Part 3
Lodewijk hoorde de laatste woorden van den postiljon niet meer, daar hij bemerkte, dat Bianca naast hem nederzeeg, en hij de onmachtige in zijn armen opving. „In 's hemels naam, zuster,” riep hij, terwijl hij haar zacht aan zijn kloppend hart drukte; „zuster wat deert u?”—Zij antwoordde niet; ook in het rond liet zich geen geluid hooren. Eene rilling ging den jongeling door de leden. Had het ontzettend oogenblik allen tegelijk het leven benomen?
Intusschen verdreven lichtvonken het duister. Het was de postiljon, die vuur sloeg. Bij het flikkerend schijnsel zag Lodewijk, dat Bianca bleek, met gesloten oogen en lippen in zijne armen lag, en dat ook hare voedster bewusteloos op de bank was neergezonken.
„Licht, licht!” riep hij driftig.
„Dadelijk, signore!”
De lantaarn was ontstoken en verspreidde een droeve schemering door het duister gewelf der gaanderij. De postiljon richtte zich op en vroeg: „Er is toch niemand, die zich bezeerd heeft?—Maar wat duivel, waar is dan de bediende toch?” Eerst nu bemerkte Lodewijk, dat deze ontbrak: hij moest van den bok zijn gevallen. „Wij moeten hem opzoeken,” riep hij en vlijde zijn dierbaren last voorzichtig op de wagenbank neder; vervolgens sprong hij ter aarde, om gezamenlijk met den postiljon den verongelukte op te zoeken. Dit was weldra geschied; want zij vonden hem aan den ingang der gaanderij buiten kennis op den rotsachtigen grond uitgestrekt. Aan zijn voorhoofd bloedde hij een weinig, doch de wonde was onbeduidend; ook scheen hij overigens onverlet. De postiljon wiesch hem met eene handvol sneeuw, die de wind tegen de zijwanden der opening had aangedreven, het voorhoofd, terwijl Lodewijk hem poogde op te richten en tot bewustzijn te brengen. De oude opende weldra de oogen. „Waar ben ik?” vroeg hij, meer verbaasd dan uitgeput. Lodewijk gunde zich den tijd niet om hem te antwoorden, maar ijlde, de lantaarn in de hand, naar Bianca terug. Zij scheen gerust te sluimeren, zoo kalm en zacht waren hare gelaatstrekken. Toen het schijnsel van het licht, door Lodewijk op de voorbank geplaatst, haar op het oog viel, opende zij dat, sloot het echter, door den glans verblind, weder even ras, en haalde diep adem. Lodewijk greep hare hand en noemde fluisterend, maar met innige warmte haren naam; verbaasd sloeg zij de oogen op en vroeg vervolgens, als met bevreemding en nog ten halven in hare droomen verzonken: „Wie roept mij toch?”
„Uw broeder, lieve Bianca,” sprak Lodewijk diep geroerd.
„Broeder! broeder!” riep zij, nog bewusteloos, angstig uit, neigde zich bevende voorover en leunde zacht aan Lodewijks borst, die, door zijn gevoel overweldigd, haar aan zijn hart en een zoeten kus op haar voorhoofd drukte. Daar rees zij eensklaps ontwakende op, zag hem met schuwe, verwonderde blikken aan, en terwijl zij zich met maagdelijke beschaming aan zijne armen ontwond, stamelde zij: „Mijn God! De bedwelming—ik weet niet, wat ik gedaan heb!” Tevens viel haar oog op de voedster, die, nog bewusteloos en het hoofd op de borst gezonken, in den hoek van den wagen zat. Eene uitdrukking van doodelijken angst vertoonde zich bij den aanblik op haar gelaat; zij opende de lippen tot een uitroep, maar deze stierf weg in een beklemden zucht. Daar bewoog zich de onmachtige en uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft! zij leeft!” juichte Bianca, in uitgelaten vreugde de armen om den hals der neergezonkene slaande en haar met teederheid oprichtende. „O mijne Margaretha, herkent gij mij?”
Hare omarming was zoo innig, dat Lodewijk hier eene nauwere betrekking moest vermoeden, dan die tusschen meesteres en dienstbare bestaat. Doch eer hij daarover had kunnen nadenken, wendde Bianca zich tot hem met de angstige vraag: „Maar waar is—in Gods naam....” Lodewijk ried, wat zij vragen wilde, en viel haar in de rede met het bericht, dat de dienaar zich niet bezeerd had. Juist kwam deze met den postiljon op den wagen toe. Bianca scheen eene rasse beweging te willen maken om hem te gemoet te ijlen; de dienaar boog zich echter met eerbied en sprak ernstig: „Het verheugt mij, dat uwe genade geen letsel heeft bekomen; ook ik ben het gevaar nog gelukkig genoeg ontkomen.”
Men kon in Bianca's trekken lezen, dat eene zeldzame ontroering haar binnenste schokte. Zij scheen hevig te kampen met eene begeerte, waaraan zij niet dan met moeite weerstand bood. De oude bediende scheen daar echter niet veel acht op te slaan en vervolgde koeltjes: „Nu moeten wij toch maar spoedig eens zien, of de wagen ook veel geleden heeft.” Tegelijk greep hij de lantaarn en begon as en wielen nauwkeurig te onderzoeken.
Bianca scheen uitgeput. „Ik kan nog niet tot mij zelve komen; ook weet ik immers nog volstrekt niet, wat er voorgevallen is en waar wij ons op dit oogenblik bevinden,” sprak zij op een matten toon en neigde zich inniger tegen de borst harer voedster, die bij dit alles een koelheid en afgemetenheid bleef bewaren, die schenen aan te duiden, dat zij vreesde, het tusschen beiden heerschend verschil van rang en stand uit het oog te verliezen.
Lodewijk verhaalde in weinig woorden, wat er was voorgevallen en waar men zich thans bevond.
„De wagen is zoo goed als in duizend stukken gesprongen,” berichtte thans de postiljon, die gezamenlijk met Paul, den bediende, de wielen en assen onderzocht. „De heerschappen zullen wel een oogenblik moeten afklimmen.”
Lodewijk was de vrouwen daartoe behulpzaam. „Zou de ramp ons lang ophouden?” vroeg Bianca, op de beide mannen toetredende, die bezig waren het achterrad te bezichtigen.
„Nu ja, signora,” antwoordde de postiljon en nam eerbiedig zijne roode muts af, „tot het naaste posthuis, misschien wel tot Brieg, zullen wij het nog voortsleepen; maar daar zal de wagenmaker ons wel een dag ophouden. De rechter vooras is door midden gebarsten en het rad houdt met moeite de spaken nog in de naven. De dissel is ook beschadigd; dat de kast vrij wat geleden heeft, wil ik niet eenmaal rekenen. Achter gaat het zoo tamelijk, maar het linkerrad heeft ook uitgediend.”
Bianca wierp gedurende dit verslag bezorgde blikken op hare reisgezellin en op Paul. De laatste begon eindelijk: „Het zal nog te herstellen zijn, genadige gravin; als smid en wagenmaker goed betaald worden, zullen, dunkt mij, weinig uren oponthoud voldoende zijn. Evenwel mag er thans geen tijd verloren gaan.”
„Ja, mijn vriend,” zeide de postiljon; „maar zoo kunnen wij niet voorwaarts; een paar jonge boomen moeten er eerst zijn: de een om tegen de as, de andere om tegen den dissel te binden. Verwenscht is het maar, dat wij hier bezwaarlijk geschikt hout zullen vinden, want heb ik ooit goed uit mijne oogen gezien, dan wast op deze hoogte geen enkele stam, zoo als wij dien noodig hebben; hier is alles laag en krom kniehout. Een half uur verder naar beneden zal het beter gaan.”
„Laat ons dan zoeken,” hernam Paul; „want voorwaarts moeten wij; hare genade heeft groote haast.”
De postiljon scheen besluiteloos. Lodewijk vermoedde, dat hij, volgens den gebruikelijken trant der Italianen, eerst wilde zien, hoeveel hem deze buitengewone dienst konde opbrengen, en beloofde hem derhalve eene aanzienlijke belooning, wanneer hij den wagen spoedig weder in gereedheid bracht. De kleine zwartkop schudde echter bedenkelijk het hoofd en zeide: „Dat is wel licht gezegd, monsignore, maar niet zoo licht gedaan. Als de sneeuw om dezen tijd eens begint neer te ploffen, dan is men geen oogenblik van zijn leven zeker. De eene klomp brengt de andere in beweging. Ja, als wij strenge vorst hadden. Maar het is dooiweder en dan, vertrouw wie gij wilt, doch hoed u voor de lawinen. Het kon licht mogelijk zijn, dat gij lang te vergeefs op onze terugkomst wachten moest. Bij dag kan men beter op zijn hoede zijn; ook houdt tegen den morgen het gevaar op, want wat de zon over dag los gemaakt heeft, is dan naar beneden gestort, en zij moet weder nieuwe massa's ontdooien. Maar nu, bij nacht, is het stuk niet te wagen.”
Lodewijk besefte, hoe pijnlijk deze vertraging der reize voor Bianca zijn moest, alhoewel zij het dringendst gevaar ook reeds ontkomen waren. „Ik verzel u, wij willen het gevaar samen deelen,” sprak hij dus vastberaden.
„Dat ware goed en wel, monsignore,” antwoordde de postiljon, zonder aan zijn bedenkelijk gelaat eene andere plooi te geven, „wanneer wij het met een paar galgvogels te doen hadden, die aan den weg achter de struiken op den loer zitten. Maar de lawine geeft er niet om, of wij twee, of drie, of twintig te zamen zijn, en gaat toch haar gang.”
„Laat ons het dan ten minste beproeven, mijn vriend,” riep Lodewijk, terwijl hij de lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan.”
Bianca wierp hem een dankbaren blik toe, die hem nog meer in zijn besluit versterkte. „Hebt gij een bijl?” vroeg hij.
„Bijl en touwen liggen in de kast onder den bok,” antwoordde Paul en haalde het gevraagde te voorschijn.
„Zoo kom, mijn vriend,” sprak Lodewijk met vastheid tot den postiljon, „de bediende mag bij de dames blijven.”
„Nu, dan moge Sint Borromeus ons bijstaan!” riep deze half zuchtende, half verdrietig.
Paul trad voor. „Wanneer iemand gaan moet, heer graaf, dan ben ik het. Gij zelf blijft dan tot bescherming der dames achter.”
Bianca was in tweestrijd, of zij Lodewijk smeeken zoude, het waagstuk op te geven, ja dan neen. Dubbele, even machtige, maar met elkander strijdige plichten en gevoelens bestormden hare ziel. Zijne standvastigheid liet haar geene keuze.
„Ik ga zelf,” riep hij vol moed uit; „het blijft, gelijk ik gezegd heb.”
Bij deze woorden greep hij de lantaarn en ging voor. De postiljon volgde hem.
„God moge u behoeden, mijn broeder,” snikte Bianca hem na.
De postiljon, met den weg bekend, nam hem nu de lantaarn uit de hand. Nauwelijks waren zij vijftig passen voortgetreden, toen hij uitriep: „Sante Borromeo! Ik geloof, dat de gaanderij versperd is! Zie slechts, signore, de uitgang is geheel met sneeuw toegesloten. De lawine moet zich verdeeld hebben en aan beide zijden van den gang zijn neergestort. Daar zitten wij dus als muizen in de val; want dat de deur achter ons toesloeg, hebben wij, de hemel weet het, maar al te duidelijk bemerkt.”
Het was inderdaad zoo, als de postiljon zeide. Eenige weinige schreden waren toereikende, om Lodewijk te overtuigen, dat de uitgang volkomen gesloten was.
„Wat vangen wij nu aan?” vroeg hij, niet zonder ongerustheid over deze onverhoedsche gevangenschap onder de aarde.
„Wat wij aanvangen? Wij gaan naar de dames terug, want hier uitkomen kunnen wij niet, voor men zoo goed is ons in te halen,” hernam de postiljon.
„Maar zal men ons verlossen?”—„Pah! daar ben ik geen oogenblik bang voor. Zij moesten in Sempione en in het naaste posthuis wel doof zijn, als zij deze lawine niet gehoord hadden; en als men mij morgen vroeg met mijne paarden niet terug ziet, gaan zij wel zoeken, waar ik beland ben.”
Door dit antwoord eenigermate bemoedigd, keerde Lodewijk weder tot de dames terug en berichtte haar, in hoedanigen toestand men verkeerde. Bianca hoorde hem met meer gelatenheid aan dan hij verwacht had, en zuchtte slechts, met kalme berusting de oogen opwaarts slaande: „Wij moeten dulden, wat God ons toezendt; Hij zelf wil thans ons lot beslissen. Zijn wil geschiede—ik ben op alles voorbereid.”
De postiljon, niets buitengewoons in het voorval ziende, zocht haar gerust te stellen. „Het heeft geen gevaar, signora, men zal er ons wel weer uithelpen, morgen middag zijt gij frisch en gezond in Brieg, maak daarop gerust staat.—Evenwel zullen wij toch een sein zoeken te geven. Zoo groot eene opening is toch licht door de sneeuw te maken, dat het schot van mijn musket er door naar buiten kan. Als zij ons in het posthuis, dat geen half uur van hier is, hooren, luiden zij dadelijk de noodklok, en dan zijn er morgen bij het aanbreken van den dag handen genoeg om ons uit te graven. Want hooger dan vijftien of twintig voet blijft de sneeuw op den smallen weg niet liggen.”
Na deze woorden ging de luchthartige, vlugge Italiaan terstond aan het werk en hief den disselboom op, waarmede hij een luchtgat door de sneeuw wilde boren. Terwijl hij hiermede bezig was, hoorde men een doffen knal in de verte.
Bianca rees verschrikt op. „Wat beteekent dat?” vroeg zij bevende.
„Zoo dadelijk zult gij het hooren,” riep de postiljon en luisterde aandachtig toe. „Daar hebt gij 't! Zeide ik het niet? Het is een tweede lawine.” De knal liet zich versterkt twee, drie ras opéénvolgende malen hooren; daarop volgde een lang aanhoudend, schokkend gedreun, alsof een zware last steenen in den afgrond nederstortte. Het kwam nader en nader; eindelijk rolde het zoo dicht over de hoofden der luisterenden heen, dat het gewelf der gaanderij scheen verpletterd te worden. Bianca klemde zich angstig aan Margaretha vast; ook de mannen verrieden schrik door hunne verbleekte wangen. De postiljon echter lachte en riep: „Hier regent het niet door!”—Het gedruisch nam nu langzamerhand af en smolt eindelijk weg in een dof gemurmel, gelijk aan dat van een verren stroom, die woest over klippen heenbruist.
„Heb ik nu geen gelijk gehad?” vroeg de postiljon. „Wanneer het geluk niet gewild had, dat de uitgang voor ons versperd werd, geloof ik, dat wij den ingang thans bezwaarlijk zouden hebben weêrgevonden.”
Bianca dankte God door een stom gebed, dat Lodewijks grootmoedig waagstuk verijdeld was geworden.
Intusschen had de postiljon den disselboom uitgelicht, aan welks uiteinde hij met behulp van Paul nog een langen stok door middel van touwen vastmaakte. Toen deze in gereedheid was gebracht, om er de zachte sneeuw mede te doorboren, begaven beiden zich naar de uitgang der gaanderij, aan de zijde van het dal, ten einde daar eene opening, in den vorm van een schoorsteen, door te graven. Lodewijk en de vrouwen volgden hen; want de afloop van de onderneming was voor allen van zooveel belang, dat zij er van den beginne af ooggetuige van wilden zijn. Het maken van een luchtgat geschiedde bij wijze van trechtervormige boring, daar Paul en de postiljon den dissel gestadig in korte slingeringen omzwikten. Na weinige minuten stortte een zware last sneeuw uit de verwijde opening naar beneden. „Ha!” riep de postiljon, „wij hebben genoeg gewroet, het dak zakt in. Waarlijk,” vervolgde hij, ter aarde gebogen opwaarts ziende, „de maan schijnt juist door het venster; als ik schieten wil, dien ik haar maar goed in 't vizier te nemen.” Lodewijk had het geweer medegenomen en middelerwijl geladen.
„Wij willen er nog een paar sterke proppen opzetten, dan geeft het meer slag,” meende de postiljon en haalde eenige stukken oud papier te voorschijn, die hij bedaard kauwde en met den laadstok instampte.—„Zoo; nu moet ik een weinig naar boven gelicht worden, opdat de tromp zoo veel mogelijk naar buiten uitsteke; anders hoort men het schot niet ver genoeg.” Zonder omstandigheden liet hij zich door Paul en Lodewijk op de schouders tillen, en schoot nu zijn geweer af. Een doffe knal deed het gewelf daveren; duidelijk hoorde men het geluid zich van berg tot berg voortplanten. „Bravo, bravissimo!” juichte de postiljon, niet weinig over zich zelf voldaan. „Maar nu is het _da capo_, anders verstaat men het niet.” Hij laadde en vuurde op nieuw, en ten derdenmale. „Braaf,” riep hij, „nu is er geen bezwaar meer, nu zullen zij ons niet vergeten. Maar om de lucht wat te zuiveren, willen wij aan de andere zijde ook zien, wat wij doen kunnen.”
Hij ging met zijn disselboom naar het andere einde der gaanderij, en bracht daar eene soortgelijke opening door de sneeuw tot stand.
De vrouwen hadden intusschen weder met Lodewijk in den wagen plaats genomen, om daar het aanbreken van den dag geduldig af te wachten. Reeds na weinige minuten hoorden zij een verwijderd klokgelui. Het was de klok, waardoor van posthuis tot posthuis het teeken wordt gegeven, dat zich op de baan iemand in gevaar bevindt. Zoo waren zij dan van hunne redding verzekerd, en met kalmte hadden zij het oogenblik kunnen verbeiden, waren de hun dreigende gevaren door deze vertraging niet, als golven der zee bij wassenden vloed, al hooger en hooger komen opstijgen. Nog tweemaal liet zich de donder van neerploffende lawinen, schoon op grooten afstand, vernemen en vermengde bange siddering voor die verschrikkelijke natuurverschijnsels niet de smartelijke gewaarwordingen, welke Bianca's borst doorwoelden. Voor Lodewijk was elke minuut in dit vertrouwelijk, donker toevluchtsoord aan de zijde der geliefde doorgebracht, een onschatbaar gewin. Zoo ongelijkmatig weegt het noodlot zijne gaven in dezelfde schaal aan ons stervelingen toe!
HOOFDSTUK IV.
Tegen den morgenstond hadden uitputting en vermoeidheid allen overweldigd, en de oogen gesloten, die zorgen en kommer lang wakend hadden doen blijven.—Een schot, welks donderende weerklank de doodsche stilte afbrak, deed de reizigers eensklaps ontwaken. „Dat is het teeken van redding,” riep de postiljon, die naast Paul op den breeden bok had plaats genomen, en door dien uitroep Bianca's ontsteltenis in de levendigste vreugde veranderde. „Wij moeten dadelijk antwoord geven,” voegde hij er bij, greep zijn geweer en begaf zich naar den uitgang, aan de zijde van Brieg, waar hij zijn schot door de opening losbrandde.
Terstond verhief zich een luid geschreeuw van vele mannenstemmen zeer nabij de plaats, waar de reizigers zich bevonden.
„De sneeuwlaag kan niet diep zijn,” riep de postiljon vroolijk uit. „Binnen weinige uren zijn wij misschien reeds verlost.”
Er verliepen geen tien minuten, of reeds vertoonden zich eenige mannen op de sneeuw aan den ingang, zoodat men met hen spreken konde. Spoedig hadden ze eene opening gebaand, door welke men te voet naar buiten konde komen, schoon deze aan den wagen nog geen doortocht vergunde. Zoo was dan de poort der duistere gevangenis ontsloten! Lodewijk leidde de geliefde over de opeengepakte sneeuwheuvels in de vrije lucht. Met zoeten wellust begroetten beiden het schoone daglicht weder. Uit het duister graf traden zij in eene romantische landstreek, welke men bekoorlijk zou genoemd hebben, had niet de winter zijn looden scepter nog daarover uitgestrekt. Voor hen gaapte een steile, loodrecht neerdalende afgrond; de vlakte rondom hen was met slanke groene dennen schilderachtig omzoomd, en diep beneden in het vriendelijke dal zag men het kleine stadje Brieg, door de kronkelende Rhône met een glinsterenden zilverband omstrikt, blinkend wit tegen de groene velden afsteken, die reeds lang met den schoonsten dos der lente getooid waren.—De lucht, schoon niet warm, was zacht, en de zon scheen helder op de sneeuwtoppen. De luwe, zoete adem der italiaansche lentelucht, die men gisteren had vaarwel gezegd, liet zich echter niet meer bespeuren, en slechts een heldere Februaridag kon men op deze steile hoogte verwachten. Vandaar dat Bianca met een glimlach zeide:
„Wij zijn sinds gisteren eenige maanden jonger geworden; dáár ademden wij de Meilucht in, hier echter begroeten ons de eerste dagen van Maart weder.”
„Zij waren mij van mijne jeugd af de liefste,” antwoordde Lodewijk met vuur; „dan heeft de lente mij altijd het levendigst getroffen, wanneer zij nog slechts vluchtig de ijskorsten des winters met haren adem aanroerde, wanneer wij hare komst eer vermoedden dan reeds dadelijk ondervonden. De zonneschijn, die het eerst van de boomen in den tuin den ijzel deed afdruppen, de klokjes, die het eerst uit de sneeuw oprezen, waren mij als knaap reeds oneindig liever, dan de bloeiendste Meidag.”
Bianca's lippen bewogen zich tot een toestemmend gefluister, terwijl zij met het schoone hoofd den jongeling vriendelijk toeknikte. „Het is waar,” sprak zij peinzende, „het zijn de eerste dagen der genezing na eene lange, akelige krankte. De kracht der gezondheid is nog niet teruggekeerd, maar men gevoelt de weldaad der geringe gave ook des te sterker.”
„Voorzeker,” hervatte Lodewijk, „zij doen ons, even als den behoeftige het geringste geschenk, meer vreugde gevoelen, dan in dagen van overmatig geluk het grootste gewin ons geven kan.”
Paul maakte een eind aan dit gesprek door aan de gravin den voorslag te doen om te voet naar het naaste, slechts een half uur verwijderd posthuis te wandelen en daar te vertoeven tot de wagen nakwam. Lodewijk vond dit zeer aannemelijk, daar de vrouwen eenige verversching behoefden; hij bood Bianca den arm en begaf zich met haar en Margaretha op weg. Paul en de postiljon wilden, terwijl de landlieden de sneeuw geheel uit den weg ruimden, het rijtuig zoo veel mogelijk weder herstellen.
Men had het posthuis in minder dan een half uur bereikt. Het lag zoo verre benedenwaarts, dat men er geen sneeuw meer ontdekte. Ook schoot het geboomte er reeds hooger op, schoon nog alleen de dennen en talrijke mossoorten met groen bekleed waren.
De net gebouwde, zindelijke woning, even toereikende om een huisgezin tot verblijf te strekken en nog een of twee kamers den reizenden vreemdeling aan te bieden, vertoonde een treffend beeld van vreedzame kalmte en rust. Midden in de wildernis neergeworpen, eenzaam, ver boven andere woningen van menschen verheven, door een sombere, dikwijls vreeselijke natuur omringd, leverde zij toch zoo alle kenteekenen eener schuilplaats van stil geluk en ongestoorde tevredenheid op, dat men de bewoners zoude hebben kunnen benijden. Welke zorgen zouden zich hier vestigen? Welke kwellende begeerten hier het geluk ondermijnen? Eene geregelde huishouding, gezette bezigheid, geen mededinger, geen vijand, geen afgunstig nabuur, genoegzaam verkeer met menschen om niet geheel af te sterven, te weinig, om door de wisseling der gebeurtenissen in de woelige wereld mede verontrust te worden—voorzeker, dit zijn de natuurlijke, vaste grondslagen van een wezenlijk geluk, en slechts de zich zelf vijandige dwaas vermag die omver te rukken. Maar de drift, die zich blind en waanzinnig tegen eigen geluk aankant, heerscht helaas! maar al te menigvuldig en te machtig in den boezem der menschen. Daarom zal niemand zijn zwart noodlot ontvlieden, die het op deze wijze in zich zelf omdraagt; maar niemand ook zal het lot vijandig vinden, die in een kalm, tevreden gemoed den grond legt tot zijn geluk.
„_Mama, mama_,” juichte, toen Lodewijk en Bianca naderden, een klein meisje, dat voor de huisdeur zat, en klapte vroolijk in de handjes, „_Mama mia! Un signore, una signora!_” De moeder, eene italiaansche vrouw, kwam toesnellen, nam het kind op den arm en trad de vreemdelingen te gemoet.
„De heerschappen hebben een ongeluk gehad?” vroeg zij met deelneming in die zoete welluidendheid in taal en stem, welke men slechts in Italië kent. „Er is toch niemand die letsel heeft bekomen?”
„Gelukkig neen,” antwoordde Lodewijk in het italiaansch. „Kunnen wij hier een ontbijt bekomen?”
„Gewis, signore. Gelieft het u binnen te treden?” Tevens trad zij op zijde en wilde de vreemdelingen laten doorgaan. Bianca neigde zich in het voorbijgaan tot het kleine meisje, dat in den beginne eenigszins schuw terugweek, maar, toen de vreemde haar vleiend liefkoosde, met onschuldige vreugde tot de moeder zeide: „_Una bellissima signora_!”—„Ja wel, Giannettina,” hernam deze, „eene schoone, voorname, lieve dame! Geef haar toch een handje.” De kleine stak de hand uit; Bianca bracht hare lippen op den bloeienden rozenmond van het lachend wicht, dat beide armen vertrouwelijk om haren hals sloeg en haar recht van harte kuste.
„Giannettina!” riep de moeder. „Dat gij zoo stout zijt!”
„O, laat haar toch,” antwoordde Bianca, terwijl zij het kind op haren arm overnam en mede naar binnen droeg; „ik speel zoo gaarne met kinderen!”
Zij traden in het voor vreemdelingen bestemde vertrek, waaruit hun een aangename geur van hyacinten, rozen, reseda en andere welriekende bloemen te gemoet kwam, die in zindelijke potten de lage vensterbanken en eene hoektafel versierden. „Ei wat schoone bloemen vindt men hierboven!” zeide Bianca verwonderd.