1812: Historische roman

Part 33

Chapter 333,799 wordsPublic domain

In diep stilzwijgen stonden de drie vrouwen om de baar. Maria leunde zacht op de innig ontroerde Lodoiska en weende stil aan hare borst.

„Hoe vriendelijk is dat gelaat,” sprak de gravin en leide hare hand op het voorhoofd der doode, om het haar nog een weinig op zijde te strijken. „Hoe zacht moet de ziel uit dat lichaam gescheiden zijn! Hoe kalm, hoe vroom, hoe rustig!”

„O zij was zacht als de avondzon!” sprak Maria; „gelijk deze ging zij onder, en in dit kalme, vriendelijke gelaat schemert het avondrood harer ziel uit de schoone wereld, waarin zij nu is overgegaan, nog in deze terug. Spoedig echter zal zij in den langen, stikdonkeren nacht neerzinken, die haar voor eeuwig aan ons oog onttrekt.”

Therese en Anna huppelden binnen en hielden een brief in de hand. Hij was van Lodewijk; dezelfde, dien Beaucaire voor een uur met misdadige handen geopend had.

„Van mijne broeder aan mijne moeder,” sprak Maria en barstte opnieuw in tranen uit.—„Ach, die arme Lodewijk! Hij wist niet, dat zij, aan wie hij zijne woorden richtte, die niet meer vernemen zal! Voor _zijn_ leven beefden wij, daar hij door duizend gevaren omringd is, en wie weet of hij ons beiden niet overleeft. O, dan zou ik hem diep beklagen!——Maar neen! Zulk eene beproeving zal God ons niet toezenden,” ging zij na eenige oogenblikken met een verhelderd gelaat voort; „hij zal ons niet scheiden. Zijne vertroostende engelen zullen mij staande houden, de beschermende over mijn broeder waken.”

De gravin deed thans aan Maria den voorslag, het sterfhuis te verlaten, om met haar mede te gaan en bij haar in te wonen, ten einde niet geheel eenzaam in de nu zoo treurige woning achter te blijven, maar eene vertrouwde borst te hebben, waaraan zij hare droefheid kon uitweenen. Met dankbaarheid nam de verlatene dit aan, daar zij voor den eersten eenzamen nacht angstig terugbeefde. Lodoiska, die de smart geheel met haar deelde, doch zich, daar zij de gezegende gaaf der mededeeling miste, dan het minst uitte, wanneer haar hart het volst was, bleef nog bij de nieuwe vriendin terug, om haar in eenige noodzakelijke toebereidselen behulpzaam te zijn. De gravin begaf zich naar huis, om aanstalten tot hare ontvangst te maken.

Maria bracht intusschen hare kleine bezitting in orde, koos eenige weinige boeken, kleederen en papieren uit, welke zij naar de nieuwe woning wilde medenemen, en hulde zich vervolgens in het nog voorhanden zijnde rouwgewaad. Toen zij verkleed uit het zijvertrek te voorschijn trad, was Lodoiska inderdaad verbaasd over de zachte verhevenheid harer edele gestalte. Vroeger was zij enkel beminnelijk en schoon geweest, slechts aanvalligheid had haar voorkomen de innemende bekoorlijkheden verleend, waardoor zij ieder zoo onwederstaanbaar boeide; thans echter scheen zij eene treurende vorstin te zijn, zoozeer werd hare schoonheid door de ernstige kleeding en houding, alsook door de diep smartelijke uitdrukking harer gelaatstrekken geadeld.

Met hartelijke kussen en tranen nam Maria van de beide kleinen, met warme dankbaarheid van beider moeder afscheid en begaf zich, het gelaat door een zwarten sluier voor de lastige nieuwsgierige blikken der menigte bedekt, aan de zijde harer jonge, ernstige vriendin op weg naar hare nieuwe woning. Onder het gaan was het haar, als moest de bewustheid haar verlaten, daar zij thans de lieve plaats vaarwel zeide, waar zij nog voor eenige uren de stem harer moeder gehoord, haar vriendelijk oogwenken gezien had. En nu alles zoo stil en stom en doodsch!

In de huisdeur stond vrouw Holder met haar beide meisjes. De goede vrouw reikte Maria nogmaals de hand, terwijl zij zich met het voorschoot de tranen uit de oogen wischte. Anna verschool zich schuw en treurig achter de moeder; maar de kleine Therese hief met zoet gevlei hare armpjes naar Maria omhoog en riep: „Tante, kom toch gauw weer te huis!”

„Spoedig, spoedig, recht dikwijls, mijn lief kind!” sprak Maria met eene in tranen gesmoorde stem, en drukte de kleine onstuimig aan hare borst. Eindelijk reet zij zich los en ging met rassche schreden voort, om hare uitgeputte krachten als met geweld op te richten.

HOOFDSTUK IX.

Op den vroegen morgen van den derden dag werd de ontslapene ter aarde besteld. Slechts Maria, de gravin, Lodoiska en vrouw Holder waren tegenwoordig, toen men haar neerliet in den somberen grafkuil. Maria toonde zich ernstig, bedaard; zij rechtvaardigde de vrees der gravin niet, die haar dringend gesmeekt had, de treurige plechtigheid niet bij te wonen. Hare even standvastige als zachte ziel wist zich aan het gebeurde, aan het onvermijdelijke weldra met kalmte te onderwerpen; alleen de twijfel, de zorg, de vrees voor het komende schokten haar zoo hevig. Voor de dreigend opgeheven hand van het lot sidderde zij; was de verpletterende slag echter gevallen, dan kampte zij met zedelijke sterkte, met onwrikbaar christelijk geloof tegen het vernietigend geweld.

Ofschoon den ganschen dag ernstig en somber, nam zij toch met stille vriendelijkheid aandeel in het gesprek. Eerst toen de zon reeds in haar roodachtigen gloed achter de blauwe bergen stond en de weemoed der avondstilte zich over het landschap verbreidde, toen eerst werd ook zij week en vergoot zij bittere tranen. Zij kon den aandrang, die haar naar de moederlijke rustplaats dreef, niet langer weerstand bieden; de troostende vriendinnen wilden haar verzellen, maar zij smeekte, dat men haar alleen zoude laten gaan. „Gelooft niet, dat deze gang mij dieper zal neerbuigen, neen, hij zal mijn hart opbeuren, mijne beklemde borst door tranen verlichten. Mijne wonden moeten vrij uitbloeden; wellicht zijn zij doodelijk; zij worden het echter zeker en sneller, wanneer gij de pijn er van gewelddadig in mijn binnenste wilt terugpersen. O, ik zal troost vinden op het graf mijner moeder!” Zij ging.

Het graf was met frissche zoden bedekt; nog had het geen ander versiersel. Het kerkhof lag eenzaam, vredig, door hoog geboomte overschaduwd. Maria zette zich op den kleinen terp neder en zag peinzend voor zich neer, terwijl stille tranen langs hare wangen neervloeiden. Eensklaps deed het naderen van een mannelijken tred haar opzien; zij ontwaarde St. Luces, die recht op haar toetrad.

Onaangenaam, bijna hatelijk door zijne nabijheid gestoord, rees zij op, beantwoordde zijn eerbiedigen groet met eene lichte, angstvallige buiging en wilde het kerkhof verlaten. Hij volgde haar echter met rassche schreden en sprak haar aan.

„Vergeef mij, wanneer ik uwen rouw gestoord heb;—het toeval voerde mij herwaarts, ik had u niet vroeger herkend, anders zou ik mij eerbiedig verwijderd hebben.”

St. Luces loog met tong en oog even behendig; even geveinsd toch als deze woorden, waren ook zijne schijnbaar verlegen blikken en de kunstig gehuichelde droefheid op zijn gelaat. Reeds sinds drie dragen bespiedde hij namelijk op elke mogelijke wijze eene gelegenheid, om Maria te spreken. Het bericht van den dood der moeder was hem uiterst welkom; want deze begunstigde zijne misdadige plannen. Maria's betooverende schoonheid had, zoodra hij haar de eerste maal zag, zijn ontaarden, lagen hartstocht doen ontvlammen. Op de aan alle ellendelingen zoo eigen kunstgreep steunende, om, door van den benarden toestand van anderen gebruik te maken, hun het uiterste af te persen, ontwierp hij dadelijk het helsche plan, om eerst den angst der zuster door de voorstelling van het gevaar, dat den broeder bedreigde, ten top te voeren, ten einde zich vervolgens door het beloven van redding—aan het nakomen was hem weinig gelegen—van hare gunst te kunnen verzekeren. Uit dien hoofde stond Beaucaire's hebzuchtige regelrecht op het doel uitloopende list hem zoo hevig tegen de borst. Nog meer verbitterd zou hij geweest zijn, wanneer hij vermoed had, dat deze zijn medeminnaar was en met meer stoutheid, maar juist daarom ook met min kunstig verfijnde boosheid hetzelfde doel nastreefde.

St. Luces wilde een heimelijken minnehandel aanknoopen; hij berekende, dat het verteederde hart eener treurende het meest vatbaar is voor den troost, die eene gehuichelde deelneming aanbiedt; met één woord: hij wilde Maria doen vallen, maar niet zonder haar gelegenheid te geven, om hare zwakheid door eene soort van heiligen schijn te verhullen, daar hij aan hare gunst de redding des broeders dacht te verbinden.

Beaucaire had hetzelfde plan, doch ruwer; met het zwaard des beuls boven het hoofd van den broeder wilde hij de radelooze zuster in zijne armen drijven. Hem was het slechts om zinnelijk genot te doen, en aan den afschuw, dien hij zijn offer inboezemde was hem hoegenaamd niets gelegen.

St. Luces meer beschaafd en door vele dergelijke ontmoetingen zijns levens, waarbij hem zijn zeer innemend voorkomen, want in zijne jeugd was hij inderdaad een schoon man geweest, steeds grootelijks te stade was gekomen, in eene hooge mate verfijnd en geslepen, berekende, dat de waarde van eene zoodanige verbintenis door de wederkeerige neiging van het vrouwelijke gemoed oneindig verhoogd werd. Hij wilde daarom zijn masker eerst dan afwerpen, wanneer volkomen verzadiging en bevrediging zijner driften hem het voorwerp, dat die thans zoo hevig deed ontvlammen, ten eenenmale onverschillig deden zijn. Beaucaire en St. Luces hielden deze plannen natuurlijk allerzorgvuldigst voor elkander verborgen; en inderdaad, geen hunner vermoedde het opzet des mededingers, deels dewijl zij een geheel verschillenden weg insloegen, deels ook, wijl de een den ander niet voor sluw of boosaardig genoeg hield, om zich den ingewikkelden toestand der zaken zoo dadelijk ten nutte te maken. Beaucaire deed onvermoeide nasporingen, om het verblijf van Lodewijk bij de armee, en den naam, dien hij thans voerde, met zekerheid te weten te komen. Zich als de mierenleeuw in zijn duister hol schuil houdende, loerde hij slechts op een brief van Maria aan haren broeder, om dien met zijne uitgestrekte grijptangen naar zich toe te sleepen. Dan wil hij der ongelukkige onder de oogen treden, haar door het Medusahoofd zijner ontdekking versteenen en zoo de machtelooze aan zijne driften opofferen. De dood der moeder was dus ook hem welkom geweest, daar hij met grond vermoeden kon, dat Maria den broeder dadelijk of ten minste binnen weinige dagen van dit voorval bericht zou toezenden. Hij had derhalve geen geld ontzien, om den schurkachtigen postbeambte opmerkzaam te maken. Ditmaal echter had hij het vruchteloos verspild, wijl Maria's brief reeds lang door de gravin was verzonden, die hem aan een naar Dresden vertrekkenden landsman had medegegeven, om hem daar op de post te doen. Van het opzet van St. Luces, die hem met vleierijen en vriendschapsbetuigingen overlaadde en daardoor te meer in zijn ijdel, licht te misleiden zelfvertrouwen versterkte, vermoedde Beaucaire niet het geringste en sloeg dus ook weinig acht op de wandelingen, welke deze, òf onder eenig waarschijnlijk voorwendsel òf geheel buiten zijn weten, dagelijks ondernam.

Het was thans de eerste maal, dat St. Luces Maria alleen vond. Op zijne verontschuldiging, voegde zij hem eenige koele woorden toe en wilde zich verwijderen; doch hij hield zich, alsof hij zulks niet bemerkte, en dwong haar te blijven door haastig het gesprek te hervatten. „Hoe arglistig weet het lot ons somwijlen te treffen! Wie had kunnen vermoeden, dat gij, van het genoegelijk uitstapje vroolijk terugkeerende, zóóveel ongeluk en jammer in uwe woning zoudt vinden! O geloof mij, de slag die u trof, heeft geen hart ongeroerd gelaten; nog keert de gedachte, het gesprek telkens weder daarop terug, en er is zeker geen oog in deze, met vreemdelingen vervulde plaats, dat u niet een stillen traan van medelijden heeft gewijd.”

Maria rilde; daar zij wist, welken invloed St. Luces op het lot haars broeders had uitgeoefend, vervulde zijne nabijheid haar met eenige huiverige angstvalligheid. Echter trachtte zij bedaard te blijven.

„Ik weet het,” sprak zij na eenige minuten, „dat de plotselinge dood mijner moeder opzien heeft verwekt, te meer, daar deze met een voorval in verband stond, dat velen verschrikt heeft. Doch juist dat opzien moet mij smartelijk zijn, daar de treurende het liefst de ongestoorde eenzaamheid opzoekt.”

St. Luces verstond de bedoeling der laatste woorden zeer goed; slechts wilde hij ze niet verstaan en wist zijn innerlijken spijt volkomen te beheerschen. „Voorzeker,” sprak hij; „echter is niet altijd dat, wat de kranke begeert, hem heilzaam; eenige oogenblikken moest gij toch afzonderen voor hen, die waarlijk uwe vrienden zijn.”

Hij zweeg; ook Maria deed zulks.

„Het is bijna donker geworden!—Het schijnt mij plicht, u te herinneren, dat gij in dit uur nauwelijks alleen naar de stad kunt terugkeeren,” begon St. Luces opnieuw.

„Gij hebt gelijk, ik had reeds moeten gaan,” sprak Maria beleefd, groette en ging.

Nauwelijks had zij het hek van de begraafplaats bereikt, of zij hoorde zijne schreden opnieuw achter zich.

„Ik ben in tweestrijd geweest,” sprak hij haastig, „of het mijn plicht was, u ongevraagd de volle waarheid te zeggen, of ik gronden heb, die dringend genoeg zijn om mijne tusschenkomst in de zaken van geheel vreemde personen te rechtvaardigen. De beslissing luidt: ik moet spreken. Weet dan, ik kwam niet bij toeval hier; ik zocht u op. Ik weet, dat iemand, die u hoogst dierbaar is, in gevaar verkeert, dat men op het punt is van zijne verblijfplaats te ontdekken, die op dit oogenblik wellicht reeds ontdekt heeft. Gij kondt door onvoorzichtigheid in de droevigste onaangenaamheden gewikkeld worden—een gevoel,” hier sloeg hij het oog als verward ter aarde, „dat slechts jongeren plegen te kennen, dat mij echter van het eerste oogenblik, dat ik u zag, doordrong, waarvan ik geen meester ben.... dwong mij.... ik vrees tot eene schending van mijn plicht. Meer mag ik niet doen.... wees op uwe hoede!”

Met deze woorden keerde hij zich om en wilde haastig voortsnellen. Maria, die hem met angstige verbazing had aangehoord, riep hem na: „Om Gods wil, verklaar u duidelijk. Ik smeek u dringend!”

St. Luces stond stil; hij scheen met zich zelf te kampen. Eindelijk keerde hij terug. „Duidelijker? Is het niet genoeg, dat gij mij verstaat? ik kom aan mijne plichten te kort .... en toch, als ik uwe tranen zie, hoe kan ik weerstand bieden!” Hij trad nader op Maria toe en greep hare hand, die zij hem noch toereikte, noch waagde terug te trekken.

Op hetzelfde oogenblik ruischte het in de struiken dicht nevens hen en Benno trad te voorschijn. Maria's bleek gelaat werd door een donkeren schaamteblos overgoten, daar zij op deze eenzame plaats alleen en in eene zoo vertrouwelijke houding met den vreemde verrast werd. Zij vermoedde niet, dat Benno haar goede engel zijn zoude; want in de verrassing ware het St. Luces wellicht gelukt, haar vertrouwen te winnen en haar daardoor nog dieper in het verderf te storten.

Benno was zelf nog te jong en onschuldig, om uit dezen lichten schijn eenigen krenkenden argwaan op te vatten. Zijne dichterlijke droomen hadden hem naar de rustplaats gevoerd, waar zoo menig vroeg ontslapen vriend den eeuwigen morgen verbeidde. Toen hij Maria gewaar werd, van wier treurig verlies ook hij reeds onderricht was, trad hij met diepe aandoening op haar toe en sprak haar aan. „O dat ik u hier moet wedervinden na dien schoonen, onvergetelijken dag; wie had dat kunnen denken!” Ook hij greep, zijne ontroering geen meester, hare hand en drukte ze met warmte aan zijne lippen. Het was Maria, of haar een sluier van de oogen en een zware last van het hart zonk, toen zij Benno's natuurlijk medelijden met St. Luces' geveinsde deelneming, de heilige, eenvoudige trekken der waarheid met het gekunstelde masker der huichelachtige logen vergelijken kon. Het onderscheid tusschen beiden was niet meer te miskennen. Een zachte handdruk was het eenige antwoord, dat zij geven konde, het dankte den jongen vriend voor zijne deelneming en zijne argeloosheid tevens. Een enkele blik toch op zijn open gelaat had haar ten volle overtuigd, dat niet de geringste schijn van achterdocht in zijne schuldelooze ziel was opgerezen.

„Het is laat.... ik moet gaan,” sprak zij na eenige oogenblikken en wilde zich verwijderen.

„Het is zoo laat, dat ik u onmogelijk alleen kan laten gaan,” riep St. Luces, en Benno voegde er met de zuiverste welwillendheid bij: „Voorzeker, wij willen u geleiden.”

Maria voelde zich verruimd, toen deze liefderijke beschermengel haar op zijde trad; op St. Luces trekken werd de vroeger reeds met moeite verheelde spijt over des jongelings tusschenkomst zoo duidelijk zichtbaar, dat het meisje gedurig meer recht meende te hebben, om aan de zuiverheid zijner bedoelingen te twijfelen.

Bijna zonder te spreken, wandelde men naast elkander voort. Maria haastte zich naar huis te komen. Toen men zich weder in de eerste straat der voorstad bevond, haalde een onbekende hen van achteren in, wierp een vluchtigen blik zijwaarts, groette en sprak onder het voorbijgaan: „_Bonsoir Monsieur de_ St. Luces!” Deze zag verrast op; het was Beaucaire.

Men had het hôtel bereikt, waar de gravin woonde; Maria nam met een stommen, verlegen groet afscheid van hare geleiders. In huis gekomen, verhaalde zij dadelijk, wat haar bejegend was. De gravin koesterde denzelfden argwaan tegen St. Luces en vermeerderde dien nog door verschillende, niet onbelangrijke opmerkingen, waaruit men het voorbedachtelijke zijner handelwijze met zekerheid kon opmaken.

De klok der Slotkerk had juist tien geslagen en de vrouwen wilden zich, naar het gebruik der badplaats, reeds ter rust begeven, toen met drift aan de huisdeur werd gebeld. De bediende bracht een brief boven, dien een onbekende had afgegeven. Het opschrift luidde aan Maria. Zij opende en vond slechts een blad met de woorden:

„Wacht u voor den heer St. Luces!

Uw Vriend.”

Wie was de raadselachtige waarschuwer? Te vergeefs beijverden de vrouwen zich het te raden; de eenige, op wien zij gissen konden, was Benno. En toch, wat zou hij weten of vermoeden?

Vol nieuwe, bange zorgen legde Maria zich ter rust; maar de beangstigende voorstellingen vervolgden haar ook in hare droomen, en zij rees dikwijls verschrikt op uit de zware bedwelming van den koortsachtigen slaap. Ach, was het dan niet genoeg, eene moeder te beweenen, moest zij ook voor het leven des broeders sidderen!

HOOFDSTUK X.

Maria had nog slechts in Teplitz willen vertoeven, totdat hare moeder was ter aarde besteld en zij aan de verschillende verplichtingen, welke de burgerlijke wetgeving bij sterfgevallen voorschrijft, voldaan had. Daarna wilde zij zich naar de zuster der afgestorvene begeven, om zich verder aan de bescherming dezer naaste, haar zoo hartelijk liefhebbende verwanten toe te vertrouwen. Voorloopig had zij hare tante door een brief van den nieuwen slag kennis gegeven en zag het antwoord elken dag met verlangen te gemoet.

Na den in onrust en kommer half doorwaakten nacht werd zij eindelijk tegen den morgen door eene zachte sluimering verkwikt, die haar tot laat na het gewone uur aan hare legerstede geboeid hield. Toen zij de oogen opsloeg, was het helder dag, zoodat de zon over de daken der tegenover gelegen huizen reeds in het vertrek scheen. Bijna beschaamd over den langen slaap, kleedde zij zich in aller ijl aan en trad in de gemeenschappelijke ontbijtkamer. Met verbazing werd zij dadelijk bij het openen der deur eenige dames in diep rouwgewaad gewaar en voelde zich, eer zij tijd had te gissen, wie het zijn konden, door vriendelijke armen omstrengeld. Het was Emma, die ter zijde van de deur aan het venster gezeten, de binnentredende het eerst gezien en herkend had. De blij verraste, doch weemoedige uitroep der beide meisjes bewerkte, dat ook de andere vrouwen, die het openen der deur bemerkt hadden, opsprongen en haar te gemoet snelden. Het waren Julie en hare moeder; alle drie kwamen, om Maria in hare treurige eenzaamheid op te zoeken en haar vervolgens mede naar buiten te nemen.

Liefde en vriendschap wedijverden. De gravin en Lodoiska wilden Maria niet laten vertrekken, hare verwanten haar zoo spoedig mogelijk tot zich nemen. Eindelijk werd besloten, dat de beide eerstgenoemde haar voor eenige dagen naar het landgoed verzellen zouden, en men bepaalde de afreis op den volgenden morgen.

Nadat men eenigen tijd in vertrouwelijke gesprekken had doorgebracht, gaven de aangekomenen haren wensch te kennen, om het graf der afgestorvene te bezoeken. Maria geleidde haar derwaarts.

Reeds nabij de poort gekomen, ontdekten zij in eene zijstraat een oploop van menschen die haar het voortgaan belette. Zij wilden juist naar de reden vernemen, toen Benno op haar toetrad en verhaalde, dat men een beambte van het postkantoor wegens zoo even eerst ontdekte, schandelijke verduistering van geld en brieven met geldswaarde in hechtenis had genomen en thans bezig was, de woning van den gevangene te onderzoeken, zijne papieren in beslag te nemen en alles te verzegelen.

Dit voorval zoude eene minder levendige belangstelling bij Maria verwekt hebben, wanneer een angstig voorgevoel haar niet had doen vreezen, dat zij zelve misschien een der slachtoffers dier trouweloosheid zijn konde. Thans werd het mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat St. Luces van alles onderricht en zijne waarschuwing gegrond was. Maar ook hemzelf had men haar verdacht gemaakt! Wie kende hare geheimste betrekkingen zoo nauwkeurig? Was zij van rondom met netten omstrikt, bewaakt, beloerd, bespied van alle zijden?

Terwijl zij zich nog met deze bekommerende gedachten bezig hield, trad een bevallig bloemenmeisje, wier uiterlijk echter een lichtvaardigen levenswandel scheen aan te duiden, op haar toe en bood haar ruikers te koop aan. Maria wees haar verstrooid af; het meisje vernieuwde hare bede met de vriendelijke overreding aan dergelijke vleiende wezens eigen.

„Dezen ruiker neemt gij mij toch zekerlijk af,” sprak zij; „zie eens nog drie rozen in dit late jaargetij.” Tegelijk drukte zij dien Maria met geweld in de hand en fluisterde daarbij de woorden: „Om uws broeders wil!”—Maria verschrikte, het meisje glimlachte en vervolgde op den vleiendsten toon: „Ja, dezen houdt gij; hij is de schoonste van alle en kost maar drie stuivers!”

Maria wilde het meisje ondervragen, doch deze sloot haar de lippen door een heimelijken oogwenk en een nauw hoorbaar: „Strikte geheimhouding!”

Benno wilde zich intusschen beleefd tonen en kocht haar voor elk der dames een ruiker af. De kleine nam het geld met een vergenoegd gelaat aan, wenkte Maria nog éénmaal toe, als wilde zij zeggen: verraad u door geen enkel woord—en huppelde luchtig verder, om ook aan andere voorbijgangers hare geurige waren aan te bieden.

Maria was door deze ontmoeting hevig ontsteld en sidderde merkbaar, zelfs aan het graf der moeder, dat men spoedig bereikte, waren hare gedachten niet bij de doode, maar te midden van de woelingen der wereld. Te onbedreven in de kleine kunstgrepen der liefde, had zij er nog niet aan gedacht, de bloemen nader te onderzoeken, toen een toevallige blik haar daartusschen een strookje papier deed bespeuren. Met gespannen verwachting trok zij het onbemerkt te voorschijn en las de woorden: „Gij kunt uwen broeder redden, wanneer gij dezen avond met klokslag van negen uur _alleen_ in den slottuin aan de oude linde komt. Hij is verloren, wanneer gij achterblijft of het geringste verraadt. Ten tweede male waarschuwt men u voor St. Luces.”

Zij stond als versteend, toen zij deze regels had gelezen. Welk een nieuw verschrikkelijk geheim! Dus deze uitnoodiging en de waarschuwing van gisteren kwamen van dezelfde hand? Zou zij het geheim ontdekken? Zou zij zich aan haar, die zij beminde, toevertrouwen, zich onder hare bescherming stellen? Maar konden deze den broeder redden, wanneer boosaardige list hem wilde verderven?