Part 49
„Eindelijk keeren wij naar de vaderstad terug. Nog eenige minuten en wij zijn op weg naar Warschau, waar ik weder ettelijke uren nader bij u ben, die onophoudelijk verder en verder voorttrekt. O mijn geliefde, wanneer zal die verschrikkelijke oorlog toch een einde nemen? Wanneer keert gij uit die ruwe wildernissen tot mij terug? Hoe liefderijk zullen deze armen u omvangen! Ach Jaromir, ik heb vaak droeve, akelige uren en verbeeld mij dan, dat eene zwarte gestalte ons geluk dreigt te vernietigen. Een warm, innig gebed tot de heilige Moedermaagd is dan mijn eenige troost. Alles wat de vrienden, die mij omgeven, beproeven, om mij op te beuren, stuit op mijne borst af, maar het gebed dringt tot diep in het hart. Bidt ook gij, mijn dierbare; laat door het wilde gewoel en de gestadige verstrooiing van den krijg de heilige stem niet tot zwijgen brengen, die ons deemoedig en vertrouwend voor den Almachtige doet nederzinken. Wie zal u in den slag beschermen, als Hij het oog van u afwendt? Maar Hij verlaat niemand, die zich met een kinderlijk hart tot Hem om bijstand wendt. Lieve Jaromir! Uwe reine, schoone ziel vol jeugd en hoop, leg haar dagelijks zoo vertrouwelijk en oprecht voor den Hemelschen Vader open, als gij ze voor mij ontsloten hebt. Spot niet met de zwakheid van het meisje, dat u tot gebed en godsvrucht aanmaant, daar zij zelve daarin haar eenigen troost vindt. Ik weet wel, de man verbeeldt zich sterk te zijn, ook zonder goddelijken bijstand. Maar het is eene dwaling, geliefde. Voor Hem zijn de zwakken sterk; want zij staan onder Zijne bescherming, en de sterken zinken neer, als Zijn adem over hen heenblaast. Sterk, onoverwinnelijk voel ik mij, wanneer ik mij in een vurig gebed tot den troon des Allerhoogsten gewend heb; dan zie ik den engel des Heeren u geleiden en beschermen met zijn machtig schild; dan lacht mij de zon eener gelukkige toekomst vertroostend toe. Wel keeren de sombere uren van angst en beklemdheid somwijlen terug, gelijk de nacht na elken dag wederkeert, maar ik zie toch altijd lichtende starren door het duister blinken en de uiterste rand des hemels blijft met gouden ochtendglans omzoomd. Spoedig, geliefde, ben ik nader bij u, in de vaderstad, waar alles, tot zelfs de taal der menschen, mij u voor den geest roept. Ik zal mij daar veel gelukkiger gevoelen dan hier!—Juist komt de wagen aanrollen. Vaarwel! Vaarwel! Duizend engelen mogen u beschermen en gelukkig tot mij terugbrengen. Ach, wanneer zal die dag eens komen, dat gij weder in de armen rust van
Uwe LODOISKA.”
„Dat edele, goede meisje! Enkel liefde, vertrouwen, onschuld en waarheid!” riep Lodewijk, toen Jaromir geëindigd had. Deze wierp zich met onstuimigheid aan zijn hart en drukte zijn gloeiend gelaat tegen de borst van den vriend. Lodewijk kon niet vermoeden, wat den jongeling zoo hevig ontroerde, en waande, dat het de overmaat van verlangen naar de verwijderde geliefde was.—„Wees een man, Jaromir,” sprak hij bemoedigend, „de dag des wederziens zal aanbreken; hij is misschien niet verre meer.”
Jaromir bleef in die houding, zonder een woord te antwoorden. Vreeselijke gedachten pijnigden zijne ziel. Ongelukkig zijt gij, riep de stem in zijn binnenste, wanneer dit niet de taal der waarheid is, dubbel ellendig, wanneer zij het is!
Daar hij bij voortduring zweeg en den vriend steeds vaster omklemde, vroeg Lodewijk eindelijk, om aan zijne gedachten een andere wending te geven, naar Bernard.
„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Jaromir zich oprichtende en het hoofd schuddende; „ik heb niemand, niets gezien!—Lodewijk! ik moet u verlaten, ik moet alleen zijn! Ik bid u, laat mij alleen!”
Lodewijk zag hem ontroerd na, toen hij opsprong en, met overhaaste schreden de straat opgaande, in het duister verdween.
Zouden dan al mijne vrienden heden in zulk eene spanning verkeeren, dacht hij, zoodat ik vreezen moet, dat zij door den drang hunner innerlijke gewaarwordingen en aandoeningen de uiterlijke wereld en hare gevaren vergeten? En heb ik zelf niet wellicht de sterkste oorzaken tot eene gelijke stemming? Van waar dan, dat mijn hart zooveel rustiger slaat? Ach—wijl ik mij reeds onder het ijzeren juk van het lot gebogen heb, wijl mijne hoop niet meer zoo frisch bloeit en de warme, bruisende ader der vreugde lang heeft uitgebloed?—Op den Gotthard was ook ik niet zoo kalm en rustig. En ben ik het dan thans werkelijk? Of ben ik slechts vermoeid?
Langzaam keerde hij naar zijne kamer terug. Hij trad aan het venster, om te zien, of geen der beide vrienden zou terugkeeren. Een vol uur verliep, alles bleef stil. De vuren waren bijna verteerd; slechts een doffe, smeulende gloed glom nog te midden der zwarte, op den grond gelegerde gestalten. Men hoorde de diepe, zware ademhaling door het zwijgen van den nacht; zelfs de vuurwachten werden door den slaap overweldigd en sluimerden in. Eene doodsche stilte lag over de gansche, onmetelijke stad uitgebreid.
HOOFDSTUK V.
Eindelijk werd ook Lodewijk door zijne vermoeidheid overmand; hij sloot het venster, hulde zich in zijn mantel en wierp zich op het in den hoek staande rustbed neder. De bezorgdheid over Bernard en Jaromir hield hem nog eene poos wakker, doch zij verloor zich meer en meer in de nevel der sluimering, die hem langzaam bekroop; spoedig klonken de verontrustende gedachten hem nog slechts als een verwijderd bruisen der zee, als een doffe, in de verte wegstervende donder door de ziel; zij werden gestadig dichter omsluierd, weken gedurig verder in het ledig der wijde, donkere ruimte terug. Eindelijk zonken hem de matte oogleden toe en hij lag in diepen slaap. Doch de ziel werkte onrustig voort in het vermoeide lichaam, en deed bonte, begoochelende droombeelden op den zwarten achtergrond van den nacht voorbijzweven.
Nu zag hij zich in de hitte van het gevecht en stortte, rondom door vijanden omsingeld van zijn paard ter aarde. Dan zweefde hem eene vriendelijke gedaante uit het vaderland te gemoet; zijne moeder stond voor hem en wenkte hem haar te volgen. Zij voerde hem in de vertrouwelijke woonkamer, kuste hem en vroeg: Waar zijt gij dan zoo lang geweest, mijn zoon?—Eene zachte aandoening verteederde zijn hart; hij smaakte in den droom de vreugde des wederziens, der hereeniging, van welke de werkelijkheid hem zoo gruwzaam verstoken hield.—Hij was op de wandelplaats te Pillnitz; de lieve gezellinnen zijner jeugd verzelden hem. Eensklaps ontglipte hem een kreet van blijde verrassing, want Maria kwam uit de donkere lindenlaan te voorschijn en ging arm in arm met Bianca, die zich zoo vertrouwelijk aan haar aansloot, alsof beiden zusters waren. „Zoo, hebt elkander lief, gij dierbaarsten, die ik op aarde bezit,” sprak hij in zijn droom, en een zalig lachje speelde om zijne lippen. Hij wilde nader treden, haar de hand reiken, de armen ter omhelzing uitstrekken, maar een vreemde hield hem terug. Het was Rasinski, die hem gelastte, dadelijk te paard te stijgen. De schoone gestalten verdwenen, hij zag zich weder te midden van het onrustige woelen en warren van den veldtocht; lange, onafzienbare rijen soldaten trokken hem voorbij; hij sloot zich bij den trein aan, en toch rezen onophoudelijk nieuwe gestalten vóór, achter en nevens hem op en zweefden strijkelings langs hem heen. Verwijlen en voorwaarts dringen geschiedde in hetzelfde oogenblik, gelijk zoo dikwijls het dubbele en tegenstrijdige in den droom. Thans verbeeldde hij zich, Moskou binnen te trekken; hij reed met Bernard en Rasinski door de straten, die zich in onafzienbare verte voor hem uitstrekten. De huizen en paleizen van den omtrek mengden zich voor zijne blikken tot een verwarden chaos dooréén: hij zag steeds het huis voor zich, dat hij bewoonde, maar gestadig drongen nieuwe straten daartusschen in, eer hij het bereiken kon. Met elke schrede scheen zich de weg te verlengen. Eindelijk stond hij met beide vrienden voor de breede poort; Petrowski hield den teugel, zij stegen af en beklommen de trappen. Uitgeput van vermoeidheid legde hij zich in den droom in hetzelfde vertrek, op hetzelfde bed neder, waar hij werkelijk sliep. Droom en werkelijkheid begonnen zich thans zonderling dooreen te mengen. Hij hoorde het aanroepen van den schildwacht, die beneden zijne vensters werd afgelost, en ontwaakte. Daar echter zijn geopend oog dezelfde beelden zag, als het sluimerende, namelijk het door den matten glans der wachtvuren flauw beschenen vertrek, daar zijn wakend oor dezelfde tonen hoorde, die hij in den slaap vernomen had, zoo deed de bedwelming, die nog op zijne zinnen rustte, schijn en waarheid onafscheidelijk dooréénsmelten. Zoo zag hij, half droomend, half wakend, de deur zijner kamer langzaam openen en eene in het zwart gekleede, gesluierde gestalte, die eene flauw schemerende lamp in de hand droeg, binnentreden. Als eene geestverschijning zweefde zij op hem toe; thans stond zij dicht voor zijn leger stil en sloeg het floers terug dat haar gelaat bedekte. Het was Bianca; maar bleek, doodsbleek, met ingevallen, smartelijke trekken. „Waar is Maria?” vroeg Lodewijk het droombeeld; „en waarom komt gij in een rouwkleed, geliefde? Ach, is uwe moeder óók gestorven?” Met weemoedig verlangen strekte hij de hand naar de dierbare uit; stom, bevende stond zij voor hem. Het was, alsof zij zich over hem wilde nederbuigen; doch eensklaps wankelde zij een schrede terug, hief de hand op, als een teeken, dat hij haar niet mocht aanraken, en schudde langzaam en droevig het edele hoofd.
„Ontvliedt gij reeds weder?—Waarom hoont gij mij zoo, gij liefelijke droombeelden?” sprak Lodewijk in halve bewusteloosheid. „Ach, vertoont u niet, als gij steeds weder van mij vlieden wilt.” Hij rilde, als door nachtvorst verkleumd en hulde zich dichter in den mantel.
Het gezicht was verdwenen; maar uit het duister van den nacht drongen den sluimerende de woorden in het oor: „Vlucht, vlucht! Uw leven is niet veilig onder dit dak!—Neem dit ten aandenken!”
Eene zachte aanraking gleed thans over zijne wangen. Hij ontwaakte en sloeg met moeite de loodzware oogleden op.—Alle beelden van zijn droom lagen in dagend schemerlicht om hem heen verspreid. Bianca's gestalte verdween als eene schaduw; de vuurglans aan de zoldering was duister omneveld; zelfs de verlichte vensters schenen hem met een zwart weefsel bespannen. Met moeite zocht hij zijne nog geheel verstrooide zinnen bijeen te rapen,—daar klaterde een schot uit het nevenvertrek hem in het oor. Dit geluid rukte hem gewelddadig uit de banden des slaaps los; hij was wakker, sprong op. Echter bleven de voorwerpen ook nu nog als door rook omneveld; thans was het niet meer eene begoocheling van den droom, maar zijn oog moest op eene onbegrijpelijke wijze verblind zijn. Opeens voelde hij weder, gelijk vroeger in den halven sluimer, een zachte, trillende aanraking over wang en voorhoofd glijden, even alsof eene donsachtige pluim daarover heenstreek. Als door tooverkracht was het verduisterend hulsel plotseling van zijn oog afgelicht en zag hij alle voorwerpen om zich heen weder in de volle scherpte hunner omtrekken. Nog was hij van zijne verbazing niet tot zich zelf gekomen, toen Rasinski's donderende stem, die hem en Bernard opriep, zich uit het aangrenzende vertrek hooren liet; hij vloog dus de zaal binnen, die door eene nachtlamp beschenen werd. Rasinski trad reeds met driftige schreden op hem toe, en bijna op hetzelfde oogenblik kwamen de door het schot gewekte manschappen uit de voorzaal aanstormen. „Licht! meer licht!” beval de overste. Zij spoedden heen, om het te zoeken.
„Wat is er toch? Wat zaagt gij?” vroeg Lodewijk.
„Wij zijn in een wonderbaar spookhol. Hebt gij niets gezien?”
„Niet het minste; maar toch....”
„Door mijn vertrek sloop zoo even eene zwarte gestalte, naar alle waarschijnlijkheid eene vrouw.”
„Hoe?” riep Lodewijk, als door den bliksem getroffen uit; „eene zwarte, gesluierde gestalte....”
„Juist! Maar hoe weet gij......”
„En gij zaagt het werkelijk? Het was geen droombeeld?” riep Lodewijk en stond als versteend voor den vriend.
„Neen, bij den hemel, want ik was wakker als in dit oogenblik,” hernam Rasinski, die zich nog te zeer met zijne eigene ontmoeting bezig hield, om den indruk, die ze op Lodewijk maakte, waar te nemen. „Voor vijf minuten wist ik werkelijk zelf niet, of ik gedroomd had, of wezenlijke dingen aanschouwde. Ik meende iets voorbij mijn bed te hooren ruischen en ontwaakte, want gij weet, hoe licht mijn slaap is. Nu zag ik eene donkere schaduw langs den wand glijden en een mat lichtschijnsel scheen mij uit de geopende zaaldeur in mijn vertrek te vallen. Echter drong ik mij op, dat het de flikkering der vuren op de straat was, die mij bedroog. Intusschen was ik volkomen wakker geworden en lag, nog over de verschijning nadenkende, op mijn leger. Juist had ik mij weder in de lakens gewikkeld en de oogen gesloten, toen ik hetzelfde geritsel als vroeger hoorde. Ik sprong op en zie eene zwarte, gesluierde gestalte dicht voorbij mijn bed sluipen. „Werda!” riep ik; zij verschrikt kennelijk, maar geeft geen antwoord en snelt met rassche schreden door de kamer. „Antwoord, of ik geef vuur,” riep ik en greep naar mijne pistolen....”
„Almachtige hemel!” riep Lodewijk en greep onwillekeurig, alsof hij het schot verhinderen wilde, den arm, dien Rasinski in het vuur van zijn verhaal hield uitgestrekt. „Gij hebt dus op haar geschoten?”
„Zekerlijk heb ik; en terstond daarop hoorde ik den kreet eener vrouwelijke stem.”
„Zij is getroffen? Waar?”
Met deze woorden wilde Lodewijk Rasinski ter zijde dringen en in zijn vertrek vliegen; doch deze, die thans eerst de hevige ontroering van den vriend gewaar werd, hield hem terug en vervolgde haastig: „Het was slechts een kreet van schrik. Dadelijk daarop, juist toen ik driftig was opgesprongen en op de geheimzinnige verschijning toesnelde, hoorde ik eene deur ras ontsluiten en weder in het slot werpen. Of nu het vuur en de rook van het schot mij verblindden, of het schemerdonker van het vertrek de vlucht der onbekende begunstigde, dat weet ik niet, althans zij was spoorloos verdwenen en scheen in den grond weggezonken. Oogenblikkelijk liep ik nu naar de zaal en riep u en de manschappen op. Langs dezen weg kan zij niet ontkomen zijn, want ik was bij de deur, eer zij die met mogelijkheid kon bereikt hebben.”
Inmiddels hadden eenige bedienden licht gebracht en Rasinski snelde naar zijn slaapvertrek, om het ten nauwkeurigste te doorzoeken. Lodewijk volgde hem met een onbeschrijfelijk zonderling gevoel. Doch de kamer was ledig; zij had slechts twee deuren; de eene kwam op de zaal uit, de andere bracht in de verder voortloopende reeks van vertrekken. Deze laatste was echter door twee stoelen, die nog evenzoo stonden als den vorigen avond, gesloten; onmogelijk kon iemand ze geopend hebben, zonder de stoelen omver te werpen of ter zijde te schuiven. De bedienden daarentegen verzekerden eenstemmig, dat niemand door de zaaldeur kon ontkomen zijn, daar zij schuins voor deze hunne legers hadden opgeslagen, zoodat men niet dan over hun lijf heen kon uit- en ingaan. Op de plaats, waar Rasinski op de verschijning gevuurd had, was geen deur te vinden; het was die hoek der rug- en zijwanden van het kabinet, welke niet aan de zijde der zaal, maar aan de overige vertrekken grensde. Opmerkzaam onderzocht Rasinski het tapijtbehangsel. „Daar zit mijn schot!” riep hij en wees op eene beschadigde plek, waar de kogel was ingedrongen en nog in den muur zat. „Dus heb ik mij niet bedrogen! Hier moet eene geheime deur zijn.” Nieuwsgierig drongen de lieden om hem heen; Lodewijks hart klopte met angstig zoete verwachting. Daar schoot hem plotseling door de ziel, dat nu alles, wat hij gemeend had te droomen, wel waarheid zijn konde. „Neem dit tot een aandenken!” had de verschijning hem toegefluisterd. Driftig greep hij een handblaker en ijlde naar zijne kamer terug. Zijn eerste blik viel op het rustbed; hij ontdekte niets, maar toen hij nu ook de overige gedeelten van zijn vertrek zorgvuldig opnam, zag hij op den grond, in de nabijheid van het venster, iets wits blinken. Hij hief het op, het was een sluier. Toen het weefsel licht over zijne hand gleed, bespeurde hij eensklaps weder hetzelfde gevoel, dat hij vroeger niet geweten had, waaraan het te moeten toeschrijven; de sluier moest zijn gelaat bedekt hebben. Hij ontvouwde dien; de hoeken waren door eene striklis vastgeknoopt; haastig maakte hij ze los, glanzend goud werd zichtbaar; een groene steen blonk hem in de oogen. „Genadige hemel, is het mogelijk!” stamelde hij, en heete tranen stroomden over zijne wangen. Hij hield denzelfden armband in de handen, dien de geliefde aan den voet van den St. Bernard verloren had; hetzelfde dierbare kleinood, waaraan hij het eerst het geluk van haar schoon gelaat te mogen aanschouwen verschuldigd was. Buiten zichzelf wilde hij naar Rasinski toeijlen, toen hij tusschen de vouwen van den sluier een blad papier ontdekte. Met bevende hand trok hij de gouden naald, die het vasthield, terug en las met in tranen zwemmende oogen:
„Gij waart eens mijn redder uit dreigend gevaar! Gij beschermdet mij met broederlijke trouw! Wie vermag de wonderbare doeleinden der Voorzienigheid te doorgronden, die ons toenmaals vereenigde en scheidde, ons thans weder bijeenbrengt en voor eeuwig van elkander afscheurt!—Doch de minuten zijn kostbaar. Verlaat dit huis, snel, oogenblikkelijk! Het uiterste gevaar dreigt u! De kloof des verderfs gaapt onder uwe voeten; onder den grond, dien gij betreedt, opent zich een vreeselijke afgrond. Eén oogenblik te laat en gij verzinkt! Meer mag ik u niet ontdekken.—Ach, reeds dat wordt mij als eene zware misdaad toegerekend! Doch een heilige plicht der dankbaarheid gebood mij, ze te begaan.—De toekomst is duister als de nacht, mijn leven aan stormen prijsgegeven.—Wat ook mijn lot zij, met zusterlijke trouw zal mijn hart het beeld van den edelen vriend bewaren; mocht ook ik niet geheel door hem vergeten zijn!
BIANCA.”
Roerloos, de strakke blikken onbewegelijk op den naam gevestigd, stond de jongeling daar, toen Rasinski binnentrad. „Waar blijft gij?” vroeg deze. „Wij hebben eene deur ontdekt; men haalt bijlen, om haar open te breken, want nu moet ik noodzakelijk alles weten.—Maar is Bernard nog niet terug?—In 's hemels naam, wat deert u? Wat is er gebeurd?” vroeg hij verbaasd, toen Lodewijk als versteend voor hem stond en hem het papier toereikte. Rasinski las het haastig door. „Hier zijn hoogere machten in het spel,” riep hij uit; „nooit is mij zoo iets overkomen. Maar gevaar? Welk gevaar dreigt ons? Wij zullen dit toch zeker niet letterlijk te verstaan hebben.—Wij moeten de geheimzinnigen opsporen. Kom, laat ons het avontuur gemeenschappelijk wagen!”
Lodewijk liet zich gewillig medeslepen. Zij vonden de rijknechten reeds bezig, het slot der geheime deur met eene bijl te verbrijzelen. Na eenige forsche slagen gelukte zulks. „Thans onbevreesd, maar voorzichtig,” sprak Rasinski, greep in de eene hand eene kaars, in de andere een pistool en ging voor.
Men bevond zich in een smallen, lagen gang, die nauwelijks hoogte en breedte voor één man had. Het scheen, dat deze in den muur zelven was uitgehouwen en in dezelfde richting met den breeden, buitensten gang voortliep. Echter helde hij merkelijk en daalde zelfs op enkele plaatsen snel naar beneden. „Mij dunkt, het riekt hier zoo brandig en zwavelachtig,” sprak Rasinski, nadat zij ongeveer dertig schreden waren voortgegaan. „Merkt gij niets?”
„Of ik!” kuchte de rijknecht. „Er moet hier dichtbij iets smeulen.”
Zij gingen nog een tiental schreden verder, maar nu sloeg hun een dichte, sulferachtige damp te gemoet, zoodat de kaars eensklaps geheel blauwachtig rood vlamde.
„Zou de waarschuwing dan toch woordelijk gemeend zijn?” fluisterde Rasinski Lodewijk in het fransch toe. „Ik houd het niet raadzaam, hier verder door te dringen!”
Deze, wiens angstig kloppend hart de hoop van de geliefde te zullen wedervinden niet kon opgeven, antwoordde: „Nog kunnen wij ons veilig verder wagen, want de terugweg is ons immers niet gesloten. Laat mij vooruitgaan.”
„Neen, het is beter, dat ik de voorste ben; in uw ijver kondt gij u te ver wagen en de noodige voorzichtigheid uit het oog verliezen.”
Zij traden andermaal ettelijke schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en dichter en maakte hun het ademhalen bezwaarlijk. Daar woei hun plotseling eene koelte te gemoet, alsof de wind zich ergens een vrijen doortocht gebaand had, en in hetzelfde oogenblik werden de drie lichten, welke zij bij zich droegen, uitgebluscht. Onmiddellijk daarop volgde een doffe knal en het gansche gebouw scheen op zijne grondvesten te wankelen.
„Dat was eene mijn!” riep Rasinski; „wij moeten terug!”
Zelfs Lodewijk zag in, dat een verder voortdringen dolzinnigheid zijn zoude. Men keerde dus om en tastte in het duister om zich heen. Maar eensklaps werden zij door een verstikkenden walm omwolkt en een smoorheete gloed vervulde de enge ruimte, zoodat zij bijna het bewustzijn verloren. „Voort! Voort!” riep Rasinski en dreef Lodewijk aan, terwijl deze ook de overigen voor zich uit stiet. Haastig voortspoedende, met beklemden adem, doeken voor neus en mond houdende, trachtten zij Rasinski's kamer te bereiken. Ademloos stormden zij ze eindelijk binnen, maar vonden ook haar reeds met rook en smook gevuld. Rasinski vloog op het venster toe en sloeg met de kolf van zijn pistool de glasruiten in die kletterend op de straat rinkelden. Door dit middel bekwam men lucht en kon onbelemmerd ademhalen. Lodewijk ijlde naar de zaaldeur, doch nauw had hij ze geopend of ook van daar dwarrelden hem de grijze rookwolken tegen, die uit den grond schenen op te stijgen. Echter flikkerde de lamp nog en kon hij nog zijne kamer bereiken, om in allerijl wapens, mantel en mantelzak bijeen te rapen. Bianca's sluier, armband en brief droeg hij reeds op de borst. Zoo spoedde hij weder naar Rasinski terug, die hem reeds in de zaal te gemoet kwam. Thans weergalmde door de stilte van den nacht eensklaps van buiten de kreet: „Brand! Brand!” en bijna terzelfder tijd roffelden de trommen en schetterden de trompetten op het bivak onder de vensters. Allen vlogen langs de breede marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te zoeken. Bij de poort kwam Bernard in vollen loop op hen toesnellen.
„Goddank, dat gij gered zijt!” riep hij: „ik vreesde reeds, dat ik te laat zou komen. Maar maakt, dat gij buiten komt, want de vlammen slaan reeds van alle zijden door de vensters en het dak uit. Hier is de baardige satan los!”
Smart en zaligheid der liefde, bedwelming, verbazing, schrik, dankbare vreugde, al deze verschillende gewaarwordingen overstelpten op eenmaal Lodewijks boezem, doch de machtige vloed der gebeurtenissen verzwolg ze alle in zijne bruisende golven en vergunde het hart de rust niet, om tot zich zelf in te keeren en waarlijk te gevoelen. Het oogenblik vorderde de daad; de bedaarde beschouwing werd van de voorwerpen, waarop zij zich vestigen wilde, met geweld afgetrokken.
Thans echter kon men het gevaar in zijn geheelen omvang overzien. Eene zwarte, ondoorzichtige wolk lag over het paleis; slechts enkele roodachtig flikkerende vuurtongen bliksemden door het duister. De rook drong uit alle vensters van het gebouw, dwarrelde uit de benedenverdiepingen naar boven en steeg in dichte kolommen uit de dakgaten opwaarts. Een enkelen blik was toereikend, om ten volle overtuigd te worden, dat de brand moedwillig was aangelegd, dat de licht ontvlambare stof door het gansche gebouw verspreid en door een plotseling werkend middel overal tegelijk aangestoken moest zijn.
Met angstvolle verwachting zag men de ontwikkeling van het indrukwekkend schouwspel te gemoet. Aan redding was bij het volslagen gebrek aan water en bluschmiddelen niet te denken; men had reeds moeite gehad, om de paarden, die op het binnenplein stonden vastgebonden, en eenigen voorraad in veiligheid te brengen.
Rasinski liet zijne manschappen onder de wapens treden en de rotten tellen, om te zien of iemand ontbrak. Allen waren tegenwoordig.