1812: Historische roman

Part 31

Chapter 313,868 wordsPublic domain

Inmiddels was men het stadje genaderd en het drukke gewoel aan den oever, benevens eenige lustig heen en weer kruisende roeibooten met jongelieden braken de kalme rust af, die tot hiertoe in het landschap had geheerscht. Van lieverlede werd dus ook het lang verstomde onderhoud weder aangeknoopt en onder drukke gesprekken kwam men bij de landingsplaats aan wal. Daar hadden de overige leden van het gezelschap, die vroeger waren afgevaren, zich verzameld, en verwelkomden de aan land springenden met een blij gejuich. In ongeregelde, verwarde groepen stroomde men naar de herberg, waar eene helder verlichte zaal het gezelschap ontving en den uitlokkenden aanblik van eene, met vruchten, koude spijzen en wijn rijk bezette tafel aanbood, om welke men zich voor de terugreis nog eenmaal in een vertrouwelijken kring schaarde en met scherts en kout den genoegelijk doorgebrachten dag besloot. Eindelijk, het was bijna middernacht, moest men toch scheiden en zich tot den terugrit gereed maken. Erlhofen kon echter deze voegzame gelegenheid tot eene plechtige aanspraak niet ongebruikt laten voorbijgaan. Hij rees met deftigheid op, vulde zijn glas en sprak: „Na een kort, maar, naar ik hoop, roemruchtiger bewind dan ooit een scepter-dragend koning gevoerd heeft—want gedurende mijn beheer werd geene minuut anders dan tot het geluk mijner onderdanen besteed—na zulk eene Titusregeering neem ik de mij opgezette kroon weder van het hoofd en leg den scepter nevens haar neder. Geen oproer heeft mij verdreven, de hand des doods heeft mij niet weggeraapt, en toch verdwijnt mijn rijk nog spoorloozer van de aarde, dan dat van koning Priamus; want mijne onderdanen verstrooien zich, aan den ijzeren wil van het noodlot gehoorzamende, over alle landen der wereld. De door een scepter verlengde arm strekt zich reusachtig over verre landstreken en hare millioenen bewoners uit; men ontneme hem den twee voet langen heerschersstaf, en hij wordt twintigmaal zoo vele uren korter en krimpt tot een liliputschen stomp ineen, die tevreden is, wanneer hij eene vlieg van den neus kan wegknippen. Hoe smartelijk grieft het mij dus, mijne vrienden en onderdanen, dat ik reeds zoo schielijk die smartelijke afzettingskuur moet doorstaan! Nog ben ik uw gebieder, nog houd ik u met den band onzer vriendschappelijke grondwet te zamen; ettelijke zandkorrels verloopen, en wij rijten ons vaneen of liever, wij rijden te zamen naar huis. Thans eerst beginnen de moeielijke en gevaarvolle wegen, en thans juist geeft de afval van uw meester u aan het toeval ten prooi, dat u zoo licht ten val kan brengen op de hobbelige straat naar Teplitz. In 's hemels naam dan, mijne onderdanen, rijt u los, maar rijdt voorspoedig!” Haastig ledigde hij zijn glas, reikte der gravin den arm en geleide haar naar den wagen. Ook de overigen hadden spoedig in de rijtuigen plaats genomen en, door het schoone schijnsel der maan, die haar blinkenden sluier over bergen en dalen uitwierp, vriendelijk omschenen, rolden de feestgenooten naar huis.

De dag der vreugde was genoten, de vroolijke juichtoon verstomd. Slechts eene zwakke echo trilde nog in menige borst na en vervulde ze met zoet weemoedige aandoeningen.

HOOFDSTUK VI.

De morgen daagde reeds, toen Maria de kleine tuindeur weder binnentrad, waarvan zij den sleutel had medegenomen, om, zonder iemand te storen, hare slaapkamer te kunnen bereiken. 't Verwonderde haar, in het vertrek harer moeder nog licht te zien. Voorzichtig sloop zij nader en gluurde door het met wijnranken begroeide venster naar binnen. De nachtlamp brandde; het lichtschijnsel wierp eene donkere schaduw op het bed en daarvóór, in een leunstoel, zat eene vrouwelijke gestalte, wier gelaatstrekken zij niet onderscheiden kon. Eene angstige rilling liep haar bij dit gezicht over de leden en deed haar de knieën knikken, zoodat het haar bijna onmogelijk was zich staande te houden en in huis te gaan. Was de moeder plotselijk zoo verergerd? Was haar eenig onheil bejegend? Door deze gedachten gepijnigd, wankelde zij naar hare kamer en opende behoedzaam de deur van het vertrek der moeder. Toen zij binnentrad, ontwaakte vrouw Holder, want deze was het die in den leunstoel zat, uit de lichte sluimering, welke haar had overvallen; zij herkende Maria dadelijk en wenkte haar met den vinger op den mond stilte toe, terwijl zij met de andere hand op de rustende kranke wees. Maria bleef in bange verwachting aan de deur staan; vrouw Holder kwam haar op de teenen tegemoet en volgde haar in het nevenvertrek.

„Om Gods wil, wat deert mijne moeder?” vroeg zij, zoodra de deur gesloten was, met bevende stem.

„Beangstig u niet te zeer, lieve juffer,” antwoordde de huisvrouw geruststellend; „het toeval zal geen gevolgen hebben. Dezen morgen, toen mevrouw zich, door mij geleid, met vele andere brongasten op de groote wandelplaats bevond, werd er eensklaps geroepen: een dolle hond, een dolle hond! Alles liep verward dooreen en zocht toevlucht in de naaste huizen. Ook wij liepen zoo hard wij konden, om een huis te bereiken. Plotseling hoorden wij achter ons een luid geschreeuw, en toen wij omzagen ontdekten wij inderdaad, dat het woedende dier in dezelfde richting kwam aanstuiven, die wij hadden ingeslagen. Hevig ontsteld vlogen wij zijwaarts, de kleine hoogte op, naar de kastanjeboomen toe. Wij bereikten ze gelukkig; het dolle dier vloog ons strijkelings voorbij en op de stad aan, waar het ook is doodgeschoten. Inspanning en schrik hadden ons evenwel geheel buiten adem gebracht, en vooral uwe moeder klaagde over pijn in de borst, dat is de reden van hare onpasselijkheid.”

Bevende, beurtelings gloeiend en verbleekend, had Maria het verhaal aangehoord. Thans, nu het geëindigd was, schepte zij weder adem en zei met kalmte: „Zeg mij alles, lieve vrouw Holder, alles, volstrekt alles. Ik moet het immers weten, als ik mijne moeder wil oppassen! Is de dokter hier geweest? Wat heeft hij voorgeschreven?”—Onder het spreken verloor zij hare met moeite verkregene bedaardheid weder, want gestadig meer beangstigende voorstellingen rezen onder deze vragen in hare ziel op.

„Zekerlijk hebben wij dadelijk naar den dokter gezonden,” antwoordde vrouw Holder; „hij heeft vooral rust aanbevolen, toen hij hoorde, dat de zieke een weinig bloed had opgegeven.”

„Eene bloedspuwing!” riep Maria, door dat verschrikkelijk woord verpletterd. „Almachtige God, ook dat nog!”

Het was te veel voor hare krachten; de gansche vrouwelijke sterkte harer ziel was door dezen onverhoedschen slag als verlamd. Daar zij de kwaal harer moeder kende, kon zij het gevaar in zijn vollen, vreeselijken omgang beseffen. Zij moest zich door vrouw Holder naar een stoel laten leiden, waarop zij uitgeput neerzeeg. „Wees niet al te bezorgd,” sprak deze, „de geneesheer heeft de beste hoop gegeven. Slechts de meest mogelijke rust heeft hij ons aanbevolen, opdat het toeval niet terugkeere. Ga daarom rustig slapen, ik zal wel verder bij de zieke waken. Zij weet nu eenmaal, dat ik bij haar ben, en zou wellicht schrikken, wanneer zij u eensklaps bij haar bed zag. Bovendien heb ik haar plechtig moeten beloven, u bij uwe terugkomst niet het minste van het gebeurde te zeggen, daar morgen alles toch wel weer geschikt zal zijn en gij u dan noodeloos zoudt bekommerd hebben. Dat dorst ik echter niet zoo geheel op mij nemen. Maar nu moet gij toch vooral stil en bedaard in uwe kamer blijven en u rustig neerleggen; want anders zoudt gij zelve ziek worden. Gij moet doodelijk vermoeid zijn van het lange rijden en wandelen.”

Maria was inderdaad vermoeid; evenwel zou zij krachten genoeg hebben gehad, om ook deze nieuwe inspanning te verdragen, wanneer de plotselinge schrik haar niet zoo hevig had aangegrepen. Thans echter moest zij zelve bekennen, dat de opgewonden toestand, waarin zij verkeerde, haar tot de behoorlijke verpleging der kranke geheel ongeschikt maakte, en het was hierom dan ook, dat zij besloot, de welgemeende aanbieding der huisvrouw aan te nemen, die er met ernst en liefderijke deelneming op aan bleef dringen, dat zij zich ten minste voor eenige uren ter rust zoude begeven. Zij legde zich te bed, schoon overtuigd, dat geen zachte slaap haar verkwikken zou; nochtans had de groote vermoeidheid van het lichaam, verbonden met de hevige afmatting der ziel, eene zoodanige ontspanning harer krachten ten gevolge, dat zij in eene soort van bedwelming wegzonk, gedurende welke de onstuimigheid harer gemoedsbewegingen, door de macht der natuur overwonnen, tot kalmte werd gebracht. Zoo kreeg ook het lichaam de noodige verkwikking, die zij zich vrijwillig niet zoude vergund hebben.

Na eenige uren trad vrouw Holder aan hare legerstede en deed haar uit hare lichte sluimering ontwaken.

Haastig rees zij op, kleedde zich vluchtig aan en trad in het vertrek der kranke. Met vastheid had zij zich voorgenomen hare gewaarwordingen in toom te houden en hare bange bekommeringen op geenerlei wijze te verraden.

„Goeden morgen, beste moeder,” sprak zij op fluisterenden toon; „hoe gaat het u? Voelt gij u iets beter?”

De zieke vertoonde in de zachte trekken van haar gelaat de onmiskenbare uitdrukking van die kalme gelatenheid in 't lijden, waarmede zij sinds lange jaren alle schijnbaar harde slagen van het lot met christelijke onderwerping had gedragen, zonder ooit het goede voorbij te zien, dat haar door dezelfde hand werd toegezonden.

Vriendelijk, doch zonder te spreken, lachte zij hare dochter toe en bood haar de op het dek rustende hand door een langzaam omwenden en openen aan, daar zij de kracht niet had, die op te heffen. Met het scherpziend oog der bezorgde kinderlijke liefde, doorzag Maria alras het lichte waas van kalmte en rust, waaronder de moeder haren waren toestand trachtte te verbergen. Bij den eersten aanblik reeds van dat lieve, lijdende wezen drong zich de verpletterende waarheid aan haar op: zij is voor u verloren! Het matte oog, de bleeke lippen spraken te duidelijk, ook zonder die stomme begroeting, dat haperen der taal, dat der anders zoo vriendelijke moeder zoo smartelijk moest vallen. Haar hart dreigde te breken onder den last van dezen nieuwen jammer, die haar werd opgelegd; maar zij behield hare uiterlijke bedaardheid en haar mond glimlachte, terwijl hare borst door de grievendste smart werd verscheurd.

„Mijn lieve, goede moeder,” sprak zij; „terwijl ik den dag in onbezorgde vreugde en lichtzinnigheid doorbracht, moest u zulk een vreeselijk onheil treffen en u in den korten tijd, die tot herstelling van uw zwak lichaam bestemd was, een nieuw lijden veroorzaken! Maar ik vertrouw zeker, dat het even spoedig zal voorbijgaan als het onverhoeds is opgekomen. Blijf slechts bedaard, antwoord mij nergens op, troost mij niet, vraag mij niets, ik kan alles, wat u ontbreekt, wat gij wenscht, in uwe oogen lezen, en mijne liefde zal raden, wat gij niet door wenken kunt uitdrukken.”

Tegelijk beijverde zij zich, het afgegleden kussen weder te recht te leggen, ten einde de beklemde borst daardoor eene vrijer ademhaling te verschaffen. Vervolgens vulde zij een kopje met thee, die de arts had aanbevolen, en bracht het, bij kleine tusschenpoozen, aan de lippen der kranke. Toen deze gedronken had, vroeg zij: „Zal ik u voorlezen, moeder?” Een matte oogwenk was voldoende, om haar het boek te doen halen, waarin hare moeder gewoon was te lezen. Met eene zachte, maar vaste stem begon zij hare ernstige bezigheid. De gemoedelijke geest, de kinderlijke gezindheid, die in het gansche werk doorstraalden, versterkten ook haar neergebogen hart en gaven het kracht, om zich in geloovig vertrouwen boven de aardsche rampen en bekommernissen te verheffen. Na eenige bladzijden gelezen te hebben, kwam zij aan eene plaats, die opzettelijk voor haren toestand geschreven scheen te zijn. Tot in het binnenste der ziel van de waarheid doordrongen, las zij die met zulk een innig gevoel, met zulk eene toenemende kracht van geloof en vertrouwen, dat de moeder zich door die zachte woorden van vertroosting merkbaar gesterkt voelde en met levendiger oog toeluisterde. Maria, die niet naliet van tijd tot tijd over het boek heen de kranke aan te zien, ten einde hare geringste wenschen dadelijk te kunnen vervullen, bemerkte spoedig den indruk, dien deze plaats had te weeg gebracht. „Zal ik dit nog eens herhalen, lieve moeder?” vroeg zij, hare gewoonte kennende om plaatsen, die haar bijzonder troffen, meermalen te herlezen. De kranke glimlachte en knikte met het hoofd. Maria las:

„Er zijn tijden in ons leven, dat de heldere hemel zich geheel voor ons oog schijnt te verbergen, dat gestadig zwarter en dreigender wolken aan den gezichteinder opstijgen en zich boven ons hoofd samenpakken. Nu is de maat gevuld, denken wij dan dikwijls, nu kan geen harder lot, geen smartelijker leed ons meer treffen. Daarin spreekt echter de gezindheid van een twijfelmoedig, ondankbaar hart, dat de oneindige weldaden Gods miskent en roekeloos voorbijziet. Zijne genade is te groot, om u den kelk des lijdens tot den bodem toe te doen ledigen; gij zoudt het niet verdragen; eer de beker ten halve geleegd is, bezwijken uwe aardsche krachten. Maar waarom gelooft gij, dat gij de diepte des jammers hebt uitgeput? Wijl gij niet meer met een dankend hart opmerkt, welk een rijke overvloed van goddelijke weldaden ook dan nog over u wordt uitgestort, wanneer gij enkel de grievende pijn der smart meent te voelen. Eéne vrucht van den boom des levens wordt door den worm doorknaagd en valt verdord ter aarde, maar nog prijkt heel de overige kroon met ontelbare vruchten, bloesems en kiemen tot duizend nieuwe vruchten. Gij echter beweent enkel wat gij verloren hebt, en sluit uw ondankbaar oog voor alles, wat u is overgebleven. Eene moeder verliest haar geliefd kind; zij klaagt in troosteloozen rouw en ziet niet, dat een bloeiende kring van zonen en dochteren haar nog omringt, door welker liefde de Heer haar de gelukkigste toekomst wilt schenken. En wanneer u ook alles ontroofd werd, wanneer eene wees alléén, zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder raad of hulp achterbleef, wanneer zij nergens een uitweg ontdekte, die uit den diepen afgrond der ellende in het schoone dal van het geluk terugvoerde—bleef haar dan niet nog de liefderijke Vader in den hemel? Opent zijne hand niet duizend paden, wanneer het sterfelijk oog nergens uitkomst meer bespeurt? Is al het leed, dat u treft, niet een ras voorbijspoedend leed der aarde? Woont niet de eeuwige vreugde in de zalige gewesten van den hemel? Als het hier duistere nacht is, als nevels en wolken elke ster aan uw oog onttrekken, vlammen dan toch niet tallooze bliksemende zonnen in de onmetelijke ruimte boven den lagen dampkring der aarde? Ja, koestert zich niet de eene helft dezer aarde in licht en zonnegloed, terwijl de andere in een kortstondig duister gehuld is? Zoo zeker het aanbreken van den dageraad na den donkeren nacht is, zóó zeker wacht den geloovigen de zaligheid, na den korten tijd der aardsche beproeving. Daarom, lieve vrienden, zijt getroost. Er is een oog, dat door nacht en wolken dringt en de tranen telt der bedrukten, die het oog geloovig naar boven richten; er is een hart, dat het lijden voelt in elke borst, die zich niet trouweloos van hem afwendt; er is eene hand, die tot in den donkersten afgrond reikt en de hand aangrijpt van den hulpelooze, die van haar redding wacht. Dat oog waakt steeds over u, dat hart klopt met het uwe, die hand leidt u op de duistere wegen van rampspoed en gevaar. Daarom zijt gij getroost, want waar gij wandelt, daar wandelt de Heer met u, en Hij verlaat niemand, die Hem getrouw blijft.”

Onder het ijverig lezen had Maria niet bemerkt, dat de geneesheer was binnengetreden, en reeds eenige minuten aan de deur toeluisterde, zonder door haar of de kranke gezien te worden. Thans naderde hij en nam, om Maria eene lichte verwarring te besparen, den schijn aan, alsof hij zoo even eerst gekomen was. De reeds bejaarde man groette haar vriendelijk goeden morgen en trad op de kranke toe, wier pols hij opmerkzaam onderzocht.

„Hm, nog altijd een weinig gejaagd,” sprak hij: „wij moeten met de kalmeerende middelen voortgaan.”

Na nog eenige vragen te hebben gedaan, schreef hij een geneesmiddel voor, welks spoedige bereiding hij dringend aanbeval, en nam afscheid. Maria deed hem uitgeleide, onder den schijn van burgerlijke beleefdheid, maar inderdaad, om door hem omtrent den wezenlijken toestand van hare moeder onderricht te worden, daar zij overtuigd was, zelfs de grievendste zekerheid met meer kalmte en standvastigheid te zullen dragen, dan die angstvallige weifeling tusschen vrees en hoop, waardoor zij tot op dit oogenblik geslingerd werd. Op een biddenden toon, maar toch met bedaarde vastheid, sprak zij hem dus in het woonvertrek aan: „Zeg mij de waarheid, dokter, de volle zuivere waarheid. Houd mij niet voor een zwak vrouwelijk wezen, dat in nuttelooze klachten uitbarsten of in onmachtige moedeloosheid neerzinken zal, wanneer het gevaar dreigend is; maar gun ook aan eene bedrukte dochter den troost der hoop, die uwe uitspraak haar verleenen kan. Zeg mij de zuivere waarheid, ik smeek het u nogmaals, houdt mij niet het geringste verborgen!”

„Mijn goed kind,” antwoordde de geneesheer vriendelijk, maar met aandoening, „gij doet wel, u aan de schoone woorden van troost te houden, die ik u bij mijn binnentreden hoorde lezen. Ik heb weinig hoop! Keert de bloedstorting terug, dan is alles voorbij. Tegen den middag zal zich denk ik, alles beslissen.”

Hoewel Maria zich op het ergste had voorbereid, schoon zij zich met vastheid had voorgenomen, elke weekelijke uitstorting van haar gevoel met alle inspanning te bedwingen, deed toch dit zekere doodvonnis voor een oogenblik hare krachten bezwijken. Bittere, stille tranen welden in haar oog op en bevende moest zij zich aan den schouder van den geneesheer vasthouden, die haar met zachte woorden trachtte op te beuren.

„Het is nu overwonnen,” sprak zij na eene poos; „ik voel mij sterk genoeg, om naar mijne stervende moeder terug te keeren. Ik dank u, dat gij mij niets verborgen hebt. Ik neem nu het smartelijkste voor zeker aan en getroost mij het verlies van het dierbaarste, van het éénige, dat ik thans op aarde bezit!”

„Denk aan het oog, dat de tranen van het uwe telt, aan het hart, dat met het uwe slaat, aan de hand, die u geleiden wil op uw eenzamen levensweg,” sprak de arts; „dat zal u moed en sterkte geven, als het uur dáár is. Vaar thans wel! Binnen weinige uren ziet gij mij weder. Als inmiddels het geringste mocht voorvallen, laat gij mij waarschuwen, en ik zal terstond hier zijn.”

Dit zeggende vatte hij hare hand, drukte ze met warmte aan zijne borst en verliet haastig het vertrek, om niet zelf door zijn gevoel overweldigd te worden.

Maria wierp zich op de knieën neder en bad God, dat hij haar kracht en sterkte mocht verleenen in het uur der beproeving. Nog eens gaf zij aan hare kinderlijke tranen den vrijen loop; hierop richtte zij zich op en keerde met eene verruimde borst naar het bed harer moeder terug.

HOOFDSTUK VII.

St. Luces en Beaucaire waren, in hunne woning terugkeerende, te vermoeid, om zich over de gebeurtenissen van den dag breedvoerig te onderhouden; den volgenden morgen echter toen de bediende Beaucaire het ontbijt bracht, was het zijne eerste gedachte, de ontdekking, welke hij gisteren gedaan en de menigvuldige plannen, die hij daarbij dadelijk ontworpen had, verder te vervolgen. Hij begaf zich dus naar St. Luces, dien hij reeds aan de schrijftafel vond, groette hem en begon: „Ik geloof, dat wij gisteren eene gelukkige jacht gehad hebben; althans zijn wij op het spoor van een edel wild gekomen, dat ons duizend gouden napoleons buitgeld kan opbrengen.”

„Zeker, zeker,” hernam St. Luces met een tevreden glimlachje; „de vraag is maar, hoe wij het voor het schot krijgen. Ik ben reeds bezig mijne maatregelen te nemen, door naar Dresden te schrijven en de noodige volmachten te verzoeken, om ook het bestuur hier in den arm te kunnen nemen; wij, zoo als wij hier zijn, kunnen niets uitvoeren.”

„Dat is de weg niet, dien ik zou inslaan,” hervatte Beaucaire; „ik vrees, hij brengt ons geen stap verder, dan wij de eerste maal gekomen zijn. Wij hebben met bewoners van een bevriend land te doen, tegen wie men niet met gestrengheid handelen _wil_; anders had men reeds lang door moeder of zuster het verblijf van den broeder kunnen gewaar worden, daar het sprookje van het duel en de volstrekte onkunde der moeder omtrent het verblijf van den zoon toch al te ongerijmd waren, om daaraan geloof te hechten. Maar gesteld ook, dat zij het toenmaals niet kende, vroeger of later heeft zij het toch zeker moeten te weten komen. Had men dat dus door de beteekenis der vrouwen _willen_ ontdekken, zoo ware niets ter wereld gemakkelijker geweest. Ik twijfel dus, of men ons de vereischte volmachten zal geven; en deed men het ook, zoo zou de zaak toch licht eene hatelijke opschudding kunnen te weeg brengen, voor wier gevolgen ik bij de verbittering, die, niettegenstaande het bondgenootschap des keizers en zijne betrekking tot het huis van Oostenrijk, hier nog altijd tegen ons heerscht, niet wil instaan. Echter dunkt mij, dat er nog wel andere middelen te vinden zijn, om achter het geheim te komen.”

„En die waren?” vroeg St. Luces opmerkzaam.

„Wij moeten slechts niet gierig zijn,” ging Beaucaire met een sluw, boosaardig lachje voort, „en van de duizend napoleons vijftig tot honderd door de vingers laten glippen, die de postmeester van dit stadje verdienen zou, ingeval hij ons alle brieven, die door beide vrouwen afgezonden worden of onder haar adres aankomen, ter vluchtige inzage overleverde. Denkt gij niet, dat ons heet mes het zegel van een meisjesbrief niet even goed zal losmaken, als de zorgvuldig gestempelde staatsstukken?”

„Ik vrees slechts, dat men ons reeds herkend heeft en op zijne hoede zal zijn!”

„Wie zou ons herkend hebben?” riep Beaucaire. „Het jonge meisje? Dat hadden wij dadelijk moeten bemerken; maar ik ben overtuigd, dat zij niet eens onze namen gehoord heeft, want toen wij voorgesteld werden, was zij te ver verwijderd, en van het oogenblik af, dat ik hoorde wie zij was, heb ik geen oog van haar afgewend.”

„Ook ik niet,” hervatte St. Luces; „maar juist aan hare houding, aan hare blikken meen ik te hebben waargenomen, dat zij, zoo ze ons al niet kent, dan toch eenige achterdocht tegen ons voedt, of naar eene herinnering zoekt, waarmede zij ons in verband wil brengen.”

„En al kenden de vrouwen ons ook, wat zou ons daar nog aan gelegen zijn?” riep Beaucaire uit.

„Zij zouden hoogst omzichtig zijn, hare brieven langs omwegen verzenden, wellicht zelve afreizen!”

„Laat haar! Hare omzichtigheid kan zich toch slechts tot de af te zenden, niet tot de aankomende brieven uitstrekken, en deze laatste zullen ons in allen gevalle meer licht geven dan de eerste, die wellicht onder een valsch adres verzonden worden. Dat toch zal de voortvluchtige ridder wel vooreerst beschikt hebben.”

St. Luces ging nadenkend op en neder.

„En zult gij,” vroeg hij eensklaps, „niet op de domme eerlijkheid van den duitschen beambte het hoofd stooten en ons beider goeden naam aan de kaak stellen?”

„Ik verbeeld mij, heer baron,” hervatte Beaucaire eenigszins geraakt, „u reeds eenige blijken gegeven te hebben, dat ik onderhandelingen wist aan te knoopen, waarbij nog meer op het spel stond. Wanneer ben ik zoo waanzinnig geweest ons vroeger bloot te geven, dan nadat ik van mijne partij zeker was?—Wees volkomen gerust, laat de zaak geheel aan mij over; ik zal wel middelen vinden, om den draad, waaruit ik den vangstrik voor onzen avonturier hoop saam te knoopen, fijn genoeg aan te leggen en uit te spinnen.”