1812: Historische roman

Part 41

Chapter 413,813 wordsPublic domain

„Neen, Bernard, mijn ziel houdt zich zoo geheel anders bezig. Wanneer wij midden in het gewoel zijn, wellicht dat het mij dan medesleept. Ik had mij vroeger het bijwonen van een veldslag als hoogst belangrijk voorgesteld; heeft het gevaarvolle zwervende krijgsmansleven, die gedurige herhaling van het voorspel tot het hoofddrama, mij verstompt of is het, omdat mijne gedachten zoo ver van hier omzwerven, althans voor mijn gevoel is het op dit oogenblik eene schier onverschillige omstandigheid, dat morgen het lot van twee volken beslist moet worden. Intusschen zegt mijn verstand mij het tegendeel.”

„Vriend,” begon Bernard, „ik vroeg dat niet zonder opzet, anders had ik thans wel over andere dingen gesproken. Maar vergeef mij, ik denk mede aan Maria; het slot van haren brief—ik geloof wel, dat hare beden in den grond meer afdoen dan tien beschermheiligen—en toch—om uwentwil vrees ik den slag en het zou mij, rondweg gezegd, recht aangenaam zijn, wanneer gij buiten het gedrang woudt blijven. Laat mij met Rasinski spreken.”

„Neen!” antwoordde Lodewijk zacht, maar met vastheid. „Gij weet, dat geen innerlijke beweeggrond mij tot den strijd aanvuurt, dat mijne wenschen zelfs meer tot de zaak onzer tegenstanders overhellen, wijl hunne overwinning ons vaderland ten minste van de onderdrukking, die het in dit oogenblik dulden moet, bevrijden zou; maar toch druischt uw voorslag zoozeer tegen mijn gevoel in, dat ik geene minuut weifelen kan. Vooreerst ben ik een man; daardoor reeds zoude ik mij zelven verlaagd gevoelen, wanneer ik mij in het uur des gevaars aan mijne roeping onttrok.”

„Waarlijk, ik denk slechts aan Maria,” riep Bernard, „en weet, dat gij een smartelijk offer zoudt brengen; maar ik twijfel of gij zulks niet verplicht zijt!”

„Slechts voor haar wensch ik te leven,” hernam Lodewijk, „en de hemel is mijn getuige, dat ik, moet ik vallen, alleen treur om de eenzaam achtergelatene. Doch neen, neen, de scherpzinnigheid mijner gronden mag kunnen bestreden worden, het gevoel, dat in mijne borst spreekt, kan het nimmer. Maria zelve zou zich mijner schamen; zoomin zij mij door iets, dat harer onwaardig is, het leven zou willen behouden, zoomin kan zij verwachten, dat ik zulks voor haar doen zoude. Neen, Bernard, uwe liefde voert u te ver!”

„Gij zijt door uwen waren moed boven den schijn dezer verdenking verheven; ik ben het ook en zou mij, in geval ik reden had om mij aan den slag te onttrekken, geen oogenblik bezinnen.”

„Ook ik niet, indien het terugblijven zelf het doel mijner handelwijze was; maar niet, wanneer dat het middel zijn moest. Vergeet ook niet, dat de stand dien wij kozen, eigenlijk ons leven beschermt; daardoor rust op ons de dubbele verplichting om het heiligdom van zijne eer ongeschonden te bewaren. En dan, Bernard, dezen weg des doods wilt gij voor mij afsluiten; maar hoe de duizend andere paden, waarop hij ons dagelijks kan overvallen? Sterk u met het geloovig vertrouwen, dat Maria zelve koestert; zij vordert niet, dat ik het gevaar ontvluchten zal, maar hare krachtige ziel vertrouwt er op, dat hoogere machten mij zullen beschermen. En zoudt gij dan mij en Rasinski en Jaromir en Boleslaw in den slag kunnen laten trekken en in zekerheid uit de verte aanzien, hoe het zwaard des doods boven de hoofden uwer vrienden zweefde? Bernard, raadpleeg uw eigen hart en laat dat u antwoorden.”

„Recht hebt gij zekerlijk, maar stond het in mijne macht u onrecht aan te doen, ik deed het dadelijk in dit geval. Ware ik in Rasinski's plaats, ik liet u onder eenig voorwendsel handen en voeten binden, en heden avond nog tien dagmarschen achter onze achterhoede tusschen vier muren zetten.”

„Gij deedt het zeker niet,” sprak Lodewijk en drukte hem met aandoening de hand.

„Laat dan loopen het ijzeren rad van het noodlot!” riep Bernard en stampvoette van spijt. „Het verplette wien het wil, maar dat zweer ik u, het zal geene ruimte vinden, om tusschen u en mij door te rollen!———Komen Jaromir en Boleslaw daar niet de hoogte op?”

Zij waren het. Door Rasinski van Lodewijks verlies onderricht, kwamen zij den bedroefden vriend door hunne liefde en hun medelijden vertroosten. De jeugdige, licht voor aandoeningen vatbare Jaromir bedwong zijne tranen niet; Boleslaw, door eigen lijden meer gehard, vermocht slechts den zachten ernst te toonen.

Zij gingen te zamen den heuvel af, om zich aan het wachtvuur bij Rasinski's hut te legeren, waar deze alle officieren verzameld had, om den avond vóór den slag in vriendschappelijke vertrouwelijkheid door te brengen. De zon moest haren ondergang reeds nabij zijn; sedert den middag had zij zich achter grauwe wolken verscholen. De avond naderde en was gevoelig koud, zoodat zelfs het vuur en de dichte mantels de vorst niet geheel konden afweren. De gansche dag was in doodsche rust voorbijgesneld; het scheen, dat de beide vreeselijke, tegenover elkander gelegerde strijdmachten zich deze korte verademing wilden vergunnen, om den volgenden morgen met verdubbelde woede den verbitterden kamp der verdelging te kunnen beginnen. Deze beklemmende, alle frissche levenskrachten verlammende stilte werd door de stemming der enkelen nog vermeerderd; want ieder zag natuurlijk het uur der beslissing met somberen ernst te gemoet. Zoo wilde dan ook het gesprek in den kring der gelegerde kameraden niet levendig worden, en zelfs dan, wanneer Lodewijk en zij, die het nauwst met hen verbonden waren, niet bijzondere oorzaken hadden gehad, om zich aan zwijgende, afgetrokken mijmeringen over te geven, zoude op dezen avond geen vrije, zorgelooze opgeruimdheid onder de krijgers geheerscht hebben. De toekomst vertoonde zich te donker, de hemel was te zwart betrokken, de donder rolde te dreigend in de verte, om aan het bloed een vrijen omloop door de aderen te vergunnen. Te vergeefs trachtte Rasinski door het gestadig vullen der bekers, door het herinneren aan vroegere, belangrijke ontmoetingen, door het uiten der schoonste verwachtingen voor de toekomst de gemoederen te vervroolijken; een oogenblik nam men een levendig aandeel in het gesprek, maar na eenige minuten was ieder weder in zijne eigene, stille overdenkingen verdiept.

Het schemerde reeds, toen een kanonschot uit het vijandelijk leger de doodsche stilte afbrak. Men sprong op, vorschte, vroeg. In zulke uren, onder zulke omstandigheden is een schot bijna altijd het teeken van een gewichtig voorval, ieder hield het voor eene waarschuwing, om op alles bedacht te zijn. Ditmaal echter bleek de vrees voor dadelijke verontrusting ongegrond te zijn, schoon men reeds na eenige minuten vernam, dat dit enkele schot misschien het lot van den ganschen veldtocht had kunnen beslissen. Het was op eene bende ruiters gelost, onder welke zich de keizer bevond, die, door de vrees gefolterd, dat het russische leger zijne hoop op een veldslag andermaal door een overhaasten nachtelijken aftocht mocht verijdelen, zich te paard geworpen en van de schemering gebruik gemaakt had, om de stelling van den vijand nog eenmaal op te nemen. Tot zijne vreugde had hij uit de in zwarte massa's opdagende colonnes, die zich over de vlakte verspreidden, uit de lange, van Moskou aanrukkende rijen van ammunitie- en proviandwagens en de geduchte, nog gedurig versterkt wordende verschansingen op de hoogten de zekerheid verkregen, dat de lang gewenschte dag gekomen was. Hij aarzelde nu niet meer, zijne troepen hiermede bekend te maken. Een half uur na het vallen van het schot werd de legerorder rondgedeeld. Rasinski ontving ze van een adjudant en haastte zich, de woorden des keizers aan zijne vrienden voor te lezen.

„Soldaten! De dag van den veldslag, dien gij lang gewenscht hebt, is daar. De zege staat ons op zijde; zij is noodzakelijk, zij zal u overvloed, veilige winterkwartieren, een spoedigen terugtocht naar het vaderland verzekeren. Gedraagt u als te Austerlitz, Friedland, Witepsk en Smolensko, opdat uwe late nakomelingen nog met trotschheid van hunne voorvaderen zeggen mogen: Hij streed in den geweldigen slag onder de muren van Moskou!”

Deze korte, ernstige woorden maakten een krachtigen indruk op het hart der krijgers. Een edel vuur straalde uit hunne blikken, en toen Rasinski de sabel trok, haar plechtig omhoog hief en luid uitriep: „Leve de keizer!” werd die kreet door duizend stemmen juichend herhaald, zoodat de daverende toon, door den wind voortgedragen, tot in het leger des vijands weergalmde.

De komende dag vorderde groote inspanningen; Rasinski vermaande derhalve zijne manschappen, zich tot rusten te leggen, ten einde frissche krachten tegen den volgenden morgen te verzamelen. Om eene opgewekte stemming levendig te houden; maar vooral ook om Lodewijk te verstrooien, sloeg hij den officieren nog eene wandeling door de legerplaats der gardes naar de tent des keizers voor, welke niet ver van het bivak der cavalerie was opgeslagen.

Spoedig had men den grooten vierhoek bereikt, dien de gardes om de keizerlijke tent gesloten hadden. De aanblik dezer uitgelezen dapperen, onder welke men geen voorhoofd zonder litteekenen, geene borst zonder orde zag, moest de mannelijke ziel met krachtvol zelfgevoel vervullen; zelfs de weemoedig gestemde Lodewijk richtte zich vrijer op, toen hij door de rijen dezer helden trad. Nog levendiger werd Bernard door dit gezicht verrast.

„Waarlijk, eene gansche galerij van studiebeelden!” riep hij uit. „Tien jaren zou ik hier kunnen zitten teekenen. En welk eene verscheidenheid van koppen en drachten! Zie eens dien gindschen grenadier, die juist zijn geweer poetst. Met welken ernst beschouwt en onderzoekt hij zijn wapen; in elken trek leest men, dat hij het als een heiligdom in eere houdt. Zie hoe hij den schijn der vlammen op het slot laat spelen en zich in den blanken loop spiegelt! Hm, de oude knevel mag zich vrij laten zien en mij dunkt, hij heeft zelf schik in den breeden naad, die zijn rimpelig voorhoofd halveert. Nu is hij klaar, doet een paar handgrepen, legt aan. Zeker bedenkt hij reeds, hoe hij morgen in den dichtsten kruitdamp zijn vijand in 't vizier nemen en met oogen zal aanzien, die doorborender schijnen dan de kogels in den loop.”—Onder het voortwandelen zweefde zijn geoefend oog over alle groepen in het rond, en waar hij een belangrijken kop zag, maakte hij de vrienden in zijne levendige, schertsende voorstelling daarop opmerkzaam, vooral ook met het doel, om zijn treurenden vriend hierdoor eenige afleiding te verschaffen.—„Zie daar vóór ons den baardigen grijskop, die zich het bloedig voorhoofd verbindt. Hoe koel en onverschillig scheurt hij zijne oude slobkous tot windsels! Nu, hij is aan wonden gewoon! Ik zie daar nog een breeden hoekigen hieroglief, die vermoedelijk door eene Mammelukkensabel aan de piramiden geteekend is. Zijn voorhoofd is eene volmaakte gedenkrol. Wie zich ingeschreven heeft, blijft zekerlijk in aandenken, schoon bezwaarlijk, in het vriendschappelijkste.—Die kerel ginds bevalt mij! Waarachtig hij scheert zich;—met gladde kin, als tot den zondagsdans in de tuinen van Neuilly of in de lustige wijnhuizen van St. Denys waar zooveel lieve meisjes zijn, wil hij morgen in den slag gaan. Hij is een Spartaan, die zich ook versierden en bekransten voor den strijd. Ik geloof, deze grenadier ziet er weinig onderscheid in, of hij met zijn liefjen de française opvoert of aan den vleugel van zijn regiment op eene batterij aanrukt. Muziek heeft men bij beide gelegenheden. Ik wed, dat hij zich verzekerd houdt, morgenavond in Moskou te zullen zijn en nu zijn toilet in orde brengt, wijl het dan misschien aan tijd kon ontbreken. Zijn gansche voorkomen roept: „_Vive la bagatelle!_” en een slag, een geheele veldtocht telt mee onder de rij der bagatellen. Hij ziet er echter niet jong meer uit en kan misschien wel van Marengo en Arcola meespreken. Geluk op reis, goede vriend, ik hoop, dat gij morgen nog zoo vroolijk zijn moogt als heden en bij uw avondeten zoo zorgeloos uw liedje neuriën, als op dit oogenblik.”

„Ik heb toch deze soldaten reeds in eene geheel andere stemming gezien,” hernam Rasinski; „zoo woelig het leger hem moge toeschijnen, die het in dezen veldtocht voor het eerst ziet, zoo stil en doodsch komt het hem voor, die het reeds sinds lange jaren kent. Kalmte, bedaardheid, gevatheid op het ergste is op de gezichten dezer lieden te lezen, maar niet dat blijde vertrouwen, die brandende begeerte naar kamp en overwinning, die men anders op dagen vóór den slag in hunne oogen zag blinken.—Zie, daar is de tent des keizers. Wat mag wel de reden van dien oploop zijn?”

Men zag de soldaten in groote troepen naar de tent snellen en zich in dicht gedrang daarom heen scharen. De terugkeerenden vertoonden een vroolijk gelaat en waren levendig met elkander in gesprek. Uitroepen van verwondering, van vreugde verhieven zich uit den zwarten hoop.

„Wat is daar te zien?” vroeg Rasinski een grenadier, die uit het gedrang terugkeerde.

„Wat er te zien is, mijn kolonel? O, wat schoons en prachtigs! Een kind, een kostelijk kind! De zoon des keizers! Ja, mijn overste, het is een jongen van melk en bloed. O, men is ook vader! Ik heb een zoon, die pas acht dagen ouder is. Zijn portret kan ik wel niet laten nakomen, maar ik heb het toch in het geheugen. De schelm staat mij hier”—daarbij wees hij op zijne met de orde van het legioen van eer versierde borst—„zoo duidelijk afgeteekend, dat ik geen beeltenis noodig heb. Maar het is toch aangenaam, als men die hebben kan!—Verzuim niet, overste, 't is de moeite waard, het zelf te zien.”

De verrukte soldaat werd in den stroom zijner rede gestuit en door den hoop medegesleept. Rasinski en zijne geleiders trachtten zich een doortocht te banen, maar het gedrang was te groot; zij konden slechts uit de verte zien, dat voor den ingang der tent, onder de bewaking van twee baardige grenadiers, eene schilderij was ten toon gesteld, welke de soldaten met nieuwsgierige deelneming beschouwden.

„Het heeft in mijn oog iets roerends,” sprak Lodewijk, „dat zich te midden dezer vreeselijke krijgstoerusting niet alleen de veldheer, maar ook de liefhebbende vader vertoont, die zijne dapperen in zijne vreugde wil doen deelen.”

„Ja, ja,” sprak Rasinski glimlachend, „hij is een grondig menschenkenner, de keizer. Door niets kan hij zijne oude knevelbaarden levendiger aan het vaderland en hunne geliefde betrekkingen herinneren, dan door zulk eene vertooning. Nu verlangt ieder met vurige drift naar het schoone Frankrijk, waar deze zijne kinderen, gene zijne jonge vrouw, die wellicht moeder is geworden, een derde zijn bevallig liefje heeft achtergelaten. Een andere weg naar Parijs, dan die over Moskou is er niet, dat weten zij allen te goed. Als grimmige leeuwen zullen zij dus op den vijand instormen, die dezen weg voor hen sluiten wil.”

„Mij dunkt toch,” hernam Lodewijk, „door zulke herinneringen moest het hart van den soldaat verteederd worden, hij moest den krijg, die hem van alles wat hem dierbaar is scheidt, haten en met weerzin verder voortdringen.”

„Voorzeker,” antwoordde Rasinski, „doch slechts niet op den dag vóór den slag. Moeite en bezwaren verdraagt hij met tegenzin, gevaren gewillig; hij waagt liever dan hij duldt. De tijd der vermoeienissen is nu voorbij, er komt een kortstondig oogenblik van gevaar; dat gaat hij getroost te gemoet, want er is altijd meer bij te winnen dan te verliezen. Toon hem slechts een zekeren prijs der overwinning en waarlijk, hij zal met vreugde de hel bestormen, om in het paradijs te komen. De belooning echter moet ontwijfelbaar zeker zijn; hij moet zijn vast doel hebben, dat hij, door zijn leven te wagen, bereiken kan. Zijne geloofsartikelen luiden: zege, vrede, terugkeer. Wordt zijn verlangen naar het laatste levendig opgewekt, dan behoeft gij voor de eersten niet bezorgd te zijn.”

„Goeden avond, graaf,” riep eene bekende stem Rasinski toe. Het was Regnard. „Goed, dat wij elkander heden nog aantreffen, morgen zullen wij naar menigeen te vergeefs vragen. Ik denk, dat de slag naar de aanstalten zal beantwoorden, die men er toe gemaakt heeft; men marcheert geen achthonderd mijlen, om een voorpostengevecht te leveren.”

„Nu, tot hiertoe hebben wij nog weinig anders te doen gehad,” antwoordde Rasinski.

„Elke vrucht moet rijp worden, graaf. In Rusland oogst men later dan bij ons. Geef acht, morgen zullen de maaiers de handen vol hebben. De Russen meenen het ditmaal zeer ernstig.”

„Is men daar reeds zoo zeker van?”

„Men kan er geen oogenblik aan twijfelen. Zoo even was ik er bij tegenwoordig, dat een overlooper zijn bericht aflegde. De oude Kutusow houdt zich verzekerd, dat wij morgen aanvallen, en heeft besloten als een muur stand te houden. De Rus is op een beslissenden kamp voorbereid, is plechtig tot den dood gewijd. Gij hoordet immers tegen den middag die zonderlinge muziek wel overwaaien en hebt de beweging in het leger bemerkt, toen de manschappen onder de wapens traden?”

„Voorzeker! Doch wat beteekende het?”

„Het was de feestrede voor de bruiloft, die wij vieren zullen. De oude vorst heeft zich met al zijne priesters en archimandriten omgeven, die in hunne prachtgewaden het leger doortrokken. Zij droegen een heilig beeld, dat zij uit Smolensko gered hebben, door de gelederen der soldaten. De Rus bidt het als een wonderdoenden beschermheilige aan; zijne kerk vervult hem met geestdrijvende woede. Zijne priesters hebben hem nu tot den kamp gewijd, wie valt, is van de hemelsche zaligheid verzekerd. Gij kampt morgen voor de altaren van uwen God, heeft men hun toegeroepen, gij moet uwe heilige stad Moskou, die de vijand verdelgen wil, beschermen, uwe vrouwen en dochters voor smaad en slavernij beschutten. Zoo iets werkt; de gemeene rus verlangt thans reikhalzend naar den martelaarsdood, brandt van begeerte om door onze kogels te vallen. Ik heb ook de oproeping gelezen; ik verzeker u, men vleit ons niet, en het zou moeite kosten een hongerigen noordschen dog zoo grimmig aan te hitsen, als de oude cycloop daarboven zijne brommende ijsberen tegen ons opstookt. De zaak komt mij verduiveld ernstig voor, want uit scherts, dat weet gij, windt men den soldaat zoo niet op, daar eene dergelijke stemming geen zes weken aanhoudt en men zich wachten moet haar noodeloos te verwekken, wijl anders de herhaling slecht uitvalt. Daarom zeg ik u, wij vinden den vijand morgen nog op dezelfde plek: wellicht nog overmorgen. Een ijzeren muur werpt men zoo licht niet overhoop, en geestdrijvers zijn nog taaier dan ijzer.”

„Hoe, gij twijfelt aan de overwinning, Regnard?” riep Rasinski bijna verdrietig.

„Geen oogenblik! Maar zij zal bloed kosten. Een twintig, dertigduizend man kunnen morgen avond hier den grond mesten en zoo vreedzaam naast elkander liggen, als zij gedurende den dag grimmig gevochten hebben. Mochten wij onder dat getal zijn, overste, zoo laat ons thans afscheid nemen, want ik moet naar mijn korps terug!” Zij drukten elkander vriendschappelijk de hand. „Vaartwel mijne heeren, tot wederzien! Morgenavond in Moskou; wordt intusschen de een of ander verhinderd woord te houden, wij zullen het hem voor ditmaal niet ten kwade duiden. Vaartwel!”

Met deze woorden verdween hij in het gedrang; op hetzelfde oogenblik zag men Petrowski naderen, die den overste een verzegelden brief overbracht.

„Wij moeten terug,” sprak deze, na gelezen te hebben. „De troepen zullen nog dezen nacht andere stellingen innemen. Komt dan, vrienden, de tijd is kostbaar.”

Zij bereikten hunne legerplaats; Rasinski beval de vuren uit te blusschen, de manschappen moesten onder de wapens treden. Weldra bracht een adjudant het bevel tot opzitten en het regiment begaf zich op marsch. Onder het rijden bespeurde men, dat alle vuren in het fransche leger waren uitgedoofd of slechts flauw en donker brandden. In dat der Russen daarentegen vlamden zij hoog op en beschreven een breeden gloeienden lichtkring om den zwarten gezichteinder.

De marsch was slechts kort; men had zich nader naar het centrum der armee teruggetrokken. Aan de helling van een heuvel, die breed opliep, maakte men halt; rechts was het terrein met struikgewas bedekt, dat den overgang tot een hooger woud vormde. Groote massa's cavalerie schenen hier verzameld te zijn. Tegen elf ure had men eene vaste stelling ingenomen. Rasinski liet afzitten, echter moesten de paarden gepakt en gezadeld blijven. De manschappen legerden zich op den vochtigen grond. Stomme, beklemmende verwachting deed alle harten driftiger slaan, lang scheen de slaap de oogleden te willen ontvluchten, doch eindelijk kreeg lichamelijke vermoeidheid op de ontroering der gemoederen de overhand, en in weerwil van den kouden, guren herfstnacht zonken alle krijgers in diepe rust. Ook Lodewijk; maar bange, weemoedige droomen deden hem dikwijls weder ontwaken en in eene werkelijkheid terugkeeren, zwarter en dreigender dan zijne droombeelden zelve.

HOOFDSTUK IV.

De gewichtige morgen brak aan. De hemel was helder, slechts enkele blauwe nevelstrepen lagen over de diepe bedding der Kalotscha en eenige andere beken, die het slagveld doorkruisten. Een frissche morgenwind had deze vluchtige dampen spoedig verjaagd. Thans rees de zon van achter de donkere toppen van het dennenwoud bij Utiza op en wierp haar verblindende stralen over de vlakte, waar de massa's van het fransche leger, reeds tot den slag geordend, hare komst met ongeduld verbeiden. De lange rijen der bajonetten lichtten en flonkerden, de adelaars blonken en op het harnas der kurassiers gloeide het volle beeld der zon, zoodat het zich langs de onafzienbare gelederen gelijk eene bloedige slang over de velden kronkelde.

„Dat is de zon van Austerlitz,” riep de keizer, die van eene hoogte ter linkerzijde der in linie geschaarde cavalerie het slagveld overzag, terwijl hij met den vinger op het glansrijke hemellicht duidde. Rasinski was benevens andere hoofdofficieren den heuvel opgesneld, om een vrijer uitzicht op de vlakte te hebben, en hem tot zoo nabij genaderd, dat zij deze woorden konden verstaan. De generaals, tot welke zij gericht waren, gaven geen antwoord.

Lodewijk en Bernard sloten, als Rasinski's geleiders, dicht achter de hoofdofficieren op. Ook zij hadden den luiden uitroep des keizers gehoord.

„De stralen vallen ons te verblindend in het oog,” fluisterde de laatste, „wij kunnen den vijand niet zien en ons moet hij des te duidelijker onderscheiden. Deze zon is ons dus ten minste nog niet gunstig.”

Thans zag men de batterijen, die gedurende den nacht hare stelling te ver van de linie der Russen genomen hadden, aanrukken, om de nabij gelegen hoogten te bezetten. De vijand liet dit gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan. Het scheen, alsof hij in dezen oorlog, waarin hij zich altijd slechts verdedigd had, zelfs op het gekozen slagveld niet het eerste bloed vergieten wilde, maar den aanvaller ook thans nog keus en gelegenheid laten, om van zijne onderneming af te zien.

Daar dreunt eensklaps aan den linkervleugel de doffe donder van het geschut; bij het dorp Borodino ziet men rook en stofwolken opstijgen. De heilige stilte is afgebroken, de zwarte nevelsluier der onzekerheid vaneen gereten, de bliksem slaat verdelgend neder. Met verplettend gewicht ontschiet het ijzeren rad aan de handen van het noodlot; verbrijzele 't wien 't wil, geene menschelijke macht is thans meer in staat zijn woedenden loop te stuiten.

De bevelen des keizers vliegen over het veld. Op hetzelfde oogenblik dondert het van alle hoogten, die zoo even nog als sluimerende nachtgedrochten in doffe stilte rustten. Rook en vlammen stijgen van hunne kruinen omhoog, de aarde beeft, de lucht trilt in het vreeselijke gedaver. Een breede vloed van zwarten damp wentelt zich, gelijk een losbrekende helsche stroom, over de sidderende vlakte; het bloedig oog der zon is te zwak, om die golvende duisternis te doorboren.