Part 37
De nacht verstreek zonder eenige bijzondere ontmoeting; men had de wachten verdubbeld, en een deel der manschappen bleef onder de wapenen; intusschen werd de rust der overigen door niets gestoord. Bij het aanbreken van den dag verwachtte men den vijand in slagorde geschaard te zien. Men had zich bedrogen. De wijde ruimte, die men hem tot een slagveld had gelaten, was eenzaam en ledig. De stad met hare oude, dikke, met achttien torens gekroonde muren lag stil en doodsch in de vale morgenschemering; geen geluid liet zich daaruit vernemen. Het gansche leger der Franschen stond onder de wapens; op den eersten wenk konden de troepen in slagorde uitrukken. Men zag den keizer, door maarschalken omstuwd, meermalen over het veld rijden; hij rende de eene hoogte na de andere op en zag in het rond, deels om, ingeval het tot een treffen kwam, zijne maatregelen te nemen, deels in de gestadige verwachting, dat de vijand toch eindelijk nog zou komen opdagen.
Een maarschalk, het was Belliard, kwam op Rasinski toe, wenkte en sprak eenige woorden met hem. Dadelijk beval deze het eerste escadron, hetwelk door Boleslaw werd aangevoerd, hem te volgen.
Zij reden een eindweegs langs den Dnieper voort; bij eene kromming van den weg stieten zij op twintig of dertig kozakken, die, zoodra zij den vijand in het oog kregen, als een zwerm opgejaagde vogels ijlings over de vlakte stoven. In ééne minuut waren zij verdwenen; echter ontdekte men hen eenige oogenblikken later weder aan den voet eens heuvels, waar zij op eene plaats van den stroom, die tot hiertoe door zijne kromming onzichtbaar was geweest, met hunne paarden naar den tegenoever overzwommen.
„Duivel!” riep Rasinski plotseling uit en wendde zich tot den maarschalk, terwijl hij met de sabel voor zich uit wees. „Ziet gij naar die massa's! Het is de russische armee in vollen aftocht op den weg naar Moskou.”
De maarschalk sloeg een mistroostigen blik naar de overzijde. „De keizer zal buiten zich zelf zijn; tot hiertoe had hij nog altijd gehoopt, het leger hier tot den slag te zien uitrukken, en Davoust versterkte hem in dien waan. Nu is de begoocheling voorbij, zie slechts die onmetelijke rijen artillerie, infanterie en cavalerie, die den weg bedekken. Doch ik wil het dadelijk melden.” In gestrekten galop vloog de maarschalk thans over de vlakte terug op de tent des keizers toe.
Rasinski droeg aan Boleslaw op, met het escadron den vloed hooger opwaarts te verkennen en eene ondiepte te zoeken, waardoor men met de ruiterij en desnoods ook met infanterie en geschut den anderen oever konde bereiken; want hij vermoedde terstond, dat de keizer bevel zoude geven, de armee in de flank te vallen en haren aftocht te verontrusten.
Boleslaw reed verder dan een uur langs den oeverkant voort. Overal, waar het water slechts een schijn van ondiepte vertoonde, was hij de eerste, die beproefde er door te waden, doch nergens vond hij, wat hij zocht, en bijna had hij eenige manschappen bij zijn vruchtelooze pogingen ingeschoten. Verdrietig, dat het hem niet gelukken wilde, den last te volvoeren, was hij op het punt van den teugel om te wenden, toen hij achter zich den donder eener batterij vernam. Hij wierp zijn paard om en zag den oever met geweldige artilleriemassa's beplant, die op de, aan de overzijde van den stroom zich langzaam voortbewegende russische armee hun vuur uitbraakten. Thans wierp ook deze eenige batterijen op, om het vijandelijke vuur tot zwijgen te brengen, en spoedig werd men de vreeselijke uitwerking daarvan gewaar. Eene wolk legerde zich als een nachtelijk monster op het veld; slechts eenige roodachtige tongen bliksemden door het duister en werden onmiddellijk daarop door den rollenden donder gevolgd. Boleslaw, die de hoop om eene doorwaadbare plaats te vinden, nu had opgegeven, besloot met zijne lieden terug te rijden. Zoo had hij dan het veld der verwoesting en des doods voor zich, want niet slechts de batterijen vuurden onophoudelijk op elkander, maar ook de gansche vlakte van Smolensko dreunde van een verbitterd gevecht.
De keizer had den aanval op de stad bevolen, waarvan hij zich thans ten spoedigste wilde meester maken. De zwarte massa's infanterie rukten dus van alle zijden aan, ten einde den vijand, nadat hij door het vuur der artillerie verzwakt was, geheel te verdrijven. De aarde scheen angstig te zwoegen onder het dof gedreun; grijze rookwolken trokken langzaam over de strijdenden voort en overschaduwden het veld des doods. Als een bloedig oog blikte de verduisterde zon op de slachting neder. De vogels fladderden angstig en verschrikt in het rond en vluchtten van de schouwplaats der verdelging. Buiten den doffen donder van den slag, dien Boleslaw slechts in de verte vernam, liet zich geen geluid hooren. De natuur lag in diepe stilte; geen windje ritselde door het loover. Zwijgend en ernstig reed Boleslaw aan de spits der zijnen langs den rug des heuvels op het slagveld aan. De kamp, die de krijgers met vlammenden moed vervult, wanneer zij zich midden in zijne golven zien neergestort, verwekte thans, daar zij hem uit de verte moesten aanzien en geen aandeel in de beslissing konden nemen, eene angstige beklemming in hunne borst. Buiten de handeling geplaatst, gevoelden zij hare vreeselijke beteekenis te dieper, naarmate zij die beter overzien konden.
„Daar in dien kuil spookt de baardige satan, geloof ik,” sprak de oude Petrowski en wees naar eene plaats, waar de fransche vuurmonden in den dichtsten damp gehuld stonden.
„Zij schijnen in drievoudig kruisvuur te staan,” hernam Boleslaw.
„Voorzeker; de drie zwarte wolken daarboven bliksemen er al op los! En zij treffen. De kruitwagens vliegen in de lucht, alsof zij op vlammende mijnen stonden. Daar komt eene reservebatterij aandraven; zij moeten er al verduiveld van gelust hebben. De Moskoviten beginnen er ernst mee te maken. Hadden wij hen maar op de vlakte, waar de cavalerie er op los kan houwen! De sabel is mij van daag zoo licht in de hand als een wandelstok! Ik zou hen.... Donder en hel! alweer eene kruitkist naar den duivel!”
Inderdaad scheen de plaats, waarop Petrowski gewezen had, vooral thans, nu men nader kwam, een vuurspuwende vulkaan. De rook dwarrelde in dicht opeengepakte wolken daaruit omhoog, en trok langzaam, in donkere, zwarte wentelingen over de vlakte voort. Daardoor juist werd het vuur van den vijand zoo verderfelijk, dat hij het voordeel had, zijn tegenstander duidelijk te zien, terwijl hij zelf door den voorwaarts trekkenden rook dicht omhuld was. Zoo sloegen de kogels en granaten onophoudelijk met verheerende kracht op de batterij neer. Raderen en assen werden tot splinters geschoten, de paarden steigerden en verscheurden zeelen en strengen, granaten barstten, kruitkarren vlogen in de lucht, en bij dat alles kraakte en donderde het eigen legervuur der batterijen, dat de grond, waarop zij stonden, sidderde en dreunde.
„Wij moeten, geloof ik, nog verder links rijden,” sprak Boleslaw tot Petrowski, „anders komen wij zelve in de geschutlijn.”
„Ik geloof het ook,” antwoordde de oude; „wij konden geheel zonder noodzaak een half dozijn paarden kwijt raken en ik verlies niet gaarne iets, waar niets te winnen valt.”
„Gij hebt gelijk, oude! Er zal ons dan niets overblijven, dan achter gindschen heuvel om te rijden,” hervatte Boleslaw, na een blik over de landstreek geworpen te hebben.
Hij sloeg een hollen weg in en was dus spoedig buiten het bereik van het vijandelijke vuur, maar kon ook niets meer van het slagveld overzien. Weldra had hij het bivak bereikt, waar hij Rasinski van zijne vergeefsche pogingen bericht gaf.
„Ik wist het reeds,” antwoordde deze; „want wij hebben intusschen eenige lieden opgespoord, die met de landstreek bekend zijn. Verder opwaarts is evenwel nog een doortocht te vinden, waarvan wij echter niet vóór den avond willen gebruik maken daar er slechts weinig lieden tegelijk over kunnen trekken en de plaats door de steile oevers voor het geschut geheel ongenaakbaar is. De aanval met een geheel korps op de achterhoede der Russen is dus niet denkbaar, maar toch kunnen wij wellicht een blinden schrik onder hen brengen, een troep naloopers gevangennemen en eenigen buit maken. Dit is aan ons opgedragen. Het verheugt mij, dat wij dan toch nog eenig aandeel in den dag van heden krijgen zullen, daar de cavalerie overigens ledig toeschouwster blijven moet.”
Intusschen werd het gevecht onder de muren der stad met verbittering voortgezet. Rasinski was met zijne officieren naar een punt gereden, waar zij het bloedig tooneel in zijn ganschen omvang konden overzien. Ook thans nog was de stelling der batterijen aan den stroom de plaats, waar dood en verwoesting het vreeselijkst woedden. Met bezorgdheid richtten zich de blikken der toeschouwers daarheen, waar zoovele kameraden aan het lot van den dag moesten worden opgeofferd. Een aantal ruiters kwam uit de dichte rookzuilen te voorschijn rijden en nam zijn weg over de vlakte naar de tent des keizers. Met verbazing herkende men, toen zij naderden, den koning van Napels. Hij reed langzaam voorbij en beantwoordde den eerbiedigen groet der officieren, zonder verder naar hen om te zien. Een officier uit zijn gevolg rende op Rasinski toe. Het was de overste Regnard.
„Om 's hemels wil,” vroeg hem Rasinski, „wat hadt gij daarboven in dien ziedenden ketel te doen en bovenal wat wilde de koning daar?”
„Wat hij wilde? Bezwaarlijk, wat hij nu doet: weder terugrijden. Er moeten gisteren zeldzame dingen tusschen hem en den keizer zijn voorgevallen, want hij is geheel veranderd. Hij bleef hardnekkig bij zijn voornemen, om zich in dien helschen kuil te laten neerschieten. Toen wij hem bezwoeren terug te rijden, riep hij: „Ik wil niemand met mij in het verderf storten,” en wilde zijne adjudanten wegzenden. Eenstemmig verklaarden zij, geene schrede van hem te zullen wijken. Op hetzelfde oogenblik sloeg een houwitser neer en deed het paard van zijn lieveling Duteuil ter aarde storten, zoodat hij dezen zelf gedood meende. Verschrikt sprong hij uit den zadel en trok hem zelf van onder het stuiptrekkend dier weg. Toen hij hem nog in leven en ongekwetst zag, kuste hij hem en zeide: „Laat ons dan terugrijden.””
Bernard hoorde dit verhaal met gespannen deelneming aan en bracht het dadelijk in verband met wat hij gisteren voor de tent des keizers waargenomen, maar aan niemand medegedeeld had.
„En vermoedt men wat tusschen den keizer en zijn zwager kan zijn voorgevallen?” vroeg Rasinski.
„Ieder gist het zijne,” antwoordde Regnard de schouders ophalende; „hij zal evenmin als Duroc, Daru, Lobau, kortom, als wij allen met den veldtocht tevreden en daarover met hem in strijd geraakt zijn. Het oude lied met het oude refrein. Nu, wanneer wij heden een twintig duizend man laten, om den steenhoop daar ginds te veroveren, zal er wel een luid deuntje in het geheele leger worden gezongen. Ten minste zal ieder het stil voor zich zelf neuriën. Goeden morgen!” Met deze woorden reed hij verder en liet Rasinski in sombere mijmeringen achter.
HOOFDSTUK IV.
De aanvallen op Smolensko werden den ganschen dag door onophoudelijk vernieuwd. De Russen verdedigden zich koelbloedig, maar vreeselijk. Duizende krijgers zonken op het veld des doods neder, en nog immer was de prijs voor deze offers niet gewonnen, toen de zon reeds begon te dalen en achter grauwe wolken verdween.
Thans was de gunstige tijd voor Rasinski's plan gekomen. Hij liet opzitten en trok met zijn regiment langs den Dnieper voort, maar hield zich zoo ver van den oever verwijderd, dat men hem van de overzijde niet ontdekken konde. Nadat men een uur had afgelegd, werd deze voorzorg overbodig, daar het geheel donker was geworden.
„Ieder houde zich doodstil! Niemand mag rooken of vuur slaan!” luidde het bevel dat de overste van rot tot rot liet voortloopen. Hij had een jongeling uit den omtrek bij zich, die hem tot gids diende. Met dezen onderhield hij zich in het russisch, zoodat niemand der overigen verstaan konde, waarover hij met hem sprak. De gansche tocht werd als een geheim behandeld.
Men bevond zich in een vrij dicht kreupelhout, toen Rasinski halt liet houden. Hij zelf reed, enkel door zijn geleider verzeld, verder voorwaarts en beval het regiment, zijne terugkomst af te wachten.
Eene hooggespannen verwachting heerschte in de gelederen. Rondom ademlooze stilte; de donder van den slag, dien men nog lang in de verte gehoord had, was verstomd. De vallende avond had aan den bloedigen moord een einde gemaakt. Slechts de wind ruischte in de toppen der berken en dennen, van tijd tot tijd hoorde men het geroep van den roerdomp. Een half uur bracht men op deze wijze door. Eindelijk kwam Rasinski terug en gebood stapvoets voort te rukken. Men moest eenige woeste heuvels, die met bramen en varenkruiden bedekt waren, op en af; hierop stond men onverhoeds aan eene steile helling en hoorde de Dnieper ruischen, in wiens golven de zwarte, nachtelijke hemel zich donker afspiegelde. „Bij tweeën afgebroken en mij gevolgd!” fluisterde Rasinski den vleugelman toe; en met dof gemompel liep dit bevel door de gelederen voort. Hij liet daarop zijn paard behoedzaam bij de helling afklauteren en reed door de, hier nauwelijks drie voet diepe stroombedding. Boleslaw volgde met zijn escadron. De overigen moesten, daar die overtocht zich slechts langzaam liet bewerkstelligen, een geruimen tijd op de hoogte wachten.
Bernard, die zich altijd met de plaatselijkheid nauwkeurig zocht bekend te maken, stiet Lodewijk zachtkens aan en fluisterde, met den vinger naar den anderen oever wijzende: „Zie ik daar ginds in de hoogte niet flauw verlichte vensters? Mij dunkt, ik moest mij zeer bedriegen, zoo wij ons hier niet zeer in de nabijheid van het slot bevinden, dat ons dezen morgen reeds zoo in het oog viel.”
„Mogelijk,” antwoordde Lodewijk. „Maar zie eens dien helderen schijn daar achter ons. Wat mag dat beduiden? Boven de boomtoppen is de hemel gloeiend rood.”
„Het zal de opkomende maan zijn,” sprak Jaromir, die zich intusschen bij hen gevoegd had.
„Dat kan niet zijn,” meende Bernard; want die komt eerst tegen middernacht op.
Daar lichtte eensklaps een roode bliksemstraal door den nachtelijken hemel en een bloedigen weerschijn werd op de golven van den vloed zichtbaar.
„Dat is brand,” riep Jaromir met eene gesmoorde stem. „Ziet, ziet! Nu breekt het uit;—de vlammen slaan wild omhoog. Het is Smolensko, dat in brand staat.”
Men kon er niet meer aan twijfelen, want de donkere gloed, met lichter vuurstrepen doortinteld, breidde zich verder en verder over den gezichteinder uit en begon zijn helder schijnsel tot zelfs op de plaats neer te werpen, waar de ruiters zich opeendrongen. Thans werden ook de zwarte torenspitsen van den stadsmuur op den blakenden achtergrond zichtbaar, en de boomkruinen in den omtrek schenen als door de late avondschemering roodachtig verlicht te worden.
„Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” met deze woorden wendde Bernard zich nu weder tot Lodewijk en wees naar den anderen oever. „Herkent gij nu het slot in den flikkerenden weerglans der vlammen? Hoor de klok van het dorp. Ik geloof, men luidt storm!”
Inderdaad lag het oude gebouw duidelijk en nauwelijks een vierde uur verwijderd voor hunne oogen. Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van Lodewijks ziel meester. Zou de in scherts gesproken voorzegging bewaarheid worden? Zouden moord en brand ook hier woeden?
Doch de tijd tot verdere bespiegelingen werd hem benomen, daar het rot, waartoe hij behoorde, zich juist in beweging zette, om door de rivier te rijden. Bernard sloot dicht nevens hem aan; toen de hoeven hunner paarden in het water plasten, zeide hij half in scherts, half ernstig: „Rijden wij door den Phlegethon, door den Styx of Cocytus? Men weet waarlijk niet, of het een zwarte, dan een vurige, helsche stroom is!”
De bloedige weerschijn der vlammen, die zich ver over de wentelende golven uitstrekte, gaf hem aanleiding tot deze vergelijking. „Ten minste,” vervolgde hij, „is het voor ons de Rubicon, dien wij overtrekken. _Jacta est alea!_ Wij weten nauwelijks, of wij de overzijde bereiken, veel minder of wij dezen weg terug zullen rijden. In allen gevalle maak ik hiernevens mijn testament, broertje. Als de visschen in den Dnieper of de raven van oud-Rusland mij buit mochten maken, zijt gij mijn eenige erfgenaam. Maar mijn hart—ik begeer daarom niet, dat gij mij den kouden vleeschklomp uit de borst snijdt—breng dat aan uwe zuster Maria en deel het in vrede.”
„Hoe komt gij thans op mijne zuster?” vroeg Lodewijk geroerd.
„Zij is een kostelijk meisje, een engelachtig, braaf kind en verdiende een betere broeder, dan gij zijt. Waarom zij echter juist in dit oogenblik voor mijne ziel staat, als had ik haar zelf zoo trouw als haar spiegelbeeld geportretteert, dat weet ik niet; wij zien onze gedachten wel bloeien, maar weten niet, waar zij gezaaid zijn. Genoeg, schoon mijne gedachten dagelijks een twintig-, dertigmaal naar Dresden en Teplitz reizen, zijn zij toch in deze minuut met buitengewoon driftige vlucht derwaarts heengetrokken; zij vliegen als zwaluwen naar het huisdak. Het moet zijne oorzaak hebben, want alles in de wijde schepping steunt op goede gronden; ik wil het echter nauwkeurig in gedachtenis houden, dat ik op den 17 Augustus, 's avonds te tien uur, aan Maria gedacht heb, en dat zij mij juist in deze minuut nog tienmaal liever is geworden dan te voren.”
Lodewijk drukte den vriend met warmte de hand. Reeds meermalen had hij gemeend te bespeuren, en zich daarover in stilte verheugd, dat in Bernards borst eene zachte warme liefde voor de zuster woonde, doch de zonderlinge mensch liet zelfs den vriend bijna nooit anders, dan door de misvormende, gekleurde glazen van schertsende luim in het binnenste van zijn hart blikken. Daarenboven had Lodewijk steeds het gevoel, alsof Bernards ziel door zoo velerlei grootere gewaarwordingen en diepere, meer woeste hartstochten, zelfs dezulke waaronder zich eene vrouwelijke gestalte verborgen hield, bewogen werd, dat de stille bloem eener liefde voor de zachte, vriendelijke Maria in dien woeligen chaos onmogelijk wortel kon vatten. Er lag iets in zijne natuur, dat scheen aan te duiden: ik zou wel gaarne onder de schaduw dezer boomen vertoeven, deze vrucht plukken, in deze hut vreedzaam wonen, maar ik kan niet, ik mag niet, eene onbekende, overmachtige kracht drijft mij tegen mijn wil voorwaarts. Als de stroom, moet ik de vriendelijke oevers voorbijsnellen, en spiegel ik al somtijds den blauwen, lachenden hemel op mijne vlakte af, ras zwellen de woest schuimende golven met vernieuwde drift op en vernielen het zachte, liefelijke beeld weder. Hoe vurig deze borst ook naar een vreemd hart verlangt, ik durf er geen aan mij verbinden, want ik zou het in den woelenden maalstroom van mijn lot moeten medeslepen. Eene teedere bloem zoude ik, door haar aan deze gloeiende borst te drukken, slechts verzengen, zoodat zij ras verdord neerzonk,—ik zou haar vernietigen, al was zij mij dierbaarder dan mijn leven. Semele sterft aan de borst van Jupiter; zelfs de vader der goden vermag hare bestemming niet te keeren, hoe diep ook de wonde in zijn eigen onsterfelijk hart dringt.—Deze ééne warme ontboezeming echter, die zoo even van Bernards lippen vloeide, verdreef eensklaps al deze gewaarwordingen en twijfelingen; op den hartelijksten toon antwoordde hij: „Het is wel natuurlijk, dat gij aan haar denkt. In ernstige oogenblikken onzes levens treden de beelden onzer geliefden te lichter te voorschijn, naarmate de grond, waarop zij zich afteekenen duisterder is. Ook ik....”
„Ja, ja, gij hebt gelijk,” sprak Bernard, als om het gesprek af te wenden, „het beeld hier heeft een verduiveld zwarten grond; maar er vallen reeds lichttinten in, want de pekfakkels daar beneden branden in lichtelaaien gloed. Dra kan men de muizen over het veld zien loopen. Maar mij dunkt, de Dnieper is verwenscht koud, en uw knol heeft mij nog daarenboven een ganschen bek water over de lendenen gespogen. Gij moet beter op uw paard passen, als gij een goed kameraad wilt zijn.—Den hemel zij dank! Land! Ik ben nooit een liefhebber van zeereizen geweest.”
Zoodra het regiment op den anderen oever verzameld was, rukte Rasinski in de hoogst mogelijke stilte op het recht vóór hen gelegen slot aan. Toen men nog eenige honderden schreden daarvan verwijderd was, liet hij halt houden. „Vrienden,” sprak hij, „wij zijn aan het doel. Daar in het slot zijn, naar ik met zekerheid onderricht ben, eenige russische generaals en voornamen op een bruiloftsfeest bijeen. Hen op te lichten, is het oogmerk onzer gewaagde onderneming. Thans langzaam voort, tot wij een vlakken bodem voor ons zien en geenerlei beletsel ons meer kan ophouden. Dan echter als de bliksem er op in! Nu voorwaarts, vrienden, houdt u wakker, zijt vlug, koen, doch behoedzaam! Voorwaarts!”
Zij rukten voort, tot aan eene zachte helling. Thans liet Rasinski stormloop blazen, en in den vollen ren der snuivende rossen stoof de schaar den weg naar slot en dorp op.
ZEVENDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
De geweldige aandoeningen, die in een zoo kort tijdsbestek Feodorowna's boezem geschokt hadden, moesten haar, niettegenstaande de vrome gelatenheid en zedelijke sterkte, waarmede zij zich aan haar lot onderwierp, toch eindelijk overweldigen. Zij was op het ziekbed neergezonken; eene hevige koorts gloeide in de tot het uiterste gespannen zenuwen; de geneesheer hield haren toestand voor gevaarlijk. Tot geen prijs wilde Axinia thans van de zijde der dierbare gebiedster wijken, hoewel zij met recht de bangste vrees voor haar eigen lot moest koesteren, wanneer Feodorowna bezwijken mocht, eer zij met haren Paul het land verlaten had. Te minder nog kon zij zich aan dezen plicht der dankbaarheid onttrekken, daar de kranke slechts hare nabijheid en oppassing duldde en dadelijk in een onrustigen en dus gevaarlijken toestand verviel, wanneer iemand anders hare legerstede naderde. De tegenwoordigheid der moeder vooral scheen haar telkens sterker te ontroeren en vervulde haar eindelijk met een zoo hevigen angst, dat zij tot woeste ijlhoofdigheid oversloeg, wanneer zij deze slechts in de verte bespeurde. In kalmer oogenblikken mocht Jeannette de uitgeputte Axinia vervangen; maar niet zoodra verhief zich de hitte der koorts weder, of, met de aan kranken eigen onstuimigheid, vorderde zij de zusterlijke verpleging van de vriendin harer jeugd. Bijna eene maand ging op deze treurige wijze voorbij; eindelijk begon Feodorowna langzaam te herstellen, doch was door de ziekte zoo uitgeput, dat men nog altijd voor haar leven te duchten had. Schoon toch de hevige aanvallen der koorts geweken waren, scheen het nog immer twijfelachtig, of het lichaam kracht genoeg zou hebben, om de uitterende afmatting te boven te komen.—Het zachte jaargetijde was echter van eene heilzame uitwerking; de Julimaand met haar koesterenden zonnegloed, die zelfs der noordsche aarde een groenend tapijt ontlokt, deed de kwijnende kiem des levens tot nieuwe bloesems ontspruiten. Feodorowna genas, bijna tegen haren wil, en had niet het diep verborgen lijden, dat aan haar hart knaagde, zijne sporen om wang en lip ingedrukt en den helderen gloed van haar blauw oog eenigszins verduisterd, zoo zou de schoone gestalte weder zoo liefelijk ontloken zijn als eene roos, waarin nog de droppen van een voorbijgetogen onweder glanzen. Maar zij was niet verfrischt door den dauw des hemels, zij was slechts door zijne stormen geknakt.
Wie zelf lijdt, heeft een gevoelig hart voor de wenschen en het lijden van anderen. Zoo gevoelde ook Feodorowna, dat thans haar eerste plicht was, het laatste dreigende wolkje van den hemel van Axinia's geluk te verdrijven en de verbintenis en afreis der gelieven te bespoedigen. Gregorius gaf het jonge paar de kerkelijke inzegening, denzelfden dag nog verliet het, rijkelijk begiftigd, het grafelijk slot, om zich midden door het gewoel van den oorlog den weg te banen tot vreedzaam geluk onder een zachteren hemel.