Part 32
St. Luces ging nog eenige malen besluiteloos het vertrek op en neder; eindelijk reikte hij zijnen vertrouweling de hand en zeide: „Mijnentwege dan; ik laat u begaan, ik wil u ook het grootste aandeel der belooning laten; doe slechts wat in uw vermogen is, om den roem van onze behendigheid staande te houden. Juist, wijl hier elk spoor verloren scheen en men ongaarne tot in het oogloopende, de gemoederen verbitterende dwangmiddelen de toevlucht zou nemen, is er mij veel aan gelegen, de zaak tot een gewenscht einde te brengen, teneinde mij daardoor tot nieuwe gewichtige ondernemingen aan te bevelen. Wij zijn nauw met elkander verbonden, vriend, want gij volgt mijne loopbaan schrede voor schrede. Klim ik opwaarts, dan neemt gij de plaats in, die ik openlaat, en gij kunt er op rekenen, dat ik u de hand zal toereiken om u op te trekken, eer iemand anders zich daar tusschen kan dringen.—Nog eens, ik geef de zaak geheel aan u over, maar trek mij ook geheel terug, wanneer zij eene onaangename wending mocht nemen.”
„Laat alles vrij op mij aankomen,” riep Beaucaire met eene nederige buiging; „ik haast mij het net uit te werpen, want wij hebben geen minuut te verliezen.”
Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijne kamer terug, om zich te kleeden. Hierop begaf hij zich op weg, om zijne taak te beginnen.
Zijn eerste werk was in een koffiehuis te gaan, om op de badlijst de woning der vrouwen, welke hij zoo arglistig wilde omspinnen, op te zoeken. Tevens knoopte hij een gesprek met eenige burgers aan, ten einde met het karakter van den postmeester eenigszins bekend te worden; wat hij hoorde, scheen zijne plannen uitermate te begunstigen.
Hij ging derhalve welgemoed naar het postkantoor om zijne onderhandelingen aan te knoopen. Tot zijn verdriet moest hij vernemen, dat de postmeester dezen zelfden morgen naar Dresden was vertrokken en er misschien veertien dagen zoude vertoeven. Dit naricht werd hem door een ouden schrijver gegeven, in wiens grijnzende trekken en fonkelende groene oogen Beaucaire een zeker iets waande te lezen, waarvan hij zich den besten uitslag voorspelde.
„Gij neemt waarschijnlijk de zaken inmiddels waar, mijnheer?” vroeg hij beleefd, „en wellicht kan ik mij tot u wenden om een dienst te verzoeken, waarvoor ik zeer dankbaar zijn zoude?” Bij deze woorden schudde hij den oude vriendschappelijk de hand en liet met behendigheid eenige goudstukken daarin nederglijden. Dit placht Beaucaire's doorgaande proefneming te zijn, wanneer hij den grond dien hij betreden wilde vooraf moest onderzoeken. Hij gaf, eer hij zeide waarvoor; wie in zulke gevallen aanneemt, zonder te weten of men werkelijk zijne moeite beloonen, dan slechts zijn geweten met goud tot zwijgen wil brengen, verraadt daardoor reeds, dat zijne rechtschapenheid te overwinnen is. Intusschen ging Beaucaire ook nog verder met behoedzaamheid te werk; hij verzocht eerst om de vroegere uitlevering zijner eigen brieven en gaf vervolgens, daar de oude zich gedurig geldzuchtiger toonde, al duidelijker en duidelijker zijne eigenlijke begeerte te kennen. Nog had hij zich niet volmondig verklaard, toen beiden door de aankomst van de brievenmaal gestoord werden. De beambte opende de lijst, waarop de adressen der aangekomen brieven waren aangeteekend; ook Beaucaire wierp een vluchtigen blik daarop, en las, door het toeval geleid, den naam Rosen.
Als een valk op de duif, schoot zijn roofgierige ijver op deze ontdekking los. De brandende begeerte, om den brief machtig te worden, deed hem zijne bedachtzaamheid een oogenblik uit het oog verliezen en driftig, maar fluisterend vragen: „Wilt gij mij dezen brief voor een kwartier overlaten, zoo zijn twintig goudstukken de uwe.” Tegelijk tastte hij in zijn zak, om het geld over te geven. De beambte hield zich alsof hij niets gehoord had, schoof den brief zachtkens ter zijde, ontving het geld met een heimelijken handdruk en tuurde met de grootste oplettendheid op het aktenstuk, dat nevens hem op de tafel lag. Beaucaire verstond dien wenk, greep haastig toe en maakte zich van den brief meester. Met verbazing zag hij aan het postmerk, dat hij uit het hoofdkwartier kwam. Onverwijld ijlde hij naar huis, trad met een triomfeerend gelaat in St. Luces' kamer en sprak: „Wat nu, heer baron, indien ik reeds de overwinning in de hand had, indien de sleutel van het geheim reeds mijn ware!”
„Onmogelijk!” riep deze en sprong driftig op. Beaucaire reikte hem den brief over; St. Luces las verbaasd het opschrift.
„Nu? Wat zegt gij? Deze brief zal ons dan toch wel eenig uitsluitsel geven?”
„Hoe zoo?” zeide St. Luces.
„Slechts geduld, wij zullen dadelijk zekerheid hebben,” hervatte Beaucaire en maakte zich gereed, den brief te openen. „Ziedaar dan!” juichte hij, met van boosaardige vreugde tintelende oogen, toen hij het blad uit den omslag getrokken en ontvouwd had: „„Uw getrouwe L.” de onderteekening.—Zijn dat sporen? Hebben wij den draad in handen?”
„Gij zijt inderdaad zeer gelukkig geweest,” sprak St. Luces; „echter zal uwe ontdekking ons weinig baten, want de vluchteling heeft zekerlijk een valschen naam aangenomen, de armee is een half millioen sterk en onder die menigte juist hem op te sporen, dien wij zoeken, tegen hem vervolgingen in het werk te stellen,—dat alles vereischt zulk een wijdloopigen omslag, dat ik er weinig geneigdheid toe gevoel.”
„Mijne ontdekking is zóó gelukkig,” hernam Beaucaire, „en ik ben zóó verheugd over de wijze, waarop ik bij den postmeester geslaagd ben, dat ik mij voorloopig daarmede tevreden stel. Wie weet echter, of de inhoud van den brief ons nog niet uitvoeriger berichten geeft.”
Hij zette zich neder en doorliep vluchtig den inhoud. Zijne trekken teekenden gestadig meer voldaanheid, drukten eene steeds toenemende boosaardige vreugde uit. Bij het slot riep hij: „Er blijft ons niets te wenschen over; want uit dit schrijven laat zich met zekerheid opmaken, dat de beide vluchtelingen bij de armee, en wel hoogstwaarschijnlijk bij het regiment van den graaf Rasinski staan. Ofschoon geen enkele naam in dezen brief voluit geschreven is, behoeft iemand, die de plaatsing der regimenten kent, geen oogenblik meer te twijfelen. Wij hebben dus niets meer te doen dan voor de aangifte te zorgen, en hoogstens hier nog de namen uit te vorschen, welke beide jongelieden vermoedelijk hebben aangenomen om onbekend te blijven. Bij mijne tegenwoordige betrekking met den postbediende is niets gemakkelijker, want wij behoeven slechts het antwoord af te wachten.”
St. Luces was inwendig hevig geërgerd, dat Beaucaire in deze ontdekking zoo voorspoedig geslaagd was, want de verdienste daarvan aan hem toe te schrijven, daartoe gevoelde hij niet de geringste neiging. Hij was echter listig genoeg, om uiterlijk hoegenaamd niets van zijne innerlijke gevoelens te doen blijken. Met rassche schreden wandelde hij de kamer op en neder en trachtte zich het voorkomen te geven, alsof de ijver, die men thans in het vervolgen der ontdekking moest aanwenden, hem geheel bezig hield. Heimelijk intusschen koesterde hij geheel andere gedachten, die op een tweeledig doel uitliepen. Tot welken prijs ook, wilde hij Beaucaire's ontdekking verijdelen, het liefst echter die aan zijne eigene belangen dienstbaar maken. Met het vriendelijkste gelaat van de wereld overstelpte hij hem dus met lofspraken, om hem daardoor elken argwaan te benemen. „Ik moet aan uwe talenten volle recht laten wedervaren, mijn lieve Beaucaire,” sprak hij. „Gij hebt in deze zaak met eene scherpzinnigheid en bedachtzaamheid gehandeld, die waarlijk voorbeeldeloos zijn. Gaarne beken ik, dat ik in het eerste oogenblik een kleine opwelling van verdrietelijkheid gevoelde, die nijd op uwe meesterlijke uitvoering van den gelukkigen inval in mij deed levendig worden. Beschouw dezen kleinen naijver, dien ik nu geheel bedwongen heb, als de waarachtigste lofspraak op uwe verdienste; zij is wellicht ook de vleiendste.”
Gelijk de sluwheid van alle schurken niet dan tot eene zekere hoogte gaat en het gansche kunstige weefsel hunner verstandsberekeningen eigenlijk slechts in eene verlengde domheid bestaat, daar de vaste grondslagen der rede en dus ook der zedelijkheid daaraan ontbreken, zoo vond ook Beaucaire's scherpzinnigheid hier hare grenzen, vermits zijne ijdelheid hem het oog verblindde, waarmede hij anders de dingen uit het juiste gezichtspunt wist te beschouwen, zonder zich licht door een valschen schijn te laten misleiden. St. Luces bezat echter ook in eene hooge mate de kunst, zijne gelaatstrekken in elke plooi te leggen, om den overtuigenden toon der welmeenende waarheid aan te nemen en daardoor zelfs hen te bedriegen, die reeds getuigen geweest waren, hoe hij die zelfde wapenen tegen anderen gebruikt had. Beaucaire kon niet nalaten, nog een tijd lang praalzuchtig, hoewel met de uitdrukking en vormen der bescheidenheid, op zijne geslepenheid en de snelle uitvoering van zijn heerlijken inval terug te komen. St. Luces' ongelijk scherpzichtiger blik drong tot den bodem van zijn hart door; des te veiliger kon deze hem dus in zijne verblinding versterken en hem door de vleiendste verzekeringen in slaap wiegen.
Daar in deze aangelegenheid voorloopig niets verder te ondernemen was en men vóór alles den brief aan het postkantoor moest terugbezorgen, wilde men in het vervolg niet van deze hulpbron verstoken zijn, nam Beaucaire dit laatste op zich en ijlde, nadat hij den omslag weder verzegeld had, naar den beambte, aan wien hij het toevertrouwde pand onopgemerkt overhandigde.
St. Luces bleef in gedachten verzonken aan het venster staan en overlegde, hoe het aan te leggen, om de pogingen van zijn lastigen mededinger te verijdelen en tevens de verdiensten van diens ontdekking zich zelf toe te eigenen.
HOOFDSTUK VIII.
Terwijl Maria met angst en bezorgdheid aan het bed der kranke moeder zat, vermoedde zij niet, dat boosheid en hebzucht samenspanden, om haar nieuwen kommer te bereiden. Ach, en al had zij het ook geweten, dan zoude haar toch de naaste zorg haar de meer verwijderde hebben doen vergeten; want onder overstelpend lijden is de zwakheid der menschelijke borst hare eenige redding, daar zij, hoe de vloeden des jammers ook op haar mogen aandringen, slechts eene zekere mate daarvan bevatten kan. Het overige verdwijnt in de wijde ruimte van het heelal als de klank en het licht, die oog en oor aanraken, zonder daarin door te dringen. Maria's innig, stom gebed was de oprichting van hare moeder. Als een beschermende engel zat zij aan hare legerstede en weerde alles, wat de kranke vijandig naderen kon, met zachte vastheid, met onvermoeide volharding af. Doch in den raad des Eeuwigen was het anders besloten.
De moeder had een geruimen tijd met een smartelijk lachje om de lippen op het kussen achterover geleund, gelegen. Maria's opmerkzaam oog bespeurde reeds lang een heimelijken strijd in de trekken der kranke; herhaalde malen had zij naar de reden gevorscht en de moeder gevraagd of zij pijn voelde, doch telkenreize had deze zulks door stomme wenken of door een zacht neen ontkend. Thans fluisterde zij plotseling: „Mijne dochter, ik voel.... het zal ras voorbij zijn,.... ik zal het niet te boven komen. Een geheim voor u en Lodewijk,.... uw vader,.... de papieren in de geheime lade mijner schrijftafel,.... ach mijne dochter, in uw armen....!”
Na deze, met de grootste inspanning geuite woorden breidde zij hare armen vol verlangen naar haar kind uit. Een krampachtige hoest trok hare borst samen; zij trachtte zich met behulp van Maria, die haar weenende omarmd hield, omhoog te richten. Deze greep, terwijl zij met de rechterhand de moeder ondersteunde, met de linker naar de schel, die aan het bed stond, en schelde driftig. „De dokter! de dokter!” riep zij ademloos, toen vrouw Holder intrad, en deze ijlde haastig weder terug, om dien te ontbieden.
„O moeder, moeder, verlaat uwe dochter niet,” dit waren de eenige woorden, welke zij vermocht uit te brengen. De kranke was door de kramp te benauwd om te kunnen hooren, veel minder kon zij antwoorden. Zoo verstreken eenige minuten in den vreeselijksten angst voor Maria, die alléén, zelve bijna hulpbehoevende, alle inspanning harer ziel noodig had, om niet door den aanblik van het lijden der dierbare moeder en de eigene hartverscheurende smart ongeschikt tot den bijstand te worden, dien zij aan de kranke verleenen moest. Eindelijk nam de stuip af, maar slechts om voor eene andere plaats te maken, die de oplossing verhaasten moest. Een hevige bloedbraking gaf der gekwelde lucht; met deze zwijmden hare laatste krachten en zij zeeg bleek en roerloos op het kussen achterover.
Sidderende, een beeld der vertwijfeling, met stomme, onophoudelijk vlietende tranen, zat Maria aan de legerstede en zag met benevelde blikken, hoe de dierbaarste ziel welke zij op aarde bezat zich aan het stoffelijk hulsel ontworstelde. De moeder staarde nog slechts mat en kwijnend, maar toch met innige liefde en vriendelijkheid uit half gebroken oogen de achterblijvende aan. De borst werd door den zachten, slependen adem nauwelijks meer bewogen; de doodskramp wilde de lippen smartelijk samentrekken, maar werd overwonnen door een stil lachje, de weerglans van het namaals in de reeds brekende, sterfelijke borst. De vlottende ziel behoorde reeds ten halve aan de zalige kringen van eeuwig licht, waar zij haar oorspronkelijk vaderland zoude wedervinden.
Nog één mat glanzende blik der liefde, en het oog brak; Maria rees bevende op en boog zich over het bleeke gelaat, om nog één ademtocht op te vangen; te vergeefs, hij was ontvloden;—geen teeken des levens was op de verstijvende trekken meer te bespeuren.
Het was beslist; zij was eene wees en stond nu eenzaam en alleen op de wereld.
Eenige minuten zat zij versteend, alléén met de droefheid, wier ganschen vreeselijken omvang zij nog niet overzien konde. De eersten, die deze doodsche stilte afbraken, waren de geneesheer en vrouw Holder. „Wij komen te laat,” riep de eerste uit, zoodra hij een vluchtigen blik op het leger had geworpen, „ik vreesde het wel, hier was geen hulp meer mogelijk!” Deze woorden deden Maria uit haar doffe, gevoellooze bedwelming ontwaken. Zij richtte zich tot de bedroefde, weenende vrouw Holder, en wilde haar stil en zacht zeggen: „Mijne moeder is dood!” doch met ieder woord sloeg de smart heviger tonen aan en eindigde in een luiden angstkreet, waarmede zij der toesnellende in de armen zonk. Deze heftige gemoedsbeweging, de uitbarsting der zoolang met kracht beteugelde gewaarwordingen, die thans de te zwakke banden doorbraken, was echter niet van langen duur. Weldra hield de stroom der droefheid op woest tusschen de oevers voort te bruisen, en vlood weder met meerdere kalmte in de diepe bedding daarheen.
Maria liet zich de zorg niet ontnemen, ten minste zij wilde die niet aan vrouw Holder alleen overlaten, om de afgestorvene op een schoon rustbed over te brengen en haar in een eenvoudig, maar zindelijk doodkleed te wikkelen.
Zij ontvlood hare droefheid niet, gelijk zwakke zielen gewoon zijn, maar bekende, dat deze haar thans boven alles dierbaar, dat het haar eenige, ware troost was, zich geheel, zoowel uit- als inwendig, daarmede bezig te houden.
Elke diep gevoelende ziel heeft hare smart lief en smaakt dan alleen eene weemoedige vreugde, wanneer zij zich onverdeeld daaraan kan toewijden. Zij ontvliedt de verstrooiingen des levens, daar zij weet, dat die schijnbeelden van vroolijkheid en geluk, waarmede men zich kan omgeven, in zulke dagen slechts de vreugde huichelen, dat naast deze blinkende leugen de sombere gestalte der waarheid oprijst en de begoocheling doet wijken. Het leven toch gelijkt een spiegel; wie daar vóór treedt, ziet slechts zich zelven; al de bekoorlijke beelden op den achtergrond zijn enkel schijn en eeuwig ongenaakbaar voor hem, die ze niet in den eigen boezem omdraagt.
De beide dochtertjes van de vrouw des huizes, Anna en Therese, traden binnen toen Maria het kleeden der moeder juist voleindigd had. In witte lakens gehuld, lag deze op de baar; het gelaat was zacht en kalm, zonder eenige smartelijke uitdrukking; een stil glimlachje speelde om de lippen.
De kinderen droegen een korfje met bloemen, dat de moeder haar gegeven had, om het leger der doode daarmede op te sieren. Anna, de oudste, zoude deze taak volbrengen, doch het arme kind snikte luid en kon geen woord uitbrengen; Therese daarentegen riep met schuldelooze vreugde: „Zie eens, tante, die fraaie bloemen zijn alle voor u.”
Maria beschouwde de kleinen met een weemoedig lachje. Zij kuste de oudste en drukte haar zacht weenend aan het hart; vervolgens nam zij de kleine Therese, die de handjes vol verlangen naar haar uitstrekte, op den arm, liet zich door het lieve wicht met liefkozingen overladen en verborg haar betraand gelaat in die vleiende omhelzing. Ook het kind begon thans te weenen, daar de droefheid der anderen haar angstig maakte. Maria bracht het met troostende woorden tot bedaren en zeide: „Schrei niet, mijn engel, zie, ook ik ben weer vroolijk; kom, wij willen de bloemen nemen en moeders bed bestrooien. Ziet gij wel, hoe gerust zij slaapt?”
Het kind werd weder rustig en sprak: „Ik zal u helpen, tante.”
„Ja, dat zult gij ook, Therese, gij zult mij de bloemen toereiken.” Zij gaf hierop aan de kleine het korfje over, die het naast zich neerzette en haar de bloemen een voor een met de mollige handjes overgaf. Anna hielp het leger der ontslapene daarmede versieren; het vrome werk werd bijna zonder spreken voortgezet; slechts nu en dan maakten de onschuldige vragen en kinderlijke uitroepen der kleine Therese een vriendelijken wenk van Maria noodzakelijk.
De afgestorvene lag nu in een sneeuwwit gewaad, met bloemen omgeven, op het doodbed; de laatste treurige plichten had Maria aan haar vervuld. Stom, met neergezonken, saamgevouwen handen stond zij in ernstige mijmering aan de baar en vestigde haar oog op het moederlijke gelaat. Nog zweefde de adem des levens over de kalme trekken, nog was het niet dat koude versteende masker der dooden, nog scheen zij in een zachten sluimer verzonken te zijn, waaruit zij elk oogenblik weder ontwaken kon. Het kwam Maria eene poos geheel onmogelijk voor, dat de band van vereeniging nu voor altijd was afgebroken, dat dit oog haar nimmer weder vriendelijk aanblikken, die mond haar nooit weder vriendelijke woorden toespreken zoude. Eensklaps beving haar een hevige angst en beklemdheid; zij moest naar buiten, moest de vrije lucht inademen. Haastig nam zij de kinderen bij de hand en sprak: „Laat ons een weinig in den tuin gaan, de zon schijnt zoo schoon.” Zij gingen.
Toen Maria de deur opende, stonden twee vrouwelijke gestalten voor haar, die zij, daar de smart haar van alles vervreemdde, niet dadelijk herkende, maar verrast en onzeker aanstaarde. Het waren de gravin en Lodoiska, die, om de gisteren aangeknoopte kennis voort te zetten, een eerste bezoek bij Maria en hare moeder wilden komen afleggen.
Nog meer dan Maria over de komenden, ontstelden deze op het gezicht der bleeke, wankelende gestalte; doch die wederkeerige bevreemding duurde slechts eenige seconden, daar het meisje op de vraag der gravin: „Mijn God, wat is u overkomen?” met eene zwakke stem antwoordde: „Gij treedt in een huis der droefheid! Eene wees staat voor u!” Overweldigd door haar gevoel, zonk zij half bewusteloos in de geopende armen, welke de gravin medelijdend naar haar uitstrekte. Met warmte drukte deze het in stomme smart aan hare borst rustende meisje een kus op het voorhoofd en sprak troostend: „Wees _mijne_ dochter!”—„En _mijne_ zuster!” fluisterde Lodoiska en greep Maria's nederhangende hand.
O, hoe weldadig, hoe zacht drongen deze vertroostende stemmen van deelnemende, gevoelige zielen, die de hemel der treurende in het oogenblik van hare diepe eenzaamheid op aarde toezond, in het verscheurde, bloedende hart! Hoe had dit ééne warme oogenblik den kouden ijzeren grensmuur, dien het leven dikwijls zoolang tusschen de menschen doet standhouden en waardoor zij somtijds voor altijd van elkander verwijderd blijven, bijna geheel doen verdwijnen. Jaren in gemeenzamen, onbeduidenden omgang met elkander doorgebracht, verbinden niet zoo vast en innig, als eene enkele diep treffende ontmoeting, waarbij de menschelijke ziel, in het verhoogde gevoel der nietigheid van al het uiterlijke en toevallige, slechts haars gelijken zoekt en slechts in de liefde de waarheid erkend. Op den helderen stroom der vreugde vloeien de zielen der menschen inéén; nog inniger echter op den donkeren vloed der smarte en des lijdens.
Zoo waren de drie vrouwen in deze weinige minuten voor haar leven verbonden, en Maria besefte met helder inzicht de eerste zegening, die God den mensch uit droeve rampen bereidt, deze namelijk, dat zijne ziel rijker in en vatbaarder voor liefde wordt.—De beklemde, gejaagde toestand, waarin zij nog immer verkeerde, vorderde, dat zij, eer zij de nieuwe moederlijke en zusterlijke vriendinnen aan de baar bracht, eenige malen den tuin op en neder ging, om hare kalmte te herwinnen.
Toen de ernstige, vertrouwen inboezemende toespraak der gravin en Lodoiska's teedere zusterliefde hare treurende borst op deze wandeling met zulk een zoeten troost vervulden, kwam het haar eensklaps als bijna misdadig voor, dat de geringste schuilhoek van haar hart voor háár verborgen zoude blijven, wier liefde zich op zulk een roerende wijze openbaarde. Het besluit, aan beiden mede te deelen, wat Rasinski voor den geliefden broeder gedaan had, werd haar eene dringende behoefte. „Ik kan,” sprak zij en zij sloeg haar open, blauw oog vertrouwelijk tot de gravin op, „ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat ik eener zoo edele vrouw half versluierd, met argwaan en achterhouding onder de oogen treed. Gij hebt mij naar mijn broeder gevraagd: o, gij kent hem, want in uw huis vond hij als Lodewijk Soren met zijne vriend Bernard de liefderijkste toevlucht.”
„Hoe?” riep de gravin verbaasd; „die jonkman, die door zijn mannelijken, ernstigen aard ons allen zoo aantrok, was dat uw broeder?”
„Hij is het; maar zulks moet het diepste geheim blijven,” sprak Maria, en verhaalde hierop den ganschen samenhang der omstandigheden, waardoor Lodewijk in zijn zonderlingen toestand was verplaatst geworden. Hierbij noemde zij ook de namen St. Luces en Beaucaire, waarop de gravin, die voor alle ontmoetingen een opmerkzaam oog had, haar dadelijk aan de beide vreemden van gisteren herinnerde en de slechts al te gegronde bezorgdheid te kennen gaf, dat juist deze de gevaarlijke mannen zijn konden. Thans viel Maria ook te binnen, wat Arnheim haar gisteren gezegd had, en dat was genoeg om haar elken twijfel te benemen. Zij zag, na haar deze mededeeling gedaan te hebben, de gravin angstig en vragend aan. „Men mag den moed niet verliezen,” sprak deze, „en moet hoogst omzichtig zijn. Schoon ik, als Poolsche, den keizer der Franschen met geestdrift vereer en Frankrijk als onzen reddenden bondgenoot beschouw, ken ik toch alle verdrukkingen en gruwelen dier ter beheering van vijandelijke landen gebruikte beambten, die, noch soldaten, noch mannen van moed, ook mannelijken moed niet waardeeren en slechts over machteloozen weten te zegepralen. Tot dezulken kunnen uwe vijanden wellicht ook behooren. Voorzichtig dus, meidlief!—Hoe verzendt gij uwe brieven?”
„Onder het opschrift aan den graaf Rasinski,” hervatte Maria niet zonder te blozen.
„Goed,” vervolgde de gravin haastig, zonder op Maria's verwarring acht te slaan; „maar misschien is dit nog niet voldoende. Geef mij uwe brieven. Ik ken vele officieren van 't regiment, dat mijn broeder aanvoert. Ik kan van adres verwisselen en het toch zoo inrichten dat mijn broeder de brieven opent. Door mij dus, lieve, voert gij in het vervolg uwe briefwisseling.”
Onder dit gesprek was men in huis teruggekeerd en Maria geleidde de beschermster en de vriendin, welke zij gevonden had, naar het ontzielde hulsel van haar, in wie zij beide verloor.