1812: Historische roman

Part 46

Chapter 463,956 wordsPublic domain

Hij beval zijnen rijknecht, licht te brengen en in de kleine kamer, die hij bewoonde, vuur aan te leggen. Zij was het eenige vertrek, waarin zich eene haardstede bevond, die voor den herfstavond eene meer doelmatige verwarming beloofde, dan de reusachtige kachels in de overige zalen.

„Ik heb zoo even brieven voor mij en u ontvangen,” vervolgde hij; „laat ons samen naar binnen gaan en elkander vertellen, wat de lieve vrienden uit het vaderland ons schrijven. Het is een goed teeken, dat wij den eersten dag van onze aankomst in de hoofdstad zoo aangenaam verrast worden.”

Zij gingen.

Rasinski's bediende had eene lamp aangestoken, die aan de zoldering hing; spoedig vlamde ook het vuur op den breeden haard. Hij gaf Lodewijk twee brieven van verschillenden datum over, die echter gelijktijdig met den veldpost waren aangekomen.

Bernard floot een soldatenlied en morrelde met de tang in het vuur, terwijl de beide anderen lazen. „Men is onuitsprekelijk gelukkig, wanneer men op de wijde wereld geen enkelen correspondent heeft,” mompelde hij; „men behoeft geen port te betalen, niet te antwoorden, ja niet eens te lezen. Het laatste vooral is voor een schilder, die gaarne zijne oogen spaart, een uitstekend groot voordeel.”—Hij floot verder, daar niemand antwoordde, en staarde onafgewend in den gloed.

„Ja, ja, gij zijt gelukkiger dan wij,” riep Lodewijk uit, terwijl hij de hand met den brief zinken liet; „want zulke brieven te ontvangen, daar behoede u de hemel voor!”

„Wat is het? Wat deert haar?” vroeg Bernard, van zijn stoel opspringend.

„Ik kan het vermoeden, na wat mijne zuster mij schrijft,” sprak Rasinski; „het is een helsch schurkenstuk, maar het zal niet gelukken.”

„Zwart als de nacht en giftig als eene adder,” riep Lodewijk buiten zich zelf. „En om mijnentwille moest de hulpelooze dat lijden!”

„Wat dan, wat? In 's duivels naam, spreek toch, wat?” riep Bernard met rollende oogen, daar hij iets van de waarheid vermoedde.

„Lees, lees,” sprak Lodewijk en reikte hem den brief over.

Bernard greep driftig toe en wilde de letters haastig verslinden; doch even ras wierp hij het papier weder op de tafel en riep: „Er staan mij te veel regels op het blad; zij wriemelen door elkander als een gansche hoop vergiftige kruisspinnen. Vertel het mij met twee woorden, ik kan er het venijn niet zoo langzaam uitzuigen.”

„Het is verfoeilijk voor elk, die ooit een mannelijk hart in de borst sloeg,” sprak Rasinski en ging driftig en met groote schreden de kamer op en neder; „de schurken, die u vervolgen, hebben zijne ongelukkige zuster opgespoord; toeval of hunne helsche kunstgrepen brachten het geheim aan den dag....”

„Zij is in de gevangenis?” riep Bernard met donker vlammenden blik.

„Neen dat gelukkig niet; maar schandelijke aanbiedingen heeft de ellendeling haar gedaan en voor het hoofd des broeders...”

„Spreek niet verder, Rasinski!” riep Bernard half bevelend, half smeekend. „Moet de broeder dat tweemaal hooren?” Tegelijk vloog hij op Lodewijk toe en klemde hem met krampachtige onstuimigheid aan zijne hijgende borst. „O, die schuldelooze engel! Lodewijk, wij willen God danken, dat zij gered is; want ik zie het aan uw oog, zij moet het zijn, anders kondt gij hier niet zoo stil staan. Maar nog vaart mij eene rilling door de leden. Goddank, Lodewijk, dat zij gered is!”

Zij hielden elkander opnieuw omsloten. Rasinski legde de hand op hunne schouders en sprak met diepe ontroering: „Ja, wel hebben wij God vurig te danken!”

„Laat mij nu zien, wat de gemartelde heilige u schrijft,” sprak Bernard met eene bevende stem en wond zich uit de armen van den vriend los. Hij nam den brief en zette zich daarmede bij het vuur.

„Hm!” sprak hij kalmer, maar nog met gesmoorde woede in toon en blik, toen hij den brief gelezen had; „dat éene gevaar is gelukkig afgekeerd, maar nog hangt het zwaard boven haar hoofd. Ook boven het onze... maar dat is het minst. Ik moest den ellendeling hier hebben... hij zou een ander liedje hooren!” Na deze woorden ging hij onrustig op en neder.

„Ik heb den tweeden brief nog niet geopend,” sprak Lodewijk; „de eerste had mij te hevig geschokt. Wellicht bevat hij nader bericht. Laat hooren!”

„Dresden den 19 Augustus.

„Beste Broeder!

„Welk een tijd beleven wij! In uren geschiedt meer dan voormaals in jaren! De belangrijkste ontmoetingen van mijn leven dringen zich alle in één punt samen. Wij verlieten Teplitz dadelijk den anderen morgen na het afschuwelijk voorval, dat ik u nog 's avonds vluchtig meldde. (Wees slechts op uwe hoede, lieve!) Dezen nacht brachten wij buiten bij tante door; heden morgen in de vroegte reden wij naar de stad. Op haar sterfbed sprak moeder mij van een geheim; maar de droefheid had mij toen zoozeer overweldigd, dat ik er nauwelijks acht op sloeg; ik meende, dat niets op de wereld voor mij meer belangrijk kon zijn! En toch—maar hoor. Moeder had mij de lade harer schrijftafel, als gewichtige papieren bevattende, aangeduid. O Lodewijk, met welk eene ontroering heb ik deze doorgelezen! Zoodra het langs een zekeren weg mogelijk is, zult gij de volledige bewijsstukken ontvangen; thans geef ik u slechts een uittreksel, zoo breedvoerig, als de korte tijd het mij toelaat. Onze ware naam is niet Rosen, maar vader heette Sternheim en was grondbezitter in Frankenland. De getrouwste vriendschap was zijn ongeluk. In Maart 1793 bezocht hij een der getrouwste vrienden zijner jeugd, Waldheim genaamd, die officier geweest, maar door de Franschen gevangen genomen was en zich in Straatsburg ophield, werwaarts zijne jonge echtgenoote, eene engelachtige vrouw, zooals moeder haar beschrijft, hem gevolgd was. Een Franschman, Rumigny beleedigde de schoone, jeugdige vrouw door eerlooze voorstellen.” Hier hield Lodewijk een oogenblik op, daar Rasinski door de komst van een ordonnans, die hem berichten overbracht, gestoord werd. Op een wenk ging hij echter dadelijk weder voort. „Daar deze natuurlijk met verachting werden afgewezen, nam hij wraak door de zwartste lastertaal. Dit kwam den beleedigden echtgenoot ter oore, die zijne getrouwe gade kende. Hij daagde den lasteraar uit, dwong hem tot een duel; onze vader was getuige. Doch de ellendeling, die zich van verscheiden geleiders voorzien had, deed een verraderlijk schot, dat den ongelukkigen Waldheim in de borst trof. Onze vader was buiten zich zelf; daar echter de wensch, om het leven des vriends wellicht nog te redden, voor het oogenblik de bovenhand kreeg op de met moeite onderdrukte begeerte tot wraak, kon hij den dader niet dadelijk tuchtigen. De vriend gaf na eenige minuten in zijne armen den geest. Vader daagt den moordenaar uit; deze bespot hem. Nu overweldigt hem zijn menschelijk gevoel, hij zoekt den booswicht op, om wraak aan hem te nemen of hem tot een tweegevecht te dwingen. Zijn getrouwe bediende Willhofen vergezelt hem; doch de snoodaard is gewaarschuwd en zoekt hem in het net te lokken. Door beschimpingen weet hij hem tot razernij te brengen; vader dringt met woede op hem in, de degen wordt hem ontwrongen en hij met den trouwen Willhofen naar de gevangenis gesleept. Om zijn offer te zekerder ten verderve te brengen, tracht de verrader hem nu als spion verdacht te maken en beschuldigt hem van misdadige verstandhouding met de vijanden van Frankrijk. Hij wordt naar Parijs gezonden en met de guillotine bedreigd. Willhofen echter, die in al zijne rampspoeden deelt, vindt in den cipier een landsman uit den Elzas. Deze begunstigt hunne vlucht en beiden komen op een hollandsch schip behouden te Havre aan. Van daar schrijft vader dadelijk aan onze lieve moeder al wat gebeurd is, en bezweert haar, terstond met ons naar Hamburg af te reizen, werwaarts hij haar spoedig hoopt te volgen. Zij komt er aan, maar wacht hem te vergeefs. Dagen en weken verstrijken, eindelijk is eene maand voorbij, zonder dat hare doodelijke ongerustheid een einde neemt. Intusschen verneemt zij, dat de, zich reeds toenmaals ver uitstrekkende macht der fransche gezagvoerders haren echtgenoot ook reeds in zijn vaderstad vervolgt en hem, als een voortvluchtigen moordenaar, op het spoor tracht te komen.—Wat behoef ik u alles breedvoerig te schrijven? Vader is nooit teruggekeerd; zijn goed werd verbeurd verklaard en, toen de Franschen Frankenland bezetten, hij zelf eerloos verklaard, daar zijn naam bij de rechtbanken te Parijs op de lijst der landverraders stond aangeteekend. Dit bewoog moeder, den naam Rosen aan te nemen en zich met ons naar Dresden te begeven, waar onze tante, hare zuster, reeds als weduwe woonde.—Nog duizend omstandigheden had ik u te melden, lieve broeder, wanneer het in deze korte oogenblikken mogelijk was, vooral de hartroerende gronden van liefde en bezorgdheid, die, tegelijk met andere gewichtige beweegredenen, onze moeder deden besluiten, hare kinderen van het geheim, dat om het hoofd des vaders zweefde, geheel onkundig te laten. Doch er zal immers nog wel eens een dag komen, dat de zuster hare beklemde borst vrij en ongehinderd in die des broeders kan uitstorten. Thans stormt en dringt alles gelijktijdig op ons aan! Binnen een uur reeds reis ik met de gravin Micielska naar Warschau af, waar ik voor elke vervolging beveiligd zal zijn. O, dat ook gij zulks waart! Maar gij ziet het gevaar van den oorlog vóór u en wordt door zwart verraad in den rug bedreigd! Ach Lodewijk, en gij draagt de wapens voor hen, die uw vader, uw vaderland in zulk eene onuitsprekelijke ellende gedompeld hebben! Ik doe u geen verwijt, lieve broeder, maar kan het ongeluk hooger stijgen, kunnen wij dieper in rampspoed verzinken? Dagelijks zend ik de warmste beden voor u ten hemel, maar ik bid ook uit den grond van mijn hart, dat ons arm vaderland moge verlost worden van het ijzeren juk, waaronder het thans schandelijk gebukt gaat.—Ik moet eindigen,—groet uwe vrienden van mij, den trouwen Bernard, den edelen Rasinski.—O, mochten wij eens andere tijden beleven!

Uwe Maria.”

Verbazing en aandoening hadden Lodewijk bijna verhinderd, den brief ten einde toe door te lezen. Thans eerst bracht hij zich eenige ontmoetingen uit zijne kinderjaren levendig en duidelijk weder voor den geest—want hij telde vijf jaren ten tijde van het rampspoedig voorval—thans eerst, nu zij verklaard werden, rezen de verschillende toespelingen, wenken en woorden, welke hij van de moeder omtrent het lot des vaders gehoord had, als heldere sterren aan den donkeren nachthemel van het verledene voor hem op. Maar hoeveel bleef nog met zwarte wolken en nevelen omsluierd!

Rasinski was vooral door de laatste woorden van den brief getroffen, die eene wonde van zijn hart aanraakten, welke, daar hij zijne smart steeds met mannelijke vastheid in het diepste zijner borst verborgen hield, zelfs door Lodewijk niet vermoed werd. Met gekruiste armen stond hij tegen den marmeren schoorsteen geleund en staarde peinzend voor zich neder.

Op Bernard scheen deze brief den minsten indruk te maken, daar hij zich nog geheel met het in den eersten gemelde voorval bezig hield. Hij zat aan de andere zijde bij het vuur en speelde met zijn ring, dien hij aan den vinger ronddraaide. „In het eerste oogenblik, mijn goede Lodewijk,” begon hij na een lange stilte, „brengt een dergelijk bericht ons in eene hevige ontroering, op den duur echter verflauwt die indruk. Ik geloof aan wonderen in de borst, in het hart en wáárin men wil, maar in het leven zijn zij zeldzaam. Iemand, die sinds twintig jaren verdwenen is, moet onder de dooden geteld worden; om een vader dien wij lang ontbeerden, kan ook de droefheid niet groot zijn. Maar Maria in haren toestand, in den smaad, dien zij dulden, in den angst, dien zij doorstaan moet, is een arm bloedend offerlam!”

„Gij zijt zoo goed, zoo trouw, Bernard,” hervatte Lodewijk; „gij kent het hart uws vriends zoo tot den diepsten grond, en zoudt gij niet begrijpen, dat het hem tot in zijn binnenste schokken moet, te vernemen, dat hij wellicht nog een vader bezit, die zoo onbeschrijfelijk veel geleden heeft en misschien nog lijdt? Waart gij in mijn geval.....”

„En ben ik het dan niet?” stoof Bernard bijna woest op. „Ten minste in een soortgelijk, en daarom weet ik, wat ik er van denken moet. Ik kon misschien nog eene gansche maagschap, vader, moeder, broeders, zusters en al wat er meer toe behoort, opschommelen, maar ik betuig u, dat ik thans zelfs geen enkelen voet zou verzetten voor hen, die mij twintig jaren alleen lieten loopen. Het is wel is waar met u een ander geval, want gij weet, dat uw vader u niet verstooten heeft; gij hebt hem vroeg verloren, en alles, wat gij van hem vernomen hebt, bewijst, dat hij een edel man was! Nu, gij weet, ik ben ook niet van ijzer of steen—maar Maria ligt mij thans nader aan het hart.”

„Gij hebt mij nooit gezegd, dat uwe ouders nog in leven waren,” sprak Lodewijk met de uiterste verbazing.

„Ik vernam het zelf eerst voor twee jaren in Londen, toen mijn pleegvader gestorven was; maar toenmaals had ik geheel andere dingen in hoofd en hart—gij weet het immers—en naderhand heeft de tijd mij tamelijk onverschillig gemaakt. Daar, door dien ring,” hij wierp dien over de tafel aan Lodewijk toe, „kan ik misschien mijne ware ouders terugvinden, en toch had ik hem voor drie maanden zonder de minste zwarigheid voor een zeker iets, dat mij liever was, weggegeven, wanneer ik niet de domste ezel geweest ware, die ooit door de lieve zon beschenen is.”

Daar Rasinski en Lodewijk hem bevreemd en vragend aankeken, vervolgde hij, terwijl de laatste den ring beschouwde: „Mijn pleegvader, dien ik voor mijn werkelijken hield, was een arm dorpspredikant bij Würzburg. Toen ik in mijn tiende jaar redelijk goed begon te teekenen, zond hij mij naar Dresden bij zijn broeder, dien gij gekend hebt. Dat het mij slecht beviel bij dien ouden, strengen ijzegrim, behoef ik u niet te herhalen. Ik rukte mij eindelijk van alle ketenen los en ging op reis. Omstreeks dezen tijd stierf mijn pleegvader, en zijn broeder werd erfgenaam, dat is te zeggen, kon de nagelaten preeken en papieren naar huis halen. Onder deze was er een, dat hij mij dadelijk overzond en waarop de overledene met eigen hand ongeveer het volgende geschreven had: „Op een avond, dat ik reeds te bed was, werd er herhaalde malen driftig aan de huisdeur gescheld. De meid opende; eene vijfjarige knaap, die zelf den knop der schel niet had kunnen bereiken,—dat was mijn persoon—stond op de stoep en hield een aan mij gerichten brief in de hand. Ik brak dien open en vond eene aanwijzing van twee duizend gulden op een frankforter bankier, die men te mijner beschikking stelde, onder voorwaarde, dat ik het kind, dat ze overbracht, zoude opvoeden. Men kende mij als een eerlijk mensch, die van het in mij gestelde vertrouwen geen misbruik zou maken, en wilde, na verloop van tijd, verder voor den knaap zorgen. Ik heb mijn plicht naar mijn beste weten vervuld, schoon de spoedig daaropvolgende oorlog mij de som, die ik met het kind ontvangen had, voor altijd deed verliezen. Zijn aanleg tot teekenen deed mij besluiten, hem naar mijn broeder te Dresden te zenden. Het linnen was met eene B gemerkt, weshalve ik hem Bernard noemde. Dit en een gouden trouwring, dien wij later toevallig in zijn kleedje ingenaaid vonden, en waarin de letters B. W. staan, zijn de eenige teekens, door welke hij zijne ware ouders misschien nog eens kan opsporen.” Dit geschrift en den ring deed mijn oom, of hoe ik hem noemen moet, mij in Londen toekomen, met aanmaning om nu zelf dáár of in Duitschland naar mijne ouders onderzoek te doen. Verder bleef mij ook niets over, want, gelijk gij weet, stierf de goede man voor twee jaren zoo onverwachts, dat mijn antwoord hem niet eens meer in leven vond.—Dus zijn wij in hetzelfde geval; maar ik betuig u, Lodewijk, dat ik geen vinger heb uitgestoken om eene ontdekking te doen. Wat doe ik met ouders, die zich mijn leven lang niet om mij bekommerd hebben? Rijk of arm, voornaam of gering, 't is mij alles om 't even; liefde hebben zij toch nooit voor mij gevoeld. Met u is dat anders, maar ook op verre na onwaarschijnlijker—want welk verstandige rekent ooit op het groote lot in de loterij? In uw geval zou ik slechts den schurk Romanay, of hoe heet de schoft, op het spoor zien te komen, om hem bij gelegenheid den nek om te draaien. Maar uw vader—twintig jaren spoorloos verdwenen, is dood.....”

„Neen Bernard!” riep Lodewijk, „dat laat mijn gevoel zich niet opdringen. Ik hoop, ik wil, moet hopen, dat ik mijn vader weervinden en hem wellicht nog vreugde en levensgeluk bereiden zal. O, die liefde is sterker dan de zucht, om mij aan een ellendige te wreken, dien de hand der vergelding mogelijk nu reeds achterhaald heeft. Neen, ik hoop nog!”

„Dat zal acht dagen duren; de eerstvolgende maanden komt het nu en dan nog eens bij u op, maar wanneer eindelijk jaren verloopen zijn en alles blijft gelijk het is, dan zult gij zien, dat zulk eene zwakke hoop vanzelve uitgaat, als eene vlam zonder brandstof.”

„Het is waar, ik ben naar het schijnt bestemd, om mijne dierbaarste verwachtingen aan bijna onzichtbare draden te zien vastgeknoopt, en men kon het mij vergeven, wanneer ik wanhoopte, door hen den uitweg uit den donkeren doolhof van mijn lot te vinden.”

Rasinski had intusschen den ring opgenomen en aandachtig beschouwd. „Hm!—Welke letters zeidet gij, dat in den ring stonden?” wendde hij zich vragend tot Bernard.

„B. W.” antwoordde deze.

„Ja,” sprak Rasinski, niet zonder eenigen berispenden nadruk, „wanneer men zulke fijne draden slechts onoplettend beschouwt, dan is het zeker onmogelijk, die te vervolgen en, zooals Lodewijk zeide, door hen geleid, den uitweg uit den doolhof te vinden. Ik lees niet B. W., maar zeer duidelijk L. W. in dezen ring.”

„Onmogelijk!” riep Bernard, greep haastig naar den ring en hield hem tegen het licht. „Dat is een goochelspel der hel!” stamelde hij doodsbleek uit. „In mijn ring stond B. W., of ik wil eeuwig verdoemd zijn. Drijft gij den spot met mij?” stoof hij woest tegen Rasinski op.

„Hoe komt gij bij die gedachte!” sprak deze en stond verwonderd van zijn stoel op; ook Lodewijk staarde den vriend met angstige bevreemding aan. In zijne trekken was eene ontroering te lezen, zooals hij nooit bij hem bespeurd had; hij scheen zijne bezinning verloren te hebben en staroogde met verwilderde blikken op den ring.

Plotseling barstte hij in een lach uit, die de vrienden deed rillen. „Het is niets, zeg ik, niets. Een der potsierlijkste meesterstukken van het toeval, dat echter iemand in het dolhuis kon brengen! Ik geloof, het noodlot wil zich aan mij wreken. Ik geloofde niet aan zijne wonderen in dit nuchtere leven, nu toont het, wat het kan, en steekt honend den draak met mij—maar toch bijna te gruwzaam! O,” hij drukte zich de vuist voor het voorhoofd, „dat iemand mij slechts deze enkele maal zeggen kon, of de grijnzende spoken van een droom mij kwellen, dan of de werkelijkheid mij dat honend masker voorhoudt. Pakt mij toch aan, in 's duivels naam, en schudt mij wakker, als de nachtmerrie mij het hart wil indrukken!”

„Bernard, beste Bernard,” sprak Lodewijk hem toe en greep zijne hand, „wat deert u? Bedaar, kom tot u zelf, zeg ons, wat u zoo vreeselijk geschokt heeft.”

Als iemand, die uit de bewustelooze vlagen eener zenuwkoorts in het leven terugkeert en nu, doodelijk afgemat, nauw de oogleden kan openhouden, zeeg Bernard thans aan de borst des vriends neder en ware gevallen, wanneer Rasinski hem niet ondersteund had. „Laat mij alleen, vrienden!” stamelde hij. „Gij hebt mij lief, het moet u even zoo treffen. Waarom zou ik meer dan ééne borst verscheuren?—En wanneer alles een louter spel was! Een niets, een minder dan niets, dat mijn hart zoo vreeselijk pijnigt!—Thans weet ik, dat er ook buiten de werkelijkheid dingen zijn, waartegen de mannelijke borst niet bestand is, dat men aan folterende droomen sterven kan.”

HOOFDSTUK III.

Jaromir en Boleslaw waren op dezen eersten avond in Moskou van hunne vrienden gescheiden, daar hunne tegenwoordigheid bij de troepen volstrekt noodzakelijk was. Toen echter de bivaksvuren vlamden en de soldaat behoorlijk verzorgd en van spijs en drank genoegzaam voorzien was, konden de wachthebbende officieren zich wel beurtelings voor eenigen tijd van hunne posten verwijderen en zich door hunne kameraden daarop laten vervangen. Dit deed ook Jaromir. Bij zijne frissche, levendige geaardheid, bij zijne jeugdige, nog voor alle indrukken des levens vatbare gevoeligheid, was, hoeveel hij ook reeds beleefd, gezien en ondervonden mocht hebben, de intrede in eene nieuwe, beroemde hoofdstad eene gebeurtenis voor hem, die zijne belangstelling en nieuwsgierigheid in eene hooge mate gaande maakte. Met verbazing had hij de paleizen, de lange onafzienbare straten en ruime pleinen aangestaard; het Kremlin met de hooge koepels, torens en tinnen had op zijne ziel den indruk van een tooverslot uit de wonderwereld der feeën gemaakt. Hij had lust om door de straten te dwalen, de bivakken der kameraden te bezoeken, met hen te keuvelen en te schertsen, in één woord, om na de langdurige inspanning eens vrij en frank de vreugde van den ongestoorden lediggang te genieten. Boleslaw bespeurde dit en met zijne gewone welwillendheid bood hij hem, zonder eerst een verzoek af te wachten, aan, den dienst van hem over te nemen. Met twee officieren van het bataljon infanterie, dat Rasinski voor het oogenblik was toegevoegd, drentelde hij, toen het reeds begon te schemeren, arm in arm de straat op, om eene wandeling door de stad te doen.

„Hier op deze beide torens met hunne gouden koepels moeten wij het oog houden,” zeide hij tot zijne geleiders, „zij kunnen ons, al wordt het ook donker, weer terecht wijzen, want in den getakten knop spiegelen onze vuren zich helder genoeg af, om hem zelfs in den nacht uit de verte te zien blinken.”

Lebrun en Lacoste, zoo heetten zijne makkers, waren even als hij zelf in de lustigste stemming. „_Marlborough s'en va en guerre_,” neurde Lebrun, zich luchtig den knevel opstrijkende, en de beide anderen bleven niet in gebreke, hem met hunne stemmen in koor te ondersteunen.

Na eenige straten, waarin hun eene batterij zware artillerie te gemoet kwam, te hebben doorgeslenterd, kwamen zij aan het Kremlin. Hier waren groote bivakken opgeslagen. Der jonge garde was het plein ter legerplaats aangewezen.

Lange rijen van geweerrotten flonkerden prachtig in den weerschijn der vuren, die men ter zijde van de straat had aangelegd. Daar de soldaat steeds gewoon is, zijne legerplaats zooveel mogelijk te versieren, had men ook hier voor elk bataljon eene piramide van trommels en adelaren opgericht. Aan de uitgangen der verschillende kruisstraten stonden de kanonnen opgesteld; zij waren afgespannen, de brandende lonten stonden in den grond geplant. Om de lieden te vervroolijken, hoorde men van verschillende zijden een krijgszuchtige veldmuziek; doch slechts weinigen hadden kracht genoeg of waren in eene luim, om aan een luchtigen dans naar de geliefkoosde française of gavotte de rust op de met stroo bedekte straatsteenen op te offeren. Over het geheel leverde het leger wel eene levendige, maar niet die vroolijke vertooning op, welke zulk een krijgszuchtige nomadenstad anders, vooral na dagen van zege en overwinning, den toeschouwer pleegt aan te bieden. De kleeding der meeste soldaten was gescheurd, met bloed en kruit bevlekt; zelfs de garde maakte daarop geene uitzondering, ofschoon zij bij Borodino geen deel aan het gevecht genomen had. Later toch, toen Kutusow nogmaals eene verschanste stelling bij Krymskoïe, drie uren vóór Moskou, aannam, had ook zij zich eervol van haar plicht gekweten.—Hier en daar hoorde men een lustig liedje aanheffen, doch meerendeels lagen de baardige krijgers in hunne mantels gewikkeld aan de vuren en sliepen of staarden geeuwend in de vlammen, waarop hunne dampende kookketels stonden.

„Laat ons daar de kaai eens opwandelen, waar al die prachtige huizen staan,” sprak Jaromir.