Part 28
Een oude linde bood een schaduwrijke plek tot het ontbijt aan; eenige gevelde boomstammen, in den omtrek verstrooid, werden spoedig in landelijke zetels herschapen; ook spreidde men de wagenkussens op den grond uit en bekwam zoo turksche rustbedden, waarmede de vrouwen zeer tevreden waren. Spoedig was de gansche kring gelegerd en zag men elkander met vergenoegde blikken aan. Ieder prees de bestuurders van het feest; dezen gingen ijverig rond, deden onderzoek naar ieders wenschen en behoeften en raadpleegden met de dames, hoe het een en ander nog doelmatiger in te richten. Intusschen werden de ververschingen rondgediend; in de handen der heeren zag men gevulde glazen, de geest van den wijn openbaarde zijn machtigen invloed; kout, scherts en moedwil heerschten alom; de vertrouwelijkste band der gezelligheid knoopte alle aanwezigen nu reeds zoo nauw aaneen, alsof zij jaren te zamen verkeerd hadden, schoon de meesten elkander niet eens bij name kenden. Zelfs Maria werd vroolijk in dezen vroolijken kring; doch ook in de gelukkigste tijden, was hare vreugde steeds van een stillen aard; met een bekoorlijk lachje op de lippen genoot zij het schoone, dat haar het oogenblik aanbood, als het ware slechts door een innerlijk weltevreden beschouwen der beelden, die van buiten af in hare ziel drongen. Zoo liet zij ook nu hare blikken langs den kring der verzamelden rondzweven en beschouwde de menigvuldige gestalten, van welke ernstige en komische, bevallige en terugstootende in bonte verscheidenheid waren dooreengemengd. Vooral trokken twee vrouwen hare aandacht, die tamelijk ver van haar verwijderd, tegen een boomstam geleund, op kussens zaten en door een bejaarden en een jongeren man in een levendig onderhoud gewikkeld werden. Zij vroeg den ritmeester, die aan hare zijde had plaats genomen, wie de beide dames waren. „Inderdaad,” antwoordde deze, „ik kan het zelf niet met zekerheid opgeven; zooveel weet ik slechts, dat het vreemden zijn, die gisteren pas aankwamen en nog niet op de badlijst zijn ingeschreven. Dezen morgen eerst, toen de vele, haar hôtel voorbijrijdende wagens haar op ons voornemen opmerkzaam maakten, zijn zij tot het feest uitgenoodigd. Toevallig logeerde een der medebestuurders, die teruggebleven was om eenige kleinigheden te bezorgen, die eerst tegen den middag te Aussig moeten komen, met haar op denzelfden gang. Hij ontmoette haar, toen zij juist naar de bron wilden gaan; zij vroegen, wat men voorhad, en natuurlijk kon hij niet nalaten haar te verzoeken mede van de partij te zijn. Daar de wagen, waarmede zij naar het bad wilden rijden, voor de deur stond, behoefden zij slechts van richting te veranderen, om zich dadelijk aan onze karavaan aan te sluiten. Ook geloof ik, dat wij er bij gewonnen hebben, want de moeder vertoont nog de sporen van hooge schoonheid en de dochter is inderdaad een bevallig wezen. Ik ben nog niet in de gelegenheid geweest mij met haar te onderhouden, maar beider voorkomen reeds verraadt de fijnste beschaving. Vergun mij slechts u een oogenblik alleen te laten, om bij den baron Erlhofen naar de namen onderzoek te doen.”
Eer Maria het verhinderen kon, was de ritmeester opgesprongen en weggesneld. Inmiddels had zij tijd, de beide edele gestalten opmerkzaam op te nemen, en moest heimelijk bekennen zelden schooner vrouwen gezien te hebben; bovendien vertoonde de oudste zulk een verheven adel in gelaat en houding, dat de jongere, hoewel met alle bekoorlijkheden van jeugd en schoonheid toegerust, daardoor eenigermate op den achtergrond werd gesteld. Het rijke, zwarte haar, dat slapen en voorhoofd bedekte, verleende in vereeniging met het groote, donkere oog aan het gelaat een zweem van edele zwaarmoedigheid, dien de oudachtiger trekken, inzonderheid de mindere frischheid der wangen, nog sterker deden uitkomen. Hoewel de vreemde zat en een breede donkerroode sjaal den bouw harer gestalte verborgen hield, was men verzekerd, dat zij, wanneer zij opstond, eene vorstelijke houding moest hebben. Tegenover deze prachtig ondergaande zon vertoonde de dochter het beeld der zachte, bleek oprijzende maan. Van gelijkenis tusschen beider gelaatstrekken kon men niets bepaalds opgeven; echter was eene nationale verwantschap zoo in het oogloopend merkbaar, dat een oppervlakkige blik reeds voldoende was, om beide als nauwe verwanten te begroeten.
Terwijl Maria zich nog met deze beschouwing bezighield, keerde de ritmeester terug en zeide: „Ik heb mijne berichten ingewonnen; het zijn poolsche dames, de oudste is eene gravin Johanna Micielska, de jongere hare pleegdochter Lodoiska.”
Maria sidderde van blijde verrassing, want door de brieven haars broeders kende zij deze namen en wist, dat Johanna Rasinski's zuster was. Tegelijk echter bekroop haar eene beklemmende, angstige verlegenheid, daar zij volstrekt niet wist, of Rasinski wel ooit van haar had melding gemaakt; hare betrekking tot Lodewijk kon hij niet medegedeeld hebben, daar deze thans een anderen naam voerde; echter was het mogelijk, dat hij haar bij zijne zuster genoemd had, te eer, daar zij al hare brieven onder zijn adres afzond en hij ook Lodewijk en Bernards antwoorden in een omslag van zijne hand en met zijn zegel insloot en die zoo aan hare moeder deed toekomen. Zij brandde van verlangen, om de schoone vrouw te spreken en naar haren broeder en naar Bernard onderzoek te doen. Eene zachte, maar dringende stem in haar binnenste, waaraan zij echter geen gehoor wilde geven, dreef haar ook aan naar den man te vernemen, die haar zoo boven alles dierbaar was geworden; welk een strijd zou het haar kosten, wanneer zij gedwongen was al deze heilige, machtige opwellingen in de stomme banden des stilzwijgens te leggen! Hare vatbaarheid voor de vreugde van het feest was voorbij; al hare gedachten richtten zich slechts op dat ééne punt; zij was bijna niet in staat de blikken weder van de gravin af te wenden. De ritmeester knoopte een gesprek met haar aan, maar zij moest hare gansche kracht bijeenrapen, om slechts de onvermijdelijkste antwoorden te kunnen geven. Hoe levendig de beschaafde man sprak, hoe welsprekend hij haar ook de gezellige beteekenis van zulk een feest wist af te schilderen, Maria werd dikwijls met ontsteltenis gewaar, dat zij hem ja, opmerkzaam aangezien, maar geen woord van al wat hij sprak gehoord had. Zij zag niet, hoe schilderachtig de groepen zich in het groen legerden, hoorde niet, hoe scherts en kortswijl immer luidruchtiger werden, ja hoe zelfs de vroolijke moedwil reeds een weinig stoutmoedig begon los te breken. Het was haar dus hoogst aangenaam, dat men na een half uur weder opbrak en de ritmeester haar den arm bood om haar naar het rijtuig te geleiden. Hier ontstond echter eene niet geringe verwarring; want niet alle feestgenooten hadden op de wagens, waarmede zij gekomen waren, nauwkeurig acht geslagen, en daar dit meerendeels huurrijtuigen uit Teplitz waren, konden slechts weinigen de hunne wedervinden. Zoo geraakte men in een schertsenden twist, dien de moedwil van eenige heeren nog meer aanstookte. Ook Maria geraakte in verlegenheid, daar eenige vreemde dames zich reeds van den wagen bemachtigd hadden, waarop zij met haar gezelschap recht en aanspraak meende te hebben. De beslissing was moeilijk, vooral daar eenige spotvogels de koetsiers door een drinkgeld aanmoedigden, te beweren, dat ook zij geen geldige getuigenis in de zaak konden afleggen, doordien zij altijd den rug aan hunne passagiers hielden toegekeerd en dus niet weten konden, wie zich achter hen in den wagen bevond. De strijd werd hierop grootmoedig; met beschaafde hoffelijkheid wilde ieder zich vergist hebben en voor den ander onderdoen; hierdoor kwam men trouwens nog minder tot het doel. Eindelijk riep de baron Erlhofen, een der bestuurders van het feest, die als een welgedaan veertiger reeds eenig ontzag inboezemde, met luider stem om gehoor. Men verlangde stilte, om zijn voorstel aan te hooren. Luchtig sprong hij op een afgeknotten boomstam, wuifde met den zakdoek om zijne toehoorders bijeen te krijgen, en toen zich eene aanzienlijke _corona_ om hem verzameld had, begon hij in dezer voege: „Hoog achtbare vergadering! Ik ben noch Cicero noch Demosthenes maar beide redenaars zouden in mijn geval even verlegen zijn geweest als ik; elk menschelijk verstand toch heeft zijne grenzen. De wereldgeschiedenis maakt grooten ophef van de onuitsprekelijke verwarring bij den torenbouw van Babel, zij spreekt van de niet te ontvluchten doorgangen van den Cretensischen labyrint, van de niet te ontwarren strikken van den Gordiaanschen knoop, van de onmogelijk te onderscheiden zaadkorrels, die Asschepoester schiften moest, van de onontwarrelijk verwikkelde beenen der Schildburgers—maar dat alles, wat is het bij de vreeselijke verwarring en verblinding, waardoor een god of een demon ons in een onberekenbaar verderf dreigt te storten? De ijzeren mannen, die uit de drakentanden, gezaaid op den akker, dien Jason op raad van Medea met de vuurbrakende stieren beploegde, opschoten, versloegen elkander om den steen, dien de roover van het gulden vlies in hun midden wierp, niet met zulk eene verbittering, als wij, edele vrienden, in den kamp om de Teplitzer huurwagens reeds getoond hebben. Trojanen en Grieken vochten niet met zulk eene woede om het bezit der trouwelooze Helena, ja zelfs Juno, Pallas en Venus streden niet zoo driftig om den appel van Eris, als onze schoonen om de plaatsen in de rij van gindschen trotschen wagenburg. De wijsheid van Minos of koning Salomo zou niet in staat zijn dit pleit te beslechten. Of het daarom onbescheiden van mij zijn zou, wanneer ik mij zelf een weinig verstandiger rekende dan die beiden, zoo ik een uitweg gevonden had, die alles in orde bracht; of ik in dat geval niet eene lauwer-, eiken- en muurkroon tegelijk verdiend had,—daarover mogen de onpartijdigen in deze doorluchte vergadering het oordeel vellen. Mijn voorslag intusschen is, om, daar toch eenmaal eene revolutie in onzen nomadischen herderstaat onvermijdelijk is, dadelijk eene waarlijk Lycurgische wet uit te vaardigen en vrijheid en gelijkheid vrij wat volkomener te handhaven dan in de fransche republiek het geval was, en wel daardoor, dat wij alle privaateigendom van het huidige oogenblik af opheffen en gindsche gezamenlijke wagens en paarden voor nationaal eigendom verklaren. Maar dit is nog niet genoeg; mijn republikeinsche geest kan niet eenmaal dulden, dat men zich zelf als privaat eigendom bezitte! Mijn voornemen is dus, het gezelschap als scheepsbevrachting te beschouwen en gelijkmatig op gindsche talrijke vloot over te laden, die slechts daarin van de engelsche verschilt, dat deze met uitgespannen zeilen, de onze met voorgespannen paarden voortstevent. De gelijkelijke verdeeling hoop ik daardoor te bewerkstelligen, mijne hoog geëerde vrienden, dat wij eene polonaise opvoeren en ons zoo al dansend paar na paar inschepen. Draagt deze voorslag, die ons uit eene der akeligste ontmoetingen onzes levens redden moet, uw bijval weg, mijne schoonen, geeft zulks dan daardoor te kennen, dat gij uwe zachte hand aan de wachtende ridders toereikt, en mij, die als _dux gregis_, waartoe de uitstekende spitsvondigheid van mijn vernuft mij van zelf verheft, den dans zal aanvoeren, paarsgewijze volgt.”
Na deze, op een ernstigen toon door den baron gehouden rede, verhief zich een algemeen bravo, en zijn voorstel werd eerst door toejuiching en vervolgens ook door de daad goedgekeurd, daar men hem, toen hij de gravin Micielska opleidde, terstond willig volgde. Elke heer die niet te paard geweest was, reikte aan eene dame de hand, en zelfs zij, die zich reeds in de wagens gezet hadden, daar hunne aanspraken niet bestreden waren, verlieten ze weder, om zich aan de wet van den nieuwen Lycurgus te onderwerpen. Erlhofen voerde de rij eenige malen het groen rond, totdat zich alles aangesloten en geordend had, en nam vervolgens zijn weg naar de naaste kales, die hij met het hem volgend paar innam. Zoo schikte zich alles spoedig en geregeld, en zelfs de strengste moeders lieten voor ditmaal de schikkingen van het toeval gelden. Ook de verrassing deed het hare om de vreugde te verhoogen, want eerst bij het instijgen werd men gewaar, welk paar het tweede in den wagen zijn zou. Maria had al dadelijk bij het begin van den dans met een kloppend hart bemerkt, dat zij met de gravin in denzelfden wagen rijden zoude, daar zij door den ritmeester, die zijn paard aan een vriend had overgegeven, geleid, onmiddellijk op den baron volgde. Hoewel haar zonderlinge toestand haar beklemde, moest het zich thans toch beslissen, of zij der gravin geheel onbekend blijven, dan wel in eene nadere betrekking met haar treden zoude, daar zij licht kon vermoeden, dat Erlhofen en de ritmeester, te meer daar beiden bestuurders van het feest waren, de dames aan elkander zouden voorstellen. Zulks gebeurde ook zoodra zij ingestapt waren, en nauwelijks had Erlhofen Maria's naam genoemd, of de gravin vroeg haar dadelijk met belangstelling, of zij uit Dresden was en den overste Rasinski, haar broeder, gekend had.
Toen Maria dit toestemmend beantwoordde, vroeg de gravin ook naar haren broeder en hare moeder, en of beiden aanwezig waren.
„Mijne moeder,” hervatte Maria eenigszins verlegen, „is wel in Teplitz, maar werd door zwakheid verhinderd dit feest bij te wonen; mijn broeder bevindt zich weer op reis, zoodat ik voor dit oogenblik zijn verblijf niet kan opgeven.”
De gravin gaf haar verlangen te kennen, om tenminste de moeder te ontmoeten, daar zij zich eene maand in Teplitz dacht op te houden. „Dresden,” vervolgde zij, „is voor mijn broeder eene zeer gelukkige plaats geweest; want schoon hij er slechts kort vertoefde, heeft hij er twee vrienden gevonden, die uit neiging tot hem in zijn regiment hebben dienst genomen en te Warschau eenigen tijd mijne gasten geweest zijn. Voorzeker kent gij hen: graaf Lomond en de heer Von Soren.”
Maria geraakte in eene kwellende verlegenheid; vooreerst was elke verheling, elke, zelfs de onschuldigste waarheid zoo geheel vreemd aan haar aard, dat zij ook in dringende gevallen daarvoor terugbeefde, en ten anderen was het haar volstrekt onbewust, in hoe ver Bernard en Lodewijk hadden opgegeven, met haar bekend te zijn. Nauwelijks hoorbaar en over het gansche gelaat als purper gloeiende, stamelde zij dus: „O ja, ik ken hen, schoon niet van nabij.” Hare verwarring was aan de gravin niet ontgaan; intusschen schreef zij die aan eene andere reden toe en meende uit Maria's merkbare ontroering te mogen opmaken, dat haar hart een warmer aandeel in die kennis nam, dan een jonge meisje durft verraden. Met een zacht, even snel als het ontstond, onderdrukt lachje liet zij dus dit gesprek varen en ging tot andere onderwerpen over. Met de behendigheid eener vrouw naar de wereld wist zij dadelijk, zonder een merkbaren sprong te maken, op de genoegens van het feest terug te komen, waarvan zij zoo onverhoeds de deelgenoote geworden was. Maria daarentegen vroeg naar de dochter der gravin, voor welke zij de jonge Lodoiska hield. „Om haar,” hervatte deze, „kom ik hoofdzakelijk deze baden bezoeken, minder wijl haar gezondheid het gebruik daarvan vordert, dan wel omdat zij eene verstrooiing behoeft, die onze, zoo nabij het tooneel van den oorlog gelegen vaderstad Warschau haar thans niet geven kan. Niets kon mij dus aangenamer zijn, dan dadelijk bij onze aankomst op eene zoo recht vroolijke wijze begroet te worden en ik meen ook bespeurd te hebben, dat dit voorteeken, om het zoo eens te noemen, op Lodoiska een hoogst gelukkigen indruk gemaakt heeft. De lieve droomster is sinds eenige maanden zoozeer tot zwaarmoedigheid geneigd, dat ik soms bijna aan de mogelijkheid wanhopen moest van haar ooit weder voor de blijde genietingen des levens vatbaar te maken; echter werkt niets krachtiger op den mensch dan het ongehoopte, het onvermoede, waarin hij geen voordacht, geen opzet, maar eene voeging en als het ware eene wending van zijn eigen lot ziet, die hem oneindig sterker geloof en vertrouwen inboezemt, dan wanneer hij daarin vooraf beraamde menschelijke bemoeienissen waant te zien doorstralen.”
HOOFDSTUK III.
Onder dergelijke gesprekken, waardoor men elkander ten minste eenigszins van meer nabij leerde kennen, was de karavane nader en nader aan hare bestemming gekomen. Reeds zag men het stadje Aussig, dat zich schilderachtig langs den oever der Elbe uitstrekt, op een kleinen afstand voor zich. De ruiters, die tot hiertoe de wagens verzeld hadden, renden met lossen teugel vooruit, om de nadering der dames te berichten en alles tot hare ontvangst voor te bereiden. De gansche plaats geraakte in beweging, toen de statelijke trein van jonge lieden zijn intocht hield; alles vloog aan venster of huisdeuren. De hupsche meisjes met hare nette boheemsche neepmutsjes en levendige zwarte oogen gluurden nieuwsgierig naar de voorname jonge heeren en trokken half beschaamd, half tevreden lachend de aardige kopjes terug, wanneer haar een kus toegeworpen of een groet toegewenkt werd, met welke beleefdheid de jonge ruiters in hun vroolijken luim geenszins karig waren. De waard van de herberg was reeds van hunne komst verwittigd; met dienstvaardigen ijver sprongen hij en zijne lieden de aankomenden te gemoet en grepen de teugels der paarden. „Alles is al volmaakt in orde, mijne heeren,” riep hij; „het gansche huis is tot uw dienst, de kamers zijn schoon gemaakt en opgesierd, voor eene goede tafel is gezorgd, kortom, ik hoop, dat de genadige heeren over mij tevreden zullen zijn.”
„Wij zullen zien,” sprak de baron Heilborn, een der bestuurders, „en willen alles in oogenschouw nemen. Hoogstens in tien minuten komen de wagens met de dames en dan mag niets ontbreken. Hebt gij ook bloemen in voorraad, om de stoep te bestrooien, en is de ingang behoorlijk bekranst?”
„Dat zou ik denken, uwe genade,” hernam de waard; „en niet alleen de deur, maar ook de gansche eetzaal, zoo goed wij 't schikken konden en zoo goed het juist niet uitstekend fraaie lokaal toeliet.” Onder deze woorden ging men de trappen op, om de tweede verdieping van het huis, die tot ontvangst der gasten was ingericht, te bezichtigen. Pronkvertrekken dorst men zekerlijk niet verwachten, want vier vrij blauwselachtig gewitte muren, waarop eene lage zoldering rustte, plompe, gebrekkig sluitende deuren, met donkerbruine verf aangestreken, kleine, sombere vensters, met ronde schijven in het lood gezet, en een vloer van ruwe planken, die nergens waterpas lagen, konden bezwaarlijk een glansrijk paleis vormen, en behalve eenig stukadoorwerk aan de wanden was niets te ontdekken, dat men eene bouwkunstige versiering had kunnen noemen. Intusschen had de huiswaard de deuren met dikke kransen van eikenloof, waardoor ook eenige bloemen heenschemerden, behangen; de smaak in rangschikking was wel niet de fijnste, maar leverde toch een vroolijk aanzien op, gelijk trouwens groen en bloemen ons altijd vriendelijk toelachen, hoe kunsteloos zij ook geordend zijn. In denzelfden trant als de deur, was ook de zaal getooid; van de vier wanden hingen de groene volle eikenkransen in bevallig golvende bogen—een schoone vorm, dien de wet der zwaartekracht van zelf medebrengt—tot ongeveer twee voet onder de zoldering naar beneden. De binnentredenden zagen het vertrek rond en riepen den waard een eenparig bravo toe; een vroolijk gestemd gemoed toch schept in alles behagen, wat zijne stemming zoekt te gemoet te komen. Echter had men den tijd niet om lang in de zaal te vertoeven, daar de wagens elke minuut konden aankomen. De jongelieden ijlden dus naar beneden, zorgden dat stoep en gang met loof en bloemen bestrooid werden, en schaarden zich nu rustig aan de deur om de aankomst der overigen te verbeiden. Alle vensters van het stadje waren met nieuwsgierigen bezet, die de dingen, welke komen zouden, met gespannen verwachting te gemoet zagen; eene menigte kinderen was om het huis verzameld. Hoe armoedig en half naakt de meesten ook zijn mochten, was toch de vreugde over het ongewone schouwspel dat hen wachtte, in de helder flonkerende oogen ten duidelijkste te lezen. De waard wilde hen verjagen, opdat de genadige heerschappen in hun genot niet gestoord mochten worden, maar Heilborn belette hem dit en zeide: „Laat de kinderen vroolijk zijn, heer waard; zij storen onze vreugde niet; dat zij dan ook de hunne hebben. Waarlijk men wordt zelf nog lustiger, als men zoo'n kleinen jubelenden zwerm om zich ziet; laat hen dan rondspringen en buitelen en juichen en in de handjes klappen, zooveel zij willen; wij zullen zien, wie het vandaag in vroolijkheid winnen, zij dan wij.”
Thans ratelde de eerste wagen over de hobbelige straat van het stadje; alle hoofden keerden zich naar het punt, waar de straat van de poort op de markt uitliep. Een jubelgeschrei rees onder de kinderen op, toen de vurige schimmels van den eersten wagen uit de enge straat te voorschijn kwamen. „Laat ons als de kleinen doen,” riep Heilborn, „en welkom heeten!” Tevens kreeg hij zijn zakdoek te voorschijn en wuifde de komenden vroolijk tegen; de overigen volgden dit begroetingsteeken na en de kinderen verdubbelden hun gejuich. Het waren de gravin, Maria, de ritmeester en Erlhofen, die in den eersten wagen zaten, welke onmiddellijk door den tweeden gevolgd werd. De jongelieden vlogen naar het portier, om de dames bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. „Daar zijn wij,” riep Erlhofen, „en ziedaar eene gansche volksverzameling om ons te ontvangen. Dat is betamelijk, dat is recht, dat verheugt mij, gij mijne medegenooten en medebestuurders van dit olympische feest. Bij gewichtige gelegenheden moet echter ook geld onder het volk worden uitgedeeld.” Dit zeggende kreeg hij eene lange groene beurs te voorschijn, schudde eene menigte klein en groot zilvergeld in zijne hand uit en strooide het, als een triomfeerend Romein in den wagen staande, met den statigen uitroep: „_Panem et circenses_!” onder de kleine menigte uit. IJlings sprong hij hierop van zijne triumfkar en snelde de reeds in huis getreden dames na.
Wagen op wagen volgde en de sierlijkste gestalten zweefden de breede deur der herberg binnen. De rijkelijk gestrooide bloemen ontlokten aan elken schoonen mond een blijden uitroep van verrassing. Eindelijk zag men het laatste nette voetje de trede afwippen en in luchtigen tred de stoep opsnellen. Boven in de zaal en aangrenzende vertrekken was Erlhofen, ondersteund door Arnheim, Heilborn en de overige aanleggers van het feest, onvermoeid bezig stoelen voor de dames te plaatsen, zich bevlijtigende haar behulpzaam te zijn in het afleggen en bezorgen van doeken, hoeden, mantels, zonneschermen en al de duizend kleinigheden, die onafscheidelijk met het bestaan der vrouw verbonden zijn. Toen eindelijk de eerste verwarring voorbij en de orde teruggekeerd was, rees natuurlijk de vraag op, wat men nu beginnen moest. Erlhofen scheen niet weinig lust te gevoelen, om opnieuw het redenaarsgestoelte te beklimmen en eene ciceroniaansche verhandeling, zooal niet _de offices_ of _de amicitia_, dan toch _de deliclis_ voor te dragen, toen de ritmeester hem voorkwam en zeide: „Een staat moet geregeerd worden en in beslissende tijden heeft zelfs de republiek een dictator noodig. Wanneer wij over alles beraadslagen en de stemmen opnemen wilden, zou daarmede zooveel tijd verloopen, dat, wanneer wij van duizend besluiten het beste genomen hadden, ons niets meer ontbrak dan tijd om het ten uitvoer te brengen. Ik sla dus voor een koning en eene koningin te kiezen, aan wier bevelen wij van daag gehoorzamen willen; deze kunnen dan, zoo het noodig is, hoogstderzelver ministers benoemen, in één woord, de regeling van de gansche huishouding van staat op zich nemen.”