1812: Historische roman

Part 48

Chapter 483,899 wordsPublic domain

„Gij hebt mijne bruid later gezien dan ik,” sprak hij na eenige minuten. „O, vertel mij van haar! Was zij zoo treurig, zoo bedrukt, als hare brieven?”

Bij het woord bruid scheen Alisette krampachtig te rillen; een gebroken, beklemd „ach!” rees uit hare borst op. „De schoone gravin Lodoiska heb ik weinig meer gezien,” sprak zij met moeielijk herwonnen kalmte; „den dag na den afmarsch was zij op het bal in het Saksische Paleis, waar ik verschijnen moest, om op het concert te zingen.”

„Op het bal?” vroeg Jaromir op een toon, die duidelijk te kennen gaf, dat dit bericht hem even onverwacht als onaangenaam voorkwam.

„De vorst Lichnowski geleidde haar.”

„Danste zij met hem?”

„Met hem alleen, ook slechts een paar maal. Den meesten tijd zaten zij samen in de vensternis en spraken. Zij reden ook vroeg naar huis, want de vorst bleef dien avond nog bij de gravin eten.”

Jaromir zweeg; een donkere gloed van toorn vloog over zijne wangen; echter onderdrukte hij de jaloersche neiging, die in hem opwelde. Neen, dacht hij eenige minuten later, zij bemint u teeder en hare droefheid was zoo oprecht en ongehuicheld, als hare brieven die afschilderden. Zou zij echter daarom het geleide van een vertrouwden vriend des huizes niet meer aannemen? Zou zij zich aan een openlijk feest, dat nog wel eene vaderlandsche strekking had, onttrekken? Gij doet haar onrecht!

In zijne open trekken had Françoise gelezen, wat in zijne ziel omging. „Gij zijt eensklaps zoo verstrooid, lieve vriend,” sprak zij met bezorgde deelneming, „de herinnering aan eene zoo schoone bruid moet inderdaad zeer roerend zijn. Schrijft zij u dikwijls?”

„Ik heb sinds den dag voor den slag geen bericht gehad. De laatste brief was uit Teplitz.—Maar zij schrijft dikwijls en met de aandoenlijkste liefde.” De laatste woorden sprak hij met eene ontroering, die scheen aan te duiden, dat hij over zijn argwaan berouw had. Doch opeens schoot hem te binnen: Waarom heeft zij u niet geschreven, dat zij op het bal geweest is? Zij heeft anders alles, wat haar wedervaren is, nauwkeurig bericht, dag voor dag hare levenswijze opgegeven—waarom....?

Alisette stoorde hem in deze gedachten. „Hoe gaarne had ik van de gravin en uwe bruid afscheid genomen! Maar het was mij onmogelijk. Driemalen liet ik mij aanmelden en vond telkens niemand te huis. De portier zeide mij, dat zij naar buiten gereden waren. Zij kwamen eerst laat weder in de stad en den morgen daarop wekte mij de wegrollende wagen.”

„Naar buiten?” vroeg Jaromir vol verbazing, want ook daarvan had men hem geheel onkundig gelaten. „Waarheen? Kent gij de plaats?”

„Neen,” antwoordde het meisje kennelijk verlegen, „die poolsche namen kan ik zoo moeielijk onthouden.”

„Misschien Wikzolky; het goed van haar oom? Of Pulawy, waar vorstin Czartoryski woont?”

Alisette ontkende zulks door eene lichte beweging met het hoofd.

„Maar naar wien dan? De naam des bezitters zult gij toch kennen?”

„De portier wist het niet,” hernam Alisette aarzelend.

„Dat is onmogelijk, lieve! Als hij de plaats kent, weet hij ook wie er woont.—Ik bezweer u, meisje, spreek de waarheid!” riep hij eensklaps met opbruisende heftigheid. Alisette beefde verschrikt terug.

„Mijn God!”

„De waarheid! Was het Czarnowicki?”

„Ik geloof ja!”

„Daar woont Lichnowski!” riep Jaromir en sprong woedend op. „Zij is trouweloos, is zoo valsch als eene vrouw! Zij verzweeg mij dat bezoek; dat had zij nooit gedaan, was zij onschuldig geweest! Een dagboek zond zij mij; van elk uur, elke minuut gaf zij rekenschap. Eene heilige kon niet stiller, ingetogener leven. O de huichelaarster!” Tranen welden in de oogen des jongelings op; hij wischte ze verdrietig af en stampte met den voet op den grond. „Het is waarachtig ook nog de moeite waard, dat een man als een kind om haar schreien zou!” Doch zijne tranen vloten slechts des te sterker.

Alisette was sidderend, zonder een woord te durven spreken, blijven zitten; zij geleek een kind, dat onverhoeds een groot ongeluk heeft aangericht en, van schrik verbleekt, zonder eene poging tot afwending te wagen, het wassende verderf bevend aanziet. „O, wees toch bedaard,” bad zij eindelijk vleiend: „zet u weder naast mij. Zeker, gij doet der arme schreeuwend onrecht.”

„Neen!” riep hij heftig, „ik doe haar geen onrecht! Onwillens hebt gij, lieve, meer verraden, dan gij vermoeden kunt! Zeg mij thans de volle waarheid. Wat weet gij verder?”

„Werkelijk niets,” hervatte zij, door den smeekenden toon de vraag ontwijkende.

„Alisette?” bad Jaromir onstuimig en zette zich weer. „Alisette! Gij hebt hulp en bescherming van mij afgesmeekt! Thans heb ik u meer noodig, dan gij mij, best meisje! O gij zijt goed, zeg mij alles, ik bid u, alles wat gij weet en denkt.”

„Waarlijk, ik weet niets, en wat ik denk—dat mag ik niet denken. O, dat ik mij een zoo ongelukkig woord moest laten ontvallen!”

„Slechts één ding zeg mij,” sprak hij met verkropte woede en smart,—„is vorst Lichnowski de gravin naar Teplitz gevolgd?”

„Hij reisde denzelfden dag af,” antwoordde Alisette nauw hoorbaar.

„O, _gij_ zijt goed—_gij_ hadt mij niet zoo verraden,” riep hij met diepe ontroering, trok de zacht weerstrevende aan zijn hart en neigde het zware voorhoofd tot haar neder. „Maar ik wil haar vergeten! Zij zal de voldoening niet hebben, dat een man om haar weent. Ik dacht slechts aan _haar_ in den slag. Slechts _haar_ beeld stond voor mijne ziel; ik zag geen dood, geen gevaar. Het scheen mij zoet te sterven, wanneer men zoo betreurd werd—nog zoeter scheen het mij te leven! O, hoe waanzinnig was die wensch! Waarom lig ik niet liever bij de vrienden op de vlakte; daar zou ik rust vinden!”

„En ons brak het hart!” riep Alisette smartelijk uit en scheen van schrik en schaamte te rillen, toen het woord aan hare lippen ontvloden was. De uitroep, dien de macht van het te vergeefs bestreden gevoel haar ontwrongen had, wierp een helderen lichtstraal in de verborgenste diepte harer ziel.

Zij bemint u, dacht Jaromir en dat denkbeeld begon hem met gloeiend leven te doordringen; zij bemint u waarachtig en heeft dat gevoel bestreden en bedwongen in hare maagdelijk schuwe borst. Hoe kon uw oog dat bekoorlijk wezen onachtzaam en miskennend voorbijzien! O, het is eene wonderbare beschikking des hemels, die u in dit oogenblik der diepste smart dezen engel van troost toezendt.

Na de onwillekeurige bekentenis had Alisette te vergeefs getracht, zich uit Jaromirs driftige omarming los te winden, om hem te ontvlieden; hij hield haar met klimmende liefde omstrikt; doch zij verborg hare van schaamte gloeiende wangen schuw aan zijne borst.

„Neen, richt u op, zie mij aan, aanminnig wezen. Gij bemint mij? Mag ik het hopen, het uitspreken? O thans eerst, in dit oogenblik eerst weet ik, wat liefde is. Hoe koud was Lodoiska's omarming!”

Hij drukte zijne heete kussen op de lippen der hem flauw afwerende; haar tegenstand was krachteloos tegen zijne onstuimigheid.

De donkere gestalte van zijn boozen demon trad ongezien achter hem, hief de dreigende hand op en hield ze boven zijn hoofd uitgestrekt.—„Nog ééne schrede en de koude, vreeselijke aanraking treft uwen schedel en de vergiftigde adem dringt doodelijk in uwe borst. Is geen goede genius u nabij? Treedt de reine gestalte der geliefde niet tusschen u en het drogbeeld, dat u omstrengelt? Geen beschermengel waakt over u—gij zinkt in het net der verdervende machten!”

„Wilt gij de mijne zijn? Eeuwig de mijne?” smeekte Jaromir met teederen aandrang. „Kunt gij hem vergeven, die u miskende, die den zuiveren diamant van uw hart blind voorbijging? Alisette, ik heb zwaar onrecht jegens u goed te maken! Maar vergeef mij—vergeef den onzinnige!”

„O onuitsprekelijk geluk!” stamelde Alisette uit en omstrikte hem met hare blanke armen. Haar boezem vloog, hare lippen gloeiden aan de zijne, haar adem stierf weg in zijne kussen. Jaromir sidderde in huiverende verrukking. De bruisende kracht der jeugd stormde door al zijne zinnen. Tot hiertoe had hij slechts de reine offervlam der liefde gekend, van verre staande hare bezielende warmte ondervonden, haar heiligen glans vereerd. Roekeloos trad hij het heiligdom te na. Als gloeiend metaal rolde thans het vuur door zijne aderen, de vlam greep den zoom van zijn kleed aan, sloeg in verterende woede over zijn hoofd te zamen en—het heldere maanlicht der gelouterde liefde verbleekte voor den onstuimig losbrekenden vulkaan zijner hartstochtelijke driften.

Met angstige gejaagdheid ontwaakte Alisette uit hare bedwelming en wilde zich uit de omhelzing des geliefden losrukken; doch hij liet haar niet los. „De mijne zijt gij voor altijd,” riep hij, „die gelofte zal ik houden. Gij, de trouwe, de minnende, neem dezen ring. Dit gouden teeken zij de getuige van ons verbond. Het is heilig gesloten, het is onverbrekelijk.” Hij trok Lodoiska's ring van zijn vinger en stak hem aan dien van Alisette. Zij hing sprakeloos aan zijne borst. „O, ik ben eene misdadige,” riep zij eindelijk uit, „eene zwaar misdadige! Maar gij, gij zijt er de oorzaak van, voor u heb ik die zonde op mijne ziel geladen. Gij moogt mij niet verstooten.” En met nieuwe kussen en tranen hing zij aan zijne lippen. „Laat mij het u slechts bekennen! Schoon uiterlijke omstandigheden mij ook met harden nooddwang herwaarts dreven, een machtiger aandrang des harten had mij toch het eerst op deze gevaarlijke baan gevoerd. Een geheime stem in mijn binnenste voorspelde mij, dat ik door de ster van mijn geluk geleid werd. Mijn oog hing met tranen aan haar vertroostend schijnsel, maar mijn zwak gelooven en hopen waande haar ongenaakbaar hoog. En nu, daar de vervulling mij met geluk overstelpt..... nu.....”

Weenend verborg zij het gelaat in haar kleed, maar hield met den arm den geliefden jongeling teeder omvat.

„Gij eenig geliefde! Is het dan waar, dat gij mij bemint?” sprak zij vleiende en liefkoozende, daar hij stom en sprakeloos voor haar stond.

De blakende gloed was uitgedoofd; Jaromir zag thans, welke verwoestingen de verterende vlam om hem had aangericht. Eene koude, akelige rilling van berouw drong hem door de borst. „Of ik u bemin?” vroeg hij met somberen weemoed. „Buiten u heeft thans de aarde niets meer voor mij! Gij zijt het eenige gesternte, dat voor mij flonkert—mocht _gij_!—neen, neen!—gij zult voor mij eeuwig glanzen. Gij zoete geliefde! Uwe zachte hand heelde immers de gloeiende wonde, door welke eene giftige verraderes mijn boezem zoo gruwzaam verscheurde! O, gij waart mijn goede engel in een vreeselijk uur!”

Hij leunde zijn voorhoofd tegen het hare; zijne tranen vloeiden onophoudelijk. Hoe hij het zich ook trachtte op te dringen, thans eerst gevoelde hij het,—hij was toch niet gelukkig! Een wervelwind had hem hoog op het toppunt des levens gedragen, maar onder zijne voeten voelde hij geen grond; de storm trok de vleugels in en met dezen zonk hij dieper en dieper neder. Slechts naar de lichtende starren boven hem hief hij de oogen angstig op.

De doffe slag eener torenklok, die negen malen door den stillen nacht drong, deed beide minnenden uit hunne verdooving ontwaken.

„Gij moet weg,” riep Alisette,—verschrikt opspringende; „als men u hier vond, was ik verloren!”

„Verloren? Wie kan na den band, dien wij gesloten.....”

„Om aller heiligen wil, ik hoor gerucht,” viel zij hem haastig in de rede; „de deur wordt geopend, de klank dringt door de holle gangen tot hier door. Wij hier in het donker—wanneer men ons vond!—Geliefde, als u mijn leven, mijne eer dierbaar is, dan verlaat mij nu! Gij weet niet, wat een vrouwenhart gevoelt! Mij zou de schaamte vernietigen, wanneer de vrouwen—o, ik bid u, ik smeek u, ontvlucht! Nog is het tijd! Hier door deze deur naar den tuin!”

Zelve gaf zij hem de sabel, die hij afgelegd had, in de hand en drong hem met angstvallige liefkoozingen te gaan.

„Gij schuwe ree!” sprak hij weemoedig glimlachend. „Hoe bekoorlijk is deze schaamte! Wees gerust, gij moogt het oog opslaan tegen velen, die zich vlekkeloos achten, want zuiver is uwe ziel; uw hart blijft een ongeschonden heiligdom!”

„O, pijnig dat hart dan niet langer!” smeekte zij. „Wanneer gij mij lief hebt, ga dan! Het zij het eerste bewijs, dat gij mij van uwe teederheid geeft.”

Hij omarmde haar nog eenmaal, kuste met vuur hare bevende lippen en verliet hierop stil en haastig het vertrek.

„Leef wel! Morgen! Morgen!” fluisterde Alisette hem teeder na en verdween. Ongemerkt bereikte Jaromir den tuin. Hij wilde thans onderzoeken, of deze werkelijk aan de straat grensde, waar zijn bivak lag, en doorsneed derhalve in die richting de duistere heesterperken. Na eenige minuten stiet hij op een muur en vond na kort zoeken eene deur, die slechts van binnen gegrendeld was. Met forsche kracht schoof hij de ingeroeste grendels af en stond inderdaad, gelijk hij vermoed had, nauwelijks honderd schreden van de wachtvuren zijner manschappen. Deze heimelijke weg, die hem der geliefde als in de armen voerde, was hem een nieuw onderpand van zijn geluk, een nieuwe wenk van het lot. En schoon zijn hart nu nog bloedde aan de plaats, waar hij de zachte banden, die hem tot hiertoe ketenden, gewelddadig had losgescheurd, zoo voelde hij toch ook den verzachtenden balsem, dien de hand van het noodlot hem reikte.

HOOFDSTUK IV.

Toen Bernards kalmte langzamerhand was teruggekeerd, en Rasinski en Lodewijk met warmte daarop aandrongen, verhaalde hij hun eindelijk, bijna met de oude, ruwe luim, zijn avontuur te Warschau met de zonderlinge schijnverwisseling der ringen. „Zoo ben ik dan met een nieuwen titel uitgedoscht,” besloot hij, gedwongen schertsend; „en kan mij den broeder eener onbekende noemen; want zij was jong en schoon, dat bezweer ik, trots den sluier, die haar omhulde. Zij kon wel is waar ook mijne moeder zijn, maar dan ware de ontmoeting niet half zoo romantisch.”

Nog nooit had Lodewijk een zoo diepen blik in het hart des vriends geworpen, als op dit oogenblik. Bernard, die zich met zelfstandige kracht van alle ketens des levens en der betrekkingen wist los te rukken, wiens stout, koen hart de vrijheid hooger scheen te schatten, dan zelfs de zoetste banden der liefde; hij, die vaak zoo ruw tegen de zachtere verbindingen des levens optrad en haar met eene vastheid, die Lodewijk verbaasde, trotseerend toeriep: Gaat, gij hebt mij niet opgezocht, gaat dan, ik heb u ook niet noodig; de gewoonte, om alleen te staan, heeft mij de kracht daartoe gegeven; ik ben mijzelf genoeg!—deze ruwe, geharde borst van rots en steen brak en smolt week, ja vernietigd te zamen alleen bij de voorstelling, dat een liefelijk wezen, door de teedere banden des bloeds aan hem verwant, hem was voorbijgezweefd, zonder dat hij het herkend en aan de onder het koude omkleedsel zoo vurig gloeiende borst geklemd had. Met welk eene ontroering beschouwde Lodewijk in dit oogenblik den vriend, die het weekste, het meest liefdevolle hart met een ijzeren harnas van zelfverloochening en wilskracht hield ompantserd. Voorzeker wist hij sinds lang, dat onder het harde marmer zijner borst geen hol graf, geen koude aschkruik rustte; doch deze macht van den innerlijken, diep verholen gloed der liefde had hij tot hiertoe bij hem noch gekend, noch vermoed.

„Ziet gij! Zulk een dwaas, zulk een droomer ben ik,” sprak Bernard na een ernstig stilzwijgen, „op zulke sporen in het stuifzand bouw ik den babylonischen toren mijner luchtkasteelen! Lacht mij maar duchtig uit, dat long en lever schudden; waarachtig, gij hebt er recht toe, want als men de trouwringen van onzen aardbol of slechts die van eene enkele stad als Moskou of Dresden op een hoop schudde, zouden er tweelingbroertjes bij dozijnen onder zijn, en ik kon ten minste op zooveel vaders, moeders of zusters aanspraak maken, als de boheemsche graaf, die men te Dux ziet afgebeeld, zoons had,—vier en twintig namelijk. Wanneer ik thans alles bedaarder naga, moet ik betuigen, dat ik, ware er niet de nacht en een romantisch avontuur bijgekomen, aan het gansche geval niet langer zou gedacht hebben, dan ik tijd noodig heb, om dien nietigen ring van den vinger te schuiven. Wij kunstenaars, want daar reken ik mij nu eens onder en houd palet en penseel voor mijn rechtmatig diploma, zijn echter vaak dweepende, maanzieke narren en, geloof mij, ik ben in dat opzicht niet de minste onder de broeders. Dus, lacht mij uit, en daarmede basta!”

Maar niemand lachte en Bernard zelf vermocht het slechts gedwongen met de lippen.

„Ik heb besloten te handelen, gelijk ik tot hiertoe gedaan heb,” ging hij voort, daar niemand antwoordde. „Wil het noodlot mij iets van mijne geheime betrekking bekend maken, goed dan, ik heb er niets tegen, ik zelf echter raak de gordijn met geen hand of vinger aan. De gesluierde gestalten kan ik mij zoo lief en bekoorlijk droomen als ik wil, de ontsluierde, de hemel weet, met wat leelijke tronies die mij misschien konden aangrijnzen! Jong en schoon was het wezen, dat ik ontmoette, dat weet ik zeker; daarom wil ik het als eene zuster of halfzuster beschouwen. Onze gansche ontmoeting was die van broeder en zuster; zijn wij het niet, zoo wil ik toch ten minste den droom vasthouden en geen platte werkelijkheid zal mij daaruit onaangenaam wekken. Ik heb altijd een hekel gehad aan het hanengekraai; vooral wanneer het gillend tusschen de muziek van een droom inkakelt en ons uit de hemelsche gewesten, waardoor wij meenden rond te zweven, op eene harde stroomatras neerbonst, waarop wij lui en liederlijk de matte leden uitrekken. Maar waarlijk, vrienden, het is tijd daartoe; ik heb slaap en ga naar bed. Goeden nacht!”

Hij stond op en ging heen. Lodewijk volgde en wilde hem in de eenzaamheid warm aan het hart drukken. Nu voelde hij, dat Bernards wang vochtig was; doch geen woord, geen klaagtoon kwam over zijne lippen, hij rukte zich met fierheid los en sprak slechts: „Goeden nacht, broeder.”

Lodewijk keerde naar Rasinski terug. Thans eerst trad hem de verrassende wending zijner eigene levensbetrekkingen weder levendig voor den geest. „Het is zonderling,” sprak hij tot den ouden vriend, „ik win niets, ik verlies niets bij de verwisseling van naam en het naricht van mijn vader, dien ik reeds sedert twintig jaren gewoon ben onder de dooden te tellen, en toch is het mij, alsof ik onberekenbaar veel gewonnen en tegelijk verloren had.”

„De mogelijkheid van beiden moet in den beginne natuurlijk levendig bij ons opkomen,” antwoordde Rasinski; „echter geloof ik, dat Bernard gelijk heeft, als hij beweert, dat die indrukken van lieverlede bijna geheel verdwijnen. Wij hebben immers zoo even gezien, hoe de plotselinge verrassing hem onweerstaanbaar met zich voortsleepte; de golven zijner ziel stortten bruisend over elkander als een woeste waterval; thans zien wij dien stroom hoogstens nog met driftige vaart tusschen de oevers voortrollen.”

„Het is mogelijk des te dieper!”

„Mogelijk!—doch ten laatste verloopt ook de Rijn in het zand. Wonden, smart, hoop, verwachting, niet telkenreize uit nieuwe bronnen gevoed, geloof mij, als uw ouderen vriend, zij drogen eindelijk uit, al dreigden zij in den beginne ook alle dijken en oeverdammen te vernielen.”

Lodewijk las Maria's brief nog eenmaal door en verdiepte zich in stille mijmeringen over deze nieuwe, onvermoeide wendingen, waarmeê de stroom zijns levens voortwentelde. Rasinski, niet minder in sombere gedachten verloren, wandelde het vertrek op en neder. Thans sloeg het negen uur.

„Bernard heeft gelijk,” dus brak de laatste het stilzwijgen af; „de vermoeide natuur laat zich niet afwijzen. Wij moeten ons ter rust leggen. Wie weet, welke stoornis de nachtelijke uren medebrengen; want, onder ons, ik ben nog altijd ver van gerust in deze verlatene, doodsche stad. Telkenreize komt de gedachte aan de vloot der Grieken bij mij op, die van Troje onder zeil ging, om 's nachts terug te keeren.”

Deze woorden herinnerden Lodewijk eerst weder aan de ontdekkingsreis, welke zijn vriend gedaan, maar door de aankomst der brieven uit Duitschland vergeten had, aan Rasinski mede te deelen. Hij verhaalde nu alles, wat Bernard wilde gezien hebben.

„Hm! Is dat zoo, dan behoeven wij niet dadelijk voor vijandelijkheden bevreesd te zijn!” antwoordde de overste. „Waarschijnlijk zijn het schuwe bedienden of oude zieke lieden, die niet meer ontvluchten konden en zich hier verborgen hebben, daar zij bevreesd voor ons waren. Rostoptschin doodverft ons in al zijn berichten als moordenaars en tempelschenders, men kan het dus het arme volk niet ten kwade duiden, dat het zich voor zulke monsters tracht schuil te houden. Laat ons de lieden ten minste nog dezen nacht rust gunnen. Morgen wil ik het gansche slot laten doorzoeken. De wacht aan de poort, mijne bedienden, die in de voorzaal slapen, en vooral wij zelven verschaffen ons genoegzame zekerheid. Ook kunnen wij ons immers slagvaardig houden en ons gekleed en met onze wapens neerleggen. Dit verontruste u dus niet; verbeeld u slechts nog dezen nacht op het bivak te liggen.—Goeden nacht, lieve vriend! Ik denk, de dag van morgen zal voor ons gewichtig zijn.”

Lodewijk ging. Toen hij door de lange zaal trad, welke zijn slaapvertrek van dat van Rasinski scheidde, werd het hem bijna angstig om het hart in de wijde, eenzame ruimte, waar elke schrede, elk geritsel langs de holle wanden fluisterend voortkroop. Hij kwam in zijne kamer; die van Bernard stond open; hij zag naar binnen; de vriend was er niet.

„Ik dacht dadelijk wel, dat hij niet slapen ging,” mompelde Lodewijk. „Voorzeker gaat hij voor zijn geschokt hart in nacht en eenzaamheid rust zoeken. Als hij zich maar niet te onvoorzichtig midden in de vreemde stad waagt!”

Onrustig trad hij aan het venster en zag zijne kameraden aan de vuren in diepen slaap liggen. Een officier waakte nog en ging met rassche, ongelijke schreden de straat op en neder; bij het vuurschijnsel herkende hij Jaromir. Om te vernemen, of deze ook iets van Bernard wist, begaf hij zich naar beneden.

„Goeden avond, vriend; hebt gij Bernard zien uitgaan?” vroeg hij den jongeling, die, zonder hem te herkennen, met driftige schreden wilde voorbijsnellen.

„Wat wilt gij? Wie zijt gij?” met deze woorden richtte hij bevreemd en blijkbaar verdrietig het hoofd op.—„Ach Lodewijk! zijt gij het,” vervolgde hij langzaam en op een somberen toon, toen hij den vriend herkende. „Gij komt juist als geroepen. Hebt gij lust, een brief van Lodoiska te lezen? Eerst voor een half uur, toen ik van eene wandeling door de stad terugkwam, heeft Boleslaw mij dien overhandigd.—Hebt gij ook brieven gehad?”

„Jawel! en van een zonderlingen aard!”

„Van een zonderlingen aard is deze ook!—Daar, lees!”

„Gij vergeet, vriend, dat ik nog te weinig met het poolsch gevorderd ben; maar lees gij hem mij voor.”

„Voorlezen! Ach!” Hij zuchtte, bedekte zijne oogen en voorhoofd met de hand en streek er meermalen over heen, alsof hij eene drukkende hoofdpijn tot bedaren zocht te brengen.

„Zijt gij ongesteld, vriend?”

„Hoofdpijn!—Het woeste soldatenleven bedwelmt mij somwijlen.—Voorlezen kan ik den brief waarachtig niet! Het vuur verblindt mij te zeer, mijne oogen gloeien. Morgen misschien.”

„Gij schijnt in eene treurige stemming, goede Jaromir. Hebt gij bedroevende tijding ontvangen? Rasinski heeft ons nog geen woord gezegd, schoon hij brieven van zijne zuster heeft.”

„Van zijne zuster!—Wat zal die hem ook schrijven! Ach Lodewijk! Ik wenschte dat ik bij mijne kameraden aan de redoute lag!”

„Mijn God!” riep Lodewijk verschrikt, „wat deert u dan? Wat schrijft u Lodoiska? Zeg het mij ten minste, wanneer gij niet lezen kunt.”

„Neen, ik wil lezen, al zouden mij de oogen uit het hoofd springen!” riep hij hevig, nam den brief opnieuw uit zijn boezem en trok Lodewijk met zich naar het groote wachtvuur, waar beiden zich op het stroo nederwierpen. Jaromir las:

„Teeder geliefde Vriend!