Part 35
„Waarlijk,” riep Bernard, „wanneer de Rus slechts stand wil houden. Tot hiertoe hebben wij met een schaduwbeeld gevochten. Wanneer wij den vijand dicht voor oogen hadden en hem eindelijk als Achilles aan Hector, konden toeroepen: Sta en kamp!.... dan verdween de verschijning weder in den donkeren nacht. Ik beken, dat deze wijze van oorlogvoeren mij tusschenbeiden eene bijna angstige huivering verwekt heeft. De grootste veldheer moet toch een tegenstander hebben, om hem te kunnen overwinnen.”
„Dit is nu eenmaal de vorm van den verdedigingskrijg, wanneer het terrein den aanvaller door zijne uitgestrektheid ongunstig is; reeds de eerste scythische bewoners dezer gewesten voerden op die wijze den oorlog tegen de perzische koningen,” antwoordde Rasinski. „Ik was van den beginne daarop voorbereid, want ik ken de Russen en hun land. Maar dat juist is mijn troost. Hier is de plaats nog niet, waar dit rijk het hart slaat; half vochten wij nog op eigen grond en bodem, op oud-poolschen; ook Littauwen behoorde eertijds aan den stam van Jagello. Deze bodem is den Rus geen heiligdom. Thans eerst raken wij zijne grenzen: hier begint zijn vaderland, zijne kerk. Geeft acht, hier zullen Ruriks zonen hunne haardsteden en altaren verdedigen; naar mate wij verder op den zetel des heiligen Iwans, de eerwaardige stad Moskou, aanrukken, zal ook het volk zich met meer geestdrift tegen ons wapenen. Niet alle bewoners van het russische gebied hebben één vaderland. De grensprovinciën zijn bij voorhoven en buitenzalen te vergelijken, waar het heir der zonder vaste bezitting omdolende slaven gelegerd is. Deze geeft men licht prijs, doch in het binnenste des huizes wonen de zonen en zij zullen altaren en heiligdommen met bloed en leven verdedigen. Dan zal het aan veldslagen en ik hoop ook aan overwinningen niet ontbreken.”
Men hoorde een ruiter in galop naderen. Het was Jaromir. Vlug uit den zadel springend, reikte hij Rasinski zijne orders over, die deze bij den schijn der vlammen doorliep terwijl de jongeling zijne vrienden begroette.
„Morgen tegen vier uur breken wij op. Goeden nacht dan; gebruikt den tijd die ons blijft tot rusten, want de dag van morgen vordert wellicht uwe krachten.” Met deze woorden keerde Rasinski naar zijne tent terug, en de overigen legerden zich weder om het wachtvuur, waar zij spoedig in vasten slaap verzonken.
Toen de dag aanbrak, bevond Rasinski zich met zijn regiment reeds op marsch. Hij trok op eene uitgestrekte hoogte voort, langs den zoom van een dennenwoud, dat aan zijne rechterzijde tot diep in de landstreek voorttrok, terwijl links eene heuvelachtige, met kreupelhout en laag struikgewas doorsneden wildernis het uitzicht begrensde. Boleslaw, Jaromir, Lodewijk en Bernard reden aan zijne zijde. „De keizer heeft een stout ontwerp beraamd,” dus brak hij het eerst de stilte af; „gelijk gij ziet, nemen wij eene richting, die ons van den vijand, die ver links bij Rudnia en Inkowo zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen, verwijdert. Wij zullen over den Dnieper gaan, dan, op de linkerflank door den stroom gedekt, tot Smolensko voortdringen, de russische armee omtrekken, ons midden tusschen haar en Moskou inwerpen. Waarlijk eene kolossale onderneming, die, wanneer zij gelukt, den ganschen veldtocht op eenmaal beslissen moet. Wat de maarschalk Davoust door den misslag van den koning van Westfalen tegen Bagration te vergeefs beproefde, zal thans hoop ik, tegen Barclay en Bagration tegelijk gelukken. Onze taak daarbij is, de zwermen lichte cavalerie, die zich nog op onze rechterflank bevinden konden, te verjagen en op zulk een afstand te houden, dat zij de bewegingen onzer hoofdarmee niet te vroeg bespeuren.”
De zon was thans opgegaan en wierp hare stralen op het uitgestrekte landschap, dat men van de hoogte kon overzien. „Ziet gij die massa's te voorschijn komen?” sprak Rasinski met den vinger links wijzende. „Hier, aan deze zijde van den zwarten stroom, is alles nabij en duidelijk; maar op gindschen oever ontdekt men enkel aan de stofwolken, dat cavalerie oprukt, en achter genen heuvel, die te ver verwijderd is, om de troepen zelve te onderscheiden, ziet men toch de wapens blinken. Dezer dagen kan veel beslist worden!”
Lodewijk overzag de vlakte, waarover de zwarte stroomen der volkeren voortgolfden met een zonderling gevoel.
„Wat hier voorbereid en beslist wordt,” vroeg hij zich zelf ernstig af, „zal het der wereld tot heil of ten verderve strekken? Wanneer de geweldige geest, die deze duizendtallen in beweging zet, hier eens, als weleer Alexander in Indië, den eindpaal zijner daden vond? Wanneer de kolossale, ruwe macht van Rusland haar overwicht in Europa geldend maakte?—Of als, omgekeerd, de stroom der overwinning voortbruiste tot in het hart van het oude Rusland en Frankrijks vanen ook op den zetel der czaren neergeplant, van de trotsche tinnen van het Kremlin wapperden?—Ware het dan niet gedaan met Duitschlands zelfstandigheid? Moest dan niet alles voor den franschen overmoed bukken? Zou de naam „vaderland” dan niet een ijdele klank, een ledig niets voor ons worden?”
Uit deze mijmeringen deed Bernard hem oprijzen, die, als schilder, alle uitwendige verschijningen uit het oogpunt eener schilderij opvatte. „Wat kunnen toch ook doode landschappen niet eene eigenaardige schoonheid hebben,” sprak hij zijn vriend aan; „zie slechts hoe fijn deze blauwachtig zwarte woudzoom zich met zijne zachte spitsen tegen den hemel afteekent, deze treurige eenvormigheid heeft iets treffends, gelijk ook de woestijn een eigenaardigen indruk maakt. En de breede boschstreken, die daar beneden door het land kruisen, de naakte heuvels daartusschen, waarop het roode heidekruid schemert, de vervelooze hemel, de lange grauwe wolkstrepen,—bij tijd en wijle zou ik iets dergelijks liever schilderen, dan zwitsersche landschappen.—Zoo lag ik ook in Schotland bij stille, heldere herfstdagen gaarne op de barre heiden van het Hoogland en liet de wolken over mij heentrekken.”
„Zoo lang de mensch met het huiveringwekkende en sombere vrij speelt en het van zich af kan wijzen, wanneer hij wil,” antwoordde Lodewijk, „zoo lang vindt hij er ook een bijzonder welbehagen in, de meer heldere zijden des levens voorbij te zien; doch wanneer de strenge noodzakelijkheid ons hare ernstige paden doet bewandelen, dan zien wij het duister voorkomen van het lot met geheel andere oogen aan.—Maar wat ik zeggen wilde,” dus brak hij eensklaps af, „ja, wat dunkt u? Boleslaw schijnt zeer droefgeestig; sinds wij Warschau verlaten hebben, wordt hij dagelijks somberder.”
„En dagelijks schooner,” hernam Bernard. „Zie eens, hoe edel die bleeke trekken zijn, hoe trotsch dat voorhoofd, waarop de sombere schaduwen der zwaarmoedigheid rondzweven! En het zwarte haar, de donkere gloed van het oog, de fijne mond!—Hij is de Orestes bij den zorgeloozen Pylades Jaromir, het romantische nachtstuk bij een zonsopgang, of immers het herfsttafereel bij diens lentelandschap.”
Men was onder deze gesprekken aan een kruisweg gekomen; links daalde de heuvelreeks naar de vlakte van Liozna af, rechts boog zij het woud in, naar Babinowiczi en Orsza. Rasinski sloeg den laatsten weg in en achtte het, daar hij het terrein vóór zich niet meer kon overzien, noodzakelijk, eene voorspits en zijpatrouilles uit te zenden. Jaromir ontving het bevel over de eerste, Boleslaw moest de laatste verdeelen, Lodewijk en Bernard bleven in Rasinski's nabijheid, die zich van hen als adjudanten bediende, om bevelen aan de verspreide troepen over te brengen. Men marcheerde intusschen tot aan den avond, zonder op den vijand te stooten. Des nachts bivouakeerde men deels in, deels buiten een ellendig dorp, dat door de inwoners geheel was verlaten. Met de morgenschemering rukte het regiment weder op en trok op Rasasna aan, waar de armee den overtocht over den Dnieper bewerkstelligen wilde.
De keizer was reeds met de afdeeling van Davoust aangekomen; de bruggen bij Rasasna, die haastig in goeden staat waren gebracht, wemelde bereids van troepen, die in lange zwarte massa's overtrokken. Ook Rasinski sloot zich daar achter aan en betrok zijne legerplaats aan de overzijde van den stroom, boven Rasasna, waar ook de tent van den keizer werd opgeslagen. Een littauwsche Jood, die zich aan Rasinski tot spion had aangeboden, nam tegen eene goede belooning op zich, nog eenige uren verder voorwaarts te gaan, ten einde uit te vorschen, of de vijand van de aannadering der armee onderricht en misschien ook voornemens was, krachtdadig wederstand te bieden.
Tegen drie uren in den morgen, toen het nog volkomen duister was, keerde de spion terug. Bernard was juist ontwaakt en had het vuur opgestookt, toen de zonderlinge gedaante van den Israëliet, die, daar schuwe bedachtzaamheid hem reeds tot eene tweede natuur was geworden, zonder het minste geruisch nadersloop, in den weerschijn der vlammen zichtbaar werd. Een boosaardig toovenaar scheen hij den verschrikten Bernard toe, toen hij zoo eensklaps uit den donkeren nacht in den hellen lichtkring van het vuur trad. Een lang, zwart opperkleed, om de middel door een lederen gordel vastgesnoerd, omhulde de gestalte; de spitse, roode baard hing tot op de borst neder, het smalle, bleeke gezicht stak loerend uit de wildernis der verwarde haarlokken te voorschijn, en de scherpe, grijze oogen vlamden listig, maar tegelijk boosaardig, uit hunne diepe holen. Een grijnzend lachje vertrok zijne lippen, toen hij Bernard in zijn joodschen tongval aansprak:
„Jongeheer! zeg mij dan gezwind, waar de heer overste slaapt! Ik heb hem toch noodwendig te spreken, hoort gij, jongeheer?”
„De vent ziet er uit, als de duivel in een vossenvel gekropen,” mompelde Bernard. „Hebben zij u niet opgeknoopt, Isaäk?” vroeg hij den Jood.
„Vader Abraham, wat de jongeheer voor vragen doet! Zou de oude Isaäk zoo lang geleefd hebben, om niet te weten, hoe men ontsnapt aan een hennipstrik? Maar breng mij gezwind bij den heer overste, het heeft haast!”
„Kom, zone Abrahams, zet uwe zolen op de sporen mijner voetstappen, zoo zult gij komen, waar gij hem vindt, wiens geld gij zoekt. Voorwaarts!” Met deze spotachtige woorden ging Bernard voor en geleidde den ouden sluwkop door de groepen der rondom de vuren gelegerde ruiters naar de plaats, waar Rasinski, in zijn mantel gehuld, op een bos stroo sliep. Bij de aannadering der schreden richtte deze zich dadelijk op en zag scherp rond. „Zijt gij het, vriend Isaäk?” riep hij, de komenden herkennende. „Nu? Brengt gij nieuws van belang?”
De Jood wenkte met geheimzinnige gebaren en trok hem ter zijde. Bernard wilde zich verwijderen, doch Rasinski gebood hem te blijven. Inmiddels sprak deze lang en heimelijk met den Jood en hoorde, naar het scheen, met toenemende belangstelling diens berichten aan. De trekken van den spion werden gestadig levendiger; het grijnzend boosaardige lachje straalde van minuut tot minuut duidelijker door, naarmate Rasinski met de narichten meer en meer tevreden scheen te zijn.
„Vervloekte Judas!” mompelde Bernard. „Ik zou die tronie niet vertrouwen, al bezwoer de vent op ziel en zaligheid, mij regelrecht naar het paradijs te brengen. Doch Rasinski kent dat volk!”
Isaäks bericht was ten einde; deemoedig stond hij voor den overste en scheen met diepen eerbied diens verdere bevelen te willen afwachten. Rasinski trok zijne beurs; het gelaat van den Jood glansde van vreugde, de begeerte naar het metaal flonkerde in zijne oogen, en toen hij eindelijk in de gierig uitgestrekte hand een aantal goudstukken voelde, barstte hij in de uitbundigste dankbetuigingen los.
„God Abrahams!” riep hij, terwijl hij zich beijverde Rasinski's handen te kussen; „bescherm mijn weldoener, die mij niet laat omkomen in den tijd van ellende en gevaar. De honger zou verscheuren mijne ingewanden, dat ik huilde als de wolf in den winter, als gij niet waart mijn grootmoedige redder, edele heer!”
Rasinski wenkte met de hand en gebood hem te zwijgen. De Jood wilde zich verwijderen en trok onder het gaan een kleinen lederen buidel te voorschijn, om de goudstukken te bergen. Doch tegelijk trok hij onvoorziens eene tweede, aanmerkelijk zwaardere beurs, waaraan de koord der eerste moest zijn vastgehaakt, uit den gordel op en liet ze voor zijne voeten neervallen. Isaäk schrikte kennelijk en wilde toegrijpen, maar Bernard, die het gezicht van den Jood in den weerschijn der vlammen bespied had, kreeg dadelijk argwaan en sprong eveneens toe, om den buidel meester te worden. Daar het gras hoog en de grond niet door het vuur verlicht was, tastten beiden eene poos tevergeefs in het rond, tot eindelijk Bernard met zijn vond opsprong.
„Geef hier, mijn lieve jongeheer,” riep Isaäk haastig, „het is mijn zuur verworven goed. Wat men thans niet bij zich draagt, is niet zeker! Ik bid u, geef.”
De angstige toon, waarop hij deze woorden sprak, en zijne driftige gebaren versterkten niet alleen Bernards achterdocht, maar maakten ook Rasinski's opmerkzaamheid gaande.
„Hm! zwaar, zeer zwaar,” sprak Bernard opzettelijk overluid; „vermoedelijk enkel goud?”
Rasinski trad nader.
„Ei, beware!” riep Isaäk, „een weinig zilver en koper, met een paar oude dukaten daarbij.” Tevens strekte hij den arm driftig naar de beurs uit en wilde haar grijpen. Bernard trok echter de hand terug, hield den schat tegen het schijnsel der vlammen, en sprak nog luider: „Zilver? koper? Wat ik bij het licht van 't vuur door de reten glinsteren zie, schijnt mij zuiver goud te zijn.”
„Laat eens zien!” sprak thans Rasinski en kwam haastig nader. Lachend gaf Bernard hem de beurs over; de Jood waagde niet iets in te brengen, doch sprak sidderend en op een deemoedig smeekenden toon: „Grootmoedige heer! Het is het weinige, dat ik heb gered uit den nood. Gij zult de bezitting van een ouden hulpeloozen man niet rooven.”
„Rooven?” sprak Rasinski verachtelijk. „Ben ik een strooper? Maar,” ging hij op dreigenden toon voort, „gij zult mij niet wijs maken, dat dit geld reeds lang uw eigendom geweest is. Denkt gij, dat ik niet beter weet, wat een Jood van uws gelijken in Littauwen besparen kan? Ik zou gelooven, dat gij met dezen schat bij u van het eene leger in het andere als spion zoudt rondsluipen? Tien voeten onder de aarde, in het dichtste bosch zoudt gij uw geld nog niet veilig achten. En waarom ontkent gij, dat het goud is. Waar is het zilver en koper onder deze nieuwe dukaten? Beken, Jood, van waar hebt gij het goud?”
Isaäk rilde over al zijne leden; eindelijk stotterde hij met moeite: „Wat kunt gij denken, genadige heer overste? Hoe zou de oude Isaäk bezitten ander goud, dan wat hij in de zestig jaren van zijn leven bespaard heeft? Waar zou hij het begraven? Welke grond is zijn, dat hij kon weervinden den schat? En daar ik het verbergen wou, dat ik ettelijke dukaten bespaard heb, zoo zeg mij toch, wanneer is het raadzaam met zijn geld openlijk te loopen te pronk?”
„Ellendige uitvluchten!” riep Rasinski. „Hier neem uw geld terug, ik verlang het niet. Dit echter zeg ik u, smelten laat ik het en gloeiend zult gij het doorslikken, als uwe tong mij leugenachtig bedrogen heeft! Deze dukaten schijnen mij het Judasloon voor gewichtiger narichten, dan gij mij gebracht hebt. Hebt gij den vijand iets verraden, mislukt het plan dat wij voorhebben, dan sidder, want gij zult weten, met wien gij te doen hebt!”
De Jood wierd bleek als de dood; zijne knieën knikten; plotseling wierp hij zich aan Rasinski's voeten neder en kermde op den toon der vertwijfeling: „Genade, barmhartigheid!”
„Recht!” donderde Rasinski hem toe. „Onderzoekt hem dadelijk ten strengste, of hij papieren of iets dergelijks bij zich draagt.”
Een onderofficier en twee soldaten maakten zich terstond van den jammerende meester, sleepten hem naar het naaste vuur en bevalen hem zich dadelijk tot op het hemd te ontkleeden.
Zulks was weldra geschied. Men doorzocht het opperkleed, de broek, den lijfgordel, de kousen en schoenen, zonder iets te vinden; zelfs eene snede door de schoenzolen bracht tot geene ontdekking. Isaäk stond inmiddels in het bloote hemd en volgde met angstige blikken de beweging der soldaten. Zijne trekken helderden nochtans op en werden rustiger, toen het eene stuk zijner kleeding na het andere onverdacht bevonden en ter zijde gelegd was. „Zoo waar God Jehova boven mij leeft,” riep hij uit, „ik ben een onschuldig oud man. Geef mij, ik bid u, het mijne terug, en mijne kleedingstukken, en laat mij in vrede heentrekken naar mijne hut!”
„Daar, trek den rommel aan,” riep een onderofficier en wierp hem de broek toe. Isaäk ving haar met beide handen op; maar in hetzelfde oogenblik wierp een soldaat hem ook het opperkleed op dezelfde wijze toe. Daar de Jood juist naar het eerste stuk gegrepen had, kwam het tweede hem, eer hij het afweren konde, op het hoofd te land, zoodat hij zich een oogenblik in de plooien verwarde. Dit gaf den moedwilligen soldaten aanleiding hem te sarren, daar zij hem het wijde kleed al verder over het hoofd neertrokken, tot hij geheel daarin verwikkeld werd en als verbijsterd, maar toch met luid gekerm en driftigen tegenstand heen en weer tuimelde.
Juist wilde Rasinski aan dit woeste spel een einde maken, toen de Jood, door een soldaat met kracht voortgesleurd, struikelde en op den grond viel, zoodat het kleed in de handen der krijgers bleef. Doch tegelijk met het gewaad, was den gevallene ook de valsche haarpruik, die tot nog toe door niemand was opgemerkt, ontrukt geworden, en zijn kale schedel werd voor aller oog zichtbaar. Niets kwaads vermoedend, lachten de soldaten over dit nieuwe onheil dat den Jood bejegende, toen Bernards scherpziend oog een strookje papier ontdekte, dat de Jood tusschen schedel en pruik verborgen gehad en zoo even verloren moest hebben. Hij wilde het oprapen, maar Isaäk, zich zelf niets goeds bewust, kwam hem voor, greep het aan en slingerde het, eer Bernard zijn arm kon tegenhouden, in den gloed van het helder vlammend wachtvuur, waar het oogenblikkelijk tot asch verbrandde. Deze omstandigheid gaf aanleiding tot een nieuw onderzoek. De Jood lochende alles; hij zwoer bij den God zijner vaderen, dat hem van een papier niets bewust was, en dat hij niets in het vuur geworpen, maar slechts zijn witten doek van den grond opgeraapt had. Rasinski liet hem dadelijk den schedel nauwkeuriger onderzoeken, en men ontdekte, dat het haar eerst onlangs was afgeschoren en Isaäk dus geen pruik had noodig gehad. Met loosheid bracht hij tot zijne verdediging in: „God der genade! wat ik gedaan heb, om u te kunnen dienen, dat zal thans worden bij u mijn verderf? Toen ik mij aanbood, uit honger en nood, om voor u te wagen het gevaarlijk werk, moest ik toen niet bedenken, hoe ik u nuttig kon worden, zonder u te verraden? Wist ik, wat ik voor u zou te doen hebben? Heb ik niet altijd gehoord, dat men brieven, berichten en andere papieren voorzichtig moest overbrengen? Daarom heb ik—en nu treft mij de straf!—geschonden de heilige wet, en een scheermes gebracht aan mijn hoofd! Moet gij mij straffen, wijl ik gezondigd heb, om u te dienen? Spreek, en neem tot getuige uw God, heer overste, als gij mij hadt gezegd: Isaäk, hier is een brief, ga heen, breng hem aan den vijandelijken generaal, doch laat hem niet vallen in vreemde handen! zoudt gij dan hebben gevraagd wat de oude Isaäk had aangevangen, om te doen naar uw woord? Hadden zij mij gesnapt en gehangen, zoudt gij niet geroepen hebben: hem geschiedt naar recht; waarom is hij niet voorzichtig en slim, als een kondschapper past? Is het mijne schuld, dat gij mij niets anders dan eene mondelinge boodschap gegeven hebt?”
Op dezen toon ging de Jood, door doodsangst gefolterd, met toenemende welsprekendheid voort, en inderdaad, zijne gronden waren bezwaarlijk te wederleggen. Echter gelukte het hem niet Rasinski van zijne onschuld te overtuigen, die beval, hem zorgvuldig te binden en, wanneer men oprukken mocht, op een pakpaard mede te voeren.
„Bespeur ik aan de bewegingen van den vijand,” riep hij den Jood toe, toen deze werd weggeleid, „dat hij gewaarschuwd is, dan zijt gij rijp voor de galg en zult haar niet ontgaan. Hebt gij niets verraden of kunnen verraden, loopt dan waarheen gij wilt, tot anderen u hangen: achter Liady zijt gij toch niet te gebruiken, daar de Rus uw, bloed en merg der armen uitzuigend geslacht op zijn bodem niet duldt; het eenige, wat ik in dat volk prijzen kan. Nu marsch! Bewaakt hem wel!”
De luid jammerende en weeklagende Jood werd onder den hoon en den spot der moedwillige soldaten in hechtenis gebracht; zoo veracht toch is het snoode, maar helaas onontbeerlijke handwerk van den spion, dat zelfs zij, wie hij van nut is, hem liever mishandeld dan beloond zien.
HOOFDSTUK II.
Bij het aanbreken van den dag was het gansche leger der Franschen reeds weder op marsch.
Rasinski had bevel bekomen, zich bij de voorhoede onder den koning van Napels aan te sluiten. Op een zijweg, dien Isaäk aanwees, won hij zooveel grond, dat hij de lange colonne infanterie, die de maarschalk Davoust aanvoerde, voorbijtrekken en zonder verdere hindernissen het punt zijner bescherming bereiken kon. Hier vond men den prins Murat reeds door verschillende stafofficieren omgeven, en bezig het voor hem uitgestrekt liggende terrein met rassche blikken te monsteren. Rasinski reed op hem toe, ten einde zich te melden en den koning te berichten, dat hij aan Isaäk verschuldigd was, mede te deelen, zonder echter zijne vrees te bewimpelen, dat de spion zich van een dubbel masker bediend had en den vijand wellicht meer tot nut was geweest dan het leger van den keizer.
„Wanneer slechts dat waarheid is,” antwoordde de prins, „wat de Jood u heeft opgegeven, dan kan een onverwijld handelen nog alles redden. Wij moeten het korps van den generaal Newerowskoi afsnijden, vernietigen en Smolensko op die wijze vroeger bereiken dan hij. Het hoofdleger des vijands kan de vesting uit zijne standkwartieren onmogelijk zoo snel naderen, dat wij hem nog niet zouden kunnen voorkomen. Dit is het oogenblik, waarin wij den veldtocht van het geheele jaar kunnen beslissen. Snelheid is thans onze eerste plicht; laat ons dien vervullen.”
Deze woorden waren ook het teeken tot oprukken.
De hoofdarmee zette haren marsch langs den Dnieper voort, zoo echter, dat tusschen den stroom en de groote heirbaan nog eene aanmerkelijke ruimte bleef. Rasinski marcheerde met zijn regiment het naast aan den vloed; hij zond eene patrouille vooruit, welke Jaromir, een andere op de rechterflank, die een jonger officier aanvoerde; ter linkerzijde verleende de stroom genoegzame zekerheid.
„Een verdrietig werk,” wendde Rasinski zich tot Lodewijk, „zoo altijd den vluchtenden vijand na te trekken, zonder hem ooit te kunnen bereiken. Hier moeten zeer onlangs kozakken geweest zijn; zie slechts, de sporen zijn nog versch en duiden onbeslagen paarden met kleine hoeven aan. Aan hen hebben wij het vermoedelijk te danken, dat alle bruggen en vlonders zijn afgebroken, zoodat wij gestadig door het water kunnen rijden. Maar wat gebeurt daar! Jaromir zendt bericht.”
Men zag een lansier naderen; Rasinski galoppeerde op hem toe, om het naricht des te spoediger te ontvangen. Jaromir liet weten, dat hij zoo even, bij het beklimmen eener hoogte, twee kozakken ontdekt had, die dadelijk in een vooruit gelegen boschje verdwenen waren en vermoedelijk tot een sterken troep behoorden.