Part 39
„Nadat ik den eed had afgelegd, dien de graaf van mij vorderde, verliet ik zijne kamer. De lieve vijfjarige knaap, uw broeder, huppelde mij vroolijk te gemoet en wees mij met zijn vingertje op de wieg, om mij te doen opmerken, dat gij zoo gerust sliept. Thans dacht ik aan de beide ringen. Een donker voorgevoel, waarvan ik mij zelve geene rekenschap wist te geven, spoorde mij aan den knaap ten minste dat ééne aandenken te laten. Haastig nam ik zijn kleedje en naaide den eenen ring in den gordel daarvan vast. Wel mij, dat ik het gedaan had, want eenige minuten later trad de graaf binnen en beval mij den knaap aan te kleeden, daar hij met hem wilde uitrijden. Een veelbeteekenende blik zeide mij, wat hij voorhad. Onder snikken en tranen voldeed ik aan het bevel. De knaap begreep niet, waarom ik weende, maar verheugde zich slechts in den schoonen rit. Zijn ongeduld, ja zijne onstuimigheid—want hij was even wild en driftig als goedhartig—kon het oogenblik, dat hij met den graaf in het rijtuig zou klimmen, onmogelijk afwachten. „Mij drukt hier iets,” riep hij verdrietig, toen ik hem het kleedje toeknoopte, en hij greep naar den ingenaaiden ring. Bezorgd, dat hij zelf op die wijze mocht verraden, wat ik gedaan had, sneed ik haastig met de schaar een ingelegden naad van het rokje los, om de spanning te doen ophouden. Had de graaf mijn geheim ontdekt, het zou slecht met mij zijn afgeloopen.—Tot mijne verwondering zag ik, dat de reiswagen met postpaarden bespannen was. De graaf steeg met het kind in, en ik heb het sinds dien tijd niet weer gezien. Wat er van hem geworden is, weet ik niet, want den volgenden morgen reed ik, met de gravin en u, den, zooals het heette, vooruit gereisden graaf na, dien wij na drie dagen te Keulen weder aantroffen. Hij zweeg; ik dorst niets vragen. Vandaar vertrokken wij naar Holland en staken vervolgens naar Engeland over, daar de tijdsomstandigheden het gevaarlijk maakten naar Italië te reizen. Eerst na drie jaren keerden wij naar Rusland terug en gij gingt nu door voor de gravin Feodorowna Dolgorow en werdt als zoodanig opgevoed. De ring, dien ik u, mijn dierbaar kind, bij mijne afreis gaf en u zoo dringend bad, niet te verliezen, maar steeds uit liefde tot mij te dragen, is de trouwring uwer moeder. Door hem kunt gij wellicht nog eens uw broeder wedervinden. Meer heb ik niet te ontdekken. Ik bezweer u echter, bewaar deze geheimen in het diepste van uw hart en houd ook voor uwe pleegouders verborgen, dat gij daarmede bekend zijt, want zij zouden aan mijne nog levende broeders vreeselijk wraak nemen. Niemand weet iets van hetgeen ik u mededeelde dan gij en vader Gregorius, wien het heilige zegel der biecht voor eeuwig de lippen sluit.
En nu vaarwel, mijn geliefd kind. Vergeef mij, wat ik tegen u misdaan heb, om der liefde wil, die ik steeds voor u koesterde. Mocht gij op aarde zoo gelukkig zijn, als gij goed en schoon zijt, dan zult gij niet zooveel tranen vergieten, niet zooveel angst en kommervolle nachten doorbrengen, als ik in mijn leven geteld heb. Uwe oude, getrouwe, zeventigjarige voedster
RUSCHKA.”
HOOFDSTUK II.
Feodorowna was in de hevigste gemoedsbeweging en wist in haren angst tot geen besluit te komen. Nu wilde zij Gregorius roepen, dan naar hare pleegouders snellen, dan wederom haren echtgenoot alles ontdekken. Met door tranen verduisterde oogen beschouwde zij de beeltenissen harer ouders. „O, hoe zacht, hoe teeder zijn de trekken mijner moeder, hoe edel, vurig, mannelijk die mijns vaders!” zuchtte zij, bij den aanblik der geliefde, nooit gekende dooden. „Ach, gij zoudt uwe dochter warmer bemind hebben! Thans weet ik, waarom ik geofferd werd.” Lang stond zij besluiteloos; eindelijk schelde zij Jeannette en liet door deze Gregorius roepen. Hij had in de voorzaal gewacht. „O mijn vader, mijn redder, wat heb ik te doen!” riep zij hem toe en wrong de handen; „wat moet ik rampzalige nu beginnen!” Daar voelde zij Ruschka's ring aan haren vinger. „Dit is het eenige teeken,” vervolgde zij, „waaraan ik mijn broeder weder herkennen kan. Ach, onlangs was ik op het punt van het voor altijd te verliezen! Doch God waakte over mij! Het was—o vergeef mij, ik wilde een nutteloos verhaal beginnen, nu, daar de seconden onschatbaar zijn. Wat raadt gij mij, vader? Wat moet ik doen? Ik ben niet langer graaf Dolgorows dochter, ben hem niet meer het offer mijns levens schuldig.”
„Gij hebt het gebracht,” viel Gregorius haar zacht, maar ernstig in de rede, „gij zijt de gade van vorst Ochalskoi, het onverbrekelijk sakrament der kerk heeft u vereenigd, en die band kan alleen door den dood verbroken worden.”
„O hemelsche barmhartigheid!” snikte Feodorowna; „ook dan niet, wanneer hij door bedrog en leugen gesloten is?”
„Ook dan niet, mijne dochter!”
„Zoo moge ik zijne gade heeten, maar nimmer wil ik het zijn, voor en aleer mij de broeder, die mij ontroofd werd, is teruggegeven. O, waarom drong het licht der waarheid niet één eenige dag vroeger tot het zwarte weefsel des bedrogs door! Gregorius, gij kondt mij hebben gered uit dezen afgrond des jammers, maar uw mond zweeg!”
Uitgeput zonk zij op een stoel neder en liet de armen machteloos zinken. Gregorius trad op haar toe en greep hare hand in de zijne, terwijl hij de andere ten hemel hief: „Geloften zijn heilig, zijn onschendbaar, mijne dochter. De Heer zegent hen, die het Hem gegeven woord trouw gestand doen. Bedenk ook gij zulks, die heden voor Zijn heilig aangezicht eeuwige trouw, liefde en gehoorzaamheid beloofd hebt. Denk aan de beden der stervende, aan het lot harer....”
„Hoe?” riep Feodorowna onstuimig, „zou de vrees voor eene nieuwe euveldaad van hem, die mij den broeder ontroofd heeft, mij beletten, mijne heiligste rechten te doen gelden? Ruschka vreest voor het lot harer broeders; moet ik daarom den mijnen voor eeuwig verliezen? Neen, den graaf Dolgorow onder de oogen treden, dat wil ik en hem vragen: Waar is mijn broeder? Hij alleen is in staat, mij hem terug te geven.”
„Dierbare dochter, gij zijt buiten u zelve, gij weet niet, wat gij doen wilt,” sprak Gregorius; „maar gij moet kalmer worden en anders handelen. Hoe, wanneer graaf Dolgorow Ruschka's bekentenis voor valsch verklaarde? En kon hij anders, wanneer hij zich niet de verderfelijkste gevolgen op het hoofd wil laden? Of waant gij, dat de moed tot die leugen hem zou ontbreken, die den moed tot de daad bezat? Welke bewijzen hebt gij tegen hem? Zal zijne getuigenis niet meer gelden, dan die eener arme lijfeigene? Hebt gij den heiligen doop niet als zijne dochter ontvangen? Heb ik zelf u niet in deze kerk de slapen bevochtigd met het gewijde water des Heeren? O mijne dochter, bedwing thans uw overstelpt hart, want gij zoudt slechts ramp op rampen hoopen! Den haat des vaders, der moeder, van den echtgenoot zoudt gij op u laden, tweedracht en verwarring uitzaaien en door dat alles noch raad noch troost winnen. En kunt gij den heiligen eed vergeten, dien gij voor eenige uren hebt afgelegd? Is het uw echtgenoot, die u bedrogen heeft? Moogt gij hem trouw en gehoorzaamheid ontzeggen, wijl anderen u onrecht deden? En was dat onrecht niet met duizende weldaden verbonden? Zijt gij niet met liefde en zorgvuldigheid grootgebracht?—Neen, mijne dochter, wijk niet af van het pad der zachtmoedigheid en lijdzaamheid, dat de Heer u gebiedt te bewandelen. Blijft u nog eenige hoop, den broeder immer weder te vinden, dan is het slechts, wanneer gij nu zwijgt en het geheim in de diepte van uw hart bewaart. En weet gij dan, of gij niet misschien hem zelven ten verderve brengt, wanneer gij eischt, dat hij u worde teruggegeven? Kunt gij weten, hoe ver of hoe nabij hij zijn kan? Hoor naar de woorden van uw ouden, trouwen vader, beloof hem, dat gij zijn raad volgen wilt, dan zal hij u zoolang hij nog op aarde omwandelt met getrouwe liefde op zijde staan. En roept de Heer hem van hier weg, dan zal hij nog daar boven den zegen des hemels op uw hoofd afsmeeken.”
De grijsaard hield Feodorowna's hand in de zijne geklemd. Eene krampachtige trekking beefde door haren, onder den hevigsten kamp zwoegenden boezem. „Nu welaan dan, het zij zoo,” sprak zij eindelijk. „Ook dat is overwonnen. Ik beloof u te zwijgen, Gregorius. Maar,” vervolgde zij, zich met hoogheid oprichtende en de rechterhand plechtig ten hemel heffende, „ik zweer ook.... en de Almachtige moge mijn eed vernemen!.... ik zweer ook, van dit uur af onvermoeid naar mijn broeder te vorschen, en wanneer ik hem vind, dan zal geene macht op aarde mij terughouden, hem aan het hart te sluiten en te roepen: Ik ben uwe zuster!—Ik moet mij thans weder naar het gezelschap begeven; ik kan het, ik ben bedaard. Verlaat mij, mijn vader; maar bezoek mij morgen nog eenmaal, eer ik dit slot misschien voor eeuwig vaarwel zeg.”
Zij reikte hem de hand. Gregorius legde de zijne zegenend op haar gebukt hoofd en knikte haar sprakeloos vaarwel toe.
Feodorowna had nog eenige oogenblikken noodig eer zij genoegzaam bedaard was, om weder in het gezelschap te kunnen verschijnen; juist wilde zij het vertrek verlaten, toen de deur geopend werd en Ochalskoi binnentrad. Verschrikt en bevende week zij onwillekeurig eene schrede terug.
„Heb ik u verschrikt, lieve?” vroeg de binnentredende, haar verbleeken gewaar wordende, op vleienden toon en bracht hare hand aan zijne lippen. „O, gij zult mij vergeven, dat mijn verlangen mij dreef u op te zoeken. Bijna een uur mist men u. Ik kan u niet berispen, dat gij het gezelschap ontvlucht; maar gij zult licht begrijpen, dat mij dezelfde neiging voortdrijft, Feodorowna! Het gelukkigste uur mijns levens heeft geslagen. Ik sluit de schoonste, de beste, de beminnenswaardigste van haar geslacht in mijne armen. De scheidsmuur is nu tusschen ons gevallen; zult gij nu ook geheel met liefde de mijne zijn?”
Hij had haar bij deze woorden vertrouwelijk omvat en kuste hare bleeke lippen en wangen. Sidderend vermocht zij noch weerstand te bieden, noch op zijne teedere liefdetaal te antwoorden; sprakeloos duldde zij de liefkoozingen, waartoe hij gerechtigd was.
„Wanneer gij wilt, Feodorowna,” ging hij dringender voort, „is het oogenblik onzer vereeniging daar. De ras voorbijsnellende minuten van ons geluk zijn zoo spaarzaam afgemeten, dat het wreedheid ware, ze moedwillig te verkorten. Zoudt gij dat willen, geliefde? Wij zijn in het vertrouwelijke heiligdom der liefde, niemand kan ons meer storen. Uwe moeder zelve zeide mij, u op te zoeken. De gasten hebben zoo even het slot verlaten. Slechts de landlieden en bedienden vieren thans nog op hunne wijze bij dans en spel den dag van ons geluk; ook Jeannette heb ik weggezonden; of hebt gij nog iets noodig? Geliefde, de tijd is kort, dien wij het lot ontrooven, dat ons morgen reeds weder vaneen scheidt; laat ons dien dan gebruiken. Niet waar, gij laat mij niet weder gaan?”
De angst roofde der ongelukkige de spraak. Ochalskoi hield haar zwijgen voor maagdelijke schaamte, haar stom lijden voor minnend, niet langer weerstrevend toegeven, het krampachtig hijgen harer borst voor de onstuimige opwelling der overstelpende liefde.
Driftig drukte hij zijne gloeiende lippen op hare verbleekte wangen en sloot haar met den rechterarm aan zijne kloppende borst, terwijl hij met de linkerhand hare rijke haarvlechten losknoopte.
Met reeds bezwijmende krachten trachtte Feodorowna zich uit zijne omarming los te winden. „Ik versta u, hemelsch meisje,” fluisterde hij, „uw zwijgende lip is zoet welsprekend! Slechts in een heilig duister bloeit de zachte nachtbloem der liefde.” Hier liet hij de angstig afwerende los, om de op de tafel brandende lichten uit te dooven. Zij wilde hem ontvluchten, maar wist niet meer, wat zij deed; de handen wringende, wankelde zij op de deur van het bruidsvertrek toe, opende die en zeeg met een luiden angstkreet bewusteloos op den grond neder.
Ochalskoi sprong, zelf hevig verschrikt, op haar toe; want toen Feodorowna de deur had geopend, zag hij hare gestalte door een donkerrooden gloed verlicht en een breeden, bloedigen vuurschijn in het duistere vertrek vallen.
„Dood en hel, wat is dat?” riep hij, toen de gloeiende weerglans hem uit het nevenvertrek in de oogen straalde.
Het was het brandende Smolensko, welks hoog opflikkerende vlammen juist door het zwarte rookkleed heenbraken, dat haar zoolang omhuld had. De vesting lag juist tegenover de vensters van het bruidsvertrek, waar de gordijnen nog niet neergelaten waren.
Ochalskoi hief de onmachtige Feodorowna op, sloot haar in zijne armen en trachtte haar gerust te stellen. „Wees bedaard, lieve! Het is eene vreeselijke bruidsfakkel, die ons ontstoken wordt, maar zij zal onze heilige verbintenis niet storen. De tijd zal komen, dat wij de toortsen der wraak zwaaien.”
Feodorowna's oog bleef gesloten. Ochalskoi wist niet, of hij hulp vragen dan alleen beproeven zou, haar in het leven terug te roepen. De donkerroode weerschijn der vlammen speelde op de doodelijk bleeke wangen der onmachtige, zoodat zij door den zachten lichtgloed der avondschemering bestraald scheen. „Gij zult aan mijne borst ontwaken,” stamelde hij, haar met bevende armen omvattende en gloeiende kussen op haren mond drukkende; „Feodorowna, ontwaak, of neen, blijf....” In dit oogenblik vielen drie schoten in de nabijheid.
„Wat was dat!” riep Ochalskoi, sprong op en rukte het venster open. Het geschreeuw van verwarde stemmen en dadelijk daarop eene onregelmatige losbranding van geweer- en pistoolschoten, die het gevecht van een aantal strijders aanduidden, drongen door de stilte van den nacht in zijn oor.
„Overrompeling! Verraad!” riep hij in dolle woede. „Dood en verderf, en in dit uur!” Met deze woorden stoof hij onstuimig op de deur toe en snelde naar buiten.
In het slot heerschte reeds eene onbeschrijfelijke verwarring. De bedienden en landlieden waren het eerst door het kleppen der stormklok, die het uitbarsten van den brand verkondigde, in hunne vreugde gestoord geworden. Thans had men de krakende schoten gehoord en waande den vijand reeds binnen de muren van het slot. In gangen en zalen, op trappen en portalen verdrongen knechts en vrouwen, speellieden en landmeisjes elkander in steeds toenemend gewoel.
„Sluit de poort,” riep Dolgorow. „De brug op! verzamel u op het slotplein. Geen moed verloren! Het kan een blind alarm zijn!” Terwijl hij zich te vergeefs beijverde, door deze bevelen de orde te herstellen, kwam een boer ademloos de poort binnensnellen en riep: „De vijand, de vijand! Zij overvallen ons! Vlucht allen in het bosch!”
De verschrikte slotbewoners, de landlieden en alle meisjes vlogen met luid angstgeschreeuw en gejammer naar hof en tuin, deels om zich te verbergen, deels om te ontvluchten. Anderen drongen door de slotpoort, om hunne huizen in het dorp te bereiken. Het ophalen der brug en sluiten der poort werd daardoor geheel onmogelijk. Schuimbekkend van woede hieuw Dolgorow met de vlakke sabel op de vluchtenden, die hem niet gehoorzaamden in, en vermeerderde daardoor de ontsteltenis en verwarring.
Thans rende een troep vluchtende kozakken de poort voorbij en huilde: „De vijand! De vijand! Vlucht, steekt aan!”
„Het is te vergeefs, weerstand te beproeven,” riep Ochalskoi, die zich intusschen met sabel en pistolen gewapend had. „Laat ons slechts de vrouwen redden. Wij vluchten door den tuin en bereiken zoo het woud, waar wij volkomen in zekerheid zijn.”
„Ten minste de poort moet versperd worden,” schreeuwde Dolgorow, „anders baat de schandelijke vlucht ons niets.”
Thans vond zijn bevel gehoor, daar de ingang juist vrij was. Hij zelf, Ochalskoi en drie bedienden trokken ijlings de kettingen, waarmede de vleugeldeuren aan den slotmuur vasthaakten, terug, wierpen de poort toe en schoven de grendels er voor.
Het was hoog tijd, want juist rende Rasinski aan de spits zijner manschappen den heuvel af, en nauwelijks was de deur gesloten, of men hoorde reeds de donderende hoeven der paarden op de ophaalbrug.
Dolgorow en Ochalskoi vlogen de trappen op naar het bruidsvertrek, om Feodorowna te redden, terwijl de gravin ijlings hare kleinooden en hetgeen zij op de vlucht noodzakelijk behoefde, bijeen raapte. Het gedruisch had de onmachtige uit hare bedwelming doen ontwaken. Met kalmte—want uitwendige schrik oefende weinig geweld op haar uit, die thans niets meer vreesde—had zij hare kleeding reeds veranderd en hare belangrijkste bezitting, eenige brieven en de beeltenissen harer ouders, bij zich gestoken. Haastig wierp zij den mantel om en snelde met vasten tred aan de zijde van haren echtgenoot naar de zaal, waar de gravin wachtte. Toen men het voorplein bereikte, beukten de stormenden zoo geweldig tegen de poort, dat men elk oogenblik verwachten moest, die te zien bezwijken. Echter konden de vluchtenden niet dan langzaam doordringen, want een aantal bedienden en landlieden, thans van den eersten schrik bekomen, sleepten van alle zijden groote bundels hooi, stroo en rijshout aan, om de ruimte voor de poort daarmede op te vullen. „Wij willen hen door een vuurwal van ons scheiden,” riep Dolgorow en schoot zijn pistool in het droge stroo af, dat dadelijk vuur vatte. „Nog meer hooi, stroo en takkenbosschen; dat de rook en walm de honden verstikke, wanneer zij het slot willen indringen!” riep de verbitterde Rus, en in hun ijver verstikten de dienaars bijna in de vlammen door de menigte van ras opgeworpen brandstoffen. „Zoo, goed zoo, jongens!” riep de graaf, „steekt het slot aan de vier hoeken aan; daar wij het verlaten moeten, willen wij het ook den vijand niet gunnen.”
Daar hij zag, dat zijn bevel werd opgevolgd, ijlde hij Ochalskoi en de vrouwen na, die reeds door den tuin vluchtten, om door eene achterpoort het woud te bereiken. Weldra hadden ook de teruggebleven bedienden hunne meesters achterhaald, en toen men omzag, steeg een zwarte, dichte rookzuil uit de slotmuren op.
„Zij zullen niet lang in het kasteel huizen,” riep een der knechten met honende jubel; „in elken stal brandt een duchtig bos stroo. Eer tien minuten om zijn, moet de vlam boven de daken uitslaan. Zij zal ons, denk ik, nog een poosje in het bosch voorlichten. Jammer, dat wij de paarden niet konden meênemen, doch daartoe was geen tijd, laat staan tot zadelen en optoomen.”
„Zwijgt thans,” gebood Dolgorow; „onze vlucht zij zoo stil mogelijk.” Zacht, maar met verhaaste schreden ijlden de vliedenden voorwaarts. Nog hadden zij den grensmuur van het park niet bereikt, toen zij de heldere vlam reeds door de groene boomen zagen blinken. Door de kleine achterpoort geraakte men op het vrije veld en snelde langs een smal voetpad op het nabijgelegen woud toe. Juist was men den zoom daarvan genaderd, toen eene talrijke ruiterbende in gestrekten galop den hoek van den tuinmuur omsloeg, om de vluchtelingen na te zetten. In vollen loop ijlden dezen op het bosch toe, maar met losse teugels renden de ruiters hen na, en eer het veilige toevluchtsoord nog bereikt was, floten de pistoolkogels door de lucht, en flikkerden dadelijk daarop de blinkende sabels boven de hoofden der vluchtenden.
Inmiddels had Rasinski met twee aan den weg gevonden boomstammen de slotpoort onder den voet geloopen. Zoodra die opensprong, sloeg hem een verstikkende, gloeiende rook te gemoet, doch eensklaps gierde de stormwind door de hem geopende baan, joeg de vlam naar binnen op hof en tuin aan en werd het smeulende hooi, stroo en rijs door den hevigen luchtstroom mede voortgedreven, zoodat men geene kunstige kunstmiddelen noodig had, om zich den weg te banen. In twee minuten had de storm alle vonken uitgedoofd, en slechts een aschhoop in het voorportaal verried nog de sporen van het aangelegde vuur. Onverwijld drong Rasinski nu met zijne scharen het gebouw binnen en riep: „Bezet alle ingangen! Laat niemand ontkomen. Boleslaw, gij rijdt rechts met uw escadron den slotmuur om, Jaromir links. Alle gevangenen worden hier gebracht. Niemand wage zich in het dorp! Het slot blijft onze verzamelplaats.”
Driftig sprong hij van het paard en ijlde, door de boden, Lodewijk, Bernard en eenige officieren gevolgd, de trappen op, ten einde het binnenste van het gebouw zelf te onderzoeken. Spoedig had hij de lange rij van vertrekken doorkruist, daar alle deuren openstonden, terwijl alles de overhaaste vlucht der bewoners verried; maar zijne navorschingen bleven vruchteloos en verdrietig begaf hij zich naar de groote zaal terug. „Zou het nog mislukt zijn?” riep hij mismoedig uit. „Ik vrees, dat de brand van Smolensko ons onzen buit heeft doen verliezen en de bruiloftsgasten te vroeg uiteengejaagd!”
De bode haalde de schouders op en hernam: „Mijne schuld is het niet, heer overste; ik heb u goed onderricht. Was de vesting niet in brand geraakt, zoo zouden wij hier geweest zijn, eer een mensch onze tegenwoordigheid vermoed had, en de generaals en andere hooge gasten waren uwe gevangenen geweest.”
„Gij hebt uw loon verdiend, neem,” antwoordde Rasinski en wierp den Rus eene beurs toe, die deze begeerig opving.
„Wanneer wij thans slechts een weinig infanterie met een paar kanonnen hadden,” vervolgde de overste, tot de officieren gewend, „zou ik, zonder een oogenblik te aarzelen, daarmede de achterhoede aangrijpen en haar door een onverhoedschen aanval ten minste een duchtigen schrik aanjagen. Zooals wij hier zijn, is het echter niet raadzaam, ons dieper in het land te wagen. De infanteriepatrouilles en de bende kozakken, die wij bij het dorp aantroffen, moeten toch alarm gemaakt hebben, en licht kon een overmachtige hoop tegen ons aanrukken, die ons, bij het ééne smalle pad, dat ons tot den terugtocht blijft, hoogst verderfelijk zou zijn. Mij dunkt dus, wij laten verzameling blazen, trekken onze troepen weer bijeen en keeren even stil over den stroom terug, als wij gekomen zijn.”
De officieren waren van dezelfde meening.
Weldra keerde Boleslaw, zonder iets ontmoet te hebben, met zijne ruiters terug en werd spoedig daarop door Jaromir gevolgd, die eenige bedienden van den graaf als gevangenen medevoerde. „Ik stiet,” berichtte hij, „dicht bij het woud op de vluchtenden. Het waren de bewoners en bedienden van het slot met eenige vrouwen; een deel vlood, anderen boden tegenstand. Bij het licht der vlammen, die van het slotplein oversloegen, bemerkte ik een officier, die eene jonge dame op zijne armen naar de dichte struiken trachtte te dragen, waar wij met onze paarden niet voortkonden. Ik sprong uit den zadel en poogde hem in te halen; toen ik door het hout heenworstelde en hem naderde, zette hij de dame op den grond neder en wachtte mij af. Ik riep hem toe, dat hij zich gevangen zou geven, maar hij schoot op mij, doch miste. Nu gaf ik vuur; hij viel. Juist wilde ik toespringen, toen eenige Russen zich tusschen hem en mij in wierpen en mij terugdrongen, zoodat ik bijna overweldigd was geworden. Gelukkig bereikte ik nog eene vrije plaats, waar mijne lieden mij te hulp konden komen. Zij bevrijdden mij en wij maakten drie gevangenen. Volgens hun zeggen was de getroffene vorst Ochalskoi, die heden met de dochter van graaf Dolgorow, wien dit slot toebehoort, moet getrouwd zijn.”
„Ware ons ten minste die ééne vangst gelukt,” riep Rasinski mistroostig; „maar dat wijt ik u niet, Jaromir, want gij hebt meer dan uw plicht gedaan,” voegde hij er vriendelijk bij. „Het geluk heeft ons niet genoeg begunstigd. Maar laat ons nu opbreken, eer het ons nog verder tegenloopt.”
Nadat men zich overtuigd had, dat er onder de gevangenen niemand van beteekenis was, liet men hen vrij, met de bedreiging, van hen dadelijk te zullen neersabelen, zoodra men hen weder in handen kreeg. Op die wijze trachtte Rasinski te verhoeden, dat men zijn terugweg naspoorde, wijl hij in het oogenblik, dat hij over den Dnieper terugtrok, door een aanval in den hachelijksten toestand kon gebracht worden. Ook wilde hij de lieden in den hun opzettelijk ingeprenten waan laten, dat hij door een aanzienlijk legerkorps gedekt werd, dat in den nacht over de rivier was getrokken. Zoo begaf men zich weder op marsch en liet de brandende schuren en stallingen aan de woede der vlammen over.