1812: Historische roman

Part 34

Chapter 343,940 wordsPublic domain

Neen, ik wil het wagen; het is mijn heilige plicht het te wagen, dacht zij, zich vermannend; eindelijk moeten deze raadsels zich oplossen. En wie zegt mij dan, dat ik een nieuw onheil te gemoet ga? Kan het niet een grootmoedig vriend zijn, dien ik, wanneer ik het stilzwijgen verbrak, in het verderf bracht? Gij, mijne moeder, blikt uit gindsche zalige kringen in mijn beklemd hart, uw geest zal mij omzweven, aan u wil ik mij toevertrouwen.

Na dit onwrikbaar besluit werd hare ziel weder kalmer en geruster.

De dag verstreek, het bestemde uur naderde. Maria ging naar hare kamer, verzegelde het geheimzinnige blad, dat zij ontvangen had, en voegde er de woorden bij: „Dit zal mij rechtvaardigen, wanneer een onwaardig vermoeden mij treft, mij redden, wanneer mij gevaar dreigt. Het zegt u waar ik ben”. Op den omslag schreef zij: „Aan mijne geliefden! Doch dan slechts te openen, wanneer ik te middernacht niet terug ben.” Dezen brief legde zij op hare tafel en verliet hierop in een mantel gehuld en zorgvuldig gesluierd het vertrek en het huis.

Het was reeds volkomen donker en geheel eenzaam; zij sidderde, maar verloor hare bedaardheid niet. Schuw en huiverig betrad zij de donkere kastanjelaan; de aangeduide linde stond in het eenzaamste en verst verwijderde gedeelte van den tuin. Dit vermeerderde hare bezorgdheid. Een tuinarbeider ontmoette haar en zag haar verwonderd aan. Eensklaps viel haar in, dat zij zich van den bijstand van dien man verzekeren konde, zonder hem iets te ontdekken. Zij wendde zich om, ging hem na en sprak hem aan: „Mijn vriend, wilt gij een goed drinkgeld en wellicht nog meer verdienen?”

„Daartoe ben ik nu en altijd bereid.”

„Blijf dan een uur hier op deze bank zitten of vertoef ten minste hier in de nabijheid, doch zorg dat men u niet bemerkt. Neem dit vooreerst aan; als ik terugkom, krijgt gij driemaal zooveel. Hoort gij mij luid om hulp roepen, kom dan spoedig bij de groote linde, daar beneden aan den tuinmuur.”

„Daar, waar de heer met den mantel staat?” vroeg de arbeider.

„Juist, daar,” antwoordde Maria niet zonder schrik.

„Hm! Hm! Uwe genade moest liever in het geheel niet gaan,” meende de oude en schudde bedenkelijk het hoofd. „Dien heer zijn vreemde lieden in den tuin juist zoo lastig, als zij voor uwe genade noodig kunnen zijn. Hij heeft mij daareven vijf guldens gegeven, opdat ik met werken ophouden en naar huis gaan zou.”

„Dat mag zoo zijn,” sprak Maria bevend, „ik wil ook niet, dat gij dáár komen zult, maar blijf hier in den omtrek,” tevens gaf zij hem eenige geldstukken.

De arbeider scheen besluiteloos en zweeg eenige oogenblikken; eindelijk sprak hij: „Nu dan, aan mij zal 't niet haperen, ik zal hier blijven en uwe genade kan op mij staat maken. Maar neem u toch in acht; de heer ziet er uit als een volleerde italiaansche spitsboef, dien ik heb leeren kennen, toen ik als bediende met vorst Clary in Napels was. Doch vergeve uwe genade mijn gebabbel, gij zult voorzeker wel weten, met wien gij te doen hebt.”

„Ja wel, ja wel!” sprak Maria op een toon, die het tegendeel te kennen gaf. Zij wankelde in haar besluit. Doch met vernieuwde kracht sprak zij tot zich zelve: „Gij hebt er het dierbaarste, uwen naam, reeds aan gewaagd en zoudt gij nu voor uw leven sidderen? Dwaasheid! En welk belang kan iemand bij uw dood hebben? Het is niets; de vrees is ingebeeld, uw zusterplicht vordert dien gang van u.”

Met haastigen tred zette zij haren weg voort. Toen zij in de nabijheid der linde kwam, zag zij eene donkere gestalte onder deze op en neder gaan. Schoorvoetend trad zij nader. De onbekende had haar echter nauwelijks ontdekt, of hij ijlde ras op haar toe en sprak: „Het verheugt mij, dat gij moeds genoeg gehad hebt, om aan mijne uitnoodiging te voldoen.”

Eene ijskoude rilling greep Maria aan, toen zij deze stem vernam; het was Beaucaire, voor wien een onoverwinnelijke afkeer haar van het eerste oogenblik af had gewaarschuwd. Echter bedwong zij zich, daar zij duidelijk besefte dat het noodzakelijk was zich tegen dezen man met al de vastheid, al den adel te wapenen, die het gevoel van onschuld en recht aan een vrouwelijk wezen verleenen kunnen.

„Ik moest inderdaad wel,” hervatte Maria, „daar gij mij door eene geheimzinnige bedreiging hier heen gesleept en mij zoo den gewaagden stap, waartoe ik anders voor geen prijs zou besloten hebben, tot plicht gemaakt hebt.”

Beaucaire scheen misnoegd over dit korte antwoord, dat hem door de vastheid, waarmede het gegeven werd, zeer ver van het doel zijner wenschen terug wierp. Hij gevoelde, dat zijne taak niet gemakkelijk zijn zoude, en besloot derhalve, met het stalen voorhoofd van schaamtelooze stoutheid door te dringen. „Gij neemt,” sprak hij, „een trotschen toon aan, die u dunkt mij weinig voegt. Weet dan, dat het lot uws broeders in mijne hand ligt, dat ik alleen in staat ben hem te redden of te verderven. Ik ken zijne schuilplaats; hij heeft haar sluw genoeg daar gekozen, waar niemand hem zoeken zou, bij het leger.”

Maria stond sprakeloos daar; de schrik had haar stem en adem benomen.

„Gij moogt dus,” ging Beaucaire met spotachtigen nadruk voort, „nog wel iets meer doen, dan ik tot hiertoe van u geëischt heb, in geval het u op den bijstand van den man aankomt, op wiens lippen het leven uws broeders zweeft.—Doch, gevoelt gij u niet wel?”

Maria was genoodzaakt geweest, zich aan den stam der linde vast te houden, om niet machteloos neer te zinken. Beaucaire geleidde haar, terwijl hij haar met onzachte ruwheid vast omklemde, naar eene, weinige schreden verwijderde tuinbank.

„Zeg mij,” sprak Maria met inspanning, „wat ik voor mijn broeder doen kan. Ik zal het zwaarste niet schuwen, ik mag het niet; van de volle dankbaarheid eener liefhebbende zuster kunt gij u verzekerd houden, wanneer gij mij grootmoedig den weg tot redding aantoont.”

„Vooreerst geeft gij mij nauwkeurig op,” viel Beaucaire haar in de rede, „hoe ik uwen broeder papieren van gewicht langs den zekersten weg kan toezenden; hij moet onverwijld onderricht en van middelen ter ontvluchting voorzien worden, daar zijne gevangenneming van dagen, wellicht van uren afhangt.”

Maria had inmiddels zooveel bezonnenheid herkregen, dat zij zich door die arglistige vraag niet verrassen liet. „Wat gij mijnen broeder toezenden wilt, geeft gij aan mij,” hervatte zij haastig; „ik doe het hem zeker toekomen. Een anderen weg kan ik u niet opgeven.”

Beaucaire knarsetandde van spijt over dit antwoord; Maria had het nauwelijks gegeven, of zij zelve verwonderde zich schier over den gelukkigen uitweg, dien zij als door eene hoogere ingeving gevonden had. Inderdaad had dan ook, in het tijdsbestek van weinige seconden, eene reeks van gedachten en samenknoopingen van omstandigheden hare ziel doorkruist, die haar noodzakelijk den hoogsten argwaan tegen Beaucaire moest inboezemen. Het voorval met den postbeambte liet haar thans geen twijfel meer, of het brievengeheim moest ook in betrekking tot haar geschonden zijn; met de hoogst mogelijke nauwkeurigheid riep zij zich dus den inhoud van Lodewijks laatste letteren voor den geest terug, om te berekenen, of zij ook iets behelsden waaruit zijn verblijf, zijn naam en verdere betrekkingen nader waren op te sporen. Met een verruimd hart kwam zij tot de overtuiging, dat door den brief niets kon verraden zijn, dan dat hij zich bij het leger ophield. Met de scherpzinnigheid, de verhoogde zielskracht, welke de hemel in oogenblikken van gevaar aan schuldelooze zielen verleent, ontdekte de anders zoo argelooze thans het weefsel der boosheid, waarmede men haar omstrikken wilde, zonder echter de zwartste diepte van den helschen afgrond te vermoeden, waarin Beaucaire haar trachtte neder te storten.

„Gij schijnt mij niet te vertrouwen,” sprak deze eindelijk misnoegd en geraakt; „ofschoon ik u door deze samenkomst toch wel eenige bewijzen van mijn goeden wil, om u van dienst te zijn, gegeven heb. Bedenk echter, dat ik ook reden heb om voorzichtig te zijn; in mijne betrekking moest ik zonder verschooning te werk gaan en mij op de strenge baan der wetten houden. Waag ik uit medelijden een omweg, dan moet ik volle zekerheid hebben, dat mij deswege geene verantwoordelijkheid treffen kan. Op zulke gevaarlijke paden kan men echter slechts zich zelf vertrouwen.”

„Hoe?” riep Maria levendig, „vreest gij, dat de zuster, wier broeder gij redt, u verraden zal?”

„Niet opzettelijk; maar onvoorzichtigheid, gebrek aan inzicht, aan kennis der omstandigheden....”

„Dit alles is hier onmogelijk,” viel Maria hem in de rede; „want de weg dien ik heb in te slaan, is te eenvoudig, om mij daarin te bedriegen.”

„Gij wantrouwt mij dus?” vroeg Beaucaire grimmig.

Maria beefde, het was hare bedoeling niet om hem te verbitteren. Zij antwoordde dus op een zachten toon: „Ik heb een vreemd geheim te bewaren; gij zult voorzeker niet verlangen, dat ik er misbruik van maak. Uit de getrouwheid, waarmede ik dezen ouderenplicht vervul, kunt gij de overtuiging opdoen, dat ik omzichtig en nauwgezet ook met betrekking tot u handelen zal, daar gij mij eene weldaad wilt bewijzen, welke ik door levenslange dankbaarheid niet zal kunnen vergelden.”

Beaucaire geraakte in verwarring; het edele, vaste en toch vrouwelijk zachte gedrag van Maria oefende zelfs op zijn ontaard hart zulk een onwederstaanbaar vermogen uit, dat hij bijna den moed verloor tot het doen der schandelijke voorslagen, om welke te beproeven hij deze eenzame samenkomst met haar had opgezocht. Onwillekeurig had het gesprek, dat hij door den schrik der eerste bedreigingen op zijn eigenlijk doel had trachten te brengen, eene geheel andere wending genomen, en hij zag zich thans ten eenenmale afgesneden van den weg, dien hij gemeend had in te slaan. De spijt echter, dien hij over zichzelf gevoelde, daar hij zijne vaste besluiten door weinige woorden van een meisje aan het wankelen had laten brengen, deze valsche schaamte der verharde boosheid dreef hem aan, het masker plotseling af te werpen.

„Op dankbaarheid,” sprak hij, „hoop ik natuurlijk en durf daarop rekenen, daar eene schoone zuster juist de beste middelen bezit, om voor een gewichtigen dienst, dien men den broeder bewijst, de schuld af te doen.”

Met deze woorden greep hij de rechterhand van Maria en drukte en kuste ze op eene wijze, die het verschrikte meisje op eens een nieuwen blik in den zwarten achtergrond der misdadige bedoelingen openen moest. Schuw sprong zij op en riep: „Mijn God! wat wilt gij?” Beaucaire liet haar echter niet los, wilde haar bij zich neertrekken en sprak: „Niet zoo schroomvallig, liefje, het leven eens broeders is toch wel den kus eener zuster waard!”

„Ellendeling!” riep Maria, die thans den ganschen omvang zijner afschuwelijkheid overzag, met onstuimige hevigheid. „Laat mij los, of ik roep hulp!”

„Bedaar, bedaar,” sprak Beaucaire, zonder de zich krachtig verwerende los te laten; „luister een oogenblik toe. Uw broeder is bij de armee, morgen vertrek ik naar het hoofdkwartier. Twee uren zijn dáár voldoende, om hem, dien ik zoek, op te sporen, en vierentwintig bij den krijgsraad meer dan genoeg, om van de aanklacht tot de voltrekking over te gaan. Uw broeder heeft den dood verdiend, zijn leven is in mijne en uwe hand.... wilt gij....”

„Nimmer!” riep Maria en rukte zich met geweld uit zijne armen los. „Mijn broeder zou een leven verachten, dat hij op die wijze moest koopen. Waag het niet, mij te naderen; een enkele schreeuw brengt mij hulp aan!”

„Vrees geen geweld,” stamelde Beaucaire met verstikte woede, „ik ben geen roofdier dat u verslinden zal. Doch thans raad ik u voor de laatste maal,” ging hij met snijdende koelheid voort, „versmaad mijne aanbieding niet. Hier achter den slottuin wacht ons een rijtuig; het brengt u aan eene veilige plaats. Daar vind ik u binnen twee uren en overhandig ik u de papieren, waarmee uw broeder ongehinderd naar Engeland, waar hij volkomen zeker is, kan afreizen. Gij zelve kunt u op weg bij hem voegen. Verklaar u thans.”

Maria was in hevigen tweestrijd met zich zelve. Plotseling wierp zij zich aan Beaucaire's voeten neder, klemde zich aan zijne knie vast en riep met snikken en tranen: „Neen, het is onmogelijk! Het is slechts eene gruwelijke scherts, maar zij is te gruwelijk. Houd op, ik smeek u, maak een einde aan mijn angst, aan mijne vertwijfeling. Laat mij niet langer op de folterende pijnbank. Ik deed u onrecht, zeker, schreeuwend onrecht, en thans straft gij mij daarvoor. Maar het is genoeg, ik heb genoeg geboet! Keer nu tot de waarheid terug! Ach, gij kent niet den doodsangst eener zuster, die voor het leven haars eenigen broeders, ach, van het eenige, dat zij nog op aarde bezit, beven moet.”

„Sta op, ik hoor iemand komen,” sprak Beaucaire driftig, maar zacht.

Het was de oude arbeider, die, door het levendige gesprek opmerkzaam gemaakt, nader trad.

„Neen, neen!” riep Maria, „niet, eer gij mij zweert...”

„Gij zijt waanzinnig,” hervatte Beaucaire woest en reet zich met geweld van haar los. „Wilt gij mij volgen of niet? De tijd is mij kostbaar!”

„Nimmer!” riep Maria met terugkeerende kracht en bezinning, terwijl zij zich met waardigheid oprichtte. „Mijn broeder moest mij vervloeken en ik mij zelve verachten. Ga dan, bloeddorstig monster, en volvoer uwe schanddaad. Voeg ook nog dien gruwel bij de tallooze misdaden, die uw rampzalig volk in ons arm vaderland begaat. Ik vraag naar niets meer! De dood is een oogenblik, de toekomst eeuwig. Moord mij ook, als gij wilt. Wij sidderen niet voor den dood! Ik, een meisje, weet te sterven; gelooft gij, onze mannen zouden het niet kunnen? Zegenen zal mij mijn broeder, daar ik weigerde, hem op zulk eene schandelijke wijze te redden.”

Beaucaire stond, door woede en schaamte gefolterd, voor de door edelen toorn bezielde gestalte; hij vreesde te vluchten en waagde niet te blijven. „Die razernij zal u berouwen!” riep hij, toen de arbeider nader en nader trad, met de doffe stem van verkropte woede. Hierop drukte hij zich den hoed in de oogen en verdween met verhaaste schreden in de donkere laan.

Maria bedekte het weenende gelaat met beide handen; na eenige minuten hief zij het weder op en sprak, terwijl zij het oog naar den donkeren hemel sloeg: „Gij, mijne moeder, die daar boven de sterren woont, gij zult mij troosten en beschermen, wanneer ik geheel alleen ben op deze aarde.” Uitgeput wankelde zij naar de bank en zette zich neder. Nu trad de welmeenende oude op haar toe en vroeg:

„Heb ik verkeerd gedaan, uwe genade te storen? Maar God weet het, ik hoorde zoo driftig spreken, dat ik onraad begon te vreezen.”

„Neen, goede oude,” hernam Maria, „gij hebt recht goed gedaan.—Maar wilt gij mij thans naar huis brengen; ik zal het gaarne vergelden.”

„Met alle vreugde,” sprak de grijsaard, en op zijn arm geleund, verliet Maria met waggelende schreden den tuin.

ZESDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

„Bij den satan, wat is 't nu weer?” Met deze woorden stoof Bernard, die in zijn mantel gewikkeld, aan het bivaksvuur lag, verdrietig op, toen eene mannelijke hand hem uit den slaap schudde, waarin hij eerst voor eenige minuten verzonken was. „Ach, zijt gij 't Lodewijk?” voegde hij er dadelijk zachter bij, toen hij den vriend herkende. „Al terug?.... Nu, welke avonturen hebt gij in Witepsk gehad?”

„Van verschillenden aard,” antwoordde Lodewijk; „maar gij zijt toch niet boos, dat ik u zoo laat nog stoor?”

„Zoo moe ben ik niet, of ik kan nog wel een uurtje met u keuvelen. Vertel op dan.”

„Raad eerst wie ik in Witepsk gezien heb.”

„Wie, den grooten mogol, of den paus, of den koning van Engeland?”

„Neen, in ernst, Bernard!”

„Dat zeg ik u; hoe zal ik van de tienduizend mogelijkheden de werkelijkheid treffen, wanneer mijn raden niet eene scherts zal zijn. Dus wien zaagt gij?”

„Ik ging een klein huisje in eene dwarsstraat voorbij, toen ik eene vrouwenstem hoorde zingen. Verwonderd keerde ik mij om en zag in een half met bloemen bezet venster de jonge zangeres uit Warschau.”

„Françoise Alisette?” riep Bernard, met de uiterste verbazing.

„Dezelfde.”

„Zijt gij er wel zeker van? Hebt gij haar gesproken?”

„Dat niet, want zij sprong verschrikt terug, toen zij mij ontdekte. Echter ben ik zeker van wat ik gezien heb.”

„Hm!” mompelde Bernard en beet zich in den knevel, „zou alles zoo naar mijn vermoeden uitkomen? Hoor, Lodewijk, ik zou durven wedden, dat de overste Regnard ook met zijn regiment in de stad ligt.”

„Gij vergist u; ik heb hem er wel ontmoet, doch weet, dat zijn regiment in Ostrowno staat.”

„Pah!” riep Bernard, „dat zijn vijf kleine uren en dood op zijn gemak rijdt men ze in twee. Maar, weet gij wat het zal best zijn, dat wij er Jaromir niets van zeggen, zoo hij het niet al weet.”

„Dat denk ik niet; maar waarom?” vroeg Lodewijk verwonderd.

„Uit menigerlei gronden. Vooreerst geloof ik, dat Regnard jaloersch op hem is, en dat kon aanleiding tot eene onaangename ontmoeting geven; vervolgens vermoed ik half en half, dat de overste niet zoo geheel en al ongelijk heeft, ten minste voor zoover de schoone Alisette het verantwoorden moet. Te Warschau reeds keek zij Jaromir met blikken aan, die voor een jong, onervaren mensch als hij, licht gevaarlijk konden worden; dus is zwijgen hier zeker goed.”

„Naar gij wilt,” antwoordde Lodewijk.

Eensklaps brak een pistoolschot in de nabijheid het gesprek der vrienden af. De in het rond gelegerde lieden sprongen, want men bevond zich op de uiterste voorposten, haastig op en grepen naar de wapens, den wenk verwachtende, om zich tot het gevecht te regelen. Men luisterde of zich een nieuw geraas vernemen liet, doch alles bleef stil; slechts in de verte, aan de zijde der postenketen, hoorde men eenige stemmen driftig spreken. Boleslaw, die de veldwacht had, zond den wachtmeester Petrowski met eene patrouille af, om bericht wegens het voorgevallene in te winnen. Deze keerde na eenige minuten terug en voerde een jongen man en eene jeugdige vrouw, naar hare kleeding eene Russin, als gevangenen mede. Het meisje klemde zich angstig aan haren geleider vast en zocht de blikken der nieuwsgierig toedringende soldaten beschaamd te ontwijken.

„Waarachtig, een aardig kind!” riep Bernard zijnen vriend toe, toen zij nader gebracht werden en de weerschijn van het vuur de groep verlichtte; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de jonge man stond stil en sprak hem aan: „O, mijnheer, gij zijt een Duitscher, help gij een landsman die in groote verlegenheid is, daar hij alleen duitsch en russisch spreekt, dat deze Polen niet verstaan of niet willen verstaan.”

„Gaarne,” hernam Bernard, „ik zal u verzellen.”

Inmiddels was ook Boleslaw nader getreden en vroeg den wachtmeester, wie die lieden waren en wat zij wilden.

„Zij zijn,” sprak Petrowski, „zoo even met eene slede aangehouden. Toen wij hen aanriepen, gaven zij geen antwoord, maar wilden ras omwenden; eerst toen de schildwacht het pistool afschoot, hielden zij stil. Het zijn denkelijk spions.”

Bernard mengde zich in het gesprek en vroeg Boleslaw verlof, om de lieden in het Duitsch te ondervragen. „Vanwaar komt gij?” sprak hij hen aan; „hoe is uw naam? wat het doel uwer reis?”

„O, mijnheer,” antwoordde de gevangene, „geen ander, dan in vrede naar Duitschland te trekken, vanwaar ik geboortig ben. Ik heet Paul, en dit is mijne jonge vrouw, Axinia, eene Russin. Tot hiertoe was ik als tuinier in dienst van den graaf Dolgorow; daar de oorlog alles in verwarring brengt, heeft hij mij laten gaan, om naar mijn vaderland terug te keeren.”

„Hebt gij papieren, goede vriend, die uw voorgeven bevestigen?” vroeg Bernard verder.

„O, in de beste orde, mijnheer!” antwoordde Paul en kreeg eene brieventasch, waaruit hij zijn doopcedel, zijne dienstgetuigenis en een in Smolensko uitgereikten pas aan Bernard overgaf.

[Illustratie: „Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem.]

„Deze papieren mogen volkomen in orde zijn, mijn vriend,” hervatte deze; „maar russische passen, begrijpt gij licht, geven u geen toegang in het fransche leger. Schoon het mij van harte leed doet, zal men u toch moeten afwijzen.”

„O, mijn hemel, dan ben ik verloren!” riep Paul uit, „want slechts door een wonder is het mij tot hiertoe gelukt, met mijne kleine bezitting aan de zwermen van rondstroopende kozakken te ontsnappen. Ik bid u, beste heer, wanneer gij eenigszins kunt, help ons door, want waarachtig, wij zijn eerlijke lieden en begeeren niets, dan ongestoord verder te kunnen reizen.”

„Waarom hebt gij niet de rechte lijn naar Witepsk genomen? En waarom kiest gij den nacht tot de reis? Dat verwekt kwaad vermoeden.”

„Enkel om de kozakken te vermijden, en bovendien zeide men ons, dat wij hier den linkervleugel der armee konden voorbijkomen en dan zonder verdere hindernis over Boiszikowo de rechte straat naar Wilna bereiken.”

„Ja nu, stroopers zult gij daar ook nog in menigte aantreffen,” merkte Bernard op en dacht na, hoe hij de lieden het best konde voorthelpen. „Zij schijnen mij eerlijk en onverdacht toe,” sprak hij tot Boleslaw; „maar al liet gij hen ook door, zoo zou het hun nog niet veel baten, daar men hen, waar zij komen, opnieuw zal aanhouden. Vooral is deze jonge vrouw eene waar, voor welke ik de verzekering niet gaarne op mij zou nemen op de verwoeste wegen van hier naar Wilna, waar nog altijd naloopers omzwerven en joden en boeren rooven, wat die overlaten.”

„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem. Het was Rasinski, die met omgeworpen mantel, eene veldmuts diep in de oogen gedrukt, onverhoeds onder de sprekenden trad. Bernard berichtte hem het voorval.

„Bij wien stondt gij in dienst?” richtte de overste zijne vraag aan Paul.

„Bij graaf Dolgorow,” antwoordde deze.

„Uwe papieren?”

Paul vertoonde ze.

Rasinski doorliep ze met snellen blik. „Zij zijn richtig; dat is de handteekening van den graaf. Ik zal u tot uwe verdere reis behulpzaam zijn. Dezen nacht moet gij in het leger doorbrengen; morgen gaat een transport zieken naar Wilna terug, daar kunt gij u bijvoegen. Ik zal u de gevorderde passen bezorgen.”

Paul dankte met blijde woorden en nog vroolijker blikken; op Axinia's bezorgde gelaatstrekken keerde de gerustheid terug. Thans eerst scheen Rasinski haar gewaar te worden. Vriendelijk trad hij op haar toe en vroeg haar in hare moedertaal: „En ook gij wilt naar Duitschland trekken en zijt toch eene dochter uit Ruriks rijk, gelijk ik uit uwe kleeding opmaak?”

Axinia bloosde en sloeg de oogen voor zich neder. „Het was de wil der jonge gravin Feodorowna,” stamelde zij.

„En waarom zond de jonge gravin u naar Duitschland?” vervolgde hij na eenig nadenken.

„Wij zouden, meende zij, daar gelukkiger zijn.”

„Thans? Dat is de vraag; dat land is ook niet bovenmate rijk in geluk.—Is de gravin Feodorowna de dochter van graaf Dolgorow?”

„Zoo is het, genadige heer!” hervatte Axinia, terwijl zij ter bevestiging en met de uitdrukking van deemoed het hoofd boog. „In mijne kindsheid werd ik als gespele der gravin met haar opgevoed; ik ben haar alles verschuldigd.” Hier scheen zij zoo ontroerd, dat zij niet in staat was verder te spreken.

„Wanneer gij zoo aan haar gehecht zijt, waarom verliet gij haar dan of zond zij u weg?”

Axinia bloosde en zweeg.

„Ik versta u,” vervolgde Rasinski met een weemoedigen glimlach; „wel nu, het is de plicht der vrouw den man te volgen. Gij hebt welgedaan. Wijst dezen lieden eene plaats op zijde van den heuvel aan, waar zij veilig kunnen overnachten,” sprak hij, het gesprek afbrekend, en wenkte met de hand.

„Nu vrienden,” begon hij, toen de nieuwe gasten zich verwijderd hadden, „morgen zetten wij onzen marsch voort; dat had ik u nog niet gezegd. Ik verwacht Jaromir elk oogenblik met orders uit Witepsk terug; bij zijne terugkomst zal ik u kunnen zeggen, werwaarts wij onzen weg nemen moeten. Dat wij bij het gros der armee blijven, geloof ik niet. Het wordt eindelijk tijd, dat wij aan het handelen komen.”