1812: Historische roman

Part 44

Chapter 443,814 wordsPublic domain

Door zijn gevoel overweldigd, sloeg hij den arm om Lodewijks hals en drukte het hoofd aan zijne borst; hij vergoot geene tranen, maar zijn hart klopte onstuimig en zijne wang brandde als in koortsgloed. Lodewijk had geen troostwoorden, maar slechts een liefderijken handdruk voor den man, aan wiens mannelijke kracht hij zich zoo vaak had staande gehouden en dien hij thans zoo geheel verpletterd voor zich zag. Maar deze zwakheid duurde slechts eenige minuten. Spoedig richtte Rasinski het hoofd weder op, en sprak weemoedig vriendelijk: „Mijne borst wordt kalm en bedaard, Lodewijk, als die, waarin geen hart meer slaat; het is voorbij, ik heb aan de verstikkende beklemdheid lucht gegeven, het droombeeld is vervlogen, ik ben weer meester over mij zelf. Gij zult mij niet zwak zien, wanneer mijn plicht koele kracht eischt, het oogenblik de daad vordert. Ik wilde mijn lijden alleen aan den nacht toevertrouwen; thans heeft de borst des vriends daarin gedeeld en gij helpt het mij dragen, niet waar, Lodewijk? Ik heb immers ook in uwe smart gedeeld, en zoo valt ons beiden de last lichter.”

Arm in arm keerden zij naar het bivak terug en rustten tot de dagende morgen hen wekte.

HOOFDSTUK VI.

Een ordonnans had het bericht gebracht, dat de keizer de troepen in oogenschouw zoude nemen. Zeer vroeg zat het regiment dus reeds op en rukte in de linie voor. Eerst thans vernam men van de heen en weder rijdende adjudanten, dat het russische leger gedurende den nacht den aftocht begonnen had. De koning van Napels was met een gedeelte der cavalerie uitgerukt, om na te vorschen, of het zich naar Moskou, dan wel naar Kaluga wendde.

Eene nadrukkelijke vervolging met de gansche armee meende de keizer van de uitgeputte, bijna geheel ontbonden troepen niet te kunnen vorderen. In eene lange linie geschaard, kroonden de regimenten den zoom der heuvels, die het vóór hen uitgebreide slagveld begrensden. Het strekte zich als eene treurige woestenij voor het front uit, doch men was te ver verwijderd, om de duizendvoudige ellende daarop te onderscheiden. De armee zelve leverde een droevig schouwspel op. De troepen hadden zich om hunne adelaars verzameld, maar hun voorkomen was ernstig en somber. Hunne uniformen waren zwart van kruitdamp en stof, doorboord en verscheurd door kogels en sabelhouwen. Honger, koude en bovenmatige inspanning hadden de krachten der dapperen uitgeput. De anders zoo vurige oogen schemerden flauw en mat onder de borstelige wenkbrauwen. Eene verheven droefheid lag op de gefronste voorhoofden; zij scheen toe te nemen bij elken blik op het bloedige veld, waar zoo vele duizende wapenbroeders sluimerden of onder duldelooze martelingen naar den dood als naar een verlosser uitzagen. En dat veld vol lijken en bloed was de eenige prijs der overwinning, die men bevochten had! Vele regimenten waren tot een derde gesmolten; een klein rot, stonden zij om hunne arenden en schenen nauw talrijk genoeg, om ze verder te beschermen.

Zoo wachtten zij op den keizer.

Ernstig reed deze langs de gelederen. Hij groette de soldaten, prees hunne dapperheid in korte, afgemeten bewoordingen, beloofde belooningen, bevorderingen, eereteekens. Wel hieven de officieren den kreet: „Leve de keizer!” aan en de soldaten herhaalden dien, maar het was slechts eene oude gewoonte, een plicht van het hart, niet de vrije aandrang, die zich moedig en vroolijk uitte; en waar eens de donder van duizende stemmen daverde, daar hoorde men thans slechts eenige honderden roepen, want velen waren de lippen voor eeuwig gesloten.

Na de monstering der troepen wierp de keizer zijn paard om, ten einde het slagveld op te nemen. Vele generaals en hoofdofficieren volgden hem. Rasinski, en op zijn verlangen ook Lodewijk en Bernard, sloten zich op behoorlijken afstand bij den trein aan.

„Zie eens, hoe donker de hemel zich omwolkt, als ware hij bevreesd, bij zulk een akelig schouwspel een helder gelaat te toonen,” sprak Bernard tot zijn vriend, toen zij langzaam naast elkander voortreden. „Wat moet dat voor eene ziel vol koene, zich boven menschenrecht en menschengeluk stout als de Alpen verheffende ontwerpen zijn, die zulk een last van jammer en ellende op zich durft laden, zonder daaronder verpletterd te worden! Hoe hoog boven de aarde moet de geest omzweven, die de kleine akkers, vruchten, hutten, genoegens en wenschen der menschheid zoozeer uit het oog verliest, dat hij niets meer ontdekt, dan de massa's der landen en volkeren, dan de oceanen en vesten des aardrijks. Hoe ver moet hij met zijne gedachten over den tijd, over het tegenwoordige heenreiken, die, te midden van het verwarde, duizendvoudige schrift der dagelijksche gebeurtenissen zoo stout de griffel der wereldgeschiedenis bestuurt!”

„In zijne nabijheid,” hernam Lodewijk, „is het alsof ik mij tot dat gevoel zou kunnen verheffen. Gelijk ik mij zelf verlies en mij slechts als eene alleenstaande kracht beschouwen kan, waaraan hij tegelijk met duizend andere de richting geeft; gelijk ik allen, die ik anders als de besten, de grootsten, de zelfstandigsten vereerde, hetzelfde zie doen; gelijk zij tegen zijn groot _een_ verdwijnen, even als de tallooze regendroppelen eens onweders, die op den oceaan vallen—zoo wordt het mij begrijpelijk, hoe al die afzonderlijke krachten in het ééne zwaartepunt van zijn machtigen wil te zamen dringen. Hij gevoelt slechts de verplichting, haar naar den innerlijken, noodwendigen aandrang zijner ziel te gebruiken; hij ziet in den mensch slechts het stofdeeltje der enkele _kracht_, dat hij tot vorming van het geheel verzamelen moet. Of de atomen der enkele _rechten_ daarbij verstuiven, dat overweegt hij niet, dat mag hij niet overwegen, en wie zich bij hem aansluit, verliest dat recht volgens eene onveranderlijke grondwet. Wie niet wil moet het aan een anderen algemeenen wil ten offer brengen; dat is het lot der menschenkinderen. Wie in zich zelf de kracht gevoelt, om de draden des willens van zooveel duizenden in zich te vereenigen, die heeft ook het recht daartoe; wie het zich ijdel inbeeldt, zal spoedig verpletterd worden door de reusachtige knods, welke hij niet wist te voeren. Zij echter, die aan het machtige gebod van een beslisser der wereldgebeurtenissen gehoorzamen, mogen niet klagen, dat zij hunne vrijheid verliezen. Zij volgen hier zoo als altijd eene natuurwet; slechts de hoogere van den geest wordt minder algemeen erkend, dan de lagere der lichamelijke stof. Moogt gij u beklagen, omdat gij sterfelijk zijt? Zou het hoogste wezen, dat u aan die wet onderwierp, eenig verwijt treffen? Immers neen. Daarom is een groot man evenmin verantwoordelijk voor het lijden van enkelen, als deze recht hebben zulks aan hem te wijten. Daarom ook voelt hij roeping en recht in zich vereenigd, vindt hij zijne ziel niet bezwaard door hun jammer en richten zij hun vloek niet tegen hem. Elk draagt en vervult in zijne betrekking, wat eene eeuwige beschikking der waarheid en der gerechtigheid hem oplegt. Zoo slechts vormt zich de gedachte der Godheid; wie daaraan niet vasthoudt, mag uit de gonzende mug, die hem in den slaap stoort, eene beschuldiging tegen de Almacht inbrengen.”

„Zie op, Lodewijk, daar rechts?” viel Bernard hem in de rede.

Juist kwam een transport wagens voorbij, waarop men gekwetsten had geladen. De uitdrukking der bleeke, met bloed bemorste gelaatstrekken was over het geheel die van een stil, gelaten lijden. Eenigen zagen trotsch, wild in het rond, alsof zij zich boven hun lot wilden verheffen. Slechts enkele stieten hartverscheurende klaagtonen uit, terwijl nog anderen alleen vreugde over de hulp, die hun was toegebracht, schenen te gevoelen en vroolijk om zich heenblikten, als wilden zij zeggen; „ditmaal zijn wij nog gelukkig aan den dreigenden dood ontsnapt en zullen in leven blijven.”

Men bereikte thans het eerste punt, waar de dood hevig gewoed had, daar men door den hollen weg reed, dien Rasinski gisteren gekozen had, om het met lijken bezaaide veld te vermijden. Doch nu was het anders. Vele gewonden hadden zich tot hier voortgesleept, om bescherming tegen den storm te zoeken. Zij lagen, in de zandkuilen gedoken, en beefden van koude en koorts. Een ouden grenadier klapperden de tanden hoorbaar op elkander, doch hij uitte geen klaagtoon, maar staarde slechts uit holle, brekende oogen de voorbijrijdenden aan. Lodewijk werd door dit gezicht zoo hevig ontroerd, dat hij van het paard springen en den ongelukkige helpen wilde, doch juist kwamen twee treinsoldaten, die hem op eene baar leiden en wegdroegen.

Eenige schreden verder stiet Bernard Lodewijk aan. „Zie, het is om te ijzen.”

Een jongmensch, met blond haar, op wiens teedere, bijna vrouwelijke trekken, niettegenstaande de diepe voren der smart, nog jeugdige bevalligheid zichtbaar was, lag aan den weg en hief de flauwe verglaasde oogen naar de ruiters op. Aan de half geopende lippen schenen zachte klaagtonen te ontglippen; smeekend richtte hij zijne blikken naar eenige krijgers, die in zijne nabijheid gekwetsten opnamen en naar een gereedstaanden wagen droegen. Hij scheen te kermen: „O, helpt toch eindelijk ook mij!”

Lodewijk kon dit niet aanzien, hij sprong uit den zadel, naderde den verlatene en wilde hem oprichten, toen eene grijze grenadier hem barsch, schoon niet zonder aandoening toeriep: „Laat hem liggen, Kameraad, voor hem is geen kruid meer gewassen; gij verlengt slechts zijn lijden. Hoe kan iemand met één been en eene opengescheurde borst uit dit woeste land weer naar Frankrijk hinken? Help liever die nog te redden zijn, als gij iets doen wilt. Wensch hem wel te rusten en daarmeê basta.”

De ongelukkige hoorde deze woorden, die den laatsten draad zijner hoop meêdoogenloos afsneden, en zag diep zuchtend tot Lodewijk op. Dezen dreigde het hart te breken, zijn blik verduisterde en hij moest alle kracht der mannelijke vastheid bijeenrapen, om uiterlijk bedaard te blijven. Met innig medelijden boog hij zich over den jongeling neder en zeide: „Het is zoo erg nog niet, mijn vriend; ik zal voor u zorgen; vat moed!” De gewonde zag hem dankbaar aan; glimlachen kon hij niet met de door pijn verwrongen spieren, echter lichtte een zachte straal van vreugde in zijn stervend oog. Lodewijk vatte hem aan en wilde hem oprichten, doch daar de ongelukkige den gepakten ransel nog op den rug droeg, was de last te zwaar en moest hij hem laten terugzinken. Bernard was inmiddels ook van het paard gesprongen, om zijn vriend behulpzaam te zijn; doch toen beide vrienden den stervende behoedzaam wilden opbeuren, liet deze het hoofd op de borst neerzijgen. „_Ah! ma mère!_” ademde hij met brekende stem en was niet meer.

„Wel hem!” sprak Lodewijk, toen hij thans het stille lachje des doods op het bleeke gelaat zag doorstralen, „wel hem, nu is zijn lijden geëindigd.”

„Kom dan mede,” drong Bernard, bezorgd, dat hun lang achterblijven Rasinski verdrieten mocht. Zij wierpen zich weder te paard en renden ijlings na.

Juist toen zij het gevolg bereikten, was dit op de hoogte voor de redoute gekomen, waar de strijd gisteren zoo vreeselijk gewoed had. Hier lag het gansche veld vol lijken; echter zag men niet meer zoovele gewonden, daar honderden soldaten reeds van den vroegen morgen bezig geweest waren die op de van alle zijden bijeenverzamelde wagens te laden. Des te schrikwekkender was de werkplaats des doods, die men hier geopend zag. Russen en Franschen bedekten in tallooze menigte den bodem. Men zag afgrijselijke verminkingen; de afgeschoten ledematen lagen in het rond verspreid of waren achteloos in hoopen opgestapeld. De lichamen van half vermorselde paarden hadden zich in de wilde stuiptrekkingen van den doodstrijd over de zieltogenden en gekwetsten heengewenteld, zoodat men in de verstijfde trekken van hen, die onder die bloedige vleeschklompen bedolven lagen, nog den krampachtigen angst kon lezen, waarmede zij onder dat akelig wicht den laatsten adem hadden uitgeblazen. Verbrijzelde helmen, harnassen, geweren, sabels schemerden tusschen de bloedige lijken; overblijfsels van vernield geschut lagen in het rond verstrooid. Het was bezwaarlijk, de paarden door dezen gruwelijken chaos voort te leiden, zonder door hunne hoeven menschelijke lichamen, waarin zich nog altijd sporen des levens lieten vermoeden, te beschadigen.

De keizer hield stil. Met scherpen blik zag hij in het rond; over het tooneel der verwoesting voor zijne voeten zweefde zijn oog heen, zonder daarop te rusten. Hij beschouwde niet het veld des doods, maar dat van den slag met het vorschend oog des veldheers en scheen alleen te willen zijn, want voor zoover men zien konde, gaf hij hun die hem het naast omringden, een wenk, zich te verwijderen. Zij verstrooiden zich in verschillende richtingen over het slagveld. De maarschalk Berthier bleef alleen in zijne nabijheid en volgde hem op zijn verderen rit.

Rasinski richtte zich met zijne geleiders naar de plaats, waar hij gisteren met zijn regiment het eerst in het vuur was gekomen. Spoedig zag men de poolsche uniformen, die aan de lichtblauwe kleur gemakkelijk te onderkennen waren, in de verte schemeren.

„Hier zocht ik u gisteren,” sprak Bernard tot den vriend; „voor den duivel, het is mij lief, dat ik u thans nevens mij te paard zie!” Deze woorden stiet hij bijna met woestheid uit; Lodewijk bemerkte intusschen wel, dat hij achter dezen ruwen uitroep de op hem overweldigende ontroering en aandoening, die de aanblik van het slagveld bij hem verwekt had, trachtte te verbergen.

„Nu zal men er spoedig aan gewoon zijn en er bij inslapen, als arme zondaars op de pijnbank, als zij lang gemarteld worden,” vervolgde Bernard. „De mensch is ontzettend leerzaam in de kunst der meêdoogenloosheid. Ik laat alles reeds bij mij afglijden als sneeuw van den mantel.” Inderdaad maakte hij daarbij eene beweging, die met deze woorden overeenstemde, schoon zijne trekken verrieden, dat hij de ijskoude rilling, die hem aangreep, op deze wijze wilde ontveinzen.

„O, zoo het ons gelukte, het lijk van den braven Petrowski te vinden,” sprak Rasinski, terwijl hij opmerkzame blikken over het veld wierp en de dooden van zijn regiment een voor een monsterde.—„In dezen omtrek zag ik hem vallen.—Gewonden zie ik gelukkig niet meer; het was ook het deel van het slagveld, waarvan wij ons het eerst meester maakten, en men kon dus hier reeds tijdig hulp brengen.—Maar is dat Jaromir niet, die daar zoo haastig komt aanrennen?”

Men herkende hem aan een ver in het rond blinkenden appelschimmel, dien hij sinds gisteren bereed, toen hij twee paarden verloren had. Toen hij nader gekomen was en zag, dat men hem bemerkte, wenkte hij met de sabel. In het veld is men steeds op belangrijke tijdingen voorbereid, weshalve Rasinski hem ijlings te gemoet snelde; de beide vrienden bleven natuurlijk niet achter.

„Wij marcheeren, Rasinski,” riep Jaromir. „De order is zoo even gekomen,” vervolgde hij, terwijl zij langzaam te zamen voortreden. „Boleslaw met het overblijfsel van ons regiment is reeds op weg. Ik bleef achter, om u op te zoeken. Wij moeten de zijwegen van de oude baan naar Moskou verkennen, daar men gelooft, dat de Russen derwaarts terugtrekken en op Kaluga en op Tula aanrukken.”

„Wie heeft het bevel gebracht?”

„Een adjudant van den koning van Napels.”

„Hebt gij fourage gevonden?”

Jaromir schudde het hoofd.

„Dus hebben de paarden niets gehad?”

„Een weinig hooi en half verdord gras was alles, wat wij konden opsporen; echter hopen wij in de dorpen rechts van den weg nog voorraad te vinden.”

„En hoe zijn de manschappen?”

„Uitgerust, maar niet genoegzaam; ondernemend, doch niet vroolijk. De overwinning is onvolkomen. Zij weten dat men slechts achthonderd gevangenen gemaakt heeft, en men zou na zulk een slag toch dubbel zooveel duizenden verwachten. De vier en twintig zware kanonnen en ettelijke veldstukjes zijn de eenige buit, dien men gemaakt heeft.”

„En daarvoor zeventig duizend dooden en gekwetsten!” zuchtte Rasinski.

„Ja, maar aan beide zijden.”

„O, wij hebben aan de helft, die op ons valt, dubbel genoeg.—Eene vreeselijke overwinning! Twee en veertig generaals zijn gebleven, onder hen Caulaincourt en Montbrun. Ook de maarschalk Davoust is gewond.”

„Maar niet gevaarlijk!”

Rasinski antwoordde niet verder en rende, daar men nu een vlak terrein bereikt had, met lossen teugel voort, om het regiment in te halen en zich opnieuw in de woeste zee zijner krijgsmansverplichtingen te storten.

Zoo zijn de wilde verschrikkingen van den oorlog de heelsters der wonden, welke zij zelve toebrengen; want in het steeds voortdurend gewoel wordt de klagende stem in de borst zoo luide overschreeuwd, dat zij zich zelve niet meer verneemt. Wie kan, zoolang de storm met onophoudelijk vernieuwde woede het slingerende vaartuig teistert, hen betreuren, die hij reeds in de kolken van den afgrond heeft doen verzinken? De ziel zelve wordt immers door onstuimige golven bewogen; eerst wanneer deze kalm en bedaard zijn, vermag zij, de beelden des levens weder helder in zich af te spiegelen. Dan echter, zoo heeft de eeuwige goedheid het verordend, rust in hare diepte ook reeds weder het reine, zuivere blauw des hemels, waarin het geloovig hart elken troost vindt, die het zoekt en van noode heeft.

ACHTSTE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Den 14 September bereikten de eerste ruiterscharen, waartoe ook Rasinski met zijne vrienden behoorde, den _Berg des Heils_, van wiens top zij het prachtige Moskou, den ouden, gewijden zetel der czaren in het diepe dal zagen uitgestrekt. Het was vroeg in den namiddag. Een glanzende zonneblik brak juist door de dunne wolken, welke de lichtblauwe ruimte des hemels doorkruisten. In duizendvoudigen vervengloed flonkerden de tallooze koepels der kerken en paleizen, die, in goud en schemerend groen stralende, zich hoog boven de stad verheffen. Uit een woud van torenspitsen steeg het Kremlin als een gekroond hoofd opwaarts: de Moskowa kronkelde als een glinsterende zilverband door de velden. Talrijke scharen van fladderende duiven wiegden zich op lichtende vleugels in de zonnestralen, verhieven zich hoog boven de daken en dartelden om de tinnen der paleizen.

Een onwillekeurige uitroep van vreugde en eerbied tevens verhief zich bij dezen verrassenden aanblik. „Moskou! Moskou!” juichten de krijgers, die zich nauwelijks begrijpen konden, dat het onmetelijk verre, in een geheimzinnig duister van wonderbare verhalen en sprookjes gehulde, onder tallooze vermoeienissen en gevaren nagejaagde doel nu werkelijk zoude bereikt zijn. Als de gouden prijs des overwinnaars, als een stralende kroon des roems, lag de hoofdstad van het oude Rusland voor de oogen der koene mannen, die gewaagd hadden, van de schoone lachende oevers der stroomen van Frankrijk en Duitschland, midden door de woestenijen voort te dringen, waarachter zich deze rijkdommen verschansen, die aan de fabelachtige sprookjes van het Oosten herinneren.

Vreugdegejuich en zegekreten vervullen de lucht. De voorsten roepen en wenken hunne nakomende kameraden toe. De onder de bezwaren van den marsch bijna bezwijkende krijgsman voelt zich plotseling door nieuwe krachten gesterkt; elke gedachte aan zijn lijden, zijne zorgen en gevaren is verdwenen. Als een stroom, die zich eensklaps eene nieuwe baan heeft geopend en nu in sneller loop voortbruist, golft de menigte in steeds wassenden spoed de hoogte op, zoodat de met onweerstaanbare kracht voortwentelende vloed over de kruin heenstroomt. Naarmate de zwarte massa's zich dichter op de hoogte samenpakken, worden de vreugdekreten luider en stijgen zij door de zuivere herfstlucht krachtiger en helderder ten hemel opwaarts.

„Ziedaar dan de beroemde, aan verhalen en wonderen rijke stad der czaren,” riep Bernard. „Zoo hebben wij haar eindelijk toch gevonden achter de onmetelijke wouden en steppen, die haar beschermend omgorden!”

„Het was tijd,” sprak Rasinski en wierp een blik op het leger; „hoog tijd!”

Lodewijk beschouwde de rijke, onmetelijk uitgestrekte stad met die eerbiedvolle, de borst verheffende en verruimende opgetogenheid, waarmede ons de aanblik van oorden of menschen vervult, wier roem sinds lang uit de verte tot ons is doorgedrongen en welke wij reeds in de dagen onzer kindsheid als wonderbeelden, die ons uit onbereikbaar verre ruimten en tijden toeschemerden, in de ziel omdroegen.

„Eene kolossale schilderij,” riep Bernard vol vuur; „dat men zoo iets niet kopiëeren kan! Zie eens die massa's van licht en gloed daarboven op de koepels; dat verwarde mengsel der daken en lage huizen, der groene strepen en vlekken van tuinen, die als aderen door het gesteente loopen; de zilvertinten, welke de stroom op het landschap werpt, en, wanneer wij omzien, het ontzaglijke leger, dat als een zwarte vloed door de velden golft. Zie, hoe de bajonetten in den zonnegloed bliksemen, de vederbossen blinken en het erts der kanonnen flikkert, die daar ginds in lange colonnes het woud voorbijtrekken. Hier en daar verliest de blik zich in het oneindige; want de uiterste torens der stad verdwijnen reeds in blauwen damp en nevel, en de lange sleep van wagens en van naloopers des legers smelt in de onafzienbare ruimte geheel weg.”

Gedurende dit gesprek was men langzaam bij de hoogte afgedaald. Een tijdlang had eene bonte verwarring geheerscht, gelijk die bij buitengewone ontmoetingen op marsch gemeenlijk pleegt plaats te grijpen; doch thans werden de manschappen weder geordend, moesten in hunne gelederen blijven en zich aan de strenge regels van den marsch op vijandelijk grondgebied onderwerpen, daar men voorzeker op een ernstigen tegenstand moest gevat zijn, eer men het kleinood des rijks, het palladium der russische kroon, dat thans als een glansrijke diamant voor de oogen der legers fonkelde, in zijne macht kreeg.

Zoo kwam men nader en nader bij de stad, elk oogenblik verwachtende, een hardnekkigen vijand te ontmoeten. Plotseling werd halt gehouden; van rot tot rot liep het gerucht, dat de koning van Napels met de aanvoerders der kozakken in vriendschappelijke onderhandeling was getreden. Reeds begon men de zoete hoop te koesteren, dat de kamp hier een einde nam, dat de vrede nabij was, dat het loon voor de doorgestane moeiten en gevaren zeker en onmetelijk groot zijn zoude. Rasinski reed vooruit en trachtte de waarheid te vernemen. Deze bestond daarin, dat de koning eenige oogenblikken met de kozakken gesproken en hun eenige kleine geschenken gegeven had. Zij hadden intusschen slechts een officier verzeld, die vrijen aftocht voor Kutusows achterhoede eischte; ingeval van weigering dreigden zij, de stad aan de vlammen ten prooi te geven. De keizer, ten spoedigste van die vordering verwittigd, had dadelijk ingewilligd, maar rukte desniettegenstaande de stad binnen.

Terwijl prins Eugenius en vorst Poniatowski zich met hunne korpsen ter rechter en linkerzijde van den hoofdweg uitbreidden en de stad omsingelden, volgde Rasinski met de zijnen den koning van Napels, die met behoedzaamheid binnentrok. Het was niet denkbaar, dat de vijand geen weerstand zoude bieden; men moest zich integendeel op bloedige straatgevechten voorbereiden.

Thans reed men door de straten der voorstad. Zij waren woest en ledig, evenals de verlaten dorpen, die men op weg naar het gewenschte doel in zoo talrijke menigte had aangetroffen.

„Zouden de arme inwoners zoo bang voor ons zijn, dat zij geen vingerbreedte van hunne kromme haviksneuzen, geen duim lengte van hunne spitse baarden durven vertoonen?” sprak Bernard tot Jaromir. „Zou dan geen enkel hupsch kind nieuwsgierig genoeg zijn, om de nieuw aangekomenen uit een dier kleine vensters ten minste eens eventjes te begluren? Het is goed en wel, dat de vijand het noodige ontzag voor ons heeft, maar de lieve meisjes moesten niet zoo ontzettend schuw en eenkennig voor ons zijn. Zijn wij dan menscheneters, of houdt men ons daarvoor?”

„Ik vermoed, dat de bewoners dezer buitenwijken naar de binnenstad gevlucht zijn,” antwoordde Lodewijk. „Zij duchten veellicht den eersten inval; wie weet ook, of het hier niet nog spoedig tot een gevecht kan komen. Dan is hij er voorwaar ongelukkig aan, die geen wapens draagt.”