Part 30
De met lustig wapperende wimpels en kransen versierde gondels leverden zulk een schilderachtige vertooning op, dat men daardoor reeds de schoonste verwachting van de voorgenomen vaart opvatte. Een zachte muziek van blaasinstrumenten, door boheemsche bergwerkers uitgevoerd, liet zich uit een opzettelijk daartoe ingericht vaartuigje vernemen. De zindelijk gekleede bootslieden, wier hoeden met linten en strikken prijkte, begroetten het gezelschap met een juichend vivat; de planken werden uitgelegd, de dames wipten luchtig aan boord, de paren namen, naarmate zij elkander opvolgden, op de banken plaats; spoedig waren de gondels gevuld, de muziek gaf een luiden toon aan, onder het gejubel der verzamelde toeschouwers stiet men van wal en, met krachtige roeislagen voortgedreven, doorkliefden de ranke booten de breede watervlakte. Thans eerst, nu men het midden bereikt had, kon men recht diep in het prachtvolle wouddal nederzien, waaruit de Elbe te voorschijn bruischt. Op den achtergrond rees het stadje aan den groenen oever vriendelijk omhoog en spiegelde zich in de golven; vóór zich ontdekte men slechts donkere woudterrassen, die naar den stroom afdaalden en hun duister beeld in de diepte wierpen; ter linkerzijde werd het uitzicht door de zwarte rotsen van den Schreckenstein begrensd, die, in schuinsche richting uit het gebergte oprijzende, zijn kruin ver over de golven neigt en de muurkroon van vervallen torens over den afgrond laat neerhangen. Eene frissche, uit het dal opkomende koelte maakte het roeien onnoodig; men kon de zeilen ontspannen en zich door hen tegen den ruischenden stroom laten opvoeren. Vliegensvlug scheen de oever de varenden voorbij te zweven en vertoonde eene lange reeks van afwisselende beelden. Nu eens gleed men onder een hoogen bergkegel door, die zijn breede schaduwen schuins over den stroom wierp, dan weder dansten de gondels op zilveren, in helderen zonneschijn flikkerende golven, terwijl de oever, met dichte pijnen en lommerrijke eiken omzoomd, in nachtelijk duister gehuld scheen. Nu vernauwde zich de bedding, en de stroom schoot bruisend tusschen en over rotsen daarheen, dan verwijdde hij zich tot een kalm en helder meer, in welks diepte de wolken rustig voorttrokken. Na een uur had men het doel, den Schreckenstein en zijn rotsburg, bereikt.
„Ik had mij de rots toch hooger voorgesteld,” sprak Lodoiska tot Benno, terwijl zij, aan den oever staande, een blik naar de torenspitsen omhoog wierp; „van verre kwam zij mij veel verhevener voor. Het is de eerste steile rots, die ik ooit gezien heb; want bij ons in Polen is het land vlak en met bosch of kreupelhout doorsneden.”
„Laat ons maar eerst den top beklimmen,” hernam Benno, „en gij zult spoedig bemerken, dat de rots niet onbeduidend is. Thans, het is waar, verdwijnt zij tegen de veel hooger gebergten, die achter haar opstijgen.”
Lodoiska hield nog gestadig hare oogen op de stout voorover hangende kruinspits gevestigd. „Berglanden zijn toch zeer schoon!” sprak zij na eenig zwijgen, „Polen heeft ook bergen, maar enkel in het zuidelijke deel, waar zich eenige takken van de Karpathen verheffen. Ik ben daar nooit geweest.”
Een deel van het gezelschap was, terwijl beiden spraken, den weg, de hoogte op, reeds ingeslagen; ook Benno reikte dus aan zijne schoone den arm en voerde haar behoedzaam het steile bergpad op. Toen zij de rots half bestegen hadden, wilde Lodoiska zich omwenden om naar beneden te zien, doch Benno verzocht haar zulks niet te doen. „Gun mij de vreugde u boven op het schoonste punt met het overzicht van het geheel te verrassen. Ik zou u smeeken de oogen geheel te sluiten, wanneer het pad niet zoo was, dat zelfs de opmerkzaamste geleider niet voor kleine ongevallen behoeden kan. De grond is te ruw en oneffen, er liggen te veel puntige steenen in den weg, de richting verandert zich vaak te onverhoeds, om met gesloten oogen vasten voet te kunnen houden. Maar vestig uwe oogen slechts stijf op het pad voor u, tracht van u zelve te verkrijgen, dat gij noch rechts noch links uitziet, en ik durf u eene rijke vergoeding voor uwe zelfbeheersching voorspellen.”
Lodoiska beloofde dit gewillig en liet zich geheel aan de leiding van den jongeling over. De overige leden van het gezelschap schertsten wel over hare gehoorzaamheid, doch daaraan stoorde zij zich niet, maar glimlachte stil voor zich heen en zeide: „Ik vertrouw mijn gids, want hij kent dit gebergte nauwkeurig en weet de schoonheden daarvan te gevoelen.” Tevergeefs zochten eenige moedwillige jongelieden hare nieuwsgierigheid gaande te maken, en roemden nu dezen blik in de diepte, dan dat uitzicht op het dal; zij bleef standvastig. Na eene kleine wandeling stond zij op de kruin en Benno geleidde haar door vervallen muurpuinen naar een hoektoren, dien men langs eenig half ingestorte trappen beklimmen moest, waarop men zich in een klein vertrek met breede venstergaten bevindt, dat zoo dicht aan den uitersten rand der rots is gebouwd, dat men geen grond onder zich gewaar wordt, maar vrij over den Elbespiegel schijnt te zweven. Eer het meisje hier intrad, had zij het oog, op Benno's raad, geheel gesloten en liet zich zoo door dezen aan het hoofdvenster plaatsen.
„Nu”, sprak Benno, „open nu de oogen! Nu is het tijd, om in het rond te zien.”
„Almachtige hemel!” riep Lodoiska en trad verbleekend eene schrede terug, toen zij den duizelingwekkenden afgrond zoo eensklaps voor zich geopend zag. Doch spoedig had zij zich hersteld, trad, hoewel nog een weinig sidderend, aan Benno's hand weder dicht aan de lage vensteropening en blikte naar beneden. „Welk een huiveringwekkend genot!” sprak zij, angstvallig rondziende. „Schoonheid en ontzetting, hoe zonderling gaan zij hier gepaard!”
„Welnu,” vroeg Benno, „is de rots hoog? Verdient zij haren naam: Rots der Verschrikking?”
„Voorzeker, voorzeker! O het is hier verrukkelijk schoon!” riep het meisje, wier angst weldra in bewondering overging. „Hoe klein schijnen onze gondels daar in de oeverbocht. Reeds het tuintje van den poortwachter hier dicht onder ons ligt diep, en van daar daalt de rots toch eerst recht steil naar beneden. Zie slechts, hoe de zwaluwen bijna zoo diep onder ons vliegen als anders boven ons!”
„De roofvogels blijven toch nog altijd hoog boven onze hoofden,” merkte Benno aan; en wees op een havik, die juist schuins over het dal streek en zich op breede vlerken wiegde.
Lodoiska sloeg het oog naar boven. Juist stond de roofvogel bijna onbewegelijk en liet zich op de wijd uitgespannen wieken drijven. Eensklaps schoot hij pijlsnel op eene vlucht bergduiven neder, die vreedzaam onder hem rondkruisten. De verschrikte dieren fladderden haastig naar alle richtingen uiteen; maar de roover had reeds een in het oog gevat en joeg het met uitgebreide vleugels voor zich uit. De duif nam hare vlucht naar den toren, doch bijna in hetzelfde oogenblik, dat zij deze zekere schuilplaats bereikte, was ook de vijand haar genaderd en greep, nabij de plek waar Lodoiska stond, het angstig fladderende diertje met zijn scherpe klauwen grimmig aan. Het meisje zag eenige witte veeren vliegen en hoorde het angstig gekrijsch van het schuldelooze offer. In de snelle vaart zijner vlucht streek de havik zoo na aan den toren voorbij, dat hij met de breede, grijze vleugels de hoeksteenen raakte, waarna hij zich, schuw voor de menschen, doch zonder zijn roof te laten varen, weder hoog in de lucht verhief.
De vrouwen—want ook Maria, de gravin en eenige andere dames waren inmiddels in den toren getreden—hadden met deelneming het schouwspel aangezien. Medelijden met het gekwelde diertje, dat niemand redden kon, en zelfs ook schrik voor den wilden, heesch krijschenden roofvogel hadden allen meer of min getroffen; maar Lodoiska zag bleek als de dood en sidderde hevig. Door het beklemmend gevoel, dat het duizelingwekkend hooge standpunt, waarop zij zich zoo eensklaps had verplaatst gezien, in haar verwekt had, was zij nog te zeer ontroerd, om niet door een tweede, soortgelijke gewaarwording ten hevigste geschokt te worden. Het gelaat afwendende trad zij terug, en toen haar oog de gravin ontdekte, wierp zij zich met eene krampachtige stuiptrekking aan hare borst en uitte eenige woorden in hare moedertaal. Hare moederlijke vriendin fluisterde haar in dezelfde taal een antwoord in het oor en wendde zich vervolgens, als om het gebruik der vreemde taal te verontschuldigen, tot de aanwezigen: „Zij heeft iets dergelijks gedroomd, daarom heeft het gezicht haar zoo getroffen.”
„Ja, het was een droom, een recht akelige droom,” stamelde Lodoiska met een gedwongen lachje; „maar ik wil niet verder daaraan denken,” voegde zij er met meer kalmte bij en trad in den kring der overigen terug.
HOOFDSTUK V.
Ten einde den lichten schrik te doen vergeten, sloeg Benno voor, den grijzen brug nauwkeuriger in oogenschouw te nemen, hetgeen, vooral daar hij zich als geleider aanbood, met dankbaarheid werd aangenomen. Vervolgens hield men zich met allerlei gezellige spelen bezig, schoot met een armboog, kaatste met den bal en wierp met het raket, bij welk laatste spel vooral Lodoiska veel bevalligheid en vlugheid aan den dag legde.
De zon neigde zich intusschen reeds dieper naar de bergen, en hare stralen begonnen den roodachtigen tint te krijgen, waardoor de landschappen zich in den lateren namiddag in zulk een warmen lichtgloed vertoonen. Niet zonder reden was men beducht, op de terugvaart door die snelle afkoeling der lucht verrast te worden, die in hooger liggende landen bespeurd wordt, zoodra de bergen zich geheel in hun schaduwen gewikkeld hebben. De wensch, dat men opbreken mocht, werd dus van verschillende zijden geuit, hoewel men ongaarne juist op den schoonsten tijd van den dag van het romantische punt afscheid nam, waar men de middaguren zoo genoeglijk had gesleten. Ook bracht Arnheim hier tegen in, dat niets verrukkelijker zijn zoude, dan tegen den tijd, dat het purper van den avond met het zilverlicht der maan ineensmelt, zonder roeislag met de golven van den stroom af te drijven, en daar nog anderen met hem weinig geneigdheid tot de verhaaste afvaart aan den dag legden, kwam men eindelijk overeen, dat men zich zoude verdeelen. Wie voor de avondkoelte bevreesd was, kon met de eerste gondel dadelijk terugkeeren, de overigen wilden een uur later volgen, terwijl allen van meening waren, dat men gezamenlijk het avondeten gebruiken moest. Na deze vriendelijke schikking klom de grootste helft van het gezelschap van den berg naar beneden; de andere, waartoe het koninklijk paar, Maria, Lodoiska, de ritmeester, Benno en eenige andere behoorden, besloten, op voorslag van den laatste, tot eene wandeling hooger het gebergte op, waarvan men zich nog menig verrassend uitzicht in het dal voorstelde. Een voetpad, waarop nauwelijks twee personen naast elkander konden gaan, voerde in slingerende bochten bergopwaarts door het woud.
De weg had iets ongemeen bevalligs; kronkelend en als heimelijk door het woud sluipend, liep hij onmerkbaar hooger naar de kruin op. Door de reten van het loover zag men boven zich den hemel schemeren, in de diepte den blinkenden stroom glanzen; breeder openingen van het kreupelhout verrasten door schilderachtige gezichten in het dal, die bij elke kromming van het pad afwisselden. Allengs werd het eenzamer en stiller, het pad verdween bijna in het hoog opgeschoten gras, het struikgewas hield op, en de koele schaduw van een donker dennenbosch ontving de wandelaars. Thans had men inderdaad de wildernis van het gebergte bereikt. Een betreden voetspoor was nergens meer te ontdekken, maar een zacht moskleed lag over den grond uitgespreid en de lucht was bezwangerd met de balsemachtige geuren van welriekende gewassen. De volle berg-aardbezie was hier in rijken overvloed en liet de donkerroode vrucht tusschen de lichtgroene bladeren doorblinken, enkele steile varenkruiden schoten in weelderige bosschen nevens de verstrooide rotsblokken omhoog, van onder welke het heldere welwater lustig opborrelde. Een zacht ruischen en ritselen fluisterde door de toppen der dennen, de gansche natuur blikte hier den mensch met eenvoudig verhevene trekken aan. Benno, die met de landstreek nauwkeurig bekend was, deed het gezelschap eene, van de tot nu toe gehoudene afwijkende richting inslaan, om een hoog rotsblok te bereiken, dat in dezen omtrek op eene vrije grasvlakte schilderachtig lag neergestrekt. Op een afstand van ettelijke honderden schreden zag men het reeds als een reusachtige sarcophaag voor zich liggen, welks bovenste hoek echter stout vooruit sprong en zich ver over de grondvlakte uitstrekte. Onze wandelaars geloofden zich geheel alleen op deze hoogte te bevinden, toen hun tot hunne verwondering een witte windhond te gemoet sprong, hen eerst van verre aanblafte, maar spoedig vertrouwelijk naderde en Lodoiska's liefkoozingen door vriendelijk opspringen en vleiend indringen beantwoordde. Als om den weg te wijzen, verdween het vlugge dier achter het breede rotsblok.
„Vermoedelijk zal daar een jager uitrusten,” sprak Benno, „want wild is hier boven in groote menigte te vinden.”
Men was inmiddels de rots genaderd en ging, om te zien of men werkelijk niet alleen was, er om heen. Aan de andere zijde vond men, gelijk Benno met grond vermoed had, twee heeren in jachtgewaad, die echter, door het werk van den dag vermoeid, in diepen slaap lagen en noch door het geblaf van den windhond, noch door de nadering van het gezelschap in hunne rust gestoord werden.
„Het moeten badgasten zijn,” fluisterde Benno, „daar ik hen gisteren reeds in Teplitz gezien heb. Waarschijnlijk logeeren zij in den Gouden Leeuw, waar zij na de morgenwandeling ingingen, zonder dat ik er hen weder uit zag komen, schoon ik mij een uur in het huis tegenover ophield.”
Intusschen hoorde men op niet verren afstand een schot vallen; de hond sloeg aan, de jagers rezen uit den slaap op. Zij schenen zeer verbaasd een zoo talrijk gezelschap van heeren en dames in de nabijheid te zien, sprongen in allerijl op, begroetten de aankomenden en verontschuldigden zich dadelijk wegens den toestand, waarin men hen had aangetroffen.—Het waren Franschen. Als groote liefhebbers der jacht hadden zij van de beleefdheid van een boheemsch edelman, die hen had uitgenoodigd op zijn grondgebied te komen jagen, met vreugde gebruik gemaakt, waren echter van hem afgedwaald en rustten hier boven uit om nieuwe krachten tot het voortzetten hunner uitspanning te verzamelen. Het zooeven gevallen schot moest door hun vriend gelost zijn, wiens fraaien jachthond men reeds in de verte ontdekte. Het duurde ook niet lang, of men zag hem zelf van onder de boomen te voorschijn komen en regelrecht op het gezelschap toetreden. Het was de baron Sedlazeck, een rijk landeigenaar uit den omtrek, dien Erlhofen, Arnheim en Benno van nabij kenden. Men begroette elkander met de verhoogde deelneming, die een ontmoeting op eene geheel ongedachte plaats te weeg brengt, en de baron vroeg vergunning om zich met zijne beide vrienden, die hij als de heeren St. Luces en Beaucaire voorstelde, bij het gezelschap aan te sluiten, 't geen natuurlijk met beleefdheid werd toegestaan. Maria had onderwijl op eenigen afstand gestaan en de namen der aankomelingen niet gehoord; anders zoude zij voorzeker hevig zijn ontroerd geworden, daar zij wist welken invloed beide personen op het lot van haren broeder uitoefenden.
Men nam hierop gezamenlijk den terugtocht naar het slot aan. De beide vreemden wisten zich met fransche behendigheid bij de vrouwen in te dringen en waren spoedig zoo levendig met haar in gesprek gewikkeld, alsof zij de oudste vrienden van de wereld waren. Daar men zich bij het afklimmen moest verdeelen, hield St. Luces den ritmeester een weinig terug en vroeg met de gewone gezellige nieuwsgierigheid, naar stand en naam der aanwezigen. Ook Beaucaire drong nader. De namen Erlhofen, Benno, zelfs die der gravin en van Lodoiska schenen hen vrij onverschillig te laten; toen Arnheim echter Maria noemde, viel de andere vreemde hem met belangstelling in de rede: „Hoe? Rosen? Uit Dresden? Hebt gij 't gehoord, Beaucaire?”
„Zeker heb ik,” antwoordde deze met een gelaat, welks zeldzame uitdrukking Arnheims aandacht tot zich trok.
„Kent gij de jonge dame?” vroeg deze verwonderd.
„Eenigszins geëerde vriend,” hervatte St. Luces, „eenigszins. Ik heb haar in Dresden, waar ik mij voor eenige maanden ophield, meermalen in den schouwburg gezien en, daar haar bevallig uiterlijk mijne aandacht trok, naar haren naam gevraagd. Ziedaar onze geheele kennis.” Dit zeggende wierp hij echter Beaucaire een zoo zonderlingen blik toe, dat de ritmeester wel bemerkte, dat hier iets anders moest schuilen, wat zijne nieuwsgierigheid niet weinig spande. Hij mocht het zich zelf toch bekennen of niet, Maria had een diepen indruk op zijn hart gemaakt, en deze onverwachte kennis welke St. Luces met haren naam toonde te hebben, deed allerlei ijverzuchtige vermoedens in hem levendig worden.
„Zeg mij toch,” ging deze inmiddels voort, „is de jonge dame alleen of met hare bloedverwanten hier?”
„Voor zoo ver ik weet enkel met hare moeder,” antwoordde Arnheim, „die evenwel wegens ziekelijkheid is te huis gebleven.”
„Dus is haar broeder hier niet?”
„Haar broeder? Ik ken hem niet. Het is echter wel mogelijk, dat hij hier geweest is of verwacht wordt; daar ik eerst sinds eenige dagen de eer heb de dame te kennen, kan ik u omtrent hare betrekkingen niet de minste inlichting geven.”
„Dus kan de broeder wellicht nog gewacht worden?” vroeg St. Luces met eene drift, die bewees, dat hij daarin een meer dan gewoon belang stelde.
„Daaromtrent zal de zuster zelve u het best kunnen inlichten,” hernam de ritmeester, wien het wederzijdsche toewenken en oogknikken der beide vreemden gestadig merkbaarder en onaangenamer werd. Zij vroegen intusschen niet verder na, en Arnheim zocht zich van hem los te maken, wat hem te gemakkelijker werd, daar beiden tamelijk ver achterbleven en driftig met elkander fluisterden. Daarentegen bevlijtigde hij zich te meer, Maria op zijde te komen, ten einde haar te zeggen, dat de beide vreemden haar kenden, en zoo mogelijk gewaar te worden, hoe het met de kennis, waarvan zij van hare zijde niet het geringste had doen blijken, eigenlijk gelegen was. Bij eene kromming van het pad gelukte het hem door een stouten sprong de voor hem gaanden af te snijden en Maria op zijde te komen.
„Gij zijt de eenige uit het gezelschap,” zeide hij, nadat eenige onbeduidende woorden van weerszijden gewisseld waren, „die aan de vreemdelingen niet geheel onbekend is. Zij beweren, reeds in Dresden het geluk gehad te hebben....”
„Voor zoover mij bewust is niet,” antwoordde Maria een weinig overijld; „het schijnen mij fransche officieren te zijn, met wie ik in geene betrekking hoegenaamd heb gestaan.”
„Wellicht in geene nadere,” vervolgde Arnheim; „en toch waart gij den ouderen heer bij name bekend, en zij verzekeren u meermalen in den schouwburg te hebben gezien.”
„Onmogelijk”, hervatte Maria, „sinds langer dan een jaar heb ik dezen niet bezocht, en nooit wanneer fransch garnizoen in Dresden lag.” Zij sprak met zooveel geestdrift, dat Arnheim vreesde haar mishaagd te hebben; en inderdaad, Maria voelde zich eenigermate beleedigd, daar zij het, bij haren diep ingewortelden haat tegen de vijanden haars vaderlands, bijna eene schande achtte met fransche officieren omgang te hebben, ook al ware een dubbelzinnige naam in dien tijd niet zoo licht het gevolg van zulk eene verkeering geweest.
„Ik kan u betuigen,” vervolgde Arnheim, „dat ik slechts letterlijk herhaal, wat die heeren mij daar op het oogenblik gezegd hebben.”
„O, u wil ik gaarne gelooven,” hernam Maria op zachter toon, wijl zij vermoedde Arnheim te hebben gekrenkt; „maar gij weet, het ligt in den aard der Franschen, overal gewetenloos te handelen, zelfs met den naam van een meisje. Dat de heeren aan mij kennis hebben is mogelijk, wanneer zij mij op straat of op eene wandelplaats gezien hebben; deze bestaat echter, dit verzeker ik u nogmaals, enkel aan hunne zijde.”
Arnheim, wien het genoegen deed, dat geen zijner vermoedens zich bevestigde, brak het gesprek, dat Maria zoo kennelijk onaangenaam was, terstond af, en van de beide vreemdelingen werd niet verder gerept.
De weg naar beneden liet zich spoediger afleggen, dan die naar boven; men bereikte dan ook weldra den Schreckenstein, waar men nog eene wijle vertoefde, om vervolgens, toen de ondergaande zon den helderen hemel met een rooden lichtgloed kleurde en de bleeke volle maan tegenover haar in den blauwen aether oprees, de gondel weder te bestijgen en op de golven van den schoonen stroom naar het kleine stadje af te zakken.
Het gezelschap gaf zich geheel aan het genot der riviervaart en van den inderdaad verrukkelijken avond over. De gevreesde koelte liet zich niet bespeuren; slechts een zoel windje stoeide met de kabbelende golven. De kruinen der bergen waren aan de eene zijde met purperen schemerschijn overgoten, aan de andere spreidde de maan een dunnen lichtenden zilversluier over de zwarte toppen uit. De Elbe spiegelde hemel en oever in zacht kronkelende lijnen helder terug; uit het water steeg een koele, verfrisschende ademtocht op. Men zat stil, bijna zonder te spreken, in het kalme, alle weemoedige gewaarwordingen van het hart opwekkende genot verloren, toen zich eensklaps de zachte akkoorden eener gitaar lieten hooren.
Alles luisterde. Een zonderling gevoel maakte zich van de borst meester bij het vernemen dezer tonen, die zoo zeer aan het land der vreugde, aan Italië herinnerden. Wie toch had niet, hetzij door beschrijving van anderen, hetzij door eigene ondervinding, reeds die zoete gewaarwording gekend, welke door de schommelende boot en het lied van den gondelier in ons wordt opgewekt? Het was alsof de stroom met zijne oevergebergten eensklaps onder den hemel van Italië was overgebracht, alsof het de golven van den Brenta of de Po waren, waarop men zachtkens voortdobberde.
De schoone, blonde Benno was het, die de snaren had geroerd, om eene ballade voor te dragen, welke hij naar eene overlevering van den Schreckenstein vervaardigd had. De bootslieden zaten luisterend aan het roer en vestigden hunne blikken op den zanger; de overige hoorders, verheugd over de verrassing, wenkten elkander met de oogen stilte toe. Men vernam thans niets dan het zachte ruischen der golfjes aan de kiel van het vaartuig. De maan wierp hare stralen op Benno's gelaat, die aan een zuidelijken improvisator gelijk, het groote blauwe oog naar het licht opsloeg en met eene welluidende stem het in verzen gebrachte verhaal begon voor te dragen, volgens hetwelk een wreed vader de geliefde zijner dochter, toen deze bij nacht de steile rots beklauterde, arglistig opgewacht en in den grondeloozen afgrond neergestort moest hebben. De minnende wierp zich in hare wanhoop hem na in den stroom, en de rusteloos voortwentelende baren strekten de trouwe gelieven tot een graf en verkoelden den gloed hunner noodlottige vlammen.
Bij het slot van dit lied zaten allen, als vóór dien tijd, in diep stilzwijgen verzonken. Wien had de droeve mare niet ontroerd? Zelfs St. Luces en Beaucaire hadden te veel verfijnd gevoel, om de stilte dadelijk af te breken, alhoewel zij nieuwsgierig waren den inhoud van het gezang te vernemen, welks woorden zij niet verstaan hadden.