1812: Historische roman

Part 27

Chapter 273,615 wordsPublic domain

Sinds Lodewijks overhaast vertrek vloden de dagen voor moeder en zuster stil en treurig daarheen. Maria droeg haar lijden met zachte gelatenheid; zij klaagde niet, zij weende niet, slechts in verdubbelde liefderijke zorg voor hare moeder zocht zij troost en opbeuring; over haar gansche wezen lag eene weemoedige vriendelijkheid verbreid, die haar eene nieuwe, zachtere aantrekkelijkheid verleende. Zij werd, en dit is de natuur van edele zielen, door haren kommer beter, en hoe meer zij zelve leed, des te medelijdender en gevoeliger werd zij ook voor het lijden van anderen. Aan de geliefde kranke, wier borstkwaal sedert de laatste hevige gemoedsschokken aanmerkelijk verergerd was, wijdde zij alle gedachten harer ziel; in den vroegen morgen reeds, wanneer zij, vóór den dag ontwaakt, eenzaam op haar leger zat, bepeinsde zij hoe door kleine verrassingen de zieke op te beuren en haar door stille genoegens de slepende, smartelijke uren van den langen dag te korten. Heimelijk kwelde haar echter de gedachte, dat de dagen der dierbare ten einde spoedden. En niet zonder grond; ze wist het, dat diepe smart de krachten der moeder langzaam sloopte en nog meer de gezondheid der dierbare ondermijnde, wijl die smart zoo weinig werd geuit. Een vreemde zou bij de bestendige bedaardheid, welke zij vertoonde, bij hare vriendelijke, hoewel niet levendige belangstelling in alles wat om haar voorviel, bezwaarlijk vermoed hebben, dat die zachte, welwillende vrouw onder eene zoo zware zorg, onder een zoo drukkenden kommer gebukt ging. Maria echter kende haar en vreesde het ergste.

Niettegenstaande dit alles, was toch deze tijd van beproeving voor Maria hoogst weldadig, daar de strenge eischen van den plicht, dien zij jegens de kranke moeder te vervullen had, haar verhinderden zich te zeer met hare eigene smart bezig te houden, waardoor deze allengs veel van hare bitterheid verloor en onmerkbaar begon te genezen, zoodat zij ten laatste niet meer de pijn der wonde zelve, maar slechts de zachte afmatting gevoelde, die pleegt te volgen wanneer de hevige bloedstorting voorbij is. Ook de uitwendige bedrijvigheid, waartoe zij zich thans dikwijls genoodzaakt zag, was haar heilrijk, daar zij hierdoor belet werd te veel in zich zelven in te keeren, terwijl verder de tegenwoordigheid van Julie en Emma, welke lieve meisjes haar beurtelings gezelschap hielden, er veel toe bijbracht, om haar van hare sombere mijmeringen af te trekken.

Zoo was de helft van den zomer verwonderlijk snel voorbij gevlogen en de dagen begonnen reeds merkelijk te korten, toen de moeder zich toch eindelijk weder sterk genoeg geloofde om de reis naar Teplitz te ondernemen, welke badplaats zij jaarlijks gewoon was te bezoeken. De Julimaand was nog niet geheel ten einde, toen beide vrouwen op een schoonen morgen de stad verlieten; de hemel glansde blauw en helder boven de verfrischte aarde, de dauw had zijn flikkerend zilvernet over de velden uitgespreid. In eene eenzame aan den weg van Peterswald gelegen herberg brachten zij de uren van den middag door, in welken tusschentijd een onverhoedsche regenvlaag die zich in een vruchtbaren stortregen ontlastte, den gloeienden dampkring weldadig afkoelde. Zij reden verder toen de regen nog zacht neerruischte, ofschoon de wolken reeds gebroken en heldere blauwe strepen door den donkeren nevelsluier zichtbaar waren. Zoo bereikten zij den Nollendoffer berg, dien zij langzaam opstegen. Tegen den namiddag kwamen zij op den top bij de kleine kerk aan, en nu lag het gansche koninkrijk Boheme aan hare voeten uitgestrekt.

Beiden verlieten den wagen en wandelden langzaam naar de kleine kapel, in welker schaduw zij zich op eene bank neerzetten. Het ertsgebergte strekte zijn groenen, lommerrijken woudmuur ver naar het zuidoosten uit; in de diepe dalen glansden de zindelijk gepleisterde gebouwen van vele gehuchten, sloten en abdijen; de lange woudachtige heuveltakken drongen dikwijls tot diep in het land door, eer zij zich in korenvelden of groene akkers verloren; de straatweg hing als een wit glansrijk lint in slingerende bochten bij de berghelling neder, deelde het dennenwoud doormidden en reeg vervolgens de rijke dorpen der heuvelvlakte het een na het ander aan zijn onafzienbaar snoer. Maria liet met welgevallen hare blikken over de bekende landouw rondzweven. Mijmerend vestigde zij het oog op de hooge, blauwe bergkolossen der beide Milischauers, die als een reusachtig broederpaar in het hart van Boheme oprezen en het grootste gedeelte der oostelijke begrenzing van den gezichteinder besloegen. Ver achter deze, daar, waar de westenwind de verspreide onweerswolken voortdreef, lag het onmetelijke land, waar thans de dierbaarsten verwijlden, die zij op aarde bezat. Warm toch en hevig klopte haar hart ook voor hem, wiens mannelijk, waardig voorkomen en edele gezindheid hare liefde te gelijk met hare innigste hoogachting gewonnen hadden en wien zij gaarne gevolgd ware, wanneer zij zich niet door heiliger banden aan haar vaderland had gekluisterd gevoeld.

Het rijtuig moest wegens de steile afhelling met spijlen voorzien worden, weshalve de vrouwen een nader voetpad insloegen, dat haar spoedig weder op den grooten straatweg bracht. Hier klommen zij in het rijtuig en bereikten na weinige uren hare oude, welbekende verblijfplaats. Met de uiterste hartelijkheid werden zij door den schrijnwerker Holder en zijne vrouw, bij welke goede menschen zij reeds meermalen haar verblijf genomen en die zij nu weder van hare komst verwittigd hadden, ontvangen, en Maria had het genoegen door alle kinderen van het huis, zelfs door het kleine vierjarig meisje, dadelijk herkend te worden. De beide stille tuinkamers waren, evenals vorige jaren, voor haar in gereedheid gebracht, en weldra gevoelde zij zich daar even vertrouwelijk en wel als in haar eigen huis. De deur van het woonvertrek kwam onmiddellijk in den vrij grooten tuin uit, die wel is waar grootendeels met ooftboomen en keukengroenten bezet was, maar toch ook eenige bloemperken en schaduwrijke plaatsjes aanbood, waar Maria reeds menig genoegelijk uur doorgebracht en zich in het gezicht van den Schlossberg verlustigd had, dien men met zijne heerlijke ruïne in de verte zag oprijzen.

De bijzondere, alleen aan vrouwen eigene begaafdheid van zich op elke plaats recht vertrouwelijk als het ware in te nestelen en in te bouwen, bezat Maria in eene hooge mate; het was haar een tweede natuur geworden, om alles om zich heen een vriendelijk, uitlokkend voorkomen te geven. Een ongeordend vertrek veroorzaakte haar, zonder dat zij zich dikwijls zelve de reden bewust was, eene onaangename, pijnlijke gewaarwording; daarentegen gevoelde zij zich gelukkig, wanneer zij eene plaats die haar verblijf moest worden, regelen, versieren en daaraan een lachend, aardig, net aanzien geven konde. De wijze, waarop zij hare bloempotten rangschikte, hare kleine vrouwelijke benoodigdheden door het vertrek verdeelde, hare boeken, muziekbladen en kleine teekeningen om zich heen ordende, dit alles droeg blijken van een smaakvolle regelmatigheid, waardoor elk die een blik in hare kamer wierp, zich aangenaam verrast gevoelde. Zoo was dan ook nu hare eerste bezigheid, de koffers te ontpakken en elke ruimte van het vertrek deels aan te vullen, deels op te sieren. Haar vrouwelijke zin voor orde was echter niet op den uiterlijken schijn alleen gericht, maar strekte zich ook tot dingen uit, die het oog van den vreemden opmerker onmogelijk navorschen konde. In hare werkdoos, in hare kleerkast heerschten dezelfde sierlijke netheid en orde, welke men op hare kamer aantrof, ja in hare kleeding, in heur kapsel bespeurde de nauwlettende waarnemer het in acht nemen der zelfde regelen, de werkzaamheid van dezelfde eigenschappen der ziel. Is het te verwonderen, dat deze zachte regelmatigheid, deze overeenstemmende verbinding van ruimten en dingen ook zelfs in haar karakter eenigermate doorstraalden? Zij had een donkeren kerker bewoonbaar weten te maken door vrouwelijk schikken en ordenen, hoe zoude zij dan ook niet, door een gestadig opmerkzaam vergelijken harer krachten en plichten, door een dankbaar en gewillig erkennen van het goede dat haar bejegende, aan de droeve verwarring van diep smartelijke rampen een zachter, vriendelijker voorkomen gegeven en door een vasten wil de hevigheid van opbruisende hartstochten op eene schoone, weldadige wijze beteugeld hebben!

Aan deze bijzondere gemoedsgave was zij eene zachte opgeruimdheid verschuldigd, die haar zelfs in zoo treurige tijden als zij thans doorleefde, niet verliet en zich ook aan allen, die haar omringden, weldadig mededeelde. Ook stroomde de gezegende uitwerking dezer, het is moeielijk te beslissen, of door oefening van den wil of door gelukkigen natuurlijken aanleg verkregen zielskracht op haar zelve terug; want gelukte het haar, hare betrekkingen en vooral hare geliefde moeder daardoor op te beuren, zoo werd zij zelve hierdoor kalmer, gelukkiger, tevredener, hoopvoller en zag zij, hoewel nog altijd door eenige donkere sluiers met vrijer, geruster blikken in de toekomst uit.

Dezen eersten avond wilde beide vrouwen hare woning niet verlaten. Maria had de theetafel naar het groen priëel laten brengen, waar men, door wilde wijnranken overschaduwd, koel en rustig zitten kon en den Schlossberg met zijne ruïne in het goud der avondzon zag blinken. Hier liet zij Anna en Therese, de beide dochtertjes van den huisheer, bij zich komen; de eerste een twaalfjarig vlug en levendig kind, dat haar reeds menige nutte onderrichting te danken en die wel gebruikt had; de ander een blond, vierjarig krulkopje, waarover zij peettante en dat haar, om zijn koddige vroolijkheid en zoete vleitaal, even lief als een zustertje was. Anna was er bijzonder door vereerd, dat zij met hare breikous, als een groote dame, aan de theetafel der vreemde dames mocht plaats nemen; de kleine Threes snapte onophoudelijk voort en deed duizend kinderlijke vragen. Maria zorgde voor beiden met de vriendelijkheid eener oudere zuster, wist zich geheel in de kinderwereld te verplaatsen en was met de oudste reeds in een druk gesprek gewikkeld, toen Therese, ongeduldig zoo lang te zitten, met eene krakeling in de hand lustig weghuppelde en de tante uitdaagde haar te krijgen. Als een kleine Amor sloop het kind door de heesters, om de onder schertsende bedreigen haar naijlende Maria te ontkomen; deze zette het moedwillig spel een tijdlang voort en lachte vriendelijk, toen de kleine haar lokkig kopje van tusschen de groene bladeren te voorschijn stak en met haar zilverstemmetje riep: „Piep, tante, hier ben ik!”

Intusschen was het avondrood verdwenen en bleek maanlicht vermengde zich met de blauwachtige schemering, die den tuin omhulde; de sikkel der nieuwe maan dreef op den kalmen oceaan des hemels en wierp vriendelijke blikken door de fluisterende heesters. De kinderen moesten nu naar huis om te bed gebracht te worden, en Therese was ook na al haar stoeien en dartelen zoo moe en slaperig, dat zij zich gewillig door het dienstmeisje op den arm liet nemen. De toenemende avondkoelte bewoog ook de moeder naar hare kamer terug te keeren; Maria wandelde nog een tijdlang in den tuin op en neder; vervolgens ging ook zij naar binnen en genoot weldra eene zoete, verkwikkende rust, die zelfs het treurende hart niet ontvliedt, wanneer het tevens rein en schuldeloos is.

Den volgenden dag begonnen de toebereidselen, welke men tot het gebruiken der baden te maken had; een zeer vroeg opstaan werd noodzakelijk, de overige bezigheden moesten daarnaar geregeld worden. Hiertoe behoorden ook de wandelingen, welke de arts had voorgeschreven, Maria verzelde hare moeder altijd en overal; wanneer deze zich in het bad bevond, deed zij met eenige bekenden uit Dresden, die zich hier reeds langer hadden opgehouden, eene wandeling, gewoonlijk in den slottuin. Op deze wijze werd zij, hoe eenzaam zij overigens leefde, toch langzamerhand met de verschillende, ten deele zonderlinge figuren bekend, die zich in het stadje verzameld hadden. Van lieverlede wist men, met wie men het badseizoen doorbracht, afreizenden werden vermist, nieuw aangekomenen dadelijk opgemerkt. Het vrije ongedwongene verkeer, aan badplaatsen eigen, bracht als van zelf mede, dat men ook met vreemde heeren licht in gesprek geraakte. Deze sloten zich ook zeer gaarne aan het gezelschap, waarin Maria zich bevond, aan; want hare tengere, slanke gestalte maakte reeds in de verte de opmerkzaamheid gaande, hare sierlijke, hoewel hoogst eenvoudige kleeding trok velen aan, de zachte vrouwelijke uitdrukking harer gelaatstrekken, de heldere blik van het blauwe oog en vooral haar innemend, evenzeer van schuwe blooheid als van aanmatigend zelfvertrouwen verwijderd, voorkomen boeiden zoo onweerstaanbaar, dat oudere en jongere mannen zich om strijd beijverden met haar in gesprek te komen. Ook op vrouwen maakte Maria's voorkomen een gunstigen indruk, en eenstemmig beklaagde men zich, dat deze liefelijke verschijning slechts gedurende dat ééne morgenuur zichtbaar was en voor het verdere gedeelte van den dag spoorloos verdween. Dit was evenwel gedeeltelijk eene dwaling, want schoon Maria slechts de schoone avonden tot wandelen gebruiken konde, wijl de moeder zich voor koude en vochtigheid wachten moest, was zij toch niet zelden met deze en ook met een kleinen kring van nadere bekenden in de schoone omstreken van Teplitz aan te treffen. Dan echter koos zij niet de bij de groote wereld vooral geliefkoosde oorden, waar men verzekerd is eene schitterende menigte bijeen te vinden, maar zocht bij voorkeur de schoone, eenzame punten op, die geene andere genietingen aanbieden dan de zuivere, verkwikkende gaven, welke de natuur ons uit de eerste hand welwillend toereikt. Intusschen had het verschijnen op de morgenwandeling haar langzamerhand bij de jongere badgasten zoo bekend doen worden, dat men hare tegenwoordigheid bij een landelijk feest dat men geven wilde, volstrekt noodzakelijk achtte, zoude het niet van zijn schoonsten tooi verstoken blijven. Toen zij dus op zekeren morgen als naar gewoonte met hare vriendinnen in de nabijheid der bron verscheen, trad een plechtig gezantschap van eenige jongelieden op haar toe; een oostenrijksch ritmeester, Arnheim, die het bad bezocht, om de genezing van zijn, in den slag bij Wagram zwaar gewonden arm te bespoedigen, stond aan de spits en sprak haar bescheiden en vriendelijk aan: „Ik heb u in naam van de badgasten eene nederige bede te doen, mijne dame; maar ik vrees bijna dat gij ons die zult afslaan.”

„Voorzeker niet,” antwoordde Maria vriendelijk, „wanneer de vervulling in mijne macht staat. Ofschoon ik niet weet,” voegde zij er met een ongedwongen lachje bij, „wat ik zou kunnen doen, waaraan het gezelschap iets gelegen kan zijn?”

„Gij zijt tot hier toe slechts eene morgenster voor ons geweest, die bij het toenemen van den dag verdween,” vervolgde de ritmeester; „wij wilden u bidden, ook eens als avondster voor ons te glanzen. Tegen morgen hebben wij een gemeenschappelijk feest aangericht; het zou ons zeer leed doen, wanneer het den luister, dien uwe tegenwoordigheid daaraan verleenen zou, ontberen moest. Mogen wij op uw bijzijn hopen?”

Tevens waren de overige jongelieden nader getreden en vereenigden hunne beden met die van den ritmeester.

„Van harte gaarne zal ik de uitnoodiging aannemen,” sprak Maria vriendelijk, „wanneer mijne moeder het vergunt.”

„Ontvang voorloopig onze hartelijke dankbetuiging,” hernam Arnheim levendig, terwijl ook zijne vrienden hunne vreugde luid te kennen gaven.

„Maar waar zult gij het feest geven?” vroeg Maria na eenige oogenblikken.

„Wij hebben voorgenomen,” antwoordde Arnheim, „eene kleine uitvlucht in het gebergte te ondernemen en ons daarbij door scherts en spel en, als het zijn kan, ook door dans onder den vrijen hemel zoo goed te vermaken als mogelijk is. Vervolgens willen wij naar Aussig rijden en van daar, de Elbe op, naar den Schreckenstein roeien. Het overige zullen wij aan de gunst van het weder overlaten.”

„Waarlijk, niets kon beter met mijn smaak overeenstemmen,” hervatte Maria.—De jongelieden gaven nogmaals hunne dankbaarheid en vreugde te kennen en verwijderden zich hierop, om zich onder de overige wandelaars te mengen. De familie uit Dresden, waaraan Maria zich had aangesloten, was ook tot het feest genoodigd, en de dochters boden haar dadelijk eene plaats in het rijtuig aan, in geval de moeder niet verkiezen mocht van de partij te zijn.

„Dat is helaas! maar al te zeker,” zeide Maria, „want aan de onzekerheid van het weder mag zij zich volstrekt niet blootstellen en ook de koelte van den stroom en den avond zoude gevaarlijk voor haar zijn. Gaarne zal ik dus onder uw geleide het feest bijwonen, niet zoo zeer wijl ik mij groot genoegen daarvan voorstel, als wel omdat het mij grieven zoude een zoo welwillend verzoek van de hand te wijzen.”

Terwijl zij nog sprak, kwam hare moeder de laan door uit het bad terug. Maria droeg haar dadelijk de zaak voor en bekwam eene gereede toestemming.

HOOFDSTUK II.

De helderste morgen was aangebroken; het sloeg juist zes uur, toen Maria in een licht, wit zomerkleedje, dat slechts door eenige lilastrikken versierd was, met luchtigen tred door den tuin spoedde, om, de kleine deur in de heining uitgaande, den naasten weg naar hare vriendinnen in te slaan. Reeds vond zij een kapwagen voor het huis gereed staan en de beide jonge meisjes kwamen haar op de trap te gemoet snellen. „Wij zullen het heerlijkste weder hebben,” zeide Maria na de eerste begroetingen; „ik stel mij veel genoegen voor van het romantische landschap, dat ik in lang niet gezien heb.” Gedurende dit gesprek traden ook de ouders binnen, heetten Maria welkom, en gezamenlijk ging men nu naar beneden om in het rijtuig te stijgen. Weldra had men de huizen van het stadje achter zich en rolde men tusschen bedauwde struiken, heggen, weilanden en korenvelden langzaam voort. Men verwonderde zich zeer nog geene wagens op den straatweg te ontdekken, daar toch een aanzienlijk getal personen aan het feest deel zou nemen.—Op eene kleine hoogte, ongeveer een vierde uur van de stad, werd men op het aangenaamste verrast. Reeds van verre was het zichtbaar, dat de weg met bloemfestoenen gesloten werd; naderbij gekomen werd men een zeer bevalligen eereboog gewaar. In een lossen, golvenden boog hing de lange bloemketen, uit de toppen van twee, aan weerszijden van den weg staande beuken naar beneden, en de struiken, die deze omringden, had men met rijke kransen versierd, die van tak tot tak rondzwierden en zoo eene wel onregelmatige, doch juist door hare willekeur en schilderachtige losheid hoogst verrassende vertooning opleverden. Met vermaak rustten de blikken der meisjes op dit tafereel, dat haar een gunstig voorteeken voor de verdere genoegens van den dag scheen te geven, toen eensklaps van weerszijden uit de struiken een ruiter te voorschijn sprong, wiens hoed met groene takken en bloemen bevallig was opgesierd; dezen volgden anderen, die zich aan beide zijden van den weg in orde schaarden en der vrouwen een jubelenden morgengroet toeriepen. De aanvoerders reden naar het portier en overhandigden aan elke dame een geurige ruiker. Het was de ritmeester, die Maria op deze wijze verwelkomde; hij en nog een tweede ruiter sloten zich hierop aan den wagen aan en verzochten dadelijk, dat men stapvoets mocht rijden, ten einde daardoor aan de andere rijtuigen den tijd te geven, om hen in te halen en zoo een langen trein te vormen. „Wij zijn dus de eersten?” vroeg Maria, toen de wagen verder rolde. „Voorzeker,” antwoordde Arnheim, die aan hare zijde naast het portier reed. „Wij hadden allen dames verzocht, stipt te zes uur af te rijden, en heimelijk met elkander afgesproken, dat wij die te paard zijn, alsdan hier op de hoogte de aankomenden begroeten en ons twee aan twee bij elk rijtuig aansluiten wilden, waarbij wij het, door ons in gelederen te rangschikken, geheel en al aan het toeval overlieten, van wie wij op deze wijze de ridders zouden worden. Zoo moest elke strijd, elke schijnbare voorkeur vermeden worden; het toeval ordent de wagens en paart de geleiders; want wij hadden elkander plechtig beloofd aan geene der dames iets van de kleine verrassing hierboven te verraden, doch aan allen hetzelfde uur van den afrit op te geven. Zoo zijn wij dan ook van de lastige verplichting ontslagen, om op den rang der verschillende personen angstvallig acht te slaan, en wij hopen, dat, wanneer de stijve rechten der geboorte eens zijn opgeheven, zij ons ook verder in het zorgelooze genot niet zullen storen.—Maar terwijl wij spreken, is onze karavane immers reeds aanmerkelijk vergroot! Zie slechts, hoe wagen op wagen nadert, om onzen trein te verlengen.” Inderdaad bespeurde men op de hoogte, die men zoo even was afgereden, drie rijtuigen, die, door hunne ruiters verzeld, op verschillende tusschenruimten der straat kwamen aanrollen. Weldra hadden zij het eerste bereikt, en reden nu langzaam achteraan voort. Daar men nog bij voortduring den weg, tot aan het punt waar de eereboog was opgericht, konde overzien, was het een vroolijk schouwspel de wagens te zien aankomen, die door de veelkleurige doeken, bonte kleederen, glanzende hoeden en groene sluiers der dames, alsmede door de bloemruikers, waarmede de ruiters getooid waren, levendig tegen de akkers en velden afstaken en een schemerenden glans van verven in het rustige beeld van het landschap brachten. De verstrooide punten, waarop het oog rustte, drongen dichter en dichter opéén en vormden weldra een rijke, veelvervige keten, die door de velden heenkronkelde, die slingerende bochten der straat volgde en nu eens bij eene zachte hoogte opsteeg, dan weder schilderachtig in het diepe dal nederdaalde. De gansche optocht, nu hij, onder den helderen blauwen hemel en door de morgenzon vriendelijk beschenen, langzaam daarheen trok, leverde een zóó bekoorlijk schouwspel op, dat alle aanwezigen reeds daardoor alleen tot vreugde gestemd werden en zich den gelukkigsten dag durfden beloven.

Daar thans niemand meer in de reeks ontbrak, kon men van tijd tot tijd de paarden aanzetten, en bereikte men dus spoedig de, tusschen Teplitz en Aussig gelegene hoogte, waar men een landelijk ontbijt, voor hetwelk de ondernemers gezorgd hadden, gebruiken wilde. De heuvel vergunde een vrij uitzicht op de landstreek; aan den voet lag een klein, half in het hout verscholen dorpje uitgestrekt, door 't welk eene breede beek haar kronkelenden loop nam; verder opwaarts zag men golvende korenvelden, die zich over de heuvels uitbreidden en slechts hier en daar door groene grasvlakten doorstreept werden. Om dezen vriendelijken voorgrond trok het hoogere gebergte zijn blauwen, in vochtige morgennevels gehulden ringmuur op. Achter de plaats, welke men tot rustpunt gekozen had, steeg de rotswand iets steiler en dicht met struiken bewassen omhoog, en boog vervolgens linksaf naar het stadje Aussig, waar hij bij den Mariënberg verdween.