Part 40
Eerst toen men de rivier doorwaad en den anderen oever bereikt had, bemerkte Rasinski dat de oude Petrowski en Bliski, een geoefend, dapper ruiter, vermist werden. Vol bezorgdheid zond hij Boleslaw met eenige manschappen terug, om hen op te zoeken. Twee uren wachtte hij op diens terugkeer; eindelijk kwam hij, maar zijne pogingen waren vruchteloos geweest, de beide wakkere kameraden schenen verloren.
„Zouden wij deze beide dapperen ten offer moeten brengen?” riep Rasinski. „Vrienden, laat ons nog hopen, wellicht zijn zij slechts verdwaald en keeren tot ons terug. Wij moeten er nu den geheelen nacht aan wagen en willen langzaam verder trekken, om van tijd tot tijd seinen te geven. Hier zijn wij immers volkomen in veiligheid.”
De trouwe krijgsmakkers gehoorzaamden gaarne, want het waarschijnlijke lot hunner kameraden ging hun allen na aan het hart. In tragen stap en onder diep stilzwijgen reed men langs den oeverkant voort.
„Hoor! Wat was dat?” vroeg Rasinski den nevens hem rijdenden Boleslaw. „Ruischt het niet in het water? Het was, alsof iemand van den anderen oever neerplompte. Halt!”
„Waarachtig, daar beweegt zich iets,” fluisterde Boleslaw. „Zal ik aanroepen?”
„Nog niet, wij moeten eerst beter kunnen zien; men kan niet weten, wat het is, want wij zijn hier reeds dicht bij de vesting. Het zijn twee zwemmers.”
„Werda? Halt! Antwoord!”
„Goed vriend,” antwoordde de welbekende stem van Petrowski en eene algemeene juichtoon ging er op. Twee minuten later sprongen zij aan land.
„Die mij liefheeft omarme mij niet!” riep Bliski, eenige kameraden koddig afwerende; „wij zijn van boven tot onder slijk en eendekroos; brr! het bad was frisch.”
„Hoe komt gij te voet, spreekt op, vertelt!” vroeg Rasinski met belangstelling.
„Bliski was mijn redder,” begon Petrowski.
„Gekheid, laat mij vertellen,” viel de vroolijke ruiter hem in de rede. „Toen wij naar het slot wilden terugrijden, kwam hij te vallen; drie russische spitsboeven, die zich in de struiken verborgen hadden, kwamen voor den dag springen, om hem te plunderen. Gelukkig zag ik het en vloog er op in. Daar beukt een van de schurken mijn arm paard met een knuppel op de hersens, dat het schuw op zij springt en ik uit den zadel tuimel. Des te beter, dacht ik, en stond gauw op de voeten. Tegen ons tweeën dorsten de helden geen stand te houden; maar de paarden waren de vlakte opgeloopen. Daar wij niet weten konden, of het kreupelhout meer soortgelijke vruchten droeg, sukkelden wij te voet op het slot aan, in de hoop, dat onze arme dieren den grooten hoop wel achterna zouden draven. Maar nu sneed het uit het dorp vluchtende kanalje ons den weg af. Wij moesten het bosch in en dwaalden in het donker heen en weer, maar hielden altijd de vlammen van Smolensko in het oog. Eensklaps staan wij voor een grooten weg, dien ik dadelijk voor de baan naar Moskou herken; want ik ben lang in Rusland geweest en hier zoo redelijk goed bekend, heer overste. Juist toen wij uit de struiken wilden treden, om eens in het rond te loeren, ziet de wachtmeester gelukkig, dat er een troep ruiters aankomt; wij als de wind weer onder het hout gekropen en den mond toegehouden. Pas zijn de ruiters voorbij, of wij hooren het ratelen van kanonnen. Het waren zoo ongeveer honderd stukken en kruitkarren, ook ander voertuig in menigte; daarop kwam de infanterie in lange, dichte colonnes, dan weer cavalerie; kortom een gansch legerkorps; het duurde wel een uur eer alles voorbij was. Eindelijk werd de baan vrij, wij sprongen voor den dag en keken in het rond; een tijdlang hielden wij den grooten weg, sloegen toen linksaf en kwamen binnen vijf minuten aan de rivier.”
Hoe innig het Rasinski ook verheugde, zijne brave lieden gered te zien, maakte toch Bliski's verhaal ook nog in een ander opzicht zijne belangstelling levendig gaande. Hij werd namelijk meer en meer in het vermoeden bevestigd, dat misschien de gansche, ten minste een deel der bezetting de vesting verlaten had, en besloot derhalve door de watervoorstad, welke ook voor ruiterij toegankelijk is, in de stad door te dringen, om de eerste te zijn, die van dit gewichtige, ofschoon thans weinig gevaarlijke voordeel gebruik maakte. Hij beval daarom in diepe stilte voort te rukken, en hield zich bij voortduring dicht aan den rivieroever. Zoo bereikte hij de eerste huizen, zonder op een enkele schildwacht te stooten. De dageraad begon aan te breken, toen hij de eerste straat insloeg. Geen geluid, geen spoor verried, dat nog bewoners in de half ingestorte, half smeulende steenhoopen verwijlden. Men bereikte eene dwarsstraat; met verbazing zag Rasinski ook door deze ruiters aankomen. Zij waren van het korps van vorst Poniatowski; men begroette elkander met vroolijke verrassing en zette den weg in verschillende richtingen voort. Rasinski reed de buitenstad in en zag bij de schemering eene mannelijke gedaante behoedzaam rondsluipen. Hij hield ze voor een Rus en riep dus in die taal aan; doch de persoon antwoordde niet en zocht te ontkomen. Hopende van hem met zekerheid te vernemen of de vesting geheel verlaten was, rende Rasinski den vluchteling na en had hem weldra met eenige lanciers zoozeer in het nauw gebracht, dat hem geen uitweg meer overbleef. „_Vive l'Empereur!_” riep de moedige soldaat en leide zijn geweer op Rasinski aan. Thans eerst herkent deze de fransche uniform en maakte zich aan den dappere, dien hij voor den vijand gehouden had, bekend. Het was een onderofficier van het korps van Davoust, die de vermetele onderneming gewaagd had, om alleen over den muur in de vesting te dringen. Zoo werd dan de roem van de vijandelijke plaats het eerst betreden te hebben, ten derde male twijfelachtig. Intusschen was de hoofdzaak ontwijfelbaar zeker, men bevond er zich in; zeer spoedig overtuigde men zich ook, dat de Russen de stad verlaten en zich, na het vernielen der bruggen, op den anderen oever teruggetrokken hadden, waar zij de aldaar gelegen vestingwerken waarschijnlijk nog bezet hielden.
De dag begon aan te breken en de eerste zonnestralen vielen op een akelig tafereel. Waar men het oog wendde, ontwaarde men rookende puinen en opeengehoopte lijken, die bloedend of half verbrand, meerendeels geheel uitgeschud, op de omgewoelde aarde lagen neergestrekt. Andere zag men verkoold, zwart van rook en brand, ten deele onder de smeulende asch bedolven liggen; enkele ledematen des lichaams waren door de vlammen verschroeid of geheel van vleesch ontbloot; slechts het naakte, uitgebrande gebeente stak nog te voorschijn. Rasinski had het regiment teruggevoerd, daar de enge, door ingestorte balken, steen en aschhoopen versperde straten den doortocht belemmerden; hij zelf reed echter, door Jaromir verzeld, weder in de vesting terug, ten einde de schouwplaats der verwoesting nauwkeuriger op te nemen. „Eene treurige overwinning!” zuchtte hij. „Het bloed, voor de verovering der russische wildernissen gestort, schijnt bijna vruchteloos verspild, daar zij ons in plaats van steden en dorpen weldra niets meer dan de aschhoopen zullen aanbieden, waaronder zij begraven liggen.”
Ook den vroolijken, luchthartigen, aan de sombere tafereelen van den oorlog gewonen Jaromir liep eene ijskoude rilling over de leden, toen hij in dezen dampenden baaierd van puin en lijken rondreed. „Inderdaad,” antwoordde hij, na eenig nadenken: „en nog onbegrijpelijker is het mij, hoe dit verwoeste land de tallooze volksmassa's voeden zal, die het van alle zijden overstroomen. Eer hier niet weer opnieuw gezaaid en geoogst is, zou men gelooven, dat geen menschelijk wezen in deze woesternij zijn aanzijn ook slechts voor eenige dagen verlengen kon.”
„De wolf zal naar Polen en Pruisen op roof moeten uitgaan, wijl hij hier van honger zou omkomen,” sprak Rasinski, bij den half schertsenden vorm zijner woorden inwendig huiverend.—„Hoor! Muziek!”
Het was de fransche garde, die met vliegende vaandels en luid klinkende tonen de stad binnentrok. Het vroolijk geschal in dit uur, in deze omgeving, scheen de vreeselijkste hoon. Rasinski trok zijn paard in eene zijstraat terug en liet de troepen voorbijtrekken. De muzikanten bliezen den marseillaanschen marsch; doch deze krachtige tonen, die anders in elk fransch hart de gloeiendste geestdrift, in elk oog den vurigsten moed deden ontvlammen, schenen ditmaal eene onverstaanbare taal tot de dappere krijgers te spreken. Diepe ernst stond op hunne trekken te lezen; somber richtten zij het oog op de verwoesting rondom en trokken de zwarte wenkbrauwen dreigend te zamen. Men ontdekte wel is waar geen spoor van vrees en moedeloosheid op het ruwe, verschroeide, met breede litteekens bedekte gelaat dezer dapperen, maar ook geene schemering van vreugde en zelfvoldoening straalde uit hunne blikken. Met stout opgericht of somber gefronst voorhoofd traden zij over lijken, puin en asch voort; zij geleken een opkomend onweder in hunne stomme ijzeren houding.
Thans naderde de keizer op zijn fraaien arabischen schimmel. Hij wierp de scherpe blikken overal opmerkzaam in het rond, zonder zich daardoor in zijn levendig gesprek met den generaal Lobau te laten storen.
„De keizer is dezelfde als op de parade te Dresden,” fluisterde Jaromir met merkbare verwondering.
„Het ligt in zijn aard,” hernam Rasinski, „zich zelf in storm en zonneschijn steeds gelijk te blijven. Doch wij willen hem volgen; ik ben verlangend zijne jongste bevelen te vernemen, en misschien geven die ons nog werk genoeg, eer het avond wordt.”
Met deze woorden drong hij, door Jaromir gevolgd, over de rookende puinhoopen en nevens het gedrang der binnenrukkende troepen voort, om zich bij den staf aan te sluiten, met welken de keizer de vesting nader in oogenschouw nam.
HOOFDSTUK III.
„Ik begin bijna verdriet in het leven te krijgen,” zuchtte Bernard, terwijl hij een zwaren zak van den schouder liet glijden, waarbij Lodewijk hem behulpzaam was. „Voor mij zelf had ik den verren, gevaarlijken strooptocht niet ondernomen, maar mijn arme magere klepper moet toch ook iets anders te smullen hebben dan onrijpe haver en dor heigras.”
„Gij zijt gelukkig geweest,” antwoordde Lodewijk, „wij hebben niet zooveel gevonden. Alles in den omtrek is woest en ledig; de dorpen zijn verlaten en verbrand. Ik weet niet, hoe dat eindigen moet!”
„Het is waar, wij stevenen een woesten oceaan in, maar hebben een Columbus aan boord, wiens kompas nog lang streek houdt, wanneer ons oog geene enkele star aan den hemel meer ziet, waarop wij koers kunnen zetten.—Doch help mij de paarden voeren, ik kan de dieren niet laten wachten, totdat Rasinski's rijknecht komt; zij zullen groote oogen opzetten over het gastmaal, dat wij hun opdisschen.”
„Gaarne,” hernam Lodewijk.—„Het is goed,” vervolgde Bernard, terwijl hij de haver in den voederzak schudde en den hongerigen dieren voorhing, „dat wij hier tamelijk afgezonderd liggen en ten minste nog een oude schuur tot stal hebben bij dit koude, vochtige herfstweder. Stonden wij op het vrije veld, zoodat men een uur ver zien kon, wat wij buit gemaakt hebben, wij zouden meer ongenoode gasten krijgen, dan zomers vliegen op de melk afkomen.—Zie, zie hoe de oude sukkels smullen! Ja, mijn bruintje, zulke haver is tegenwoordig geen alledaagsche kost voor u.”
Terwijl beiden in deze genoegelijke bezigheid, de verzorging hunner paarden, geheel verdiept waren, trad Rasinski binnen, die van een rit naar het hoofdkwartier, waar hij op de parade geweest was, zoo even terugkeerde. „Waarachtig,” riep hij, „gij voert immers zoo rijkelijk en prachtig als in den hofstal van St. Cloud. Waar hebt gij dien schat opgedaan?”
„Ha, goeden avond!” riepen de vrienden hem vroolijk toe. „Niet waar,” vervolgde Bernard, „dat zal den kleppers goed doen na den langen vastentijd? Ik had de dragonders beloerd; zij kwamen met eenige zakken haver daar ginds uit het bosch aanslepen. Hm, dacht ik, daar is misschien nog meer te halen, volgde als klein Duimpje het spoor der verloren korrels en breede laarzen en kwam spoedig aan een gehucht, waar voor acht dagen misschien een dozijn huizen gestaan hebben, maar dat thans nog slechts een dozijn puinhoopen vertoont. Ik klauterde over asch en balken heen, snuffelde alle gaten en spleten rond en vond eindelijk in een hoek nog dezen zak met haver, dien de dragonders òf niet gezien, òf, wijl zij hem niet konden meêdragen, daar verborgen hadden.—Maar gij hebt immers brieven? Wat nieuws?”
„Voor Lodewijk; en gewichtige narichten voor ons allen. Morgen zal het eindelijk tot een slag komen.”
„Werkelijk?” riep Bernard levendig.
„Eindelijk!” sprak Lodewijk, maar bedoelde daarmede de aankomst der sinds verscheidene weken gewachte brieven der zijnen. Terwijl hij ze opende, tikte Rasinski Bernard heimelijk op den schouder en wees hem met een veelbeteekenenden oogwenk op Lodewijk.
Bernard begreep niet, wat dit beduiden moest, maar zweeg en vestigde opmerkzame blikken op zijn vriend. Deze las met toenemende ontroering; hij verbleekte, groote tranen rolden over zijne wangen; plotseling bracht hij de rechterhand voor de oogen, liet de linker met den brief zinken en reikte dien met een smartelijken zucht aan Bernard over, als wilde hij bij dezen troost en sterkte zoeken. Deze greep driftig toe, terwijl Rasinski den geschokten vriend de hand op den schouder legde en hem met weemoedige aandoening aanzag.
„Mijne moeder.... mijne moeder....! Lees zelf....” meer vermocht Lodewijk niet uit te brengen.
„Ik wist het reeds,” sprak Rasinski en sloot den jongeling met warmte aan zijne borst, „wist het door mijne zuster, die mij den brief in den haren toezond; maar gij moest het niet van mij vernemen. Wie kan een bitteren kelk met zachter hand toereiken dan eene zuster?”
Bernard las intusschen met eene aandoening, welke zelfs zijne sterke ziel niet bedwingen kon.
„Hartelijk geliefde Broeder!
„Hoe moet ik beginnen, om met de verpletterende tijding die ik u niet onthouden kan, tegelijk ook den troost der liefde in uw hart uit te storten? Der liefde, die u op dien verren afstand nauwelijks nog vermag te bereiken! Ach Lodewijk, onze moeder is niet meer; dezen morgen is zij in mijne armen ontslapen! Hare oude borstkwaal, waarvan ik reeds zoolang het ergste vreesde, nam door onvoorziene toevallen eensklaps zoo hevig toe, dat aan de redding van haar dierbaar leven niet te denken was. Echter waren de laatste uren kalm en rustig; de ziel der liefderijke moeder hield zich slechts met hare kinderen bezig. O, mijn broeder, bij deze diepe smart komt nog die, welke veel grievender is, dat gij eenzaam en verlaten in eene ruwe wildernis omzwerft, waar uwe klachten door het woeste krijgsgewoel verdoofd worden. Mijne droefheid over de afgestorvene is zacht en kalm, maar mijn hart wordt als toegeschroefd, als ik aan u denk, mij uwen toestand voorstel. O kon ik bij u zijn, kon ik met zusterlijke liefde uwe wangen afdrogen, als zij door tranen bevochtigd zijn! U zijn alle goederen des levens ontrukt, die ons in donkere dagen vertroostend toelachen. Uit uw vaderland verdreven, in een barre wildernis geslingerd, is uwe bezigheid eer een geesel dan een straf voor u. Gij kunt geen troost, geene afleiding vinden in uw beroep, dat u slechts nog meer ter neerdrukt. O, ik gevoel het, Lodewijk, dat deze slag voor u veel verpletterender zijn moet dan voor mij. Een zachte genius voerde de ontslapene uit mijn armen weg; een vreeselijke demon rijt haar u van het bloedend hart. Laat toch geene zorg of bekommering over mijn lot uw lijden vermeerderen. Dat ik diep bedroefd ben en onze lieve moeder hartelijk beween, kunt gij u niet verhelen: maar ik treur niet alleen: moederlijke vriendschap en zusterlijke liefde staan mij ter zijde. Vrees dus niet, dat ik eenzaam en verlaten ben. Juist wijl het ouderlooze meisje geheel hulpeloos is, biedt haar ieder de hand, toont ieder haar medelijden en ziet zij zich—zoo althans ging het mij—door de roerendste liefdeblijken overstelpt. Met den man handelt men anders, hij is sterk, hij moet door eigen kracht staande blijven; wijl hij zelf hulp en raad kent, gaat ieder hem koel voorbij, en zoo is hij dikwijls meer verlaten dan wij zelve. Wie toch vermag zich alleen staande te houden in deze wereld vol stormen?—Ach waarom kan ik niet slechts het eerste, bittere uur aan uwe borst rusten, en u de tranen van de wangen kussen! Voorzeker, gij zoudt minder lijden!
De warme hand der liefde zou de ijskoude der smart van uwe borst afweren. Slechts door mannen zijt gij omgeven. Zal hunne verharde ziel uw lijden zoo diep gevoelen? Kunnen zij u zoo teeder beminnen, als mijn zusterhart? Kunt gij u tot hen om troost wenden, als tot mij? Maar, zij zullen in uw lijden deelnemen, u bemoedigen, u niet verlaten in uwe droefheid, gelijk zij u in andere bittere rampspoeden zoo trouw ter zijde stonden. Dat smeek ik van God, die zoo genadig is, ook als Hij ons beproevingen toezendt; ik vertrouw op hen—ach, mijn gansche hart zal hun eeuwig dankbaar zijn.
Vaarwel, mijn broeder! Gij het eenige, dat mij nog op aarde blijft! O, mogen duizend goede engelen u op uwe gevaarvolle paden omzweven! Wanneer de gedachte bij mij oprijst, dat ook gij—neen, neen, dat zal de liefderijke Vader in den hemel mij niet opleggen, want Hij weet, dat wij zwak zijn en wat wij dragen kunnen. Leef wel! Zijn zegen, Zijn troost zij met u!
Uwe MARIA.”
„Gij hebt een machtig schild voor u, dat morgen in het uur des gevaars u dekken zal,” sprak Bernard met eene stem, waaraan hij te vergeefs hare gewone vastheid poogde te geven; „omzweefden mij zulke beschermgeesten, ik zou aan den mond van den Vesuvius rustig insluimeren. Broeder Lodewijk, wij zouden u troosten? Troost gij ons, die van niemand zulke woorden der liefde hooren.—Lees, lees,” dus wendde hij zich tot Rasinski en reikte hem den brief over, „hij staat mij in het hart gegrift.”
„Ik zal haar dus niet wederzien!” sprak Lodewijk met eene gesmoorde stem en leunde het hoofd aan Bernards borst.
„Dat de duivel ons nu nog tot morgen op de pijnbank moet laten omspartelen!” riep deze verdrietig. „Nu dadelijk heb ik lust tot den slag, dadelijk. Dapper? Dapper zal ik niet zijn; maar dat mij ooit van mijn leven iets onverschilligers ontmoeten kan, dan eene batterij, die een Niagarastroom van kartetsen uitbraakt, dat geloof ik niet.—Kom, laat ons naar de hutten gaan, waar Jaromir en Boleslaw liggen; op een avond vóór den slag moet men elkander toch nog eens goeden dag zeggen.—Maar is het dan ernst?”
Bernard had, zoolang hij sprak, Lodewijks hand niet uit de zijne gelaten en ze bijna krampachtig vastgeklemd. De laatste woorden richtte hij tot Rasinski, die uit eene sombere mijmering oprees.
„Ernst? Zoo zeker als de bittere slag, die onzen vriend getroffen heeft.”—Hij drukte zich de hand op het voorhoofd, als kostte het hem moeite zijne gedachten te verzamelen. „Wat wilde ik toch zeggen?—Ja, ja.—Kutusow wil morgen vechten—zonder twijfel. De keizer heeft het slagveld reeds opgenomen. De dag van gisteren was slechts een voorspel. De zevende September is bestemd, om in de boeken der geschiedenis te worden ingeschreven.”
„Dan zal men hem met roode letters in den almanak kunnen drukken, denk ik,” hernam Bernard. „Mij goed. Hoe meer de dood in massa oogst, des te koeler zie ik het aan. Wat ziet men met meer onverschilligheid dan de sterflijsten van een groot rijk bij het einde des jaars? En geen veldslag, de bloedigste zelfs niet, is zoo moorddadig als een enkel jaar van den rustig voortloopenden tijdstroom. Wat zeg ik? Een jaar? Een dag, een uur, een oogenblik, wanneer wij over den molshoop, waarop wij rondwoelen, heenzien! Ik ken niets dwazers dan aan dood en doodsgevaar gewicht te hechten; het gevaarlijkste is geboren te worden, want daarmede begint niet alleen de last des stervens, maar ook die des levens met zijn zondvloed van rampspoeden, jammer, ellende, schurkestreken en nesterijen. Maar komt, vrienden.—De paarden smullen, dat het een lust is. Wat doen wij langer hier.”
Met drift vatte hij Lodewijk onder den arm en geleidde hem naar buiten. „Ik volg u dadelijk,” riep Rasinski de heengaanden na.
„Nu, een ijsbeer ben ik nou ook juist niet, vriend,” mompelde Bernard, toen zij alleen waren; „maar mijne tranen heb ik slechts voor mij zelf en voor hen, die ik lief heb als mijn eigen ik.” Hier klemde hij den vriend onstuimig aan de borst en drukte een warmen kus op zijn voorhoofd. Lodewijk voelde Bernards heete tranen en met deze zijne gansche liefde, den vollen troost zijner opofferende trouw.
Arm in arm beklommen zij eene kleine hoogte, vanwaar zij de met mannen en paarden bedekte vlakte geheel konden overzien. Reeds had de herfst het loof verbleekt, de berken strooiden dorre bladeren over het gras uit, het groen was dood en vertoonde een vaal grauw; de hemel hing loodkleurig over de velden, ruwe windrukken gierden van tijd tot tijd door de vochtige, nevelachtige lucht.
„Zoo is het thans in mijne ziel gesteld, beste broeder,” sprak Lodewijk met eene onzekere stem; „zoo ledig en vreugdeloos en toch zoo onstuimig, als in dit doode, schoon met een onrustig gewoel vervulde landschap.”
„In de mijne is dat eigenlijk de alledaagsche kleur,” hernam Bernard, „slechts zelden werpt de zon, als op hooge feestdagen, een vluchtigen blik door het grijze nevelfloers. En zelfs dan wekt hare verschijning, evenals elk te vluchtig geluk, eer smart, dan vreugde en doet slechts het verlangen van ons hart uit zijne doffe sluimering ontwaken. Drogbeelden naderen ons; wij zijn vol liefde, maar wanneer wij de armen uitbreiden, om haar te omvangen, zijn zij verdwenen. Ik voor mij pleeg dan nog gewoonlijk het geluk te hebben van met de knokkels tegen den wand te stooten of mij de wollen deken in het gezicht te drukken in plaats van de geliefde.—Gij wordt wellicht verdrietig, Lodewijk, maar er is iets dat mij ergert, en ik moet het u zeggen. Het zou mij een goed voorteeken geweest zijn, wanneer het uur en de dag waren overeengekomen; intusschen zie ik, dat zulks het geval niet is.”
„Hoe zoo, broeder?”
„Toen wij door den Dnieper reden, moest ik, gij weet het immers, zoo levendig aan uwe zuster denken, alsof zij voorbij ons heenzweefde. Wanneer dat nu het doodsuur uwer moeder geweest was—ik ben een man, ik weet het, maar ik hecht nu eenmaal aan zoo iets. Uwe moeder is des morgens en drie dagen vroeger overleden.”
Lodewijk glimlachte weemoedig, Bernard zag strak voor zich neder, beiden zwegen.
„De goede Maria!” begon Lodewijk eindelijk weder, „zij bekommert zich over mijne eenzaamheid en staat toch zelve zoo geheel verlaten.”
„Zoo moet het ieder toeschijnen, die niet altijd het eerst aan zich zelf denkt. Ook komt daar nog eene zeer algemeene dwaling bij. Nooit kan de mensch geheel uit zijne eigene gewaarwordingen in die van een ander overtreden. Wijl Maria u zoo ver van haar zelve gescheiden gevoelt, meent zij u ook van allen gescheiden; en gij omgekeerd evenzoo. Niets is bij ons natuurlijker, dan dat wij ons den bewoner van Siberië of Spitsbergen als geheel verstooten van den aardbodem voorstellen, want wij bedenken niet, dat een Parijzenaar de Groenlander even verwijderd, even ver naar de uiterste grenzen van den bewoonden aardbodem verbannen moet toeschijnen, ja dat deze hem als beroofd en verstoken van alle weldaden der natuur beschouwt, dewijl alles, wat Frankrijk kan opleveren, ver buiten den kring zijner wenschen en voorstellingen ligt.—Doch zie, hoe de wind den rook der wachtvuren over de vlakte jaagt; de damp beklemt de ademhaling.—Denkt gij met bezorgdheid aan den slag?”