Part 45
„En bovenal hier,” merkte Rasinski op, „waar de houten huizen, bij de eerste granaat, die men op het dak wierp, als droog stroo in brand zouden vliegen.”
„Het ware eene verwenschte grap,” riep Jaromir, „wanneer ons de winterkwartieren eens boven het hoofd afbrandden. De rust van zes tot zeven maanden, waarop ik hier stellig reken, hebben wij, dunkt mij, hoog van noode.”
Rasinski zweeg; echter las men op zijn voorhoofd, dat hij met Jaromirs verwachting niet instemde. „Het meest wenschelijk ware voorzeker,” sprak hij na eenig stilzwijgen, „dat de vrede zoo spoedig mogelijk gesloten werd. In dat geval, vermoed ik, zouden wij den winter niet hier doorbrengen, daar de tegenwoordigheid van den keizer en van het leger in het middelpunt van Europa stellig noodwendiger is, dan hier bijna aan de grenzen van Azië.”
Boleslaw reed, ernstig en in zich zelf gekeerd, zooals gewoonlijk, naast de overigen voort, zonder zich in het gesprek te mengen.
Plotseling werd de voortgang opnieuw vertraagd. Daar Rasinski zich niet aan de spits bevond, kon hij niet zien, of dit oponthoud door eenige uitwendige hindernis veroorzaakt werd. Terwijl hij nog met zijne blikken door het gewoel trachtte heen te boren, zag hij den overste Regnard de straat afkomen. Hij droeg den arm nog omwonden en eene breede, zwarte pleister op het voorhoofd. Sinds de korte ontmoeting op het slagveld, had Rasinski hem niet weder gesproken.
„Goeden avond, overste,” riep hij hem toe, „gij komt van de spits der colonne; wat legt men ons nu weder in den weg?”
„Ha, vriend Rasinski, hoe gaat het?” antwoordde Regnard. „Het verheugt mij, u wèl te zien, schoon ik uit het rapport reeds wist, dat gij uit de schipbreuk bij Mosaisk gered waart. Wat ons ophoudt? Enkel eene afgebroken brug over de Moskowa, die spoedig weer hersteld zal zijn. Maar....” hier wenkte hij Rasinski ter zijde en sprak heimelijk tot hem. Bernard, wiens scherp oog gewoonlijk door het gelaat eens anderen tot diep in diens ziel doordrong, werd eene merkbare ontroering in Rasinski's trekken gewaar. Ook Regnards koud, scherp geteekend gezicht, hoewel over 't geheel voor weinig verandering vatbaar, wijl alle lijnen daarvan als in vasten steen gesneden waren, drukte eene angstige bevreemding en bezorgdheid uit. Het moest iets van het uiterste gewicht, misschien wel het bericht van een dreigend gevaar zijn, wat hij Rasinski mededeelde. Hun gesprek duurde echter slechts drie minuten, waarop Regnard zijn weg vervolgde. Met gefronst voorhoofd keerde Rasinski tot de zijnen terug; hij scheen juist te willen mededeelen, wat hem de overste bericht had, toen de colonne zich weder in beweging zette en, zooals steeds na eene stremming het geval is, met verdubbelden spoed narukken moest. Weldra bereikte men de Moskowa; de brug was zoo slecht hersteld, dat men verkoos door den zeer ondiepen vloed te rijden. Bernard bespeurde, dat Rasinski de straten en huizen met eene angstvallige opmerkzaamheid beschouwde, welke toenam, naarmate men de eigenlijke stad meer en meer naderde. Eindelijk kwam men aan den ringmuur, dien ze in haar ganschen omvang insluit.
„Hier worden de straten toch ruimer en de huizen aanzienlijker,” sprak Bernard; „in het verschiet ziet men reeds verscheiden gebouwen, die naar paleizen gelijken. Nu zullen wij toch wel spoedig hare bewoners leeren kennen.”
„Dat juist vrees ik,” sprak Rasinski, zich omwendend, zacht, maar op een bekommerden toon, „zullen wij _niet_. Naar Regnards berichten moet de gansche stad verlaten en zoo doodsch en stil als het groote kerkhof zijn, dat wij bij den inmarsch voorbijkwamen.”
Deze woorden, die slechts door zijne hem onmiddellijk omringende vrienden gehoord werden, joegen hun een killen schrik aan. „Hoe? Onmogelijk!” riep Jaromir; „dat zou dus een vernieuwden kamp, een hardnekkigen tegenstand aanduiden, zelfs nadat wij tot het hart des rijks zijn doorgedrongen?”
„Dat staat in ieder geval te vreezen. Thans worden vermoedens bevestigd, die mij reeds bij het binnentreden van oud-Rusland duister voor den geest zweefden. Niet de keizer Alexander en zijne legers zullen wij meer te vreezen hebben, niet met hen zullen wij kampen, maar een geheel, onmetelijk volk is het, dat met al de gloeiende woede tegen ons opstaat, welke dweepzuchtige geestdrijverij in de borst van den mensch kan doen ontvlammen. Diep verzonken in onzinnig bijgeloof, in slaafsche onderwerping, zoowel aan hunne priesters als aan hunne vorsten, zal het onmogelijk zijn hen voor eenige overreding toegankelijk, voor eenige verstandelijke overtuiging vatbaar te maken en hun te doen inzien, dat wij niet gekomen zijn, om hunne altaren te vernietigen, hunne kerken te plunderen, hunne steden in asch te leggen. Hier zal niet langer een krijg tusschen twee machten gevoerd worden, waar de beslissing op het slagveld of in den raad der ministers wordt uitgesproken, maar een gansch geslacht vat tegen ons de wapens op, een geslacht, dat ons vervloekt als het uitbraaksel der hel. De mensch is de vijand van den mensch; giftige haat bezielt de borst van den knaap en het hart der vrouw. Dan kent men geen edelen, grootmoedigen kamp der gedachten, der eer, des roems meer, maar alles ontaardt in een afgrijselijk moorden, slachten en worgen, waarbij zege en nederlaag even afschuwelijk en menschonteerend zijn.”
Terwijl hij sprak lichtte een donker vuur uit zijne oogen; het hooge voorhoofd was in ernstige vouwen saamgetrokken en eene diepe smart teekende zich om zijne lippen. Bernard staarde hem met onafgewende oogen aan. Door de schoonheid, den verheven adel van dat mannelijk gelaat vergat hij voor een oogenblik, waarom deze onweerswolken in zoo ernstige majesteit daarover heentogen.—Waarlijk, dacht hij bij zich zelf, de mensch is nooit zoo schoon, dan wanneer eene edele droefheid, uit den diepsten grond des harten opwellende, door de lichte hulsels van oog en gelaat schemert. Daarom vertoonden de ouden ons hunne helden zoo diep ernstig; daarom vinden wij zelfs in hunne goden dien verheven zweem eener zachte droefheid, die de trekken zoo veredelt en opluistert.
Maar de snelle afwisseling der voorwerpen en van de indrukken, die zij teweeg brachten, vergunde geen lang verwijlen der gedachten op eene en dezelfde plaats, vooral daar, waar zij te ver buiten den kring der naastbijzijnde, machtige werkelijkheid rondzweefden.
De breede straten, waardoor men thans voorttrok, wekten eene zonderlinge gewaarwording; zij waren vervuld met het woeste gevoel van den oorlog en toch tevens doodstil, wijl de huizen aan beide zijden als stomme graven oprezen, waaruit zich geen spoor, geen adem des levens liet vernemen; niet eenmaal de rook eens schoorsteens was in het rond te ontdekken. De koepels der hoofdkerken glansden van stralend goud, met groene kransen omhangen; de zuilen der paleizen rezen prachtvol omhoog. Echter scheen de tooi dezer grootsche gebouwen die van een statig opgekleed, ter laatste openlijke beschouwing ten toon gesteld lijk te zijn, zoo doodsch, zoo stom bleef alles. Deze vermenging van de weelderige pracht des levens met de stille, diepe verlatenheid des doods was zoo pijnlijk, dat zij zelfs de borst van den ruwsten soldaat, die nog geen vermoeden van de vreeselijke waarheid had, beklemde.
Reeds twee uren trok men door deze steenen woestenij voort en scheen zich gestadig dieper en dieper in de labyrintische doolgangen te verwarren. Slechts langzaam rukte men voorwaarts, daar de koning, die nog altijd aan de waarheid twijfelde, elk oogenblik een aanval verwachtte en de bezorgdheid nog niet verbannen kon, dat men hem listig tot midden in dit bedriegelijk net van elkander onregelmatig kruisende straten wilde lokken, om hem dan plotseling van alle zijden met het zwaard in de vuist aan te tasten. Daarom zond hij in elke zijstraat sterke troepen uit, die berichten moesten, of de vijand ook ergens in eene hinderlaag loerde. Men vond niemand. Eene akelige stilte heerschte in de onmetelijke stad, waar anders het gewoel der menigte het oor verdooven moest. Slechts de doffe hoefslag der paarden en het kletteren der wapenen werden door de stomme, hooge muren hol en dreigend teruggekaatst. Zoodra de voortgang een oogenblik gestremd werd, breidde zich de stilte als een lijkkleed over de scharen uit; want ook de soldaat was van het beklemmend gevoel diep doordrongen, en schoon hij de hoofdstad des vijands binnentrok, verhief zich geen kreet der overwinning, geen toon van vreugde of gejuich. Ernstig, zwijgend het verwonderd oog op de gebouwen gericht, waarin hij vruchteloos eenig spoor van leven trachtte te ontwaren, hield hij zijn intocht in de veste der oude czaren.
Thans rezen de muren en tinnen van het oude Kremlin boven de hoofden der krijgers statig omhoog. Daar vernam men voor het eerst, als ware het een verkwikkend geluid, een verward gedruisch van stemmen en krijgsgewoel. Het was een troep samengeschoold volk, dat zich in zwart gewemel om een transport wagens verdrong, waarop levensmiddelen en eenige gekwetsten lagen, die men niet tijdig genoeg uit de stad had kunnen vervoeren. Ettelijke kozakken, ter hunner bedekking achtergelaten, stoven op hunne kleine, vlugge rossen in alle richtingen uitéén en waren spoedig in de welbekende straten en stegen verdwenen, zonder door de hun nagezonden kogels beschadigd te worden. Maar in het Kremlin, welks poorten men thans genaderd was, verhief zich plotseling een afgrijselijk gebrul van huilende stemmen. Rasinski was, alleen door Bernard verzeld, bij het vallen der eerste schoten, naar de spits der colonne gesneld, om te zien wat er gebeurde; zelfs zijn mannelijke borst, aan dreigende gevaren, onder welke gedaante zij zich ook vertoonden, sinds lang gewoon, werd door dit afgrijselijk geluid met angst vervuld. Zijn oog volgde de richting, welke zijn oor hem aanwees. Daar ontwaart hij op de muren van het Kremlin een aantal dreigende gestalten, mannen en vrouwen, die den ingang van den heiligen burg der czaren willen verdedigen. Het verwarde, vliegende haar der vrouwen, de verwilderde stekelige baard der mannen, woeste, bloeddorstige gebaren, lompen, gekrijsch, plompe barbaarsche wapens, dit alles voltooit het ijzingwekkende der vertooning. „Hoe? Heeft de hel hare monsterachtigste duivels uitgebraakt, om ons te verschrikken?” roept Rasinski uit en houdt onwillekeurig de teugels in.—„Zijn dat weerwolven of menschen?” vraagt Bernard sidderend. De verwoede schaar verheft opnieuw haar grimmig gehuil, en geweerschoten vallen van de muurtransen in den dichtsten hoop. De koning van Napels wuift met een witten doek, ten teeken van vreedzame onderhandeling, en gelast Rasinski hun te zeggen, dat zij den waanzinnigen, vruchteloozen kamp moeten opgeven, dat men hun geen leed wil doen. Rasinski rijdt voor het front en roept hun in het russisch toe: „Hoort, verneemt woorden des vredes!” maar een gillend gekrijsch, waarbij de razende wijven de borsten slaan en zich de haren uit het hoofd rukken, verscheurt, in stede van antwoord, zijn oor. Eensklaps springt eene vrouw van reusachtige gestalte, wier haarlokken wild om de schouders zwieren, op de uiterste tinne des voorgevels. „Hond! vanéénrijten wil ik u met mijne tanden, als eene hongerige wolvin! Roover, gij zult verscheurd worden, als de jager, die het jong der berin uit het hol sleept. Vloek u, moordenaars onzer mannen en kinderen! Vloek u, verwoesters onzer steden! Driemaal vloek u, duivelsch gebroedsel, dat onze heilige altaren schendt en den Almachtige met vervloekte tongen lastert! Wee zal over u komen, meer dan over de verdoeming in den zwavelpoel der hel! Vloek, vloek, eeuwig vloek!”
Rasinski rilde. De dreigende gestalte was vreeselijk, maar verwekte geen afgrijzen. Wijde, zwartgrijze kleederen omhulden haar, een bloedroode doek, half naar eene muts, half naar een tulband zweemende, was om haar hoofd gewonden. Het grijze haar fladderde in den wind en zwierde om de half ontbloote schouders, haar oog bliksemde en rolde vurig in de diepe holen, den mond had zij tot eene luide vervloeking geopend, de handen hief zij bezwerend ten hemel.
Alle mannelijke kracht bijeenrapend, riep Rasinski nog eenmaal met zijne donderende stem: „Wilt gij de genade versmaden, rampzaligen?”
Een woest gebrul, met dreigende gebaren verzeld, verdoofde zijne woorden, nog eer hij geëindigd had. Door een wenk gaf hij den koning te kennen, dat alles vruchteloos was; deze gaf bevel, de poort te verbrijzelen. De reeds aangespannen artillerie gaf vuur. Drie schoten, welker gedonder door de ledige stad weergalmde, kraakten tegen de deur, die in splinters uit de hengsels sprong. Zoodra zij neerstortte, drong de woedende bende door de geopende bres te voorschijn en wierp zich in dolle razernij op de gelederen der krijgers. Men had hen willen verschoonen, daar zij te weinig in getal waren, om een overmachtigen vijand tot noodeloos bloedvergieten te nopen; maar de waanzinnige verbijstering der ongelukkigen maakte zulks onmogelijk. Als wilde dieren stormden zij op de gehate tegenstanders in en trachtten, van woede schuimbekkend, zoovelen te verdelgen, als zij vermochten. Een razende velde met een boomstam, die naar eene knods geleek, twee Franschen ter aarde en had door een sprong reeds den koning, die, gelijk altijd, een der voorsten bij het gevaar was, bereikt, toen Rasinski ijlings tusschenbeiden vloog en den dolzinnige een sabelhouw toebracht. Doch deze viel vlak, en met al de grimmigheid van een getergden bulhond pakte de half getroffene thans hem aan, sleurde hem met bovenmenschelijke kracht uit den zadel, greep hem bij de keel aan en wierp zich op hem neder. Pijlsnel, als eene toeschietende slang, liet Bernard zich van het paard glijden en trok den tijger, die Rasinski poogde te verworgen, terug. Een fransch officier sprong hem te hulp. Met moeite braken zij den Rus de gespierde armen open, waarmede hij zijne prooi hield vastgeklemd; toen hij deze niet meer roeren konde, knarste hij grimmig met de tanden en poogde den onderliggende daarmede in den strot aan te grijpen. Doch thans had ook Rasinski weder den eenen arm losgewoeld, en toen de woedende naar hem beet, stiet hij hem, daar eene andere verdediging onmogelijk was, met de gebalde vuist zoo geweldig tegen den mond, dat een zwarte stroom van dik bloed daaruit opgulpte en hem borst en aangezicht bevlekte. En toch liet de barbaar nog niet los, maar trotseerde met de ongehoorde spierkracht van zijn ijzersterk lichaam de vereenigde pogingen der drie mannen, tot eindelijk de kogel uit het pistool eens jagers, die hem koelbloedig met op de borst gedrukte tromp door het hart schoot, aan zijn leven een einde maakte.
Rasinski en Bernard waren door dezen kamp geheel verpletterd; het geleek te veel op moord, op een barbaarsch worgen en slachten, om een edel mannelijk hart niet met diep afgrijzen te vervullen. Inmiddels waren de overigen, die nog weerstand boden, deels neergesabeld, deels op de vlucht gejaagd. Het scheen onnoodig hen te vervolgen; men liet hen dus ongehinderd trekken en de koning van Napels zette den marsch verder voort.
Verdubbelde behoedzaamheid bij het doordringen in den dedalischen doolhof van straten werd thans echter noodzakelijker dan ooit. De soldaat, die al deze vorstelijke huizen en paleizen van de bewoners verlaten zag, begon zijne gedachte op den rijken buit te richten, dien hij uit de achtergebleven bezitting hoopte bijeen te schrapen. Enkelen poogden zich hier en daar uit de gelederen te verwijderen, om in de huizen op roof uit te gaan; doch eene strenge bedreiging dreef hen naar hunne plaats terug en ten bewijze, dat ze vervuld zoude worden, schoot een generaal eigenhandig een dragonder neder, die zich in eene dwarsstraat verbergen wilde. Zulks werkte; de menigte onderwierp zich striktelijk aan het bevel. Echter hielden de aanvoerders nog andere maatregelen voor noodzakelijk en zonden, zoodra zij een uitstekend gebouw, dat aan eenige openbare inrichting gewijd scheen, of eene groep aanzienlijke huizen naderden, sterke troepenafdeelingen zijwaarts af, om ze tegen elke aanranding van roofgierige plunderaars te beschermen.
Zoo werd ook aan Rasinski opgedragen, een groot, van den rijkdom des bezitters getuigend paleis, dat in eene breede, overigens slechts met kleine huizen bezette zijstraat gelegen was, te bewaken. Met zijne weinige manschappen en een bataljon jagers, dat hem toegevoegd werd, scheidde hij zich dus van het groote armeekorps af en betrok midden in de stad eene eigene legerplaats. Het paleis en de omliggende huizen nam hij plechtstatig in bezit, en er vertoonde zich geen levende ziel, die hem deze verovering betwistte. Hierop droeg hij aan Boleslaw op, met een genoegzaam aantal manschappen zoodanige voorwerpen, welke tot kleeding en voeding dienen en misschien voorhanden zijn konden, te verzamelen en ze naar billijkheid en behoefte onder de soldaten uit te deelen. Tevens verbood hij streng, zich in de huizen in te kwartieren, eer hij zelf zich van de veiligheid daarvan ten volle overtuigd had, en liet hij posten voor de deuren plaatsen, die met hun leven voor plundering of moedwillige vernieling verantwoordelijk werden gesteld.
De troepen sloegen dus voorloopig een geregeld bivak in de breede, bijna een marktplein gelijkende straat, welke tegenover het paleis lag, op. In dit gebouw nam Rasinski zijn hoofdkwartier en richtte dadelijk een bureau op, waar hij zijne dienstzaken en menigvuldige andere bezigheden behoorlijk regelen konde. Als gewoonlijk namen Lodewijk en Bernard de besturing daarvan op zich.
HOOFDSTUK II.
Het schemerde reeds, toen deze voorloopige aanstalten gemaakt waren. Men bevond zich dus nu in de hoofdstad des vijands, men had haar geheel in bezit genomen, ja meer dan men geloofde, daar alles, wat niet te vervoeren geweest was, den inrukkenden als het ware als erfenis bleef overgelaten. Het paleis, dat Rasinski met zijne beide jonge vrienden had betrokken, was van voorvaderlijken, edelen bouwtrant. De poort, hoog gewelfd, met ijzer sterk beslagen, had men met geweld moeten openbreken; men vond ze van binnen gegrendeld, een bewijs, dat de bewoners òf nog in het gebouw verscholen òf door den tuin ontvlucht moesten zijn. Het laatste hield men voor meest waarschijnlijk. Toen men de beide regelmatige wenteltrappen, die van beide zijden van het breede voorportaal naar de tweede verdieping voerden, was opgeklommen, kwam men in de wijde gangen, die eene reeks van zalen en vertrekken begrensden. Deze getuigden van groote pracht, van zelfs in Rusland niet gewonen rijkdom; echter was, gelijk meubels, spiegels, tapijten en vergulde sieraden duidelijk bewezen, de inrichtingen daarvan ten minste reeds door den vader van den tegenwoordigen bezitter geschied.
In een aan de trap grenzend vertrek richtten de vrienden het bureau op. Uit dat vertrek trad men rechts in eene ruime zaal, waarnaast Rasinski eene kleine, nette kamer tot zijn afzonderlijk gebruik had gekozen; ter linkerzijde hadden Lodewijk en Bernard in twee groote vertrekken hunne legersteden opgeslagen.
Het begon donker te worden; buiten op de straat flikkerden de heldere wachtvuren, waaraan de manschappen bivakeerden. De weerschijn der vlammen speelde tegen de zoldering der nog niet verlichte vertrekken en bracht, met de flauwe avondschemering inéénsmeltende, een zonderling schijnspel teweeg. Rasinski was naar beneden gegaan om de troepen te monsteren en voor hunne behoeften te zorgen. Lodewijk zat alleen in het ruime vertrek, dat hij tot verblijf had gekozen, in een ouden leunstoel gedoken; want Bernard had, naar zijn lievelingsgewoonte, om vreemde groote gebouwen dadelijk in alle richtingen te doorkruisen, eene ontdekkingsreis, zooals hij het noemde, naar de uitgestrekte zijvleugels van het paleis ondernomen.
In het schemerdonker van den herfstelijken avond, bij het spel van den vuurschijn voor de vensters, onder het zacht gemompel van verwijderde stemmen gaf Lodewijk zich ongestoord aan zijne mijmeringen over. De schoone beelden van het verleden zweefden als glansrijke gestalten op den donkeren grond van het tegenwoordige voorbij. Het was het eerste eenzame, rustige uur, dat het gewoel van den oorlog hem, sinds hij de tijding van den dood zijner moeder ontving, vergund had. Eene sombere zwaarmoedigheid maakte zich van zijne ziel meester; het hoofd in de hand geleund, zat hij in herinneringen verzonken en zijn oog dwaalde onbestemd in de hooge, donkere ruimte der zaal om. Zoo bemerkte hij niet, dat Bernard was binnengetreden en, in de half geopende deur staande, hem aandachtig gadesloeg. Deze echter zag door de diepe schemering in Lodewijks oog tranen blinken, waarin zich de flikkerende weerschijn der vlammen spiegelde.
„Zoo in treurige gedachten verzonken, krijgsmakker?” sprak hij hem aan.
„Ha, Bernard, zijt gij het? Ja, wel in treurige gedachten verdiept; hoe kan het ook anders op zulk eene sombere plaats en met eene borst zoo vol herinneringen en smarten als de mijne!”
„Hm, mijn hart is ook juist geen voorraadschuur van vreugde en geluk en wanneer ik mijne herinneringen voor de tooverlantaarn zet, trekt de duivel met zijne grootmoeder aan den wand voorbij. Maar wat de sombere plaats betreft, zoo moet ik u zeggen, dat ze mij ook huivering aanjaagt.”
„Hoezoo?”
„Wij wonen hier niet alléén in huis, daarop zou ik een eed willen doen.”
„Hebt gij gronden voor dat vermoeden?”
„Meer dan een. Ik ging door den langen gang naar den zijvleugel, die op den tuin uitkomt. Terwijl ik zoo aan de eene deur na de andere stoot, die alle op slot of toegegrendeld waren, kom ik eindelijk aan eene die terstond opengaat. Ik treed binnen en voel mij door eene aangename warmte verrast; zulks maakt mij opmerkzaam, ik zie rond en bemerk dat ik in eene soort van keuken sta, waar op den haard nog asch ligt. Ik treed toe, de asch is warm; zelfs vind ik, daar ik haar met de sabel omwoel, nog eene gloeiende kool.”
„De bewoners zullen dezen morgen nog hier geweest zijn.”
„Zoo dacht ik ook; daar hoor ik plotseling onder mij een doffen slag, even alsof iets zwaars op den grond viel. Dat maakt mij huiverig. Ik snel weder naar den gang, ontdek een kleine trap, die naar de onderste verdieping brengt, en vindt daar eveneens een gang, waarop een reeks van vertrekken met gesloten deuren uitkomt. Ik beproef ze te openen, in te trappen; zij zijn, naar het schijnt, stevig toegegrendeld. Ik schreeuw, roep, klop; geen antwoord. Eindelijk wordt mijne keel schor en ik maak rechtsomkeert. Daar ik de kleine trap weer opklim, hoor ik iets ruischen en tegelijk meen ik vrouwelijke voetstappen te vernemen. Als een pijl vlieg ik toe, maar ontdek niets. Overtuigd, dat mijn scherp gehoor mij niet bedrogen heeft, snuffel ik alle hoeken rond. Daar zie ik op den vloer, dicht bij de deur der keuken, waar ik vroeger reeds geweest was, iets wits blinken; ik raap het op en zie, het is dit lint, dat vroeger, daarop wil ik een eed doen, daar niet gelegen had. Ik loer en doorzoek alle kisten en kasten in het rond, om de schoone te ontdekken, die het lint moet verloren hebben, doch te vergeefs. Alles bleef stom en roerloos. Of het nu een goede of kwade geest, eene stamvrouw of misschien wel de beruchte witte burchtvrouw kan geweest zijn, die in de gangen rondspookt, dat wil ik onbeslist laten.”
„Zonderling! Zouden de ongelukkige bewoners zich misschien schuil houden, uit vrees voor mishandeling?”
„Mogelijk! Ik voor mij houd het liever met spoken, verwenschte jonkvrouwen, die op verlossing hopen, ingemuurde nonnen, wier ziel geene rust kan vinden en die in de donkere gangen omdolen. Tegen middernacht moeten wij op de vangst uitgaan; doet gij meê?”
„Als uwe vermoeidheid u niet van gedachte doet veranderen, van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk glimlachend.
„Hoe? Zit gij zoo in het donker, vrienden?” klonk plotseling Rasinski's stem. „Het zal tijd zijn, dat wij licht laten aansteken, maar ook vuur, want de herfstavonden zijn koud tusschen de salpeterachtige muren.”