Part 42
Met een angstig beklemd hart beschouwden de beide vrienden deze ontwikkeling van het, den oudsten krijgsman ontroerende schouwspel, dat voor hen nog alle verschrikkingen der nieuwheid met zich voerde. Echter vonden zij, gelijk de standvastige en beschaafde altijd, kalmte en bedaardheid in het gevoel van plicht en mannelijke waarde.
Rasinski scheen te vermoeden, wat in hen omging. Hij reed op hen toe en zeide: „Gij hebt u met mij ingescheept, vrienden; thans stormt en woelt de zee. Ik wenschte, dat ik een veilig eiland wist, waar ik u aan wal kon zetten.”
„Dat ware slechts een toevluchtsoord der schande,” hernam Lodewijk met vastheid; „wij willen ons verheugen, dat onze mannelijke gezindheid op eene ernstige proef gesteld wordt.”
De kamp had zich thans langs de geheele heuvelreeks uitgestrekt. Ter rechterzijde, vóór de plaats waar Rasinski stond, doch buiten het bereik van het geschut, lagen drie vijandelijke verschansingen, die den ijzeren dood uit ontelbare vuurmonden op de aanrukkende troepen uitbraakten.
„Maarschalk Davoust zal veel volk verliezen,” sprak Rasinski, toen diens colonnes zich op de vlakten ontwikkelden, om de vreeselijke redouten te bestormen.
Vast opééngesloten, doch met verbazende snelheid drongen deze, door strenge krijgstucht tot één lichaam, waarin slechts ééne ziel leefde, te zamen gesmede massa's op den versterkten vijand aan. Dertig mortieren verzelden hen. Weldra waren zij zoodanig in stof en kruitdamp gewikkeld, dat men niets meer van hen ontdekken kon.
Met arendsblikken overzag Rasinski het slagveld. Op den rechtervleugel had ook vorst Poniatowski den aanval begonnen; hij rukte uit het woud, dat zijne stelling gedekt had te voorschijn en drong naar het scheen den linkervleugel des vijands met beslissend overwicht, doch slechts langzaam terug.
Uit den vuurspuwenden vulkaan, door welken Davoust en zijne scharen verslonden schenen, kwam thans een adjudant met lossen teugel aanrennen. Hij joeg recht op de plaats aan, waar de keizer zich bevond, die zijn standpunt eenige honderden schreden verder voorwaarts genomen had, om een duidelijker overzicht van het gevecht te hebben. Men kon niets van zijn rapport vernemen, maar dadelijk daarop zag men hem met den generaal Rapp in vliegenden ijl naar het dichtste gewoel terugspoeden.
Om te vernemen, welken keer het gevecht nam, reed Rasinski op een transport gewonde officieren toe, dat juist naar de achterhoede vervoerd werd.
„Nu, kameraden? Hoe staat het? Gij zijt de eerste offers?” vroeg hij.
„Maar zullen niet de laatste zijn,” antwoordde een kapitein, wiens arm verbonden was; „de batterijen daar boven braken een hagel van kartetsen uit. Generaal Compans is gevallen, de maarschalk gewond!”
„Maarschalk Davoust?”
„Zeker, wie anders?”
„Het gevecht is dus bloedig?”
„Het zal lichter zijn de overblijvenden te tellen dan de dooden.”
„Ik dank u, kameraad, en wensch u eene spoedige genezing,” met deze woorden reed Rasinski terug.
De slag had zich thans reeds algemeener ontsponnen. Juist rukte de maarschalk Ney met zijne drie divisiën voorwaarts.
Een gekwetste generaal werd uit het gewoel gebracht. Het was Rapp, die, toen hij nauwelijks in het gevecht gekomen was, door een kartetskogel van het paard geworpen werd. Het was de _twee en twintigste_ wonde, die de onverschrokken krijgsman op dezen dag ontving.—Langzaam droeg men hem bij de hoogte op, waar de keizer stond.—Ney's divisiën ontwikkelden zich thans op het vrije veld; onder het vernielend vuur des vijands drongen zij met onbezweken moed voorwaarts. Het scheen, dat zulks spoedig eene beslissing ten gevolge zoude hebben, waardoor ook aan de cavalerie gelegenheid gegeven werd aandeel aan den kamp te nemen. Rasinski begaf zich derhalve naar zijn regiment terug, om op den eersten wenk gereed te zijn.
De koning van Napels kwam aanrennen; zijne adjudanten stoven naar alle richtingen uiteen. Hij verzamelde de lichte cavalerie, om den vijand op de hoogte aan te tasten. Rasinski moest mede aansluiten. In langzamen draf stelden de massa's zich in beweging. Thans roffelden de trommen der infanterie ten stormtred. Men zag haar met bliksemsnelheid de hoogte opvliegen. De donder der kanonnen verdubbelde; de gansche vlakte was eene zee van stof, rook en vuur. Men zag niet, wie viel, zag niet, wie voortdrong. Daar verstomde plotseling het gedreun der mortieren; een luid jubelgeschrei verhief zich; de redouten waren door Ney's en Davousts dappere scharen genomen.
In vliegenden galop kletterden thans de, door den ridderlijken koning van Napels aangevoerde ruiterbenden over het slagveld; stof en keien werden hoog in de lucht geslingerd; de bodem dreunde onder den stampenden hoefslag. Bernard wierp een blik op Lodewijk, die hem ter zijde reed; deze knikte hem toe, aan spreken was niet te denken. In weinige minuten was de hoogte bereikt. De russische troepen, uit de batterijen verjaagd, waren grootendeels op het veld verstrooid en werden door de cavalerie nog verder teruggeworpen. Eensklaps echter vernam men opnieuw den donder van het geschut en bijna op hetzelfde oogenblik sloeg eene hagelbui van kogels en kartetsen in de gelederen neder. Tegelijk zag men nieuwe korpsen in zwarte massa's van achter de heuvels van het verwoeste dorp Semenowskoi te voorschijn komen. Het was de vorst Bagration, die, op Kutusows bevel, met deze frissche benden aanrukte, om de overhoop geworpen scharen te ondersteunen. Rondom, op alle hoogten, vertoonden zich rijdende batterijen, die hare vernielende kogels op de voorwaarts dringenden nederslingerden. Rasinski's regiment scheen het doelwit te zijn, waarop alle stukken tegelijk gericht waren, daar zulk eene menigte kartetsen door het front en van ter zijde door de rechterflank in de gelederen nedersloeg, dat in weinige oogenblikken de ontzettendste verwoesting was aangericht. Het verpletterend ijzer had wijde bressen geboord, paarden en menschen stortten ter aarde, het luid jammergeschrei der gewonden en half verbrijzelden verscheurde het oor. Het scheen, alsof men zich in den maalstroom van eene woedende windhoos bevond, zoo wild raasde de dood door de rijen. Rasinski hief de sabel omhoog en riep met al de kracht zijner metalen stem den zijnen een: „Voorwaarts!” toe. Door de onverschrokkenheid des aanvoerders bemoedigd, drongen de reeds wankelende gelederen met een nieuwen, geweldigen aanloop voort. Doch in dit oogenblik kletterde hun een kartetsenhagel tegen, welks dichtheid de lucht bijna verduisterde. Lodewijks paard werd getroffen, steigerde, deed een zijsprong en slingerde zijn ruiter ter aarde. Bernard zag het, een onbeschrijfelijke angst verscheurde zijne borst, doch aan hulp was niet te denken, want de nadringende stroom dreef hem met onweerstaanbaar geweld voorwaarts over de gevallenen heen. Maar reeds had de verstrooide russische infanterie zich weder verzameld en rukte in gesloten gelederen op. Van alle zijden stormde de dood in de rijen; spoedig waren alle banden van tucht en orde verbroken. De aanvoerders verdwenen in stof en rook of waren reeds gevallen; naar geen bevel werd meer geluisterd, de schrik kreeg de overhand. Twee escadrons dragonders, die ver vooruitgedrongen waren, wierpen zich, een vernielend kartetsvuur ontwijkend, in wilde vlucht op Rasinski's nog stand houdende manschappen. Door dezen schok werden ook zij deels in den teruggolvenden stroom mede voortgesleurd, deels afzonderlijk over de vlakte verstrooid. In weinige minuten was de gansche linie der cavalerie ontbonden en op de vlucht.
Bernard was door eenige wilde zijsprongen van zijn gewond paard uit het gedrang geraakt. Verdoofd door het gedreun en gewoel, waarin zijn oog de enkele voorwerpen nauwelijks meer onderscheiden kon, zag hij slechts naar Rasinski om, ten einde diens lot tot het zijne te maken. Op eenmaal bespeurt hij aanrennende kozakken, die hem bijna reeds omringd hadden. Driftig wil hij zijn paard omwerpen; daar ziet hij den koning van Napels in gevaar van omsingeld te worden. Hij vliegt hem te hulp; tegelijk dringen ook reeds de zijnen van alle zijden toe, om den geliefden veldheer te redden. Het gelukt!—Murat wuift met zijn golvenden vederbos ten teeken van verzameling. Zijn paard wordt door een kogel ter aarde geworpen; hij zelf echter blijft ongekwetst. Vast besloten, roemrijk te sneven of te overwinnen, werpt hij zich in de redoute; de weinigen, die nog om hem verzameld zijn, volgen hem. Ook Bernard, wien na Lodewijks val nog slechts de dood welkom is, springt van zijn, door de wonde onbruikbaar paard, om in het lot dezer dapperen te deelen. Thans druischen twee vijandelijke, dicht opeengepakte kurassiersregimenten en als eene ijzeren deining over de vlakte tegen de schans aan. Reeds geloofden de benarden zich verloren, toen de maarschalk Ney aan de spits der herzamelde infanterie zich opnieuw aan den rand der hoogte vertoonde. De zijwaarts oprukkende artillerie boort met hare vuurmonden eene wijde bres in den stalen muur der voortdringende russische kurassiers; de infanterie opent een moorddadig bataljonsvuur en volgt in stormloop met gevelde bajonet na. De vijand wankelt, deinst; zijne gelederen zijn gebroken, door het vuur gedund; enkelen wijken voor de overmacht van den schrik; de stroom sleept ook de koeneren met zich voort, en weldra is het veld met vluchtenden overdekt. Onder luid gejuich dringen de overwinnaars van alle zijden na; thans eerst, daar zij de zege bevochten, de eer gehandhaafd, den veldheer gered zien, houden zij, ademloos, uitgeput door de geweldige inspanning, op de hoogte stil, om krachten tot nieuwe daden te verzamelen.
Bernard maakte van dit eerste oogenblik, waarin het mogelijk was naar de gewonden om te zien, gebruik, om Lodewijk op te zoeken. Men was reeds ijverig bezig, eenige generaals en hoofdofficieren achteruit te brengen, die op het met bloed doorweekte veld gevallen waren; om de menigte der overigen kon men zich nog niet bekommeren. Ofschoon zulks met het uiterste gevaar verbonden was waagde Bernard zich koelbloedig op de tusschen beide legers vrijgebleven ruimte, waar de lijken van het regiment moesten liggen. Het bloed stolde hem in de aderen, toen hij dit veld der verwoesting bereikt had en daarop voorttrad. Niet de dooden vervulden hem met ontzetting, maar de afgrijselijk verminkten, die jammerend om redding smeekten en welker ellende hij niet verzachten kon. Huiverend, met afgewend gelaat, spoedde hij hen voorbij. Zij strekten de bloedige armen krampachtig naar hem uit, riepen met hartverscheurend snikken zijne hulp in. Onmogelijk! Hij moest verder. Deze afschuwelijke aanblik bracht hem met verdubbelde levendigheid voor den geest, dat hij, die hem het dierbaarste op aarde was, in denzelfden hulpeloozen toestand versmachtte. Lijken van menschen en paarden belemmerden hem bij elke schrede in het voortdringen. Een ongelukkige, die in krampachtige zenuwtrekken op den bloedigen grond rondwentelde, greep den voorbijsluipende aan en klemde de armen als ijzeren boeien om zijne voeten. „Help mij, red mij, ik versmacht!” kreunde hij. Het was een Duitscher! Bernard hoorde de taal van zijn vaderland. Moest hij den landsman, den krijgsmakker, die kermend om redding smeekte, die met afgrijselijk vaneen gereten lijf, waaruit bloed en ingewanden opwelden, aan zijne voeten kroop, van zich stooten? Moest hij met een wreeden voetschop de nog glimmende vonk der heilige levensvlam voor eeuwig uitdooven? En anders konde hij zich niet uit die stuipachtig saamgeknelde armen losrukken! „Lodewijk! U moge God redden! Ik kan het niet!” snikte hij, door zijn gevoel overweldigd, en boog zich tot den kermende neder, om hem op de schouders te laden en naar eene veilige plaats te dragen. Doch reeds werd de vaste knoop, waarmede de ongelukkige hem omkluisterd hield, losgebonden; de armen zonken krachteloos neder, het met brekende oogen opgeheven gelaat zeeg ter aarde, de alle spieren en zenuwen verwringende doodskramp was voorbij, het leven ontvloden. Eene ijskoude rilling liep den jongeling over de leden, bevend trad hij terug en drukte beide handen voor de oogen.—Eensklaps hoort hij in de verte eene stem roepen, die als hemelsche tonen in zijn oor klinkt. Hij ziet op, het is Lodewijk, die te paard komt aanrennen, om den vriend, dien hij onder de gevallenen waande, op te zoeken. In woesten galop vliegt deze op hem toe; zij vallen elkander sprakeloos in de armen, tranen van vreugde en dankbaarheid rollen langs hunne wangen.—Doch er is geen tijd te verliezen. „Spring op!” roept Lodewijk, „wij moeten naar de onzen terug.” In ééne seconde zit Bernard achter den vriend te paard, en deze snelt met den kostelijken buit naar de plaats terug, waar Rasinski de zijnen opnieuw verzamelt en ordent.
Met een luiden vreugdekreet ijlen Jaromir en Boleslaw de naderenden te gemoet. „Gij leeft dus? Zijt ongekwetst?” luidt de wederkeerige begroeting. Ook Rasinski komt vol vreugde aansnellen en ontvangt de geredden, die men reeds verloren waande. „Een paard hier!” roept hij, en terstond staat een van die, welke zonder ruiter, zich uit natuurlijk instinct midden uit het slaggewoel weder in hunne oude gelederen geschaard hebben, voor Bernard in gereedheid.
Eenige oogenblikken rust zijn den vermoeiden vergund. Bernard verhaalt, hoe het hem gegaan is; Lodewijk, dat hij zich, toen zijn paard was neergestort, hoewel door den val eenigermate bedwelmd, toch vrij spoedig weder opgericht, een los rondloopend paard opgevangen en zich opnieuw bij het regiment aangesloten heeft, tot de terugwijkende benden ook hem medegesleept hadden. Toen de vrienden zich verzamelden, ontbreekt Bernard. Zonder hem geen leven! Met lossen teugel vliegt hij naar 't slagveld terug, maar, nog eer hij de plaats bereikt heeft, waar zijne gevallen kameraden moeten liggen, ziet hij Bernard van verre, herkent hem aan de uniform en redt den vriend, die hem redden wilde.
Zoo, door nieuwe banden der liefde aan elkander gesnoerd, wordt hunne vriendschap nog versterkt en als edel goud in de vlam der beproeving gelouterd.
Maar opnieuw sleurt de woede van den slag hen voort. Op bevel van den koning van Napels verzamelden zich de cavalerie-regimenten ten tweeden male, om den, door 't geschutvuur aanmerkelijk verzwakten vijand geheel overhoop te werpen. Rasinski voegt zich bij de dappere brigades, welke Bruyères en Nansouty aanvoeren. Deze massa's doen den vijand wijken en werpen hem op zijn centrum terug; maar tallooze lijken, de troepen der overwinning, bedekken het slagveld.
De zoom der hoogten achter Semenowskoi is nog altijd met sterke batterijen beplant, die hare verderfelijke ladingen onophoudelijk losbranden. De zege wordt twijfelachtig en schijnt nu naar deze, dan naar gene zijde over te hellen. Met lijken koopt men elke schrede voorwaarts, met lijken teekent men de baan van den terugtocht. Eindelijk stormt het voetvolk met inspanning der laatste krachten de steile heuvels op, het vuur van den vijand verflauwt en laat andermaal een korte verademing toe.
Rasinski bevond zich met zijn regiment in eene diepte, waar hij, terwijl de infanterie het gevecht op een voor de ruiterij ongunstig terrein had overgebracht, voor den kogelregen gedekt was. Ernstig reed hij de gelederen door en berekende het getal dergenen, die hij miste. Eene sombere wolk legerde zich op zijn voorhoofd, toen hij nauwelijks de helft der zijnen aanwezig zag; een vol derde was gesneuveld, de overigen lagen gewond op de vlakte. En toch was het eerst middag en de bloedigste arbeid wellicht nog te doen. Een adjudant van Murat kwam pijlsnel aanrennen en bracht hem het bevel over om onmiddellijk naar den linkervleugel der armee te trekken en de in massa oprukkende artillerie te dekken. Tegelijk besteeg de officier met hem de naaste hoogte, ten einde hem het punt, werwaarts hij zich te begeven had, nader aan te wijzen. De slag was nu reeds tot dicht bij de vijandelijke stellingen doorgedrongen. De Russen raapten hunne reserves bijeen, om met hardnekkige dapperheid een tweede bedrijf van het bloedige schouwspel te beginnen. Ter verijdeling van hun opzet liet de keizer thans de gansche onafzienbare linie zijner artillerie in beweging brengen, ten einde de oprukkende colonnes reeds op verren afstand met dit vreeselijk wapen te verpletteren. Rasinski volgde drie zware batterijen, die zich tot eene eenigszins afgezonderde hoogte vooruitwaagden, waar zij lichtelijk door de vijandelijke lichte cavalerie konden verrast worden, tegen welke hij haar in dat geval beschermen moest.
Het rumoer van den slag, dat men tot hiertoe vernomen had, geleek slechts het dof gedreun van een verwijderd onweder tegen de krakende donderslagen, die thans over de vlakte rolden. Op de tegenovergelegen hoogten waren de Russen in lange colonnes in slagorde geschaard. De kogels sloegen met vreeselijke zekerheid in de zwarte massa's neder. Men zag den vijand in gansche rijen nederstorten; echter week hij niet, maar ordende zich telkens weder opnieuw.
„Zij bieden hardnekkig tegenstand,” sprak Rasinski, „maar zij offeren zich te vergeefs op. Niet dáár moesten zij zich verzamelen, maar òf verder terugtrekken òf met allen spoed voorwaarts rukken. Zij zullen dien misslag duur betalen.”
„Zie, zie,” riep Jaromir, „hoe de blauwe hemel gedurig door den zwarten muur zichtbaar wordt, wanneer onze kogels eene opening boren. Zij zijn waarachtig waanzinnig, hunne beste manschappen zoo nutteloos op te offeren.”
„Maar ook wij verzuimen onzen tijd, vrees ik,” antwoordde Rasinski. „Wanneer thans de gardes aanrukten en van de voordeelen, die wij, met het bloed onzer kameraden betaald hebben, gebruik maakten, moesten wij de gansche armee der Russen op haren rechtervleugel terugwerpen en tusschen de Moskowa en de Kalotscha insluiten kunnen. Ik zie niet in, hoe zij ons ontkomen zouden.”
„De koning van Napels, daarvan was ik zelf in de redoute getuige, heeft reeds voorlang zijn adjudant aan den keizer gezonden en op voortrukken der garde aangedrongen,” hernam Bernard.
„Ook maarschalk Ney,” sprak Boleslaw.
„En hij weigerde het?” vroeg Rasinski.
„Vermoedelijk.”
„Onbegrijpelijk! onbegrijpelijk!—Hij is te ver van het slagveld verwijderd, hij moest hier op ons standpunt staan en ik ben verzekerd dat hij den aanval in stormmarsch bevelen zoude.”
„Ik kan mij niet voorstellen,” sprak Lodewijk, „dat een veldheer als de keizer niet gewichtiger redenen zou hebben, om aan dit verlangen niet te voldoen, dan zij opgeven, die het aan hem te kennen gaven.”
„Wat hem doet aarzelen, geloof ik te kunnen gissen,” antwoordde Rasinski; „men is aan de beide vleugels nog zoover niet, als op het centrum. Echter ziet men toch duidelijk, dat ook vorst Poniatowski grond wint, en de onderkoning van Italië heeft ten minste nog niet ongelukkig gevochten.—Maar is dat niet Regnard, die daar aankomt?”
Hij was het inderdaad. Met verbonden hoofd en arm reed hij langzaam, door twee zijner soldaten ondersteund, uit het gevecht terug. Rasinski snelde op hem toe.
„Nu, hoe staat het, vriend?” riep deze hem toe.
„Hoe het staat? Met mij verduiveld slecht, zooals gij zien kunt. Echter kan ik nu verzekerd zijn, dat ik in dezen slag mijn leven niet verliezen zal. Ik ben onbeduidend gekwetst, maar de helsche arbeid en het bloedverlies hebben mij zoo verzwakt, dat ik mij niet langer te paard kan houden. En dan het ongeluk, het verdriet, deze arglist des satans dreigen mij razend te maken!”
„Wat dan?” vroeg Rasinski verwonderd,
„Gij vraagt nog? Ziet gij dan niet hoe de slag staat? Barsten kon ik van spijt, dat de keizer niet meer de keizer, of liever, dat hij enkel de keizer en niet meer de veldheer is. Hij moet ziek zijn, de koorts spookt hem in de hersens, geen mensch kan hem begrijpen. De overwinning ligt vóór hem en hij, die anders in eene Charybdis sprong om haar te grijpen, is thans bevreesd er den arm naar uit te strekken. Murat, Davoust en Ney hebben hem bezworen, hun de garde tot versterking toe te zenden. Hij heeft het afgeslagen. Slechts op de hoogte mag zij zich vertoonen, om den vijand voor onze reserve bevreesd te maken. Het schijnt, dat een helsche demon zijne gedaante heeft aangenomen, om ons in het verderf te storten!”
„Wij zullen het toch winnen!”
„Dat zullen wij ook! Maar kan het ook anders met zulke troepen? Vliegen de kerels niet als uitgehongerde wolven op den vijand in? Mijne manschappen hebben zich bij den aanval op de verschansing in den dood gestort, als gold het een wedloop naar de prijzen aan den meiboom, en het verwondert mij nog, dat zij de kogels niet met de bajonetten uit de kanonnen geboord hebben, terwijl de artillerist de brandende lont aan de kruitkamer bracht. Voor den duivel, ik weet wat vechten is, maar zooals heden heb ik de Franschen nog nooit gekend.”
„De vijand doet ook het zijne!”
„Zeker; hij weert zich als een gewond everzwijn; doch juist als hij zulk een ijzersterken tegenstander vindt, wordt de soldaat een leeuw. Vaarwel, vriend! Ik moet mij dadelijk laten verbinden, wil ik niet zachtjes uit den zadel glijden.”
Hij reikte hem de hand en reed verder.
Inmiddels was de bloedige worsteling met verdubbelde woede hervat. Thans was het de moedige Eugenius, die den hachelijksten kamp te strijden had. Op eene hoogte tusschen Borodino en Semenowskoi had de vijand zijne stelling door eene geduchte redoute gedekt, waaruit vier en twintig mortieren hunne ijzeren kogels op de voorwaarts dringende regimenten nederwierpen.
„Daar is de overwinning!” riep Rasinski, toen hij het punt in het oog kreeg, waartegen thans beide machten al hunne benden aanvoerden. „Die redoute is het palladium van Ruriks gebied,” voegde hij er met fonkelende oogen bij; „maar zij zal het onze worden. Thans zal de keizer toonen, dat hij nog de veldheer van Austerlitz en Marengo is!”
Eenige oogenblikken later kreeg hij bevel, zich weder met zijn regiment bij de hoofdcolonne der ruiterij aan te sluiten, die het ten derden male herstelde linkercentrum van den vijand moest overhoop werpen. In een dal, door eene kleine beek doorsneden, werden de troepen onder de bescherming van het terrein herzameld. Tegelijk zag men dichte colonnes infanterie ontwikkelen, die den storm op de verschansing ondernemen moesten.
„Mij dunkt, het is lichter den zetel van den dondergod te bestormen, dan deze helsche werkplaats der cyclopen,” riep Bernard zijnen vriend toe.—Doch reeds drongen de colonnes met gezwinden tred met geveld geweer voorwaarts. Een vreeselijk gedonder dreunde over de vlakte; alle stukken der redoute werden tegelijk gelost. Een hagel van kartetsen kletterde op de troepen neder, als moesten zij door één verpletterden slag vernield worden. Hef hoog opdwarlende stof liet niet toe, te onderscheiden, wie stond of viel. Doch spoedig zag men de adelaars weder blinken, en in opnieuw gesloten rijen rukten de stormenden voort. Het ijzeren monster op den heuvel scheen verstomd te zijn. Maar het had slechts geloerd, om zijne prooi des te zekerder te treffen; toen de colonnes zich weder tot eene dichte massa hadden saamgesmeed, rukte het de bliksemende tongen uit al zijne vier- en twintig vuurmonden tegelijk uit en het hemel en aarde schokkende gebrul kraakte door de lucht. Gelijk een stormwind over het korenveld raast en de halmen in breede vlakten ter aarde drukt, zoo velde thans de sikkel des doods de koene aanvallers ter neder. Het scheen, dat de helft door dien éénen slag was weggemaaid. De ijzeren stroom, die over hen heen bruiste, vergunde hun nauw een vrijen ademtocht. Met onverzadelijken bloeddorst slingerde de furie des verderfs, die, in den donkeren mantel van rook en damp gehuld, over de strijders rondwaarde, hare bliksemen neder. De verschrikking won de overhand; de rijen bogen, weken, vluchtten. Nieuwe benden werden aangevoerd, om de verpletterden en vliedenden te vervangen; maar even onuitputtelijk goot zich de alles vernielende vloed der kartetsen over het veld uit. Lijken werden op lijken gestapeld, als wilde men een wal van gevallenen om dezen vuurspuwenden krater doen oprijzen.