1812: Historische roman

Part 38

Chapter 383,587 wordsPublic domain

Feodorowna stond nu geheel alleen; want niettegenstaande het onmetelijke offer, dat zij gebracht en de gewillige gehoorzaamheid, waarmede zij zich aan het gebod der ouders onderworpen had, bleef de moeder nog even koel als voorheen en scheen niet eenmaal medelijden te gevoelen met het lijden, dat Feodorowna om harentwille zoo geduldig droeg. Het is waar, zij had zich nooit anders betoond en de innigste liefde der dochter ook in vroeger jaren niet dan met eene hoofsche vriendelijkheid beantwoord; maar Feodorowna was daaraan gewoon geworden en had in deze koude vormen slechts het overwicht van het moederlijk aanzien erkend en geëerbiedigd; doch gevoelde thans, dat een beminnend, zich opofferend kind een ander moederhart eischen mag. Zoo veranderde ook hare liefde in een bangen, schuwen eerbied, en wat gedurende de ziekte zoo kenbaar gebleken was, liet ook thans nog duidelijke sporen achter; een angstige rilling greep haar aan, wanneer zij zich in de nabijheid van diegene bevond, bij wie haar gewond hart troost en verzachting had moeten vinden.

Ochalskoi en Dolgorow waren bij de armee; in de eerste dagen van Augustus schreef de laatste, dat hij binnenkort op het goed zoude komen, ten einde het huwelijk tusschen zijne dochter en den vorst te voltrekken. De verhinderingen, die zulks tot hiertoe belet hadden, waren grootendeels in de familie-betrekkingen van Ochalskoi gelegen, die, ten gevolge van een verdrag, dat sinds onheuchelijke jaren in zijn geslacht bestond, de toestemming van eenige naastbestaanden noodig had, eer hij zich in den echt kon begeven. Daar het belang van sommigen hunner hierbij ten deele in het spel kwam en zij uit baatzuchtige inzichten eene vereeniging van den graaf met eene nadere verwante gewenscht hadden, had het moeite gekost hunne bezwaren uit den weg te ruimen, en was Ochalskoi niet zonder belangrijke opofferingen daarin geslaagd. Thans was hem een verlof van drie dagen toegestaan, om zijne echtverbintenis te sluiten, waarop zijne jonge gade met hare moeder terstond over Kaluga naar zijne goederen in Azië zou afreizen, om geheel uit de onrustige landstreek van het krijgstooneel verwijderd te zijn. Dit was juist op het tijdstip, dat de groote russische armee zich in allerijl naar Smolensko had teruggetrokken, ten einde niet door den franschen keizer afgesneden te worden. In den nacht na haren reeds ten deele volbrachten aftocht naar Moskou kwamen Dolgorow en Ochalskoi op het kasteel aan. Den volgenden middag zoude Gregorius het jonge paar inzegenen, de viering van den bruidsnacht moest hierop naar Dolgorows uitdrukkelijke begeerte nog op het kasteel plaats hebben, maar den morgen daarna zouden de mannen zich dadelijk weder naar het leger terugbegeven, terwijl de vrouwen over Jelnia en Kaluga hare reis naar Ochalskoi's goederen aannamen.

Zoo was dan het verschrikkelijk oogenblik gekomen, dat Feodorowna den duisteren kerker zag ontsluiten, waarin zij haar leven verzuchten zoude. Zelfs de zoete troost, dat zij door dit offer den grond gelegd had tot het geluk van anderen, werd krachteloos bij de naderende werkelijkheid. Tranen had de ongelukkige niet meer te vergieten; slechts met eene koude ijzing blikte zij in de toekomst. Alles vereenigde zich, om den dag recht vreeselijk te maken. In de verte de doffe donder van het geschut uit de belegerde vesting, trad zij aan het venster van haar vertrek, nog altoos talrijke ruiterscharen, die als de laatste afdeelingen der terugtrekkende groote armee, op den, een half uur van het slot verwijderden landweg naar Moskou in woeste zwermen voorbijtogen. Het gezicht dezer horden van Tartaren, Baschkiren, Kozakken en andere barbaarsche volksstammen, in wier midden zij voortaan hare dagen zou slijten, vervulde haar met schrik en afgrijzen. „O, waarom heb ik schooner landen, zachter zeden, edeler, beschaafder menschen leeren kennen!” zuchtte zij uit eene beklemde borst. „Gelukkig gevoelde ik mij ook dáár niet; slechts korte, schoone droomen verlichtten voor oogenblikken den donkeren nacht mijns levens. Slechts éénmaal had ik een zaligen droom! En nu! Gij zacht flonkerende leidstar op mijn donker pad, die zoo snel weder in de diepste duisternis verdwenen zijt, gij edele gestalte, die mij eens zoo liefderijk de hand bood, gij vriend in bitteren nood, wien mijn hart eeuwig zal toebehooren—o vergeef mij het verraad, waaraan ik mij thans tegen u schuldig maak!—Gij zijt de leidsman mijns levens, sprak eene heilige stem van dankbaarheid en liefde in mijne borst, u, u alleen is mijn aanzijn gewijd, riep het luid in mijn binnenste, en toch—het was eene ijdele begoocheling! De hand der Voorzienigheid, die ik vertrouwde, verscheurde den band; een woeste storm verdreef de beelden van den schoonen droom, het floers van nacht en vergetelheid omhult alles!”

In droef gepeins verloren stond de rampzalige bruid aan het venster en staarde op het woeste landschap, dat door het gewoel van den krijg verlevendigd, naar den donkeren hemel, die door de wolken van den slag verduisterd werd. Eensklaps voelde zij een zachte hand op haren schouder. Het was Jeannette met het bruidskleed over den arm. Feodorowna's knieën knikten, echter uitte zij geen luiden klaagtoon, maar liet zich geduldig optooien als een offer, dat naar het outer gevoerd wordt.

Juist had Jeannette haar den krans op de lokken gedrukt, toen Ochalskoi binnentrad, om haar te begroeten en naar de kerk te geleiden, waar Gregorius hen wachtte. Wanneer de nood daar was, vond Feodorowna heldensterkte in hare groote ziel. Ernstig, zwijgend, doch zonder te wankelen, zweefde zij aan Ochalskoi's arm de breede trappen af. In de zaal werd zij door hare ouders en de verzamelde gasten opgewacht. Het waren slechts eenige naverwante leden van beide familiën, meest bejaarde mannen van hoogen rang, en verscheidene generaals, die men op het feest genoodigd had. Met het bruidspaar aan de spits, begaf men zich in statigen optocht naar de kerk. De dorpelingen waren van alle zijden toegevloeid en vormden eene straat, door welke Feodorowna, met weemoedige vriendelijkheid groetende, voorttrad. Men had bloemen op het pad gestrooid; zij konden den donkeren afgrond niet bedekken, dien de bruid aan hare voeten geopend zag. Ook de gasten en de menigte waren ernstig, want een bruiloftsfeest, waarop de plechtige toon der kerkklokken zich met het gedonder van den naburigen slag vermengt, waarop duizende bloedige offers op den achtergrond vallen, terwijl woorden van vrede en zegening van de lippen vloeien,—zulk een bruiloftsfeest is waarlijk niet vroolijk te noemen. Gregorius sprak met ernst, aandoening en warmte; alles luisterde in ademlooze stilte. Spoedig was de kerkelijke plechtigheid geëindigd, en men begaf zich langs denzelfden weg naar het slot terug, waar het middagmaal de gasten wachtte.

Gedurende den maaltijd hield het donderen der vuurmonden aan, ja werd nog heviger. De gravin werd angstig en vroeg, of het niet raadzamer zoude zijn, terstond op te breken.

„Wij zijn hier volkomen in zekerheid,” antwoordde een oude generaal; „Smolensko is de sleutel van dezen weg. Zoolang die poort niet geopend is, kan de vijand niet verder voortdringen. Tegen kleine overvallen zijn wij door de kozakken gedekt, die nog in tallooze zwermen den rivieroever bewaken.”

„Ik wenschte toch,” sprak Dolgorow met sombere blikken, „dat men meer ernstige aanstalten tot verdediging gemaakt had, ofschoon het met mijne familieplannen zeer goed overeenkomt, dat het niet gebeurd is, daar ik anders bezwaarlijk een dag zou gevonden hebben, waarop mij de uithuwelijking van mijne dochter mogelijk geweest was. Maar het welzijn van het vaderland acht ik hooger, en dat zou, dunkt mij, dringend gevorderd hebben, dat men hier, waar alles ons gunstig is, een slag had aangenomen. Ik kan mij, dit beken ik rondborstig, niet met de inzichten van den veldmaarschalk vereenigen, die slechts in den terugtocht zijn heil zoekt.”

„En voorzeker niemand van ons,” antwoordde de generaal met nadruk. „Ware graaf Barclay de Tolly een geboren Rus, dan zou hij den smaad van ons vaderland ook niet zoo geduldig verdragen. Doch hier, waar ik slechts echte Russen bijeen zie, kan ik wel een woord in vertrouwen spreken. Ik geloof, dat het den langsten tijd zoo geduurd zal hebben; men verzekert, dat de keizer aan de dringende voorstellen van alle standen en van de hoogste staats-ambtenaren eindelijk gehoor gegeven en besloten heeft, het opperbevel aan een ander op te dragen.”

„Aan vorst Bagration?” vroeg Dolgorow driftig.

„Ik mag hem nog niet noemen,” was het antwoord; „doch het is een edel, waardig Rus, en men is reeds in onderhandeling met hem getreden. Voor een krijgsmakker van Suwarow zal het bewaard zijn, Ruslands ouden wapenroem te handhaven.”

„Dan is het vorst Kutusow en geen ander,” riep Ochalskoi met vuur. „Den waardigen grijsaard, hij worde onze veldheer of niet, zij dit glas toegebracht!” Tegelijk stond hij op en hief den gevulden beker omhoog; alle mannen volgden zijn voorbeeld en klonken.

„Wie ook onze aanvoerder zijn moge,” sprak Dolgorow met krachtige stem, „wij willen onzen dronk zoo inrichten, dat hij altijd een waardigen geldt: De zoon van Rusland, dien de smaad des vaderlands bloedig wreekt!”

„Hij leve!” riepen de mannen en ledigden hunne glazen.

De gravin Dolgorow stond op; in hare oogen fonkelde een ongewoon vuur; de anders zoo koude trekken verlevendigden zich. „Zoo wil ook ik aan de oud-vaderlandsche gewoonte indachtig zijn,” sprak zij, „en gij, Feodorowna, volg mijn voorbeeld.” Onder deze woorden rukte zij den sluier van haar hoofd, scheurde dien door midden en verdeelde de stukken onder de naast haar zittende mannen. Ook de bruid nam den sluier, waaronder zij tot hiertoe haar bleek gelaat had trachten te verbergen, van het hoofd. Een lichte blos kleurde hare wangen, toen zij hem in stukken scheurde en verdeelde. „Neem, mijn gemaal,” sprak zij met eene bevende stem, „dit aandenken uwer achterblijvende gade met u in den kamp, ontvangt ook gij het, waardige helden van mijn vaderland! Moge het u in het uur des gevaars herinneren, dat op uwe dapperheid de edele verplichting rust, om het heiligdom van vrouwelijke onschendbaarheid voor Ruslands dochteren te verdedigen, en dat u de vurigste dankbaarheid wacht, wanneer gij, met lauweren bekranst, ons eenmaal dit teeken der inwijding tot den kampstrijd vlekkeloos en door edel vaderlandsch bloed geheiligd terugbrengt.”

Feodorowna sloeg de schoone oogen neder, toen zij deze woorden tot den grijzen krijgsman richtte, die de eereplaats aan hare rechterzijde had ingenomen. Deze greep hare hand, kuste ze vurig en antwoordde: „Met een aandenken uit zulk eene hand gaat men den slag even vroolijk als een bruiloftsfeest te gemoet. Spoedig hoop ik, schoone vorstin, dit teeken, met echt russisch bloed versierd—want daarop zoude ik trotsch zijn—te kunnen terugbrengen, om het, naar de gewoonte van ons vaderland, te zien ingelost.”

Een hooger rood kleurde de wangen der jonge gade, want de vergunning om driemaal de frissche lippen der vrouw of jonkvrouw te kussen, wier veldteeken men aldus geverfd terugbracht, mocht den dapperen zoon des vaderlands door geene dochter uit Ruriks stam geweigerd worden; een gebruik, dat, schoon lang uit de zeden des tijds verdwenen, in de geschiedkundige overlevering was bewaard gebleven en thans weder in het leven werd teruggeroepen. Bij gewichtige gelegenheden toch plegen de volken zich hunne oude gebruiken weer levendiger en dankbaarder te herinneren; dikwijls niet zonder innerlijk zelfverwijt, dat zij zoo lang, met zekere trouweloosheid jegens hunne waardige voorvaderen, de heilige overleveringen vergeten en veronachtzaamd hadden.

Het was avond, toen de gasten van tafel opstonden en zich in de aangrenzende vertrekken verdeelden. Met angstige beklemdheid zag Feodorowna het uur nader en nader komen, waarin zij, alleen niet haren echtgenoot, den laatsten vreeselijken strijd met haar hart zoude te kampen hebben. Zij had zich juist in een nevenvertrek begeven, om, van het gezelschap verwijderd, eenige oogenblikken met hare sombere gedachten alleen te zijn, toen Jeannette haar kwam berichten, dat vader Gregorius op hare kamer wachtte en dringend verlangde haar te spreken. Hoe gaarne haastte zich Feodorowna, den wensch van den eerwaardigen, geliefden grijsaard te vervullen! Ach, haar gansche hart drong haar tot hem; want van hem alleen hoopte zij troost en sterkte voor de zware beproeving, die haar te wachten stond.—Zij vond hem op hare kamer; zijn gelaat was ernstiger dan gewoonlijk.

„Mijne dochter,” sprak hij haar aan, „het uur is gekomen, dat ik u van hoogst gewichtige dingen spreken moet. Gij zijt onherroepelijk de gade van vorst Ochalskoi, want de plechtige inzegening heeft u voor het oog van God vereenigd. De dood alleen kan dien band verscheuren.”

„O mijn goede vader,” viel Feodorowna hem in de rede, „ik weet het; maar ik zal in mijn plicht niet wankelen. Hem, aan wien mijn woord mij, hoewel met een wederstrevend hart, verbonden heeft, zal ik getrouw en onderdanig zijn tot aan het einde mijner dagen. Ach, ik hoop, het zal niet lang zijn!” Door smart overweldigd leunde zij het moede hoofd aan de borst van den grijsaard.

„Het is niet dat, waarover ik u spreken wil, lieve dochter,” hernam hij; „want van de kracht uwer deugd ben ik verzekerd. Ik kwam om u een geheim te openbaren, dat uwe voedster Ruschka op haar sterfbed onder het zegel der laatste biecht in mijn oor gelegd en dat zij, mocht de dood ook mij wegnemen, aan deze papieren toevertrouwd heeft. Ik had haar bij mijn priesterlijken eed beloofd, het u eerst dan te zullen ontdekken, wanneer uw huwelijk voltrokken was. Zulks is gebeurd, ik mag dus thans mijne lippen openen. Gij zijt niet de dochter van Dolgorow, gij zijt geen Russin. Duitschland is het land uwer geboorte, maar uwe ouders rusten reeds lang onder de aarde. Graaf Dolgorow nam u als kind aan, daar zijne echtgenoote hem geen hoop gaf zelf vader te worden. Dit zijn de beeltenissen uwer ouders, mij door Ruschka ter hand gesteld.” Met deze woorden gaf hij Feodorowna een brief en eene geopende brieventasch met twee portretten, eene jonge vrouw en een officier voorstellende.

Met strakke, verbaasde blikken, bevend, bijna bewegingloos stond Feodorowna voor den priester en poogde te vergeefs te spreken; half bewusteloos nam zij aan, wat hij haar toereikte en legde het voor zich op de tafel neder. Eindelijk bracht zij, de gevouwen handen krampachtig tegen de borst drukkende, met een angstigen kreet der vertwijfeling de woorden uit: „Niet hunne dochter!—En toch.... o almachtige God!”

„Herstel u, mijne dochter,” sprak Gregorius, „verhef uw hart geloovig tot God, die het lot der menschen wonderbaar beschikt.—Ik heb u het gewichtigste, het noodwendigste ontdekt. Lees deze papieren door en gij zult het overige vernemen. Ik verlaat u thans. Laat eerst den hevigen storm tot bedaren komen, die nu in uwe borst woedt. Wanneer gij alleen zijt, zult gij u zelve wedervinden. Als gij mij noodig hebt, laat mij roepen.”

Met deze woorden verliet de grijsaard het vertrek; Feodorowna was niet in staat hem iets te antwoorden; met moeite wankelde zij naar een zetel en leunde het zware, door den onverwachten slag bedwelmde hoofd, in de beide handen. Het duurde lang eer zij de papieren, die het geheim van haar leven ontsluieren zouden, vermocht te ontvouwen. De beeltenissen harer ouders lagen voor haar; onafgewend hield zij hare oogen daarop gevestigd, maar de stroomende tranen verduisterden haar gezicht. Eindelijk brak zij de vijf zegels van den aan haar gerichten brief open en las, wat Ruschka met eene, door ouderdom bevende hand geschreven had:

„Mijn dierbaar Kind!

„Zoolang ik leefde, bond een strenge, vreeselijke eed mijne tong; wanneer ik van de aarde weggenomen ben, zal mijne stem nog uit het graf oprijzen, om u de geheimen te ontdekken, die op uwe geboorte rusten. Gij zijt niet de dochter van den graaf en de gravin Dolgorow. Slechts eenige dagen waart gij oud, toen zij u in Duitschland na den dood uwer moeder als kind aannamen. De graaf was toenmaals reeds vier jaren gehuwd; hij had de hoop om vader te worden, opgegeven. De ledigheid van een kinderloozen echt, als ook zijne begeerte om vreemde landen te leeren kennen, hadden hem tot het ondernemen van groote reizen bewogen. In Mei van het jaar 1793 bevond hij zich te Pyrmont; hier leerde hij uwe moeder kennen, die zich als weduwe met haar vijfjarig zoontje, Benno genaamd—gij waart nog niet geboren—daar ophield, om haar ondermijnde gezondheid te herstellen. Zij heette Louise Waldheim; haar man was officier geweest en in een duel doodgeschoten. Daardoor plotseling in een meer bekrompen toestand geraakt, zwak en ziekelijk, de geboorte van een tweede kind te gemoet ziende, maakte zij, niettegenstaande hare afgezonderde levenswijze, toch spoedig de opmerkzaamheid van eenige rijke badgasten gaande. De gravin Dolgorow, die de eerste verdieping van het huis gehuurd had, waarin uwe moeder een klein kamertje bewoonde, deed haar het voorstel, als gezelschapsdame bij haar te komen en daarbij tevens de verplichting op zich te nemen, om den graaf en haar zelve in de duitsche taal te onderwijzen, welke zij beiden toenmaals gaarne grondig wilden leeren. Uwe moeder, door den nood gedwongen, nam dit voorstel aan; drie maanden later, toen wij Pyrmont reeds verlaten hadden en Zwitserland en Italië doorreisden, werdt gij geboren. In eene afgelegen herberg in de omstreken van Freiburg, midden in Zwitserland, hebt gij het eerst het daglicht gezien. Toen de verlossing uwer moeder naderde, wilde de graaf haar eerst aan de zorg der eerlijke landlieden toevertrouwen, mij achterlaten en de reis alleen met de gravin voortzetten, tot wij ons weer bij hen zouden kunnen vervoegen: doch eene lichte ongesteldheid der gravin zelve bewoog hem in onze eenzaamheid te deelen, tot uwe moeder weer geheel hersteld zoude zijn. De arme vrouw herstelde echter niet; op den elfden dag na uwe geboorte stierf zij. Ik was hare verzorgster in de laatste dagen haars levens; stervende droeg zij mij de zorg voor hare kinderen op en stelde mij hare gansche kleine nalatenschap voor u ter hand. Daaronder waren ook de trouwringen van haar en haren echtgenoot. Terstond na de begrafenis bemerkte ik, dat de graaf zich met een gewichtig plan moest bezig houden. Hij sloot zich meermalen met de gravin op, hield lange, niet zelden zeer hevige redewisselingen met haar en sprak, wanneer ik tegenwoordig was, dikwijls engelsch, dat ik niet verstond; nochtans bemerkte ik duidelijk, dat gij het onderwerp van het gesprek zijn moest, daar zij u gedurig met eene zonderlinge opmerkzaamheid beschouwden. Eenige dagen daarna gaf de graaf, onder voorwendsel, dat hij in Italië inboorlingen in zijn dienst wilde nemen, aan zijne beide duitsche bedienden hun afscheid, schonk hun reisgeld en liet hen naar hun vaderland terugkeeren. Eindelijk riep hij mij op een morgen alleen en verklaarde mij, dat hij voornemens was, u als zijne dochter aan te nemen. Natuurlijk was ik daarover zeer verheugd, wijl het lot der beide kinderen mij reeds niet weinig verontrust had; maar spoedig veranderde mijne vreugde in diepe droefheid, toen hij mij zeide, voor den broeder op eene andere wijze te zullen zorgdragen, daar het volstrekt geheim moest blijven, dat de gravin niet de echte moeder van het kind was. „Dus moeten dan de kleinen gescheiden worden!” riep ik verschrikt en bedroefd uit.—„Het zal geen ongeluk voor hen zijn, die elkander nooit gekend hebben,” antwoordde de graaf. „Gij zijt de eenige, die van het geheim weet, en ik eisch van u, dat gij mij op de gewijde hostie zweert, het nimmer te zullen ontdekken. Breekt gij uw woord, herinner u dan, dat gij en uwe broeders lijfeigenen zijn en dat ik u door één woord weder in den staat der diepste slavernij kan terugslingeren.” Deze bedreiging was vreeselijk. Mijne broeders waren door de gunst van den ouden graaf, den vader van uw pleegvader, welgestelde kooplieden in Petersburg geworden; maar de trotschheid der russische grooten, die er roem op dragen, rijke lijfeigenen te bezitten, was oorzaak, dat hij hun de vrijbrieven steeds geweigerd had. Ik wist, welk een verschrikkelijk lot hun en mij zelve boven het hoofd hing, wanneer ik den eed weigerde. Daar bovendien het besluit van den graaf uw geluk verzekerde, daar ik bedacht, dat gij aan een broeder, dien gij nooit gekend hadt, niets verliezen kondt, daar eindelijk de graaf mij beloofde, voor den knaap grootmoedig zorg te zullen dragen, besloot ik, mij aan zijn wil te onderwerpen. Doch thans, in het uur van mijn naderenden dood, nu gij, mijn geliefd kind, verre van mij omzwerft, thans eerst bekruipt mij een zware gewetensangst en kan ik niet besluiten, dien last met mij in het graf te nemen. Ik weet, welke oorzaken den graaf bewogen, u tot zijne dochter aan te nemen. De gravin kon een aanmerkelijk deel harer goederen eerst dan erven, wanneer zij moeder was. Het was geen liefde, het was eigenbaat, die hen dit plan deed ontwerpen. Voor twee jaren eerst, kort voor uwe afreis naar Engeland, is haar die erfenis te beurt gevallen, die nauwelijks toereikend was, om des graven door zucht tot praal en verkwisting geheel versmolten vermogen eenigermate weder te herstellen. Thans hoopt hij door u, wier schoonheid en engelachtige goedheid aller harten moeten innemen, een rijken schoonzoon te winnen. Gij zijt in den stand der rijken, der voornamen opgevoed, gij hebt de voordeelen eener vrije geboorte verkregen. O lieve, zij zijn onberekenbaar! Verneemt gij het geheim uwer geboorte te vroeg, zoo kunt gij ze verliezen. Daarom zal het u eerst ontdekt worden, wanneer gij, als de gade van een vrijen Rus, voor eeuwig van de rechten van uw stand verzekerd zijt. Aan den vromen vader Gregoor heb ik gebiecht, wat mij op het hart drukte; ik vertrouw het aan dit papier toe, opdat hij het in de sakristij beware, het vernietige, wanneer gij ongehuwd sterven mocht, en het u overgeve, wanneer niemand u dat, wat gij met het verlies eens broeders gewonnen hebt, ontrooven kan.”

Feodorowna moest het blad uit de hand leggen, daar tranen haar verhinderden verder te lezen. Het ongeduld echter, om meer, en vooral ook het lot van haren broeder te vernemen, richtten haar spoedig weder uit die afmatting op.