1812: Historische roman

Part 36

Chapter 363,751 wordsPublic domain

„Hadden wij hen eindelijk!” riep Rasinski met van vreugde fonkelende oogen en beval in draf voort te rukken. Het regiment stoof den heuvel op, van wiens kruin men een uitgestrekt, vlak terrein voor zich zag, dat slechts door het gemelde boschje, dat nauwelijks een paar honderd schreden diep en ook niet veel breeder scheen, doorsneden werd. De patrouilles werden ingetrokken en men rukte in gesloten gelederen met allen spoed voorwaarts. Het hout genaderd, deelde Rasinski het regiment af en liet een escadron rechts, een ander links omrijden, terwijl hij zelf met de overigen den rechten weg, midden door het bosch, vervolgde, en iets langzamer reed, opdat men te zelfder tijd de ruimte weder bereiken mocht. Nog dampende paardenmest, die men op den weg ontdekte, alsook de vele sporen van hoeven zonder ijzers bewezen met zekerheid, dat eerst eenige minuten te voren een sterke troep kozakken door het bosch moest gekomen zijn. Thans opende het zich en had men het vrije veld voor oogen.

„Waarachtig, daar zijn zij!” riep Rasinski en duidde met den vinger op een korenveld, boven hetwelk men vele lansspitsen en pieken zag uitblinken; „nu zullen zij ons niet weder ontsnappen. Blaast ten aanval!”

De trompetten klonken. Met bliksemsnelheid braken de strijdmassa's uit het bosch te voorschijn. Rasinski beval in front op te marcheeren en de diepe colonne vormde zich tot eene breede linie. De beide escadrons, die het hout waren omgereden, werden thans ook aan den zoom daarvan weder zichtbaar en sloten zich in gestrekten galop bij het hoofdkorps aan.

Het gedruisch, door eene op deze wijze aanrukkende ruiterij te weeg gebracht, moest de kozakken, die vreedzaam voortreden en den vijand niet zoo nabij waanden, dadelijk opmerkzaam maken. Een gevecht scheen met hunne bedoeling niet te strooken; zij zetten hunne paarden aan en renden met lossen teugel voort, tot zij in de door struiken en heuvels begrensde verte verdwenen.

Toen het stof, door de vluchtelingen veroorzaakt, gevallen was, werd men eene kleine stad gewaar, die geen uur meer verwijderd scheen. „Dat zal Krasnoi zijn,” sprak Rasinski. „Waar is de Jood Isaäk? Hij moet het weten.” Isaäk had tot hier toe, met geknevelde handen op een pakpaard gezeten, het regiment met den trein en wagenknechten moeten volgen. Hier zocht men hem ook thans, doch te vergeefs; in het gewoel van den aanval was het hem gelukt te ontkomen.

„Dus hebben de kozakken ons toch nog schade toegebracht,” riep Rasinski; „dien Jood had ik met hart en ziel de galg gegund.”

Intusschen was toch een gedeelte der infanterie en eenige lichte ruiterij met het korps van den generaal Newerowskoi slaags geraakt, die na dappere tegenweer terug geworpen werd.—Tegen het ondergaan der zon sloeg Rasinski's regiment het nachtleger op. Juist had men zich om het helder vlammend vuur in een kring geschaard, toen de donder der kanonnen zich eensklaps liet hooren.

Alles geraakte in beweging, doch spoedig vernam men, dat het vreugdeschoten, ter eere van het zegenrijk gevecht met de Russen en van den geboortedag des keizers waren.

„Waarlijk!” riep Rasinski uit, „bijna zou ik vergeten hebben, dat wij heden den 15 Augustus schrijven. Dit salvo is iets waard, want het wordt met russisch, heden buit gemaakt kruit gelost. Laat ons dan ook den dag niet vergeten, mijne vrienden, maar in een vroolijken kring op het welzijn des keizers drinken.”

Deze uitnoodiging werd met blijdschap aangenomen. Het vuur vlamde spoedig helder op; daar omheen legerden zich de officieren van het regiment en de beide vrienden, die steeds door Rasinski als tot zijn staf behoorende beschouwd werden.

„Onze drinkschalen zijn wel niet van de glansrijkste,” sprak Rasinski, toen ieder het glas, den beker, of wat anders bij de hand was, gevuld had, „de tafel is wel niet te rijk bezet, maar de gasten zijn, vertrouw ik, zoo edel, als zij ooit in eene pronkzaal bijeen zaten. Zoo heet ik u dan welkom, mijne kameraden!”

Eensklaps werden zijne trekken ernstig; met waardigheid trad hij voor den kring der gelegerde broeders, steunde met den linkerarm op de sabel en hield met den rechter den gevulden beker omhoog.

„Vrienden!” begon hij op plechtigen toon, „na lange jaren betreden wij heden, door den grooten keizer der Franschen aangevoerd, het gebied van oud-Rusland voor het eerst weder met de wapens in de vuist! Wij staan op den bodem, waar onze vaderen eertijds zoo menigen roemrijken kamp met den gehaten nabuur gestreden hebben. Herinnert u, broeders, hoe er een tijd was, dat Polens vanen in Moskou van het Kremlin waaiden, dat onze waiwoden den Russen hunnen czaar gaven. De czaar Boris Godunow, die de oude stad Smolensko, welke daar achter gindsche heuvels door het duister van den nacht bedekt wordt, grondvestte en de muren met hunne torens bouwde, die wij morgen wellicht in stormloop beklimmen—die czaar Boris Godunow verloor den troon door de dapperheid onzer voorvaders. Dat waren Polens glansrijke dagen! Maar zij keeren weder! Als een feniks uit de asch zal de witte arend zich uit het rookend puin verheffen, waaronder ons vaderland bedolven ligt, sinds verraad en overmacht de brandfakkels in onze steden en velden slingerden. In de diepte smeulde de vonk voort; in de borst van elken Pool blaakt nog de machtige vlam van den ouden heldenmoed, van de oude vaderlandsliefde. De dag der vergelding, der verzoening, der gerechtigheid is daar!—De wereldgeschiedenis heeft den grooten man aan het licht gebracht, die dezen dag doet aanbreken. Zijne banieren volgende, stormen wij ter zege over onze vijanden! Op dan, ledigt op hem dezen beker. Leve de keizer, leve Polen, leve de vrijheid!”

Gelijk een stormwind de losgebarsten vlammen opjaagt, drongen de vurige woorden van Rasinski in het hart zijner van vaderlandsliefde en heldenmoed gloeiende strijdgenooten. Tot marmerbeelden versteend, hadden zij elk woord van zijne lippen opgevangen; slechts het vurige oog verried het leven in hunne borst. Thans sprongen zij op. Onder tranen en gejuich herhaalden zij den kreet: „Leve de keizer, Polen, de vrijheid!” Met duizendvoudige echo's klonk de juichtoon verder, want de kring had zich door de van alle zijden toedringende krijgers tot in het onafzienbare uitgestrekt. Toen Rasinski zijn beker geledigd had, slingerde hij dien hoog in de lucht, breidde de armen uit en sloot den naasten makker onstuimig aan de borst. De vrienden omringden hem, wierpen zich aan zijne voeten, grepen zijne handen, bedekten ze met kussen en tranen. Eene bijna waanzinnige geestvervoering had zich van allen bemachtigd; luid weenend hielden jongelingen en mannen elkander omstrengeld. Diepe smart en namelooze verrukking welden tegelijk met machtige golven in de ziel op en dreigden de geschokte gemoederen geheel te overstelpen. De ouden van dagen gevoelden zich verjongd en over den grijzen knevelbaard van Petrowski rolden even heldere tranen, als over Jaromirs bloeiende wangen.

Lang duurde het eer de hevig opbruisende vloed weder in de kalmere bedding terugkeerde. Een milde, zachte ernst vervulde hierop de gemoederen. Vertrouwelijk bleef men om de vlam gelegerd en gaf zich aan het zoet gevoel van hartelijke, broederlijke gemeenschap over. Al langzamerhand nam de gloed der legervuren af; de vermoeide natuur gevoelde na de verdubbelde inspanning eene verdubbelde afmatting. De zachte slaap deed de krijgers den een na den ander nederzijgen. Jaromir legde het blonde hoofd op Bernards schouder, die dien last gewillig droeg en eindelijk, zelfs door den sluimer overmand, met hem op het gras terugzonk. Lodewijk bleef nog lang wakende. Alles zweeg om hem heen; de verteerde denneblokken braken doormidden; de vlam verdoofde; de nachtelijke hemel welfde zich donker over het leger; door den in breede dwarlende zuilen langzaam opstijgenden rook schemerden matte sterren. Een ernstig, somber beeld!

En donker werd het in de ziel van den jongeling. Het hopeloos treurend vaderland, de verre geliefden, het dierbare beeld van een onbekend, spoorloos verdwenen wezen, dat zijn hart nog altijd geheel vervulde—dat waren de treurige gestalten, die zich op den somberen achtergrond van den nacht voor hem afteekenden.

Die diepe, onuitsprekelijke angst beklemde zijne borst; het was hem eensklaps, alsof hij aan de smart niet langer weerstand kon bieden, alsof hij onder deze bezwijken moest. Met al de innerlijke kracht zijner ziel moest hij zich wapenen, om niet moedeloos neer te zinken onder den last, die op zijn hart drukte. Zijn oog viel op Bernard, die, door den matten glans van het vuur bestraald, nevens hem sluimerde. Toen hij in dat trouwe, edele gelaat blikte, waarop fierheid en kracht zich met welwillende zachtheid innig paarden, waaruit de liefde hem uit broederlijke, hartelijke trekken vriendelijk toelachte, toen keerde eene vertroostende kalmte in zijn geschokten boezem terug, en hij dacht: „Neen, hij mag zich nog niet ongelukkig noemen, die aan de zijde van zulk een vriend insluimert!”

En rustiger vlijde ook hij thans het hoofd aan de borst van den vriend neder, hulde zich in den mantel en sliep in.

HOOFDSTUK III.

„Dat zijn de torens van Smolensko!” riep Rasinski, toen hij aan de spits van zijn regiment eene boschrijke hoogte bestegen had, vanwaar men de grijze stad op nauwelijks een uur afstand voor zich zag. „Wij moeten nu langs den zoom van den heuvel, door het kreupelhout, afdalen, om ongemerkt tot dicht onder de muren te komen.—Ik vrees, ik vrees, dat wij een harden strijd zullen te kampen hebben. Ziet gij daar die stofwolken op de heuvels aan gindschen oever van den Dnieper? Dat kunnen geen troepen van ons leger zijn! In den zwavelpoel der hel zou ik den Jood wenschen; want het is zoo goed als zeker dat hij het opzet van den keizer beluisterd of geraden en aan Barclay overgebracht heeft. Mijn kop wil ik er op verwedden, dat het de russische hoofdarmee is, die daar aanrukt!”

„Nu, dan is de gewenschte slag immers daar?” hervatte Bernard op vragenden toon.

„Misschien; maar nog niet zeker, en in allen gevalle onder veel ongunstiger omstandigheden, dan wanneer wij Smolensko vroeger bereikt, het bezet en zoo den weg naar Moskou voor den vijand afgesneden hadden. Dan moest hij ons de vesting ontrukken; thans zullen wij duizenden voor haar bezit opofferen.—Ware het ons slechts gelukt, Newerowskoi af te snijden, dan zouden wij nog de eersten geweest zijn!”

Onrustig stoof Rasinski alleen vooruit naar een nabijliggenden heuvel, die een vrijer uitzicht vergunde; het regiment trok intusschen langs den aangeduiden weg, die in breede bochten op de stad aanliep, langzaam voorwaarts.

„De landstreek is toch niet geheel onbevallig,” sprak Lodewijk tot Bernard, daar eene breede opening in het kreupelhout juist een verren blik in het Dnieperdal vergunde. „Ziet gij ginds dat kasteel aan genen oever op den heuvel?”

„Een statig gebouw,” hervatte Bernard. „Het schijnt van zonderlingen, voorvaderlijken bouwtrant, voor zoover men van hier kan zien. Wellicht zullen wij er spoedig ons nachtkwartier in opslaan, daar het, met het aanzienlijke dorp, dat zich ginds ter zijde uitstrekt, waarschijnlijk even verlaten zal zijn, als alle plaatsen, die wij tot hiertoe doortrokken.”

„Inderdaad eene treurige wildernis, die wij doortrekken!” hernam Lodewijk. „Maar het gindsche slot brengt een zonderlingen indruk op mij te weeg. Ik ondervind hier voor het eerst, dat de verte, de vreemdheid, haren invloed merkbaar doen gelden. De bouworde, de ligging, alles wekt een zonderling, zeldzaam gevoel in mij op.”

„Ook in mij flikkeren eenige vonken van avontuurlijk romantische verschijningen op,” sprak Bernard luchtig. „Hoe, wanneer daar eene bekoorlijke prinses woonde, of wanneer het slot bestormd werd, in brand vloog, en wij een liefelijk wezen van onbegrijpelijke schoonheid uit de vlammende zalen redden? Mij dunkt, ik zie den rooden gloed nu reeds om de zonderlinge torenspitsen spelen.”

„Scherts niet,” sprak Lodewijk ernstig. „Uwe voorzegging kon ten minste gedeeltelijk bewaarheid worden; wie weet, met welk vreeselijk onheil de ongelukkige bewoners werkelijk bedreigd worden!”

„Licht mogelijk, dat zij zelven de pekkransen in hunne bezitting slingeren; het slot schijnt niet ver van den landweg gelegen, die langs den anderen oever heenloopt, en tot hiertoe hebben wij niet vele onverwoeste dorpen en sloten op onzen weg aangetroffen. Het schijnt, dat de Russen ons liever eene verwoeste provincie, dan eene onvernielde stad inruimen. Doch daar komt immers Rasinski met lossen teugel terug.”

Inderdaad kwam deze met zulk een spoed aanrennen, dat zijn paard wild uit de neusgaten blies en het stof in dwarlende wolken achter hem opsteeg. Reeds van verre wenkte hij met de sabel. Zijn naaste plaatsbekleeder, majoor Negolinski, verstond dit teeken en liet het regiment in vliegenden galop bij den volgenden heuvel oprukken. Thans zag men Smolensko voor zich; tegelijk kon men de gansche landstreek tot in de verte overzien en ontdekte verschillende korpsen der groote armee, die op eenige punten reeds tot binnen de geschutlijn der vesting waren doorgedrongen. Op genen oever werd men daarentegen de tallooze russische legermassa's gewaar, die in vliegenden stormmarsch op Smolensko aanrukten, om de stad te bezetten, eer de Franschen zich van haar hadden meester gemaakt.

„Voorwaarts, voorwaarts!” schreeuwde Rasinski. „Het dal af, langs den stroom op, wellicht gelukt het ons den vijand te verrassen.” Hij zelf rende wederom ver vooruit, alsof hij het oogenblik, waarop men zich met den vijand meten zoude, niet kon afwachten.

Toen men de rivier bereikt had, lag Smolensko op zijne beide steile heuvels aan deze en gene zijde van den Dnieper, dicht voor de aanvallers, ja bijna boven hen. Reeds hoorde men kanongedonder en klein geweervuur. Wolken van stof en rook omhulden het dal en den stroom; slechts de tinnen van den ouden stadsmuur en de hooge torens verhieven zich boven den nevel. De ruiters volgden hun aanvoerder, zonder te weten, of zij vriend of vijand voor zich hadden; want in den dichten damp, dien de wind hun te gemoet joeg, was niets te onderscheiden.

Plotseling kwam Rasinski weder op hen toe. „Halt!” was zijn commando. Het regiment stond als een muur; de ruiters, door den overhaasten rit op den oneffen grond ten deele uit hunne gelederen gedrongen, ordenden zich in stilte weder. „Eerste escadron links zwenkt! Regiment marsch!”

Langzaam voerde Rasinski de zijnen de helling weder op en boven over de heuvelachtige vlakte naar eene, met hout bedekte hoogte, die buiten het bereik der vesting lag.

„Het was te laat,” zeide hij in het terugrijden. „De koning van Napels wilde van deze zijde met de cavalerie, de maarschalk Ney van gene zijde met de infanterie de stad overvallen, maar de Russen zijn te vast verschanst en hebben te veel geschut. Binnen een half uur moet bovendien de hoofdarmee hier zijn, en dan ware het dwaasheid, juist hier den kamp te beginnen. Echter heb ik hoop, dat men zich morgen door een slag van het bezit der vesting zal trachten te verzekeren, daar het er hier op aankomt, de hoofdpoort te verdedigen, die naar Rusland voert.”

Het regiment betrok het bivak.

Tegen den avond kwam een adjudant van den generalen staf aanrennen en vroeg naar Rasinski. Hij werd bij den keizer ontboden, die, benevens de maarschalken, ook alle der landstreek kundige officieren om zich verzameld had, ten einde betrekkelijk den aanval, dien hij morgen op de stad wilde ondernemen, van hen eenige inlichtingen te bekomen. Om mogelijke bevelen spoedig te kunnen afzenden, liet Rasinski zich door Bernard en Lodewijk verzellen. Zij hadden moeite de tent van den keizer te bereiken, wijl de tot nabij de stad voortgerukte troepen op bevel van Napoleon hun bivak ontruimen en het verder achterwaarts weder moesten opslaan.

„Wat beteekent die beweging?” vroeg Rasinski aan een adjudant, die met hem den zelfden weg nam.

„De keizer wil den vijand een slagveld vrijlaten; hij hoopt, dat de russische liniën morgen eindelijk geordend voor ons staan en den kamp zullen aannemen.”

„En onze stelling?” vroeg Rasinski verder.

„Daar op het gindsche amphitheater van heuvels, die een halven kring om de stad sluiten. Het zijn slechts holle wegen en engten, waartegen wij leunen; bij een terugtocht eene bedenkelijke stelling!”

„Het woord terugtocht heeft de keizer in zijn woordenboek doorgestreken,” hernam Rasinski; „voor elk ander veldheer ware de misslag groot. Hij echter heeft de zekerheid van de overwinning; tot hiertoe ontbrak hem niets dan de vijand. Gave de hemel dat die morgen toch eindelijk stand hield!”

„Hm! Ik twijfel er aan. Waarom zou hij vóór de vesting een slag wagen, wanneer hij het daarachter even goed kan?”

„Bagration heeft, naar men verneemt, den grootsten lust tot een gevecht.”

„Barclay des te minder.”

„Hij is niet bemind; de Rus haat hem, slechts de keizer is zijn steun. In zijn eigen vaderland aangetast, moet het den Rus in zijne eer ten diepste krenken, dat hij, zonder weerstand te bieden, telkens wijken moet. Barclay zal _moeten_ vechten, daar het leger hem anders niet langer gehoorzaamt. In zeker opzicht staat de veldheer, niettegenstaande zijne onbeperkte macht, nog altijd onder het bevel des legers. En het zwaarst van alles is, den strijdzuchtigen soldaat van den slag terug te houden; tevens is het ook het gevaarlijkst, want hij toont naderhand juist in het beslissende oogenblik onwil, wanneer men vroeger zijne dapperheid met geweld in boeien heeft gelegd. Een veldheer moet niet slechts het terrein, hij moet ook den innerlijken mensch weten te beoordeelen; verrekent hij zich dáár, dan zal al zijne taktiek hem weinig baten.”

„Hoopt gij iets goeds van den slag?” vroeg de officier na eene poos stilzwijgen.

„Zonder twijfel de beslissendste overwinning; echter zal zij bloed kosten.”

„Voorzeker, veel. Reeds bij den aanval van heden hebben wij een geducht verlies geleden. Van het bataljon, waarmede de maarschalk Ney liet aangrijpen, zijn twee derden gebleven. Zij geraakten in het flankvuur der russische batterij, één enkele kogel trof zoo moorddadig, dat hij vier en twintig soldaten verpletterde. Wij konden het van de hoogte maar te duidelijk aanzien.”

„Te vallen is de ernstige bestemming van den soldaat,” hernam Rasinski. „Maar hoor! Tirailleursvuur!”

„De keizer heeft bevolen, dat het eerste korps den vijand verontrusten zal, om hem misschien op dezen oever der rivier te lokken.”

Gedurende dit gesprek was men, deels tusschen bivaksvuren en gelegerde troepen door, deels om terugtrekkende afdeelingen heenrijdende, aan de legerplaats der oude garde gekomen, in welker nabijheid de tent des keizers op eene boschachtige hoogte was opgeslagen. Men zag hem juist met een vrij talrijk geleide afrijden, vermoedelijk om den omtrek te verkennen; Rasinski stoof in gestrekten galop na, de beide vrienden volgden op een behoorlijken afstand. Ongeveer een half uur reed de keizer met zijn gevolg van den eenen heuveltop naar den anderen. Van wat inmiddels verhandeld werd konden Lodewijk en Bernard niets verstaan, daar zij met andere ordonnans- en jongere officieren ten minste dertig tot veertig schreden achter de maarschalken reden. Thans hield de keizer stil en sprak met den maarschalk Ney en den koning van Napels; hierop wenkte hij Rasinski, dien hij een uitvoerig bevel scheen te geven, want hij sprak lang en met driftige gebaren.

Dadelijk reed deze terug, liet zich door Lodewijk verzellen en beval Bernard, den trein verder te volgen en daarna bij de keizerlijke tent te wachten, tot hij eenig schriftelijk of mondeling bevel ter overbrenging zou hebben ontvangen.

Bij het toenemen der duisternis keerde Napoleon naar zijne tent terug. De maarschalken Berthier, Ney, Murat, Davoust en de onderkoning van Italië volgden hem. Twee grenadiers van de garde hielden wacht aan de tent; Bernard en drie ordonnans-officieren plaatsten zich nabij den ingang, om de bevelen af te wachten. Binnen een kwartier werden de drie afgevaardigd, Bernard bleef alleen zonder verdere bestemming. Het was stil geworden; de vermoeide troepen lagen in hunne mantels gewikkeld en sliepen; ook het minste geruisch in de verte begon hoorbaar te worden. Zoo kon Bernard thans onderscheiden, dat in de tent levendig gesproken werd; echter was het hem onmogelijk den loop van het gesprek te volgen. Slechts enkele woorden verstond hij en wel bij herhaling de namen Smolensko en Moskou. Gaarne ware hij eenige schreden nader getreden, maar de beide baardige grenadiers met hunne hooge berenmutsen, die met afgemeten passen voor de tent op- en nedergingen, hielden hem door den ernstigen blik hunner zwarte oogen op een eerbiedigen afstand.

„Men spreekt van den slag, dien wij wellicht morgen leveren,” begon hij eindelijk; „kunt gij het gesprek volgen, mijne vrienden?”

„De schildwacht des keizers hoort niets, kameraad,” antwoordde een der grenadiers met strengen blik.

„En spreekt ook niet,” voegde de andere er op verwijtenden toon bij.

Pas had men deze woorden gewisseld, toen de maarschalken Ney en Davoust, beiden zichtbaar in hevige gemoedsbeweging, met rassche schreden de tent verlieten en een verschillenden weg insloegen, zonder van elkander afscheid te nemen. Het viel onmiskenbaar in het oog, dat zij zich in een uiterst verbitterde stemming bevonden. Intusschen werd het gesprek in de tent nog driftiger. Bernard onderscheidde duidelijk de stem van den keizer, die luid en heftig sprak. De vice-koning van Napels verliet eenige oogenblikken later de tent. De schildwachten trokken het geweer aan, toen hij voorbij kwam; maar de anders zoo vriendelijke, welwillende man verzuimde den groet te beantwoorden; hij scheen, innerlijk zoo geschokt en ontroerd, dat de uiterlijke voorwerpen hem geheel ontgingen. Bernard kon bij den schijn van een, niet ver van de tent brandend vuur, waaraan de keizerlijke keuken bezorgd werd, de edele veelbeteekenende trekken van den vorst, op wiens voorhoofd zorg en kommer duistere wolken samentrokken, vrij duidelijk onderscheiden. Er lag zooveel zachtheid in dat gelaat en zooveel mannelijke stoutheid met vriendelijken adel gepaard, dat de indruk, dien het teweeg bracht, onvergetelijk zijn moest. Nog volgde Bernard met onafgewende blikken de edele gestalte, toen het kletteren eener sabel zijn oog opnieuw naar den ingang der keizerlijke tent trok. Het was de koning van Napels, die in zijne avontuurlijk vreemdsoortige dracht, een reigerveer op de met pels omzoomde muts, onder het onverstaanbaar mompelen van eenige, toorn en ijver verradende woorden uit de tent te voorschijn trad. Zonder Bernard te bemerken, ging hij strijkelings diens paard voorbij, en duidelijk kon deze verstaan, dat hij stampvoetend en met eene halfgesmoorde stem uitriep: „_Moscou! Moscou! Cette ville nous pendra._”

Nauwelijks was hij echter eenige schreden verder, toen hij eensklaps als zich bezinnend, bleef staan, zich omwendde en riep: „Waar is de ordonnans van overste Rasinski?”

Bernard wilde van het paard springen en zich aanmelden, doch de koning riep hem toe: „Blijf zitten! Deze order voor den overste! Haast u!”

Met deze woorden verwijderde hij zich, en Bernard rende met lossen teugel op het bivak van zijn regiment toe.

Met een gelukkig plaatsgeheugen begaafd, gelukte het hem, in weerwil der duisternis en der van alle zijden verwarrend flikkerende legervuren, die, wijl hunne verte en nabijheid zoo moeilijk te berekenen zijn, dikwijls als dwaallichten van den rechten weg afleiden, toch in korten tijd de legerplaats zijner kameraden te ontdekken. Rasinski brak de order met driftig ongeduld open en verslond de regels bij den glans van het vuur.

„Goed, goed,” mompelde hij, „ik vrees maar, dat het onnoodig zal zijn.”