Dit deed hem meer en meer bevreesd worden, dat zij, om te spoediger de nasporingen harer vervolgers te ontkomen, het gewaagd had een dier gevaarlijke bergpaden te nemen; en zoo kwelde hem nu niet alleen de gedachte van haar gescheiden te zijn, maar ook de bezorgdheid, welke hij voor haar leven moest beginnen te koesteren. De eenige en laatste hoop die hem overbleef, was deze, dat hij aan den Maienwand, waar het steile pad naar den Grimsel opwaarts stijgt, een teeken vinden mocht, dat hem uitnoodde dezen weg te vervolgen, of dien naar den Gotthard in te slaan. Zijne uitgeputte krachten vergunden hem echter niet de reis verder te voet voort te zetten; hij droeg dus aan Jozef den last op, twee muildieren te huren, welke deze hem reeds vroeger gezegd had, dat hier voor vreemdelingen, die zich het beklimmen van den steilen Maienwand gemakkelijk wilden maken, doorgaans wel te bekomen waren. Na verloop van een half uur, terwijl de vermoeide jongeling een vluchtig middagmaal nuttigde, kwam Jozef dan ook reeds met twee goed gezadelde, door een drijver geleide muilezels terug, en onverwijld begaf zich de kleine karavane nu weder op weg. Spoedig had men den Maienwand bereikt en Lodewijk onderzocht met angstvolle opmerkzaamheid elken boom en elken struik, dien zich aan den weg vertoonde; doch helaas! geen rooskleurig schijnsel liet zich tusschen het nauw ontloken groen bespeuren.
Nu bleef hem geen keus meer over. De geliefde had hem ook hier geen wenk gegeven om de baan te verlaten; was zij hem dus nog vooruit, dan moest zij den weg over den Gotthard gekozen hebben. Van nu af begon de landstreek woest en eenzaam te worden; slechts weinige, thans verlaten herdershutten vertoonden zich in de nog geheel met sneeuw overdekte wildernis. Ter linkerzijde der reizigers hief het ijspaleis van den Rhônegletser, door de brekende zonnestralen met ontelbare verven gekleurd, zijne glinsterende spitsen omhoog; ter rechter stapelden zich onmetelijke rotskolossen uit de diepte opeen, en vóór hen verloren de beide sneeuwpiramiden der Furca hare witte toppen in het heldere blauw van den onbewolkten hemel. Het dal was bij een prachtigen voorhof van het versteende, fonkelende rijksgebied van den winter te vergelijken, op welks diamanten bodem plant noch bloesem ontkiemt en de warme zonnestraal in zeven koude kleuren afstuit.