Part 43
Tegen de beide zijden der redoute, die als een onverwinnelijk Gibraltar alle pogingen van den stoutsten heldenmoed trotseerde, leunden de vleugels van het russische leger. Ook zij zonden den dood in de rijen der aanvallers. Murat zendt twee cavalerie-regimenten tegen deze colonnes af, om haar zoo mogelijk te doen wijken en vervolgens de verschansing van ter zijde aan te tasten. Doch nauwelijks komen zij binnen het bereik van het vijandelijk vuur, of eene bloedige slachting verdunt hunne gelederen, en een kogel doet hun aanvoerder, den dapperen Montbrun, van het paard storten. Hem ziende vallen, wankelen zij, beginnen te wijken; doch ijlings springt de generaal Caulaincourt voor het front, om Montbruns plaats in te nemen. „Vrienden!” roept hij, „niet beweenen, wreken willen wij onzen wapenbroeder!”
Op last van den koning van Napels stelt zich nu de gansche ruiterij in beweging. Twee saksische kurassiersregimenten vormen den linkervleugel, een poolsch korps sluit hun ter zijde aan, hierop volgt Rasinski met zijne scharen en eindelijk de overige lichte cavalerie.
Langzaam rukken zij voort, tot zij het vlakke veld voor zich zien. Thans klinkt het commando, de trompet schalt, pijlsnel stormen de ijzeren mannen over het veld. De donder van het geschut wordt verdoofd door het stampen en trappelen der paarden, het kletteren der kurassen en sabels, den woedenden aanvalskreet der krijgers. Eene stofwolk hult hen in nacht; slechts de bliksems der vijandelijke mortieren wijzen hun het spoor. Man aan man gesloten, rennen zij voort. Aan deze vereenigde kracht vermag niets weerstand te bieden. Thans wordt de teerling geworpen, die over den slag, over twee keizerskroonen, over het lot van Europa beslissen moet. Met woeste onstuimigheid werpen de ruiterscharen zich op de linie van den vijand en drijven hem naar de vlakte terug. Dit gezicht doet den moed der reeds afdeinzende infanterie, die tegen de verschansing wordt aangevoerd, opnieuw ontvlammen; onder wild geschreeuw dringt zij voort. De gloeiende ijzerbrokken woelen door hare gelederen en doen duizenden vermorzeld neerzinken. Voorwaarts over de lijken der broeders! De adelaars vallen. Voorwaarts! De aanvoerders storten ter aarde. Voorwaarts, dat zij op het veld der overwinning hun heldenadem uitblazen! De aarde is eene stormende zee; gierig verslindt de afgrond des verderfs zijn roof. Nog eenmaal kraken de ijzeren mortieren en slingeren vlammen en erts op de bestormers. Hunne rijen liggen geveld, doch onder jubelgeschrei dringen de overblijvende voorwaarts.
Daar wordt het plotseling stil. Het zwarte voorhangsel van rook en damp opent zich, en een verblindende glans straalt den dapperen in het oog. Hoe? Is dat de godin der Overwinning? Rijst een nieuwe, ijzeren muur voor onze schreden op?—Neen, wij vernemen vreugdegejuich, zegekreten!
Het zijn de duitsche scharen, die de schans genomen, de zege bevochten hebben, en de zon van dezen dag spiegelt zich trotsch in hunne flonkerende kurassen die een hart van nog ondoordringbaarder metaal bedekken.
HOOFDSTUK V.
Het vijandelijk geschut was veroverd, de tegenstander overhoop geworpen. Doch spoedig wordt deze door geordende scharen ondersteund en schijnt nogmaals den kamp te willen hervatten. Hij beseft echter, dat hij wijken moet, maar wil niet vluchten. Het grimmig gelaat naar het slagveld gekeerd, trekt hij langzaam in nieuwe, vaste stellingen terug. Zijne heuvels, zijne vloeden worden tot machtige verdedigers des vaderlands. Geen stortbeek, die niet hare steile zandoevers tot borstwering aanbiedt, om hem tegen den nadringenden vijand te beschermen; geen heuvel, die zich niet tot eene vesting hervormt, om den vervolger opnieuw een dam in den weg te werpen, waarop hij zijne afnemende krachten geheel kan uitputten. Zoo was het der fransche lichte ruiterij niet mogelijk, verwarring en verderf onder de wijkende scharen te weeg te brengen, en na het ernstige spel van den slag bleef het lichtere, den vijand rijken buit te ontwringen of talrijke gevangenen in triumf terug te voeren, geheel achterwege. Slechts het ijzeren geschut hechtte zich aan de verzenen der vluchtenden en zond hun den dood na, tot eindelijk de stille nacht den jammer en de verschrikkingen van den dag met zijn donkeren mantel omhulde.
Om de narukkende batterijen tegen de vijandelijke cavalerie te dekken, was Rasinski met zijn regiment tot aan den laten avond in het gevecht geweest. Thans, daar de schemering inviel en ook deze laatste kamp een einde nam, reed hij met de zijnen over het slagveld terug, om eene geschikte legerplaats op te zoeken. De toenemende duisternis liet niet toe, de omliggende voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de hemel was met dichte wolken betrokken; een fijne stofregen, door den ruwen herfstwind voortgejaagd, sloeg den vermoeiden krijgers in het gezicht. Het vreeselijke gewoel en geraas van den dag had voor eene diepe, huiveringwekkende stilte plaats gemaakt. Slechts in de golvende toppen der wouden murmelde een hol gesuis en geritsel, en fladderende raven, die reeds het aas roken, krijschten boven de hoofden der ruiters om. Somber en droefgeestig, als de omringende natuur, was ook de stemming der gemoederen. „Is dat het gevoel na eene overwinning?” zuchtte Lodewijk. Zijn lot scheen hem op dit oogenblik een zwarte droom toe, waaruit hij ontwaken moest. Huiverig wierp hij een blik terug op de baan zijns levens, die zoo plotseling uit eene zachte vlakte bij de steilste hoogte was opgeklommen en hem nu langs de dreigendste afgronden heenleidde. Voor eenige maanden, toen de lente de knoppen der boomen op de velden van Italië deed ontluiken, toen woonde nog zachte rust en tevredenheid in zijne borst. Toenmaals bouwde hij schoone luchtkasteelen van eene vreedzame, van het gewoel der wereld afgezonderde toekomst. Hij dacht aan Maria, aan de moeder, aan hare stille huiselijkheid, aan de beoefening der wetenschappen en aan het beroep dat hem beidde; hij gevoelde zich gelukkig als zoon en broeder. Zelfs de zonderlinge gewaarwording, welke de schoone, aanlokkelijke gestalte, die hem aan den voet van den St. Bernard verschenen was, in zijne borst had opgewekt, voerde slechts een glimlachje van weemoedig verlangen op zijne lippen. Wat hij steeds als een droom, als een vluchtig voorbijzwevende verschijning beschouwd had, kon geene diepe wonden in zijn hart achterlaten.
Hij kende slechts de bezorgdheid over het lot van zijn vaderland en de treurigheid—dikwijls kan men haar ook een geluk noemen!—die, door een onbevredigd, rusteloos pogen en streven veroorzaakt, de borst van elk gevoelig mensch zoo dikwijls bestormt. Zoo beklom hij den kleinen heuvel bij Duomo d'Ossola; daar zag hij het geheimzinnige teeken des groenen sluiers, en sinds dat oogenblik werd de kalme vloed zijns levens door onstuimige golven bewogen, die hem naar eene woeste, ledige eenzaamheid met zich voortsleurden. Wanneer hij zich nu in het hart van het russische gebied op een, met lijken bezaaid, met bloed gedrenkt slagveld verplaatst zag, wanneer hij bedacht, dat zijne moeder in het stille graf sluimerde, zijne zuster eenzaam en verlaten rondzwierf, het beeld der geliefde in de zee van een eeuwigen nacht verzonken was, dan gaf het oogenblikken, dat hij met krampachtige smart wilde uitroepen: Wekt mij, wekt mij uit dezen vreeselijken droom!—Eensklaps voelde hij, dat Bernard, die stilzwijgend aan zijne zijde reed en met innig medelijden het gelaat van den treurenden vriend gadesloeg, zijn achteloos neerhangende hand aangreep en met warmte drukte.
„Gij zijt zoo ernstig en bedrukt, Lodewijk,” sprak hij; „gij moest het oog vroolijker ten hemel slaan, nu wij ons na dezen bloedigen dag nog in leven en aan elkanders zijde bevinden. Dit moet ons een onderpand zijn, dat ons zeldzaam lot een gelukkig beslissend einde zal nemen. Ik ben niet buitengewoon vroom, zooals men dat gemeenlijk verstaat, maar na een dag als dezen, dat de donder Gods om ons heen rolde en zijne bliksems naast ons neersloegen, hef ik toch met een ander gevoel dan gewoonlijk naar de kleine starren daarboven ons het oog op, schoon zij ook slechts ter sluiks tusschen de drijvende herfstwolken heengluren.”
„Ja, Bernard,” hervatte Lodewijk, „gij hebt gelijk! Wanneer ik u naast mij zie, levend, frisch als dezen morgen, dan wendt mijne ziel zich met warme dankbaarheid tot den eeuwigen Vader, maar gevoel ik tevens ook, hoe peilloos diep de afgrond der droefenis zijn kan. Vriend, ik gevoel, wat ik verloor, en beef, als ik bedenk, wat ik nog verliezen kan! Wanneer de dood, die zoo weinigen van onze getrouwen verschoonde, nu ook u eens had weggerukt! O dan was het beter, dat ook ik op dit donker veld lag!”
„En Maria?”
„Ach zij zoude spoedig haar vermoeid hoofd tot mij neigen.”
„Ja, tot u,” sprak Bernard met eene bitterheid, die de vriend, door de eigene bekommernissen te zeer geschokt, niet bemerkte. Mij, wilde hij er bijvoegen, zou geen gedachte, geen wensch navolgen, wanneer ik als een goede maaltijd voor de raven, die hier boven ons zwieren en krassen, op dit woeste slagveld lag neergestrekt. Doch steeds gewoon, zich zelf streng te beheerschen, bande hij deze gedachte van zijne lippen in de borst terug en vervolgde op bijna onverschilligen toon: „Spreek niet op die wijze, Lodewijk. Zekerlijk zal zij haar hoofd spoedig tot u neigen, maar met eene van vreugde gloeiende, door zoete tranen bevochtigde wang tegen uwe warme, kloppende borst.”
„Hoopt gij dat?”
„Voorzeker, en juist heden na den slag vooral, want de overwinning is ook de vrede, de vrede de terugkeer, deze de verzoening met alle ons nog dreigende machten des noodlots, wanneer ik namelijk den franschen schurken niet te veel eer aandoe, door hun giftig spinneweb met het weefsel der Schikgodinnen te vergelijken.”
Hier werd het gesprek afgebroken, daar Bernards paard struikelde en op de knie nederviel, zoodat hij bijna uit den zadel geslingerd was. „Wat is dat?” riep hij, zich oprichtende. „Ik geloof waarachtig, dat het een lijk was, waarover ik gevallen ben.”
„Wij zijn thans op de hoogte achter Semenowskoi,” sprak Rasinski, „hier moeten reeds vele dooden liggen en voorzeker ook nog zwaar gekwetsten. Rijdt dus voorzichtig, mannen, opdat wij het lijden der hulpeloozen niet nog vermeerderen.”
Dit menschlievende bevel was vruchteloos, want spoedig werd het getal der lijken van menschen en paarden zoo groot, dat men bijna bij elken stap daartegen aanstiet.
„Wij willen links afslaan en de laagte houden,” beval Rasinski. „Daar heeft de dood niet zoo sterk kunnen woeden; wij bereiken ons doel wel langs een omweg, maar toch altijd nog spoediger, dan wanneer wij recht doorrijden en bij elken pas worden tegengehouden.”
Zoolang zij nog op de hoogte voortreden, bleef de grond met lijken bezaaid.
„Het is mij niet onaangenaam, dat de nacht al deze gruwelen in duisternis hult,” sprak Lodewijk; „schoon ook de verbeelding machtiger is dan de werkelijkheid, zullen hare beelden toch niet zoo afgrijselijk zijn als die, welke het oog des dags hier verlichten zal.”
Sprakeloos reed de kleine schaar over het lijkenveld voort. Dikwijls waande men een kermen, een zwaar kreunen te vernemen, doch de in de boomen van het nabijgelegen woud ruischende wind, het doffe dreunen der hoefslagen, het gekletter der sabels, het snuiven der hijgende paarden verdoofden weldra deze enkele toonen des jammers. Echter sneden zij diep door het hart.
Elk ademde vrijer, toen men de kloof bereikte, waar de dood niet zoo talrijke offers had kunnen neervellen. Den loop der regenbeken, die zich hier eene diepe bedding gewoeld hadden, volgende, kwam men voorbij den voet des heuvels, waarop de drie redouten lagen, voor welke Rasinski met zijn regiment het eerst in den strijd was gewikkeld geworden.
„Halt! Front!” kommandeerde hij. Het regiment, wanneer men de weinige lieden, die nog overig waren, zoo noemen mag, stond thans met het front tegen de hoogte, waar het zijne dappersten gelaten had.
„Daar boven,” sprak Rasinski met eene weeke, doch mannelijk krachtige stem tot zijne ruiters, „daar boven op den heuvel liggen onze getrouwe, wakkere kameraden. Laat ons een stil gebed voor hen uitspreken.”
Met deze woorden nam hij zijn czapka met den golvenden vederbos af en neigde het ontbloote hoofd. Ernstig volgden de krijgers zijn voorbeeld. Eenige minuten heerschte er eene plechtige, heilige stilte; hierna richtte de aanvoerder zich weder op, dekte het hoofd en reed in korten galop langs de gelederen. In het midden, op eene kleine hoogte, hield hij stil. „Rechts en links zwenkt, formeert den kring!” riep hij. Toen men een halven kring gesloten had, want meer liet het terrein niet toe, liet hij halt houden en sprak: „Kameraden! De dag van heden was bloedig, maar roemvol. Meer dan twee derden onzer broeders ontbreken in onze rijen. De helft heeft de zege met den dood betaald, de anderen hebben zware wonden bekomen in den strijd voor onze rechten. Wij betreuren de dapperen, die gevallen zijn; maar hun lot is schoon, hun verlies mag ons niet ontmoedigen, doch wij moeten er trotsch op zijn. Verbant derhalve de sombere stemming uit uwe borst. Wij hebben overwonnen en na eene overwinning moet het gelaat des krijgsmans vroolijk stralen. De kamp is geëindigd; nog eenige dagen en het loon zal u geworden voor de zware vermoeienissen en gevaren, die gij zoo roemrijk doorworsteld hebt. Ja, mijne broeders, roemrijk, want, schoon de kans ons ook in enkele oogenblikken van den dag ongunstig was, gij hebt gevochten als echte zonen van Polen; ik ben er trotsch op uw aanvoerder te zijn. Ontvangt mijn dank, kameraden, voor dezen bloedigen, maar schoonen dag!”
Gelijk eene vlam door de zware rookwolken, die haar lang neerdrukken, plotseling lichtend omhoog slaat, zoo vlamde na de sombere stemming der droefheid de geestdrift der krijgers thans helder op. „Leve onze aanvoerder, de dappere Rasinski!” riep Jaromir het eerst, en de gansche schaar ruiters herhaalde dien kreet. Rasinski dankte door handdruk en vriendelijken groet, doch beheerschte zijne ontroering, om de krachtige stemming der manschappen, die hem zoo gewichtig en noodzakelijk scheen, niet te verzwakken. Hij liet de trompetters een marsch blazen, de gelederen ordenen en sluiten en reed zoo aan de spits der kleine bende op het bivak toe. Weldra had men het bereikt, en nu deed zich de behoefte aan rust en verkwikking bij allen te sterk voelen, dan dat men nog aan iets anders had kunnen denken. Rasinski koos zijne legerplaats onder drie hooge dennen van het woud, aan welks zoom zijne ruiters het bivak betrokken.
Het vuur was spoedig helder ontvlamd; de weerschijn daarvan verlichtte de breed neerhangende takken der oude, reusachtige boomen en het lage kreupelhout in den omtrek. Bernard, Lodewijk, Jaromir, Boleslaw en de officieren, welke de slag verschoond had, vlijden zich op deze plaats neder. Rasinski wenschte hen om zich heen te hebben.
„Welaan vrienden,” begon hij, „laat ons nog eenige minuten aan een vertrouwelijk gesprek wijden en dan de rust zoeken, die wij allen behoeven zullen.—Het was een harde dag! Weet gij, hoevelen wij nog overig zijn? Niet meer dan honderd vijf en twintig man, wij allen medegerekend. Driehonderd zeventig heeft ons de slag gekost.”
De officieren zagen elkander met sombere blikken aan. Zij waren slechts vijf in getal. Zeven had men zwaar gewond van het slagveld gedragen, elf had de dood weggerukt; en van hen, die hier aan het vuur zaten, had Boleslaw een houw over het voorhoofd, die echter onbeduidend en door hem zelf verbonden was, terwijl Lichnowski, een zeer jong mensch, door een schampschot in den arm was gekwetst. Geheel ongekwetst waren slechts Rasinski, Jaromir en de beide ritmeesters Bernecki en Jelski; Bernard was eveneens onbezeerd gebleven, doch Lodewijk had door zijn val van het paard eenige zware kneuzingen bekomen.
„Velen, allen, die ik missen moet, betreur ik innig,” sprak Rasinski; „doch één verlies gaat mij bijzonder na aan het hart. Het is dat van onzen Petrowski, die meer naden dan haren op zijn schedel had; in wiens borst een jeugdig vuur van moed en vaderlandsliefde gloeide, schoon zijn hoofd met de sneeuw van den ouderdom bestrooid was.”
„Dus Petrowski dood! En waar viel hij?” vroeg Bernard.
„Daarboven bij de redoute, waar wij wijken moesten en meest al de onzen den dood vonden. Hij wilde niet vluchten en trachtte zijne sectie tot staan te brengen, toen een kanonskogel tusschen hem en zijn paard doorsloeg, zoodat beiden neerstortten. De sabel ontzonk aan zijne hand en het gebroken oog staarde ten hemel; zoo zag ik hem op de plaats liggen. Het was onmogelijk hem weg te dragen, want de stroom sleepte ons allen mede voort.”
„Zou hij wellicht ook onder de gewonden zijn?” vroeg Lodewijk.
„Neen, mijn vriend, ik heb reeds bericht. Ook was de dood te duidelijk op zijn gezicht te lezen. Hij ligt daarboven. Wanneer de tijd het morgen toelaat, wil ik zien, of ik den grijzen held een eerlijk graf kan bezorgen, opdat zijne kameraden te huis vertellen kunnen, waar het gebeente van den dapperen Pool rust.” Rasinski rilde, als werd hij door eene koortsachtige koude bevangen. „Wij worden te weekhartig, vrienden. Wie weet, wat dezen nacht onze rust nog stoort; laat ons van de uren gebruik maken.”
Hij hulde zich in zijn mantel en legde zich neder, meer om zijne ontroering te verbergen, dan om te sluimeren. Echter had de geweldige arbeid en nog meer de langdurige spanning der ziel het lichaam tot uitputtens toe vermoeid, en zoo zonken allen die hem omringden, spoedig in vasten slaap.
Doch midden in den nacht dreven onrust en bezorgdheid Rasinski van zijne harde legerstede op. Hij trad, in zijn mantel gedoken, door de rijen der krijgers, die in diepen slaap om de vuren waren uitgestrekt. Alleen de vuurwachten waakten nog en stookten, gedachteloos in de vlammen starende, den gloed aan.
„Hoe laat is het, vriend?” vroeg Rasinski.
„Middernacht.”
„Hebt gij niets gehoord? Geen kanonschot in de verte, geen trommelslag?”
„Alles stil als de dood.”
„Zonderling,” mompelde Rasinski; „men moest vervolgen, den vijand geen rust gunnen. Maar de overwinnaars zijn wellicht nog vermoeider dan de overwonnenen!”
Hij beklom eene hoogte, die hem een ruim uitzicht aanbood. Het slagveld lag zwart en zwijgend voor hem. Evenals den avond te voren vlamden de vuren van het russische leger in een breeden, halven kring helder op; die der zegevierende armee brandden slechts flauw en spaarzaam.
„Dat is dus de vrucht van een zoo moorddadigen kamp? De vijand nog onverwrikt in zijne stelling! Zou morgen wellicht de zon ten tweedenmale zoo bloedig opgaan? Nog eens zulk eene overwinning en wij zijn reddeloos verloren!”—Hij trad driftig op en neder. Een verward gerucht van stemmen drong uit de verte in zijn oor. Het was het welbekende russische krijgsgeschreeuw, dat door den nachtwind werd voortgedragen. „Zouden zij midden in den nacht een aanval wagen?”
Inmiddels ritselde het achter hem in de struiken.
„Werda?”
„Ik ben het,” antwoordde Lodewijks stem. „Mij laten akelige droomen geen rust vinden, daarom volgde ik u, toen ik u zag opstaan.”
Rasinski legde de hand op Lodewijks schouder en zuchtte. „O mijn vriend! Mijne droomen zijn wellicht nog akeliger! Wanneer gij een ervaren soldaat waart, zoudt gij mij begrijpen. Deze overwinning is ons verderf! Deze oorlog kan niet gelukkig eindigen! De keizer is verblind! Hij kent het oude Rusland niet. Hij hoopt tot Moskou door te dringen en daar den vrede voor te schrijven. En wanneer het hem al gelukt, de oude hoofdstad der czaren, die nog slechts twee dagmarschen voor ons ligt, te bemeesteren, bedenkt hij niet, dat hij dan eerst aan den drempel van dit reusachtige rijk staat, dat eerst aan gene zijde de bloeiendste provinciën liggen, die ruimte en kracht genoeg bezitten, om de bewoners van dezen oever der Moskowa op te nemen en te voeden, terwijl de winter ons hier doet omkomen?—En nog zijn wij niet in Moskou! Ziet gij daarboven de vlammende legervuren der Russen, hoort gij hun krijgsgeschreeuw? Wanneer zij den moed niet opgeven, wanneer hun veldheer dapperheid aan inzicht en beleid paart, kunnen zij ons nog drie veldslagen leveren, eer wij Moskou's gulden koepels zien blinken.—En dan? Wanneer duizenden en nog eens duizenden weggeraapt zijn, hoe zullen wij ons dan in het bezit der onmetelijke ruimte handhaven, die wij veroverd hebben? Elke menschelijke kracht heeft hare grenzen. Gewoon, het reusachtige te volbrengen, het onmogelijke werkelijk te maken, heeft onze groote veldheer zijne kracht te hoog geschat, zijne grenzen overschreden. Hij moet bezwijken onder het gewicht zijner onderneming, dat terugrollen en hem zelf verpletteren zal!”
Lodewijk zweeg en liet aan zijne sombere gedachten den vrijen loop.
Ook Rasinski stond zwijgend voor hem en staarde droefgeestig in den duisteren nacht.
„O vriend,” begon hij plotseling weder, en zoo ontroerd als Lodewijk hem nog nooit gezien had, „wanneer men zulk een veld der verwoesting vóór zich ziet, dan wil men ook weten, waarom de duizende offers bloeden moesten. O, gij vermoedt niet, welk een afgrijselijk beeld van menschelijke ellende zich achter die duisternis verscholen houdt. Niet de dooden beklaag ik; zij hebben hun edel doel bereikt. In den slag te vallen is het lot, de roem des krijgsmans. Maar hoe vele duizenden liggen hier op de folterbank van nameloos lijden! Deze gure, regenachtige nacht doet ons van koude rillen, die ongedeerd, gelaafd en verkwikt in onze mantels aan het vuur rusten. En zij daar? Met verbrijzelde leden, met opgereten lichaam liggen zij aan den ruwen nachtstorm prijsgegeven; hunne wonden bloeden, koude en koorts doen hen stuiptrekkend samenkrimpen; angstvol tellen zij de trage seconden van den nacht en kermen te vergeefs om hulp. Zij denken aan hun vaderland, aan hunne ouders, wier teedere zorg zij, nauw de kinderjaren ontwassen, door de ijzeren hand des oorlogs ontrukt werden; den vader zweeft het beeld zijner hulpelooze kinderen, den echtgenoot de gestalte der minnende gade, den jongeling zijne weenende bruid voor oogen. Doch uit al de gedachten der liefde, die hen in de verte op het slagveld volgen, vormt zich geen enkele beschermende, helpende engelengedaante, om de vertwijfelenden te troosten. Onder koude lijken begraven, omgeven van hen, die nog in den laatsten doodstuip zich zelven en hunne Schepper vloeken, liggen zij in akelige eenzaamheid of in schrikwekkend gezelschap, en elke komende minuut schudt een nieuwen stroom van jammer en ellende over hen uit.—Lodewijk, wie den _slag_ gezien heeft, kent slechts de _lachende_ zijde van den krijg. Zie morgen het slag_veld_ en gij zult voor het grijnzend masker van het helsche spooksel terugbeven. Maar zien zult, moet gij het! Gij moet weten, wat de man voor den roem, voor het vaderland waagt. Die aanblik moet uwe mannelijke opvoeding voltooien. Maar wanneer het doel gemist wordt! Wanneer in onze borst de vreeselijke overtuiging oprijst, het is te vergeefs! Alles, alles te vergeefs! Al die bloedige tranen, die krampachtige zuchten, die gruwzame martelingen van een gerekten doodstrijd, die het medelijden zelfs den verhardsten booswicht bespaart—alles te vergeefs! Vriend, dan zijn er oogenblikken dat ook de ijzeren kracht des mans nog te zwak is en dreigt te bezwijken onder den last, dien het noodlot op zijne schouders wentelt.”