Part 4
„Hier groeit zoo weinig,” was het antwoord, „dat men wel het een en ander uit het dal moet laten komen. De voerlieden en postiljons brengen ze ons uit Duomo d'Ossola mede. Gelieft de signora plaats te nemen? Ik zal dadelijk het ontbijt brengen.”
Zij ging. Bianca plaatste zich op de sofa en wiegde de kleine Giannettina op haren schoot. Margaretha nam een stoel, Lodewijk trad aan het venster en wierp verstrooide blikken op het landschap voor hem. Hij overdacht zijne vreemde ontmoetingen sedert den vorigen avond, en zij kwamen hem nog als een droom voor, waaruit hij vreesde te ontwaken; bij tusschenpoozen vestigde hij zijn oog op Bianca om zich in het gevoel der werkelijkheid te versterken. En deze werkelijkheid, konde zij zelf zich niet in eene waarheid oplossen, oneindig smartelijker, dan wanneer alles slechts een schijnbeeld zijner verbeelding ware geweest? Neen! neen! En al moest hij dan ook alles weder verliezen, wat hij thans bezat, deze oogenblikken, hoe vluchtig ook, waren toch op zichzelve reeds een geluk. Hij had de geliefde werkelijk aan zijn borst geprangd, had zijne lippen gedrukt op haar zuiver voorhoofd. Zij wist dat en het had haar niet afkeerig van hem gemaakt. Haar hart sloeg voor hem met minnend dankgevoel, en eene heilige, onbedriegelijke gewaarwording zeide hem dit; het gevoel, dat in hare borst woonde, beantwoordde aan den gloed, dien zijn binnenste bezielde. Mocht ook vrouwelijke schaamte haar thans van hem verwijderd houden, in een zalig, bedwelmend oogenblik had zij hem toch haar hart geschonken, en niets was hem vreeselijker dan de gedachte, dat dit eene dwaling kon geweest zijn. Opnieuw verliezen kon hij, daarop was hij voorbereid; maar met het gevoel van nooit bezeten te hebben in die akelige ledigheid van het niet geslingerd te worden, zoo iets ware hem duizendmaal verschrikkelijker geweest. Met een door dankbaarheid diep getroffen ziel beschouwde hij derhalve deze wending in zijn lot. Hij gevoelde het innig, dat eene veredelende smart ons dierbaar kan worden, dat een kortstondig, maar tevens waarachtig bezit zelfs door het meest grievend verlies nimmer te duur gekocht wordt.
De waardin verscheen met een echt zwitsersch ontbijt. Op het schenkblad stond eene reusachtig groote kan met koffie, een andere met chocolade; versche boter, kaas, honig, ingemaakte vruchten en gebak werden haar door een dienstmeisje nagedragen.
Men zette zich aan tafel. Bianca hield de kleine Giannettina bij zich en liet haar mede ontbijten, ten einde, door zich geheel met het kind bezig te houden, een angstvallig gespannen gesprek te vermijden, dat zij met Lodewijk op den vertrouwelijksten toon had moeten voeren.
Korten tijd had men nog slechts vertoefd, toen de wagen kwam aanrollen, die met behulp van eenige landlieden van de bekomen schade weder eenigszins hersteld was. IJlende spoed nog altijd noodzakelijk achtende, nam Bianca overhaast en vriendelijk afscheid van de lieve kleine, die bitterlijk begon te weenen, toen de schoone signora haar verlaten wilde. „Ik kom spoedig terug, mijne Giannettina,” sprak deze vleiend; maar het kind weende voort en scheen niet tot bedaren te brengen. Bianca kuste het, gaf het aan de moeder over en snelde naar buiten.
„Hoe elk haar bemint en beminnen moet!” zuchtte Lodewijk, toen hij haar naar den wagen geleidde en eene zachte aandoening op hare schoone gelaatstrekken bespeurde.
In snellen draf spoedde men thans over den straatweg voort; want de nieuwe postiljon, die getuige geweest was, hoe rijkelijk Paul zijn voorganger en de landlieden in naam der gravin begiftigde, hoopte insgelijks op een goed drinkgeld. Zoo bereikte men Brieg, in het kanton van Wallis, binnen weinige uren, doch ook slechts te nauwernood, daar 't rijtuig bij elken schok uiteen scheen te zullen springen, zoodat men zich op het laatst nog genoodzaakt zag, zachter te rijden wilde men nieuwe ongelukken verhoeden.
De herberg bereikt hebbende, was het Lodewijks eerste werk voor de herstelling van het rijtuig zorg te dragen. Smid en wagenmaker werden ontboden; zij verklaarden dat ten minste vier uren daarmede zouden verloopen.
Bianca zou gaarne den wagen met een anderen verwisseld hebben, doch hiertoe was in het kleine stadje waarschijnlijk geen gelegenheid te vinden; ook zou het verruilen van dit, overigens voortreffelijk ingericht rijtuig een argwaan verwekt hebben, die gevaarlijker kon worden dan de vertraging zelve. Men vergenoegde zich dus met, door de belofte van een rijkelijke belooning, den ijver der werklieden aan te wakkeren.
Bianca verkreeg met Margaretha een afzonderlijke kamer, terwijl Lodewijk de daaraan grenzende betrok. Paul bleef beneden in de schenkkamer, waar hij zich vermoeid in een leunstoel nederwierp. Hij had een geneesheer ontboden, die de bloedende, pijnlijke wonde aan het hoofd verbond. Zijne krachten schenen zeer uitgeput; in dit opzicht ook waren eenige uren rust dus wellicht noodzakelijk, wilde men het leven van den reeds vrij bejaarden dienaar niet aan gevaar blootstellen.
Lodewijk, die, hoe sterk eene begeerte hij er ook toe gevoelde, het onvoegzaam oordeelde zijn gezelschap aan de zoo zeer rust en verademing behoevende vrouwen op te dringen, wilde van dit uur gebruik maken, om de gebeurtenissen der laatst voorgaande uren in zijn dagboek op te teekenen. Met schrik echter ontwaarde hij, de brieventasch verloren te hebben, welker bladen hij tot dat einde gewoon was te bezigen. Hij herinnerde zich duidelijk, ze op geringen afstand van Brieg nog gebruikt te hebben; zij moest dus in het huis of op den korten weg daarheen verloren zijn geraakt.
Na vruchteloos zijne kamer doorzocht en bij den waard navorschingen gedaan te hebben, besloot hij te beproeven, of het verloren goed, waarop hij wegens de daarin vervatte papieren grooten prijs stelde, misschien op den weg nog te vinden was. Hij bereikte het einde van het stadje zonder iets te hebben ontdekt, en wandelde nu verdrietig langs den straatweg voort. Thans eerst bemerkte hij, dat de plaats, die hem bij het binnenrijden zoo nabij de stad gelegen scheen, nog een vrij aanmerkelijken afstand daarvan verwijderd was. Bijna een uur had hij in snellen tred afgelegd, en nog niets gevonden. Reeds gaf hij alle hoop op, toen hij eenige schreden voor zich uit iets roods in het gras zag liggen; hij ijlde er op toe en vond inderdaad het vermiste weder. Vroolijk spoedde hij zich naar de stad terug. Omstreeks een vierde uur mocht hij nog van haar verwijderd zijn, toen hij achter zich den hoefslag van een paard vernam. Hij wendde zich om en bemerkte een ruiter, die in vollen galop kwam aanrennen, ettelijke honderd schreden achter dezen zag hij eene, door een tweeden ruiter vergezelde reiskoets den, door de kromming van een weg veroorzaakten hoek omslaan en vervolgens met buitengewone snelheid de straat afrollen. Dit maakte zijne opmerkzaamheid gaande. Hij had echter nog den tijd niet gehad om eenige gissingen te maken, toen de eerste ruiter hem reeds genaderd was, het paard aanhield en in het fransch vroeg:
„Zijt gij uit Brieg, mijnheer?”
„Dat niet,” antwoordde Lodewijk, „ik ben een reiziger en keer van eene kleine wandeling naar de stad terug.”
„Weet gij niet, of daar een wagen met vier paarden, twee dames, een heer, benevens een bediende op den bok is aangekomen?”
Lodewijk wilde juist neen antwoorden, toen de reiskoets naderde en stilhield. De heer, die zich in gezelschap van een Franschen officier daarin bevond, boog zich uit het portier en herhaalde dezelfde vraag. Dit stelde Lodewijk, die terstond een samenhang tusschen deze navorschingen en Bianca's vlucht vermoedde, in staat, zich op eenig, gevaar afleidend antwoord voor te bereiden. Hij herinnerde zich, dat het posthuis vooraan in het stadje lag en men dus van paarden kon verwisselen, zonder tot de herberg door te rijden. Vrij bedaard antwoordde hij dus: „Reeds voor eenige uren heeft die wagen hier stilgehouden. Er was, geloof ik, eene as gebroken, die men eerst weder hersteld heeft. Doch voor ongeveer een kwartier, juist toen ik de stad uitging, zijn die vreemden ook weer weggereden.”
„Duivel!” bromde de heer uit de koets, „welke richting namen zij?”
„De eenige, die zij nemen konden, over Sion naar Genève,” was het antwoord. „Daar ginds ziet gij de straat, op zijde van de Rhône.”
„Kan men niet recht doorrijden?” vroeg de reiziger met drift.—„O ja,” dus nam de postiljon van Lodewijk het woord op, „daar beneden kan men terstond links afslaan en indien uwe genade niet bevreesd is voor een weinig water, dat misschien in den wagen kan komen, zoo rijden wij de beek door en winnen een groot half uur uit, zonder de stad te raken. Wanneer uwe genade daarmee tevreden is, hoop ik de reizigers nog in te halen; want zij moeten op dit oogenblik in het bosch daar beneden zijn, wijl men anders van hier den wagen op de landstraat zien zou.”
„Is de zijweg gevaarlijk?”
„In het minst niet, slechts een weinig hobbelig; in één uur op zijn langst hebben wij de reizigers achterhaald, als uwe genade verantwoorden wil, dat ik het posthuis voorbij rijd.”
„Ik sta voor alles,” riep de officier in den wagen, „en bovendien behoudt gij de twintig gouden napoleons, die ik u beloofde, zoo wij de vluchtelingen vóór Brieg achterhaalden. Kom, voorwaarts!”
De wagen rolde voort.
Lodewijk stond als versteend van schrik; doch spoedig besefte hij, dat hem geen keus overbleef. Buiten adem spoedde hij zich naar het stadje terug, om de vrouwen van het gehoorde te onderrichten. In minder tijds nog, dan voor eenige uren met den wagen, had hij de herberg bereikt en stond hij, hijgend, in Bianca's kamer. „Mijn hemel, wat deert u?” vroeg deze, zijne ontroering en ontsteltenis bespeurende. Ademloos begon hij te verhalen, wat hem bejegend was.
„Barmhartige God,” viel zij hem angstig in de rede, „dan zijn wij verloren! Welk voorkomen had de reiziger? Had hij zwart haar en donkere oogen, een bleek gezicht, zeer witte tanden?”
„Het scheen mij zoo,” antwoordde Lodewijk; „doch daar hij zoo dicht in zijn mantel gewikkeld was, kon ik zijn gelaat niet behoorlijk onderscheiden; ook beken ik, daarop juist geen bijzonder acht geslagen te hebben, daar de zaak zelve mij te zeer ontroerde; doch hoor verder!”—Hij berichtte nu, door welk eene zeldzame aaneenschakeling van omstandigheden de vervolgers op een dwaalspoor waren gebracht.
„God zij gedankt,” riep Bianca en drukte hare voedster nauwer aan het hart. „O, gij zijt onze beschermengel!” ging ze, zich tot Lodewijk wendende, voort en reikte hem de hand.—„Maar wij hebben geen oogenblik te verliezen!” Met deze woorden rees zij driftig op en schelde om Paul.
„Ten minste twee uren moeten er verloopen,” riep Lodewijk, „eer zij hunne dwaling bemerken; want in een groot uur dacht de postiljon de reizigers eerst te bereiken. Hij zal van de eene minuut tot de andere door valsche hoop verder gelokt worden en misschien wel tot de volgende posterij doorrijden. Dan kunnen zij vóór den nacht niet terug zijn, en in dien tijd schaf ik met Gods hulp raad.”
Bianca sidderde hevig en wees den arm van Lodewijk, die haar ondersteunen en naar een stoel geleiden wilde, niet terug. „God heeft ons zóó zichtbaar beschermd,” sprak zij, na van den eersten schrik bekomen te zijn, met meerdere kalmte, „dat ik ook verder op Hem mijn vertrouwen stel. Gij werdt ten tweede male onze redder. Zonder het toeval, dat u op de landstraat voerde,—hetgeen anders hoogst gevaarlijk had kunnen zijn,—waren wij onherstelbaar verloren. Doch de Algoede is kennelijk met ons!” Daarbij richtte zij een onbeschrijfelijken blik, waarin een traan van kinderlijke dankbaarheid met een van angst te zamen smolt, ten hemel.
Paul was naar boven gekomen. Margaretha nam hem ter zijde en fluisterde eenige woorden, die den ouden dienaar bleek en verschrikt deden terugtreden. „Dadelijk vertrekken,” riep hij uit, „geen ander redmiddel blijft ons. Naar den wagen kunnen wij niet wachten; ook zou deze ons niets baten, daar wij geen anderen weg kunnen inslaan, dan dien onze vervolgers reeds genomen hebben. Ongemerkt, elk afzonderlijk en te voet moeten wij de stad verlaten en het gebergte zien te bereiken; dat is alles wat wij doen kunnen. Pak dus het onontbeerlijkste bijeen, genadige gravin, en tracht met vrouw Margaretha buiten de stad te komen. Gij neemt uwen weg het dal door, de Rhône opwaarts en houdt haren linkeroever. Bij het voorbijrijden heb ik gezien, dat een sterk betreden voetpad langs de rivier voortloopt; buiten twijfel strekt zich dat tot het dal uit. Een half uur van hier wacht gij mij op en kiest daartoe eene boschachtige plaats aan den oever, vanwaar gij den weg naar de stad overzien kunt, opdat wij elkander niet misloopen. Ik zal het huis in eene tegenovergestelde richting verlaten; mijnheer de graaf moet schijnbaar een derden weg inslaan, opdat het zooveel mogelijk verborgen blijve, waarheen wij ons gewend hebben. Als wij eens weder bijeen zijn, zullen wij wel gidsen vinden, die ons over het gebergte leiden, en wellicht zijn ook muildieren te bekomen, om onze reis te bespoedigen.”
Paul sprak deze woorden met zulk eene vastheid, dat zij als bevelen klonken; intusschen was zijn raad zoo goed, dat men er daarom alleen reeds onvoorwaardelijk gehoor aan had moeten verleenen. Lodewijk bewonderde de koele vastberadenheid en den klaren, krachtigen spreektrant van den ouden man, die zijne bedaardheid van geest ook aan anderen scheen mede te deelen; want zelfs Bianca liet bij al hare angstvalligheid eene kalmte en zielkracht blijken, welke Lodewijk met recht verbaasde. Zij zocht hare papieren, hare brieventasch en eenige andere kleinigheden bijeen, terwijl Margaretha de noodigste kleedingstukken uitkoos en in hare reticule, in het werkmandje der gravin, gedeeltelijk ook in beider hooge stroohoeden verdeelde. In minder dan vijf minuten waren de vrouwen reisvaardig en verlieten ze het vertrek. Een kamermeisje ontmoette haar in de gang en werd door Bianca aan een venster gebracht, dat naar de zijde van Sion, de tegenovergestelde richting van haar voorgenomen vlucht, een uitgestrekt uitzicht opleverde. „Hoe ver is het wel?” vroeg deze, met den vinger op eene nabijgelegene hoogte wijzende, „van hier tot aan den top van gindschen heuvel? Kunnen wij nog vóór het duister eene wandeling derwaarts doen?”
„Wanneer de dames vlug ter been zijn, zal het nog gaan; maar het is een goed uur,” antwoordde het meisje.
„Dan komen wij niet voor donker, misschien ook wel iets later terug,” zeide Bianca; „zorg dan slechts, dat onze kamer in orde zij, mijn kind.”
„Verkiest uwe genade het avondeten op hare kamer?”
„Zekerlijk; voor drie personen; maar niet vóór negen ure,” luidde Bianca's antwoord, en hierop zweefde zij, aan de zijde harer gezellin, de trappen af.
Lodewijk riep haar met opzet luid na: „Veel vermaak, lieve zuster; ik voor mij voel geen lust, mij nog meer te vermoeien; zoo ik niet liever geheel thuis blijf, zal ik mij met eene kleinere wandeling tevreden stellen.”
Hierop boog hij zich uit het venster en zag, welke richting zij insloegen. Nog vijf minuten liet hij verloopen, toen zocht ook hij het noodwendigste bijeen en verliet, onder het neuriën van een liedje, het huis, als wilde hij slechts een eindweegs de straat opwandelen. Onder het voortdrentelen zag hij nog een paar malen naar Paul om, doch werd hem niet gewaar. Weinig schreden van huis ontmoette hij den stalknecht, wien hij opdroeg, aan Paul te gelasten nog eens naar den smid en wagenmaker te gaan en hen tot spoed aan te manen, daar hij dadelijk na het avondeten vertrekken wilde.
De stalknecht antwoordde: „De kamerdienaar laat juist daar beneden in de straat een horlogeglas voor uwe genade inzetten; wanneer hij terugkomt, zal ik hem de boodschap dadelijk overbrengen.” Lodewijk wist nu ten minste, dat Paul ook reeds onder een geschikt voorwendsel het huis verlaten had.
HOOFDSTUK V.
Met een kloppend hart bereikte Lodewijk het vrije veld en hij was er nu slechts op bedacht, de ter bijeenkomst bestemde plaats op de beste en zekerste wijze op te sporen. Dit was echter niet gemakkelijk, want de verschillende bochten der kleine straat, die hij gevolgd was, hadden hem naar de geheel tegenovergestelde zijde van het stadje gevoerd. De binnenweg, dien hij vervolgens insloeg, was aan weerszijden met tuinen omgeven en vergunde hem niet eenmaal het gezicht op de Rhône. Een geruimen tijd hield hij dien weg, verdrietig zich bij voortduring door heggen, heiningen en staketten omringd te zien. Eindelijk toch bereikte hij de vlakte, maar ontdekte tevens zoo diep in de landstreek te zijn doorgedrongen, dat het hem niet mogelijk was te bepalen op welke hoogte hij zich bevond. Op goed geluk af spoedde hij zich dwars over akkers en weilanden in de richting voort, welke hij nemen moest. Voor meer dan een half uur had Bianca het huis reeds verlaten; elke minuut was hem derhalve kostbaar, wilde hij de geliefde niet aan eene angstige onzekerheid overlaten en, door zijn lang achterblijven, aan eenig nieuw gevaar blootstellen. Hij verhaastte zijne schreden en bereikte eindelijk een pad, dat naar eene hoogte opvoerde, vanwaar hij de Rhône moest ontdekken. Deze beklommen hebbende, zag hij zich tot zijne niet geringe ontsteltenis aanmerkelijk verder van de rivier verwijderd, dan hij in den beginne geweest was. De Rhône toch kronkelde zich, eenigszins ter zijde van Brieg, met eene zoo sterke, bijna achterwaarts springende bocht, dat Lodewijk, den oorspronkelijken loop der rivier tot grondslag van zijne richting genomen hebbende, thans dat gedeelte van den oever, dat omstreeks een half uur van de stad verwijderd lag en waar Bianca dus volgens afspraak op hem wachtte, op een vrij aanmerkelijken afstand achter zich zag liggen. Ging hij dus van de plek waar hij zich nu bevond in eene rechte lijn op den vloed af, dan bereikte hij dien ver aan gene zijde der plaats van samenkomst; nam hij zijn koers zoo, dat hij vóór het punt, waar Bianca hem vermoedelijk verbeidde, de rivier raakte, dan moest hij een terugweg maken, grooter dan die, welke hem thans van de stad scheidde, en een geheel uur ging volstrekt verloren. Het raadzaamst was dus rechtstreeks op de rivier af te gaan en haar loop te volgen, tot hij zijne reisgenooten van de tegenovergestelde zijde bereikt had. Hij raapte daarom al zijne krachten bijeen en spoedde voort. Daar breede aardkloven, zandhoogten en enkele moerassige plaatsen hem dikwijls tot kleine omwegen noodzaakten, was er weldra een half uur voorbijgegaan zonder dat hij den oever bereikt had. De zon was reeds achter den rotsmuur der Alpenketen weggezonken en de blauwachtige schaduwen van den avond begonnen zich over het diepe dal van Brieg uit te breiden. Thans hoorde hij de Rhône ruischen; nog eene rotsachtige met distelachtige struiken overdekte, tamelijk steile hoogte, die den vloed als een dam scheen te vergezellen, moest hij beklimmen, dan hoopte hij het oeverpad bereikt te hebben. Moedig begon hij opwaarts te klauteren. De hoogte was echter steiler dan hij bij den eersten, vluchtigen aanblik vermoed had; slangvormige kronkelende braamstruiken spreidden zich als strikken over den grond uit en wondden met hunne scherpe, puntige doornen door de laars heen zijn voet. Eindelijk had hij deze hindernissen met bloedige handen en voeten doorworsteld en de hoogte bereikt. Haastig trad hij voort, om aan de andere zijde af te stijgen, toen hij eensklaps in zijn loop gestuit werd; hij stond voor een afgrond en hoorde onder zich de Rhône in hare diepe bedding voortrollen; hare golven zien kon hij niet, daar de rots waarop hij stond met eene schuine helling voorover neigde. Omkeeren en de hoogte, de rivier afwaarts, volgen, was het eenige dat hem overbleef, nergens echter ontwaarde hij een begaanbaar voetpad en hij moest dus vreezen, zich nog niet op den weg te bevinden, waarop hij de geliefde hoopte aan te treffen. Hij zag zich intusschen genoodzaakt, langs den stellen oeverkant voort te gaan, die, gestadig dichter met hoog kreupelhout begroeid, hem eindelijk het uitzicht in de verte geheel belette. Tot zijne bemoediging echter ontdekte hij, dat de grond van lieverlede meer gebaand werd en eindelijk in een druk betreden voetpad uitliep. Dit moest voorzeker den weg zijn, dien Paul bedoeld had. Lodewijk trad dus met verdubbelde snelheid langs dien weg voort. De spoed echter deed hem vergeten op het bruisen van den stroom acht te geven, en eerst na een kwartier te zijn voortgegaan, bemerkte hij de doodelijke, zwijgende stilte, die in het rond heerschte en hem deed vreezen, dat hij wederom van de rivier was afgedwaald. Gelukkig werd het pad nu minder dicht begroeid, en dit maakte het vertrouwen bij hem levendig, dat hij nu toch eindelijk de vlakte zoude bereiken, waar hij stellig verwachtte, Bianca spoedig te zullen opsporen. Nauwelijks echter vergunde het lage kreupelhout hem een onbelemmerd uitzicht, of tot zijne levendige ontsteltenis zag hij zich weder ver van de Rhône verwijderd. De bedriegelijke stroom had andermaal door een breede kronkeling zijn loop veranderd. Van spijt en bezorgdheid buiten zich zelf, sloeg de jongeling nu dadelijk rechts af en richtte zich lijnrecht naar de rivier. Geheel ademloos bereikte hij haar en vond inderdaad een betreden voetpad, dat den gekromden oever van de stad af scheen te volgen en verder daar langs voortliep. Hij raadpleegde zijn horloge. Volle twee uren was hij nu reeds op weg en nog slechts een half uur van de stad verwijderd. Enkele donkere groepen van braam- en vlierstruiken vertoonden zich van tijd tot tijd aan den oever en waren buiten twijfel geschikte schuilplaatsen voor de vrouwen geweest om er de komst der mannen te verbeiden. Maar wachtten zij nu, daar het duister reeds begon te vallen, nog op hem? Hadden zij het punt om hem te ontmoeten op de hoogte waar hij zich thans bevond, of wellicht niet ver achter hem gekozen? Dit waren twee vragen, die hem met bange onzekerheid vervulden. Intusschen draalde hij niet met het nemen van een besluit. Hij wilde zoo ver terugsnellen, tot hij verzekerd kon zijn, dat het punt van samenkomst niet meer tusschen hem en de stad lag. Dan ten minste kon hij met zekerheid zijne schreden voorwaarts richten. Zoo snel mogelijk ijlde hij dus weder op de stad toe; in elk naderend boschje hoopte hij de dierbare te zullen ontdekken; telkens bedroog hij zich. Thans zag hij iets wits schemeren; zij moest het zijn! IJdele hoop! Het was een stuk linnen, dat, tegen de afhelling van een grasheuvel te bleeken gespannen, door de bijna ontbladerde heg heenblonk. Nu was hij de stad zoo na genaderd, dat Bianca onmogelijk reeds hier had kunnen wachten. Daar zag hij, niettegenstaande de toenemende duisternis, twee gedaanten zich in het naaste, ongeveer honderd schreden verwijderde boschje bewegen. Zijn hart sprong op van vreugde; hij ijlde er op toe. Het waren vrouwen; zij droegen hooge reishoeden; hij zag een witten doek. Hemel, zij is het! juichte hij ademloos en voelde zijn beklemde hart door de zoetste vreugde verruimd. Naderbij gekomen ontdekte hij, dat zij, in een gesprek verdiept, den blik opwaarts naar de met sneeuw bedekte bergtoppen gericht hadden, die, daar de zon reeds verdwenen was, als bleeke nachtspooksels aan den schemerenden gezichtseinder oprezen.—Paul was niet bij de vrouwen; hare houding verried geenerlei onrust of gejaagdheid; dit bracht Lodewijk aan het twijfelen. Thans wendden zij zich om, door zijne haastige nadering opmerkzaam gemaakt, en hij had zich wederom bedrogen!