Part 47
Ook hier lagen soldaten; het was de oude garde. Bij deze anders aan zoo strenge tucht gewone troepen heerschte thans weinig orde. Men had de deuren der huizen opengebroken en zich van de ruime voorportalen meester gemaakt; de officieren lagen op de bovenverdiepingen uit de vensters. De soldaten sleepten hout en stroo aan; anderen droegen beddenspreien, kussens en tapijten naar beneden, om zich een gemakkelijk leger te spreiden, want de soldaat was de vroolijke erfgenaam der gevluchte bezitters.—Het bivak kreeg door deze stoffeering een bont, bijna oostersch aanzien, te meer, daar juist eenige lijfmammelukken des keizers zich met lange pijpen in den mond op een prachtig geborduurd tapijt en hemelsblauwe, in een naburig paleis gevonden kussens hadden neergevlijd.
„Hm! gij zijt hier wel op uw gemak,” sprak Lacoste; „nu, geen wonder! de garde moet altoos een streepje vóór hebben. Het is vrij onzeker, of gij het bivak in huis, dan de huizen in het bivak gedragen hebt. Waarom gaat gij niet liever binnen op de ledikanten liggen?”
„Er is order om te bivakeeren, heer kapitein,” antwoordde een grenadier met blinkend zwarten knevel; „maar dat zal, naar alle verwachting, niet lang duren. Als de nacht zoo schoon is, als nu, kan men het zich nog licht getroosten.”
„Zoo schoon? Mij dunkt de wind zal koel genoeg blazen,” merkte Jaromir op.
„Als hij de vuren maar niet uitblaast,” riep de knevel glimlachend, „laat hem dan vrij zijn gang gaan.”
„Zeg liever, als hij ze maar niet aanblaast,” hernam Lebrun. „Uw bivak, vriend, is niet het geregeldste van die ik tusschen den Ebro en hier gezien heb. 's Nachts, als alles slaapt en de vuurwachten knikkebollen, kan het stroo onder uw lijf in brand vliegen bij zulk een verduiveld verwarde huishouding.”
„Waarachtig!” riep Jaromir, „het zou wat fraais zijn, als gij de winterkwartieren boven uw hoofd in brand staakt; maar het schijnt er volkomen op toegelegd. Zie eens, hooi en stroo zijn van het vuur tot aan de huisdeuren gestrooid, alsof gij met een kruitslang een artilleriepark woudt in de lucht doen springen.”
„Pah! stroo is geen kruit. Wat licht brandt, is licht gedoofd!” antwoordde de grenadier.
„Niet altijd,” hernam Lacoste; „uw bivak wil ik met eene sigaar in brand steken, maar het zou u moeielijk vallen, in gansch Moskou water genoeg bijeen te halen om het uit te blusschen.”
„Wij zullen het wat voorzichtiger aanleggen, heer kapitein,” sprak de grenadier, zich buigend, terwijl de officieren hun weg voortzetten.
„Het verwondert mij toch, dat zoo iets wordt toegelaten,” meende Jaromir, „het is inderdaad gevaarlijk.”
„Zeker is het,” antwoordde Lacoste, de schouders ophalend; „maar bij zijne geliefde garde ziet de keizer veel door de vingers. Hij steunt er op, dat het enkel veteranen zijn, die met krijg en krijgstucht bekend en van de noodzakelijkheid der laatste zoo overtuigd zijn, dat zij vanzelf doen wat goed is. Dat is ook wezenlijk het geval op marsch, in het leger en in den slag; maar, gij weet het, is de tijd om uit te rusten eens voor den soldaat gekomen, dan is het onmogelijk hem tot werken te bewegen. Zoolang hij aan den gang is, gaat het, men kan hem opladen, wat zijne schouders kunnen dragen; strekt hij zich echter eens moe en mat op het bivak neer, vooral zooals nu in eene veroverde hoofdstad, dan mag gebeuren, wat wil, hij stoort zich aan niets. Nu, men moet ook iets aan het geluk en aan den goeden hemel overlaten, wanneer alles, wat hier op de wereld gevaarlijk is, op zijn ergst uitviel, dan mocht de henker soldaat zijn. Onze grootste troost zijn immers de kogels die niet treffen.”
Al pratende was men verder gewandeld; geen schrede, die niet een beeld voor de hand eens bekwamen schilders aanbood. Hier een oud krijgsman, die sliep, als zou hij nooit weer ontwaken, en niet bespeurde, dat zijne zolen reeds aan het vuur verzengden, zoodat Jaromir hem meêlijdend ter zijde schoof, om den armen duivel den volgenden dag niet geheel blootsvoets te laten loopen. Dáár eene marketentster, die door een zwerm lustige soldaten omgeven en vrouwelijke geslepenheid met trots op de nauwgezette eerlijkheid van haar handel parende, allen gelijkelijk wist tevreden te stellen. Verderop spelen, plagerijen, liederen, dansen. Een weinig ter zijde eene groep genoegelijk keuvelende en snappende ouden, die meer litteekens dan haren op de kale schedels omdroegen. Eene zieke, die mistroostig, met omwonden hoofd, in de kapot gewikkeld in het stroo dook. Een pijper, die zich in eene schilderachtige houding als sansculotte op zijn ransel had gezet, terwijl hij als zijn eigen kleermaker zijn eenige broek opflikte. Zelfs eene moeder met een tweejarigen knaap zag men, aan het vuur zittende, met het kind stoeien en dartelen. Dat was het eenige zoete loon voor eene trouw en eene liefde, welke haar den moed hadden gegeven, deze onmetelijke, met bloed besmette wildernissen te doorwandelen.
Terwijl Jaromir zich door een dichten hoop soldaten den weg trachtte te banen, die elkander om een met rijst beladen wagen, waarvan zij hun rantsoen zouden ontvangen, verdrongen, voelde hij iemand aan zijne jasslip trekken. Hij zag op; het was een sierlijk gekleed jockey, een knaap, naar het scheen, van ruim vijftien jaren, wiens aanwezigheid in het leger opzien moest wekken. Een engelsche hoed met breed omslaande randen en zwarten vederbos, versierde het hoofd en bedekte ten halve de gelaatstrekken.
„Wat wilt gij, mijn jongen?” vroeg Jaromir verwonderd.
De kleine boog zich een weinig, als beschaamd, en fluisterde: „Ik moet u verzoeken, mij te volgen!”
Jaromirs verbazing nam toe, toen hij den schoonen knaap opmerkzamer aanzag, de schemering, het roodachtig schijnsel der wachtvuren en de diepe slagschaduw van den hoed verleenden het gezicht eene eigenaardige, romantische bekoorlijkheid.—De trekken deden levendige herinneringen bij hem oprijzen, welke hij echter op geen bepaald voorwerp wist te huis te brengen; evenwel hield hij zich overtuigd, dat hij den knaap reeds vroeger ergens moest gezien hebben.
„Volgen?” vroeg hij; „gaarne; maar waarheen?”
„Slechts mij na,” sprak de kleine, zich ras omwendende, terwijl hij uit het gedrang zocht te ontkomen. Jaromir, hoogst verrast en gespannen, ijlde hem na, bevreesd hem in al het gewoel uit het oog te zullen verliezen.
IJlings voortgaande sloeg de vlugge geleider eene donkere, smalle zijstraat in, door welke zij spoedig op een open plein uitkwamen. Daar stond plotseling het Kremlin met zijn in de diepe schemering zwart en reusachtig opwaarts stijgende torens en muren vóór hen; door het laatste avondlicht beschenen, blonk het gulden kruis des heiligen Iwans op de spits der hoofdkerk en scheen zich in het blauw des hemels te verliezen. Ofschoon Jaromir door de zeldzame ontmoeting zeer gespannen en met gedachten en vermoedens vervuld was, die hem van wat hem omgaf onwillekeurig aftrokken, zoo maakte toch dit onverwachte, grootsche schouwspel een machtigen indruk op zijne jeugdige ziel. Als aan den grond gekluisterd bleef hij roerloos staan en staarde naar de hoogte. Zijn gids echter, die hem steeds eenige schreden was vooruitgebleven, zag steeds aandrijvend naar hem om en wenkte met de hand, dat hij niet zou dralen. Zij kwamen aan den voorhof van een prachtig paleis; de knaap snelde de breede marmertrappen op, trad in het portaal en wachtte, of Jaromir hem volgde. Nu greep hij diens hand en zeide: „Hier moet ik u omzichtiger leiden, want in de donkere zuilengangen zoudt gij verdwalen.”
Inderdaad was de wijde voorhal des huizes door eene kleine lamp, die bij een boogvenster op eene marmeren tafel stond, zoo goed als niet verlicht. Ternauwernood kon men de breede trap, die naar de bovenverdiepingen voerde, onderscheiden. Jaromir aarzelde; zou hij verder volgen, in de vreemde stad, in het ledige huis?—Hij was niet vreesachtig en toch wankelde hij in zijn besluit, om zich geheel aan zijn onbekenden geleider toe te vertrouwen.
„Halt, mijn jongen,” sprak hij, „niet verder eer gij mij zegt waarheen.”
„Een Pool, een soldaat, en vrees?” fluisterde de knaap bijna spotachtig.
Dit antwoord verdroot den moedigen jongeling. „Vrees?” riep hij; „beeldt gij zelf u misschien ook in, mij bevreesd te maken, kleine? Vooruit dan, in 's hemels naam, maar gij blijft mij borg voor al, wat mij bejegent.”
De knaap antwoordde niet, maar Jaromir reikte zijne hand toe, die haar zoo krachtig vastklemde, dat de kleine geleider hem niet ontkomen kon; hierop trok hij zijne sabel en riep: „Voorwaarts nu, waarheen gij wilt.”
De zwijgende gids leidde hem de trap op, opende, op een bovengang gekomen, eene kleine deur en voerde hem vervolgens door eene lange reeks van, naar het scheen, ledig staande vertrekken, waarin eene zwarte duisternis alle voorwerpen omsluierd hield.
Nog eenmaal traden zij door eene deur; de knaap wierp die achter zich in het slot, wrong door eene onverhoedsche wending zijne kleine hand uit die van Jaromir los, verdween in het duister en riep hem nog slechts met eene welluidende zilverstem de woorden toe: „Wacht hier een oogenblik!”
Jaromir wilde naar den vluchteling grijpen en tastte met uitgestrekte armen om zich heen, maar het toeslaan eener tweede deur bewees hem, dat zulks te laat en de vlugge page ontkomen was.
Alléén in den stikdonkeren nacht, klopte Jaromirs hart met hoorbare slagen; hij trachtte de deur, waardoor hij was ingetreden, te openen; maar zij moest een springslot hebben, althans zijne pogingen waren vruchteloos.
„Zou de vijand mij hier in eene hinderlaag gelokt hebben?” dacht hij bij zich zelf. „Doch wat reden kon hij hebben, om juist u onder zoovele duizenden tot prooi uit te kiezen? En hoe toevallig stiet men op u! Er waren wel belangrijker levens in het leger te vinden, wanneer de vijand het daarop toelegde. Maar wat ter wereld kan men met mij voorhebben? Waartoe die geheimzinnigheid?”
Door dergelijke gedachten verontrust, trad hij aan het venster, dat met dichte, zijden voorhangsels gesloten, zich door eene smalle lichtstreep kenbaar maakte. Hij schoof de gordijnen open; het vertrek zag uit op een tuin; achter dien tuin werd men door het schemerdonker de, door de vlammen der bivaksvuren bestraalde, beide torenspitsen gewaar, welke Jaromir tot leidsterren op zijne wandeling hadden moeten dienen. Bedroog hij zich niet ten eenenmale, dan moest hij door den tuin op den naasten weg naar de zijnen uitkomen. Hij herinnerde zich tevens, in de straat, waarin zijn regiment gelegerd was, een tamelijk langen tuinmuur en daarin een kleine achterpoort te hebben gezien. Met de gevatheid van een soldaat, wist hij deze omstandigheden der plaatselijke gesteldheid dadelijk met elkander in verband te brengen en hield zich nu volkomen verzekerd, dat hij, eerst in den tuin zijnde, ook den muur bereiken en vandaar de hulp zijner kameraden inroepen kon. In zijne gedachten ontwierp hij reeds het plan tot een terugtocht, ingeval het tot het uiterste komen en zijn leven bedreigd worden mocht. Hoe in den tuin te geraken, was slechts de zwarigheid, want het venster was hoog en een sprong uiterst gewaagd. Daar kwam hem het toeval te hulp; hij hoorde plotseling in zijne nabijheid eene deur in hare hengsels kraken. Op het geluid afgaande, ontdekte hij eene kleine deur in het behangsel, die, slecht toegemaakt door den wind heen en weder bewogen werd; hij opende die en stond in een gang, welks venster op den tuin uitkwam. Daar het door geen gordijn gesloten was, liet het genoegzaam licht door, om de plaatselijke gesteldheid verder te onderzoeken, en reeds na eenige oogenblikken vond de jongeling een kleine trap, die, tot zijne vreugde en geruststelling, naar den tuin afdaalde en beneden niet gesloten was. Hij stond nu aan den uitgang en was heer zijner vrijheid, doch een gevoel van schaamte en eerzucht dreef hem weder naar boven; tevreden, dat hij zich van een vrijen aftocht kon verzekerd houden, besloot hij, het avontuur stoutmoedig te bestaan.—Juist had hij het duistere vertrek weder bereikt, toen de deur, waardoor zijn geleider verdwenen was, geopend werd en een zacht lichtschijnsel hem in de oogen blonk. Eene vrouwelijke, in witte kleeding en sluiers gewikkelde gedaante zweefde hem te gemoet; zij hield eene, door een mat geslepen glas bedekte lamp van antieken vorm in de hand. Jaromir, die zich op een vijand, althans op eene ernstige, zoo niet gevaarlijke ontmoeting had voorbereid, was uiterst verbaasd. Met zichtbare verwarring boog hij zich; doch de vreemde zette de lamp op de marmeren tafel, trad op hem toe en vroeg, zonder echter den sluier op te lichten, met eene liefelijke, hem hoogst bekend voorkomende stem: „Raadt gij niet, wie voor u staat?”
„Bij den hemel, neen!” riep de jongeling; „maar kennen moet ik u!”
„Gij hebt geen trouw geheugen,” hervatte de onbekende, „en ik herkende u toch te midden van het gewoel, en mijn hart sloeg ruimer, wijl ik een vriend en beschermer hoopte te vinden. Maar ik moet u toch smeeken, dat voor mij te zijn!” Met deze woorden sloeg zij de sluier op en zag beschaamd voor zich neder. De schemering, die in het vertrek heerschte, bedekte hare van het licht afgekeerde gelaatstrekken. Jaromir tot het uiterste gespannen, greep driftig hare hand en trok haar nader bij de lamp. Zij bood slechts flauwen wederstand, maar neigde met vrouwelijke schaamte het hoofd op den vollen boezem.
„Alisette! Gij?” riep hij buiten zich zelf van verbazing. „Hoe is het mogelijk, dat gij hier komt!”
Zij sloeg haar schoon blauw oog, dat in vochtigen glans schemerde, biddend tot hem op en sprak met eene bevende stem: „Ach, voorzeker is het mij zelve onbegrijpelijk; maar er zijn tijden en omstandigheden, welke ook ons vrouwen in de zonderlingste en ongewoonste betrekking plaatsen. O, ik gevoel diep”, ging zij met neergeslagen oogen voort, „hoe vijandig de schijn is, die op mij vallen moet, nu gij mij hier aantreft! Doch wist gij....”
„Ik zweer u,” riep Jaromir vurig uit, „dat mijn hart niet in staat is, eenigen onwaardigen argwaan te voeden!”
„O gij edele vriend,” snikte Alisette, greep zijne hand en drukte ze met warmte. Hierop zonk zij vermoeid en uitgeput op de sofa neder en verborg haar lokkig hoofd in het zijden kussen. Zij scheen in stilte te weenen. Jaromir stond voor haar en beschouwde het schoone meisje met een kloppend hart. Het hoofd rustte op den vollen, licht verhulden arm, de haren wierpen hunne schaduw op wangen en nek; de rechterhand hing achteloos neder. Zacht zette hij zich naast haar, nam hare hand en sprak met waarlijk medelijdende aandoening: „Bedaar, arm meisje! Gij zult een vriend in mij vinden.”
Zij richtte zich langzaam op. „Ach,” zuchtte zij, „wanneer het tafereel van mijn leven zoo met recht levendige kleuren voor mijn geest staat, dan begeven mij de krachten. Schenk gij mij slechts vergiffenis!—Maar hooren moet gij, welke lotswisselingen mij herwaarts voeren. Beantwoord mij echter eerst deze ééne vraag: Herkendet gij mij niet vroeger?”
„U? Wanneer?” vroeg Jaromir verwonderd.
„Gij zoudt mij niet in de mannelijke kleeding herkend hebben!”
„Onmogelijk! Gij zelve waart de sierlijke, schelmsche bode? Nu begrijp ik de duistere wenken der herinnering.....”
„De schelmsche bode!” viel Alisette hem met een bitteren nadruk in de rede. „O wanneer gij wist, wat het mij gekost heeft, die rol vol te houden. Maar ik heb op het tooneel gestaan, waar ik vaak met een verscheurd, bloedend hart een lachend gelaat moest vertoonen!—Doch, wilt gij mij aanhooren? Zal mijn verhaal u niet vermoeien? Zult gij mij uw raad en bijstand niet ontzeggen?”
„Een ellendeling zou ik zijn, indien ik niet bereid ware, alles voor u te doen!” riep Jaromir, drukte hare zachte hand, die nog immer in de zijne rustte, aan zijne lippen en bedekte ze met gloeiende kussen. Alisette belette dit niet en drukte haar doek voor de schoone, weenende oogen.
„Nu, verhaal dan, verhaal mij alles,” bad Jaromir; „droog die bittere tranen, want gij hebt een vriend, een broeder gevonden.”
„En ik wil mij aan u vertrouwen, als aan een broeder,” hervatte het meisje en drukte liefderijk zijne hand. „Gij weet wellicht niet, dat ik een afschuw van mijn stand heb? Waarom—behoeft eene vrouw, een meisje u niet te verklaren. Maar de dringende nood, de zorg voor het eenig overgebleven kind eener boven alles geliefde zuster, die ik in Engeland verloor, drongen mij, in deze rampzalige betrekking te blijven. Mijn talent, dat ik slechts tot eene vrijwillige veraangenaming des levens voor mij en anderen bestemd waande, moest onder den drukkenden slaafschen plicht, om voor het dagelijksche onderhoud te zorgen, buigen. De treurige omstandigheden, die mij het eerst deze akelige baan deden inslaan, behoef ik u niet op te geven. In Warschau vondt gij mij daarop; de uren, in het huis der gravin gesleten, de vluchtige dagen, dat ik u daar aantrof, waren de schoonste mijns levens. Gaarne ware ik daar gebleven, maar de verfoeielijke aanbiedingen eens mans in wiens hand daar mijn gansche lot berustte, dwongen mij, spoedig na u, eenige dagen nadat de gravin was afgereisd, de stad te verlaten, waar ik zooveel goeds had genoten, waar echter eensklaps al diegenen, welke mij vriendschap hadden betoond, als door een ruwen storm naar alle wereldstreken waren uiteengestoven. Zonder raad of hulp, bleef mij niets over, dan den naasten tak aan te grijpen, dien ik in mijne schipbreuk ontdekte. Een tooneeldirecteur, die op de macht en het geluk des keizers het onbepaaldste vertrouwen stelde, beijverde zich, leden voor eene fransche opera aan te werven, door welke hij het winterverblijf in Rusland voor het leger dacht te veraangenamen. In den beginne heette het, de keizer zou te Witepsk blijven; derwaarts volgde hem de nieuwe beschikker van mijn lot. Ik waagde mij te midden van het gewoel des oorlogs; zonder vrees, durf ik zeggen, want ik ben aan de stormen des levens gewoon en uitwendig gevaar verschrikt mij niet meer. Maar nauwelijks waren wij te Witepsk aangekomen, of de keizer brak van daar op en de stad werd zoo ledig en eenzaam als vroeger. Ten einde de groote onkosten, welke hij reeds had gemaakt, niet geheel te verliezen, besloot de ondernemer het leger te volgen. Hij hield zich stellig overtuigd, dat de keizer weldra te Moskou zijn zoude, en zocht ons daardoor te overreden, hem verder te volgen. Echter zou ik zeker naar Duitschland of Polen zijn teruggekeerd, maar.....” Zij scheen een oogenblik huiverig om voort te gaan. „Doch waarom zoude ik mij de bekentenis schamen,” vervolgde zij blozend, „het ontbrak mij daartoe aan geld.”
„O, waarom zocht gij mij, waarom den graaf Rasinski niet op! Wij stonden immers dicht bij de stad en ik zelf kwam er dagelijks.”
„Ach, had ik u gezien, ik zou misschien den moed gehad hebben, tot u zulk eene bede te richten; maar tegenover anderen hield eene onoverwinnelijke schaamte mij borst en lippen toegeklemd. Ook zag ik den graaf slechts eens op zijn prachtigen schimmel voorbijrijden; ik stond aan het venster, doch hij bemerkte mij niet.”
„De onmogelijkheid van het terugkeeren,” vervolgde het schoone meisje na eenig stilzwijgen, „dreef mij verder en verder in de akelige wildernis voort. Slechts voor de dagelijksche, dringende behoeften zorgde de ondernemer; voor het overige beloofde hij ons gouden bergen van Moskou, wellicht alleen, om elken anderen uitweg voor ons af te sluiten. De nabijheid der armee, de vaak voor mijn gevoel stuitende nachtverblijven, het gestadige, niet te vermijden verkeer met mannen deden mij besluiten, de mannelijke kleeding aan te nemen. Voor een groot voorrecht mag ik het houden, dat het mij gelukte, eene plaats op den bagagewagen van een generaal te krijgen, want ik ging nu voor een zijner bedienden door en de reis werd mij oneindig minder bezwaarlijk. Wij kwamen eenige dagen na den slag door het nog smeulende Smolensko. Hier wierp ik voor het eerst een blik op de gruwelen van den oorlog. Door afgrijzen versteend, bevend en half bewusteloos reed ik over den bloedigen weg voort, dien men door puin en lijken had gebaand, en zag aan beide zijden half verbrande lijken en zwarte menschenbeenderen opeengestapeld. Ik moest eindelijk het oog sluiten voor deze hartverscheurende beelden. Maar zij vernieuwden zich dagelijks. Misschien zag ik afgrijselijker tooneelen dan gij zelf; want gij snelt op de baan des roems rusteloos voort en werpt geen blik terug op de vreeselijke sporen van dood en verwoesting, die het langzaam wijkende monster des krijgs achterlaat. Maar ik heb ze gezien, die jammergestalten, aan den weg, die holoogige bleeke spooksels, die ons hunne doffe klachten tegenkreunden. Ik heb hen gezien en moest, schoon mij het hart brak, voorbijgaan, zonder hen te kunnen helpen. En in deze woestenijen van gruwel en ellende dreef mijne bestemming mij voort! Met elken tred onzer vermoeide paarden werd de terugkeer onherroepelijker gesloten. De stroom drong langzaam voorwaarts; ik zag, dat hij op mijn reddeloos verderf uitliep. Maar was ik in staat, alleen om te keeren en langs den weg terug te dwalen, waar ik bij elken voetstap op een lijk, op een stervende stooten moest? Hoe had daar, waar duizenden in den krijg geharde mannen versmachtten, wijl hunne krachten bezweken, een zwak, hulpeloos meisje den terugweg gevonden! Bijna waanzinnig door de onophoudelijke verschrikking, die mijne ziel verscheurde, liet ik mij door mijn lot meedrijven en dacht in doffe bedwelming aan geen tegenstand meer. Zoo hoorde ik het gedonder van den vreeselijken slag, zoo reed ik met gesloten oogen over het lijkenveld, waaruit reeds vergiftige pestdampen opstegen, en zoo eindelijk, dierbare vriend, bereikte ik deze stad. Daar elk hier met de in overvloed opengelaten ruimte naar willekeur handelt, geraakte ook ik in dit paleis, welks voorste vleugels eenige vrouwen bewonen, die hetzelfde lot met mij deelen, maar zich met lichtvaardigen moed, ik zou kunnen zeggen met schandelijke zorgeloosheid, daarin weten te voegen. Zij hebben bovendien zoo spoedig innige betrekkingen aangeknoopt, dat de mijne met haar zoo goed als verbroken is. Zoo was ik dan al dadelijk in de eerste minuten het verlatendste wezen in deze reusachtige stad, in dit onmetelijk rijk. Vóór ongeveer een uur waagde ik, mijn stillen schuilhoek te verlaten; de angst dreef mij aan een anker in dezen nood op te zoeken. Eensklaps deed een gunstig gesternte mij u ontdekken en.... het overige behoef ik u immers niet meer te verhalen,” voegde zij er fluisterend bij en sloeg het schoone oog verlegen ter aarde.
Het wonderbare en verrassende der ontmoeting, de eenzame, vertrouwelijke plaats, de bevalligheid, welke Françoise Alisette zelfs aan de geringste bewegingen en uitdrukkingen wist te verleenen, het roerende en treffende van haar verhaal en hare levendige schildering, de gedachte aan hare vrouwelijke hulpeloosheid in het onstuimig woelen en stormen van den oorlog, bovenal echter de onweerstaanbare tooverkracht der tranen van haar schoon, blauw oog—dit alles oefende op het jeugdig hart des jongelings zulk een onuitsprekelijk vermogen uit, dat hij, eer hij het vermoedde, in het purperen net gevangen was, waarmede het bekoorlijke meisje hem omstrikte. Uit het vertrouwen, dat zij hem schonk, putte hij eene hem zelf anders onverklaarbare koenheid; het was hem, alsof zij nu haar gansche lot in zijne hand gelegd, alsof zij hem tot heer en meester van haar doen en willen gemaakt had. Met ras ontvlammenden gloed klemde hij zijne lippen op hare hand en trok de schuw weerstrevende nader tot zich. Zijne gloeiende wang raakte de hare; hij sidderde in zoete bedwelming; ook zij beefde in de armen, die hij koen om haar slanke gestalte sloeg.
„Zoet, engelachtig wezen,” sprak hij teeder vleiende, „wees mijne zuster, ik wil uw broeder zijn. Droog uwe tranen, wees niet meer angstig bekommerd over uw lot, nu zal alles, alles geleden zijn.”
„O hemel, hoe overstelpt gij mij met ongehoopt geluk,” riep Alisette en neigde zich, als overweldigd door haar gevoel, tegen den vriend en verborg haar schoon gelaat aan zijne borst.