Part 26
„Het zwarte... neen, het witte; ik treur immers om niemand, ik ben immers zelve het offer. O ware ik eene bruid, die men voor het graf tooide!”
Het was een uitroep van diepen, hartverscheurenden jammer, die der lijdende ontvoer. Duizelend zonk zij in Jeannette's arm en weende aan hare borst.
Na eenige minuten richtte zij zich weder op en wierp een vromen blik op het Mariabeeld, dat juist door eenige zonnestralen beschenen werd. „Een troost, een hoop blijft ons immers nog over,” zuchtte zij, „waarom zoude ik dan versagen? Na dit aardsche lijden moet het uur komen, dat gij uw kind tot eene eeuwige zaligheid tot u roept.”
Van nu af bleef zij bedaard. Schoon als eene lelie vertoonde zij zich in het licht zijden gewaad. Aan Jeannette's arm zweefde zij naar de zaal, waar zij hare ouders, Ochalskoi en Gregorius reeds bijeen vond. Stilzwijgend begroette men elkander.
„Ik wensch, dat vader Gregorius mijne verloving inzegene, schoon dit anders niet gebruikelijk is,” verzocht Feodorowna vriendelijk, maar op een toon, die geene weigering toeliet.
De priester sprak eenige woorden. Hierop werden de ringen gewisseld en de bruid duldde zonder tegenstand den kus en de omarming van hem, aan wien zij zich thans zoo plechtig had overgeleverd. In zijne armen verbleekte zij echter, haalde diep adem, wankelde, en bewusteloos moest men haar naar hare kamer dragen.
Zij werd aan de zorg der moeder overgelaten, want reeds trappelden de paarden voor den wagen, waarin Dolgorow en Ochalskoi onverwijld naar het leger afreisden.
HOOFDSTUK V.
Het was op den 22sten Juni dat Rasinski met zijne ruiterschaar op de hoofdcolonne des legers stiet, welke de keizer in persoon aanvoerde. Een bevel, onderweg ontvangen, had zijn marsch verhaast. De overige corpsen, Regnards regiment, de artillerie en twee escadrons zware cavalerie konden hem niet zoo ijlings volgen. De zon daalde reeds achter de blauwe bosschen, die den westelijken gezichteinder begrensden, neder, toen men van eene verhevenheid het fransche leger voor het eerst gewaar werd. Tot zoover het oog reikte bedekten de zwarte troepenmassa's de zachte helling, welke aan deze zijde der heuvelreeksen, die den oever der Niemen begrenzen, langs den zoom van het uitgestrekte woud van Pilwiski heenloopt. Rasinski was met Bernard en Lodewijk, die hij gewoonlijk als zijne ordonnansen gebruikte, het regiment ongeveer duizend schreden vooruitgereden. „Groote hemel!” riep hij uit, „welk eene wereld onder de wapenen! Ziet, vrienden, ziet daar voor ons. Wel eene mijl strekt zich de linie der dicht opééngesloten colonnes uit. Ziet van weerszijden zijn nog ontelbare massa's in aantocht. Welk een reusachtige geest, die de krachten van zoo ontelbaar vele duizenden alle in het middenpunt van zijn wil vereenigt! Alle talen van Europa kunt gij in dit wereldleger hooren. Van de Ebro en den Vesuvius, van de zonen der Alpen en Pyreneeën tot aan de Slavonische stammen, die onze barre vlakten bewonen, heeft elke stad, elk dorp, elk gehucht zijne kinderen gezonden, en allen volgen in gloeiende geestdrift of stomme onderwerping den wenk des gebieders. Zij gehoorzamen hem vrijwillig, zij vertrouwen op hem, als op een God, voor wien de mensch zich buigt, ook zonder hem te doorgronden!—Ziet de heerlijke artillerieperken, die daar de hoogte zijn opgestegen; ik begroot de sterkte op vier- tot vijfhonderd vuurmonden, en toch is het nauwelijks de helft van het geschut, dat Napoleon medevoert, om dood en verderf op den vijand te braken.”
Rasinski hield stil en zag opmerkzaam in het rond. „Daar, over die drie boomen, ligt Kowno; vermoedelijk zal het hardnekkig door de Russen verdedigd worden. Ginds loopt de weg van Königsberg, die zich in het gindsche bosch met den onzen vereenigt. Het gehucht daar beneden in het woud heet Pilwiski; die spitse toren links behoort tot het stadje Schirwindt. Neemt de ligging der plaatsjes nauwkeurig op, vrienden, misschien moet ik er u nog dezen nacht heenzenden, daar de staf er waarschijnlijk legeren zal.”
Terwijl Rasinski zijne geleiders op deze wijze met de landstreek bekend maakte, was zijn regiment genaderd. Hij plaatste zich thans aan de spits en liet het in geregelde orde naar het leger voortrukken.
Eer hij de uiterste posten had bereikt, kwam hem een stafofficier te gemoet rennen. „Ik ben gelast, heer overste,” sprak deze hem aan, „u de plaats aan te wijzen, waar gij voor uwe troepen het bivak kunt opslaan. Wij waren reeds van uwe komst verwittigd. Op gindschen heuvel, naast de keizerlijke garde, is uwe legerplaats.”
Rasinski besefte dadelijk de eervolle onderscheiding, die in deze aanwijzing gelegen was, en gaf zijne vreugde daarover onbewimpeld te kennen.
Door den stafofficier begeleid, rukte het regiment thans midden door het leger voort. Deze doortocht leverde een uiterst bont en afwisselend schouwspel op. De lange rijen van zwaar geschut, door dicht opeengepakte perken van munitie-wagens afgebroken, moest men eerst voorbijtrekken. „Dat zijn de ijzeren knoken van het oorlogsmonster,” sprak Lodewijk tot Bernard.
„Of veeleer zijne vuurbrakende kelen,” hernam deze. „Ik ben zonderling te moe,” vervolgde hij na eenige oogenblikken; „terwijl ik dit voorportaal van den krijg binnentrek, kom ik mij zelf, tegenover deze reusachtige strijdkrachten, eensklaps zoo geheel nietig en onbeduidend voor, verlies ik zoo geheel het gevoel van zelfstandigheid en eigene wilskracht, dat ik mij bij een armzaligen notendop vergelijken kon, die op den onstuimigen oceaan drijft. Maar voor mijn teekenboek zal ik genoeg te doen krijgen, want elke tien passen zie ik een kostelijk genrebeeld en merk, dat men maar ééns door eene legerplaats behoeft te rijden, om een Filip Wouwerman te worden, wanneer men er overigens het penseel toe heeft en nog geen is.”
Thans was men de eerste bivakken der infanterie genaderd en kon men de groepen opnemen, die zich om de vuren gelegerd hadden. In de verte hoorde men de half verwaaide tonen der veldmuziek, die den marseillaanschen marsch speelde. Op den voorgrond lagen een dozijn grenadiers om een helder vuur uitgestrekt. Een baardig sappeur roerde ijverig in den blikken kookketel en was telkenreize genoodzaakt, zijn langen baard voor de opwakkerende vlam in zekerheid te stellen; eenige jonge borsten, die zijne verlegenheid bespeurden, dreven den spot met hem. Een tamboer had het omwonden hoofd op den randsel neergevlijd en sliep; zijne kameraden hadden hem met houtskool een monsterachtigen knevel gegeven. Twee anderen stonden overeind en worstelden met de handen. De overigen zaten of lagen in een breeden kring en beschouwden al geeuwend het voorbijtrekkende regiment, zonder dat dit voor hen alledaagsche gezicht hunne nieuwsgierigheid bijzonder scheen gaande te maken.
Eenige schreden verder was eene andere groep gelegerd en luisterde aandachtig naar den muzikalen kunstenaar, die op eene kleine dwarsfluit de romance: „_Il pleut, il pleut bergère_,” blies. Dit geliefkoosde liedje scheen de teederheid van een sergeant te ontvlammen, die achter den kring zijner gelegerde kameraden voor eene hupsche markententster de fijnste vleitaal uitkraamde en haar met eene zekere vaderlijke welwillendheid de kin streelde, schoon zijne flonkerende oogen eene geheel andere gezindheid jegens het vlugge meisje te kennen gaven. Zij knikte vroolijk met het kleine hoofdje naar de maat der muziek en bekommerde zich weinig om den minnaar, wiens stoute hand zij slechts nu en dan afwerend terugsloeg.
„De liefde is overal thuis,” sprak Bernard glimlachend; „ook op het bivak schiet zij hare wortels. De altijd dorre grond, waarop zij niet voort wil, schijnt mijn hart te wezen; bloesems van gelukkige liefde althans heeft mijn herbarium nog bitter weinig aan te wijzen.”
Lodewijk zweeg en gaf zich aan de sombere gedachten over, die Bernards zeggen in hem verlevendigd had.
„Nu, lomperd,” riep deze een weinig verdrietig, toen een stevige dragonder hem op een gespierd brouwerspaard zoo dicht langs het lijf reed, dat de onzachte aanraking hem bijna uit den zadel deed tuimelen. De vent liet zich echter den lomperd getroosten en draafde zonder om te zien zijns weegs.
„Zie daar zoo'n plompen, ongelikten vlegel met zijn lange beenen over den dikken slepersknol hangen,” bromde Bernard; „de vent rammelt mij armen en beenen stuk met zijn olifant.”
„Dat zijn de kleine beleefdheden van het leger,” riep Jaromir lachende. „Gij zult ze u zoolang getroosten moeten, tot gij ze zelf leert uitdeelen.”
„Pah!” hernam Bernard; „in dat opzicht ben ik als meester geboren en gelijk sommige echo's, die het geluid niet slechts vermenigvuldigen, maar ook versterkt teruggeven. Een vlegel krijgt mij gewoonlijk in een brandspiegel te zien, waarin ik hem de grimmigste bekken toetrek.”
Een bivak der ruiterij volgde, waar de paarden in lange rijen aan lijnen stonden. Het snuiven en hinniken der rossen maakte het schouwspel levendiger. Toen het regiment naderde, rukte een der dieren zich los en wilde zich onder de broederlijke gelederen scharen; dadelijk waren eenige dragonders bij de hand om het te grijpen; maar het sloeg achteruit, wierp eenige veldketels om, zoodat de juist gereede avondsoep over den grond stroomde, en vloog vervolgens in gestrekten ren den heuvel af. De infanteriebataljons, die in de nabijheid lagen, hieven een jubelend gelach over deze jacht aan en trachtten het schuwe dier door geschreeuw terug te jagen. De poolsche ruiters zagen eveneens lachend naar het schouwspel om, toen het commando:
„Richt u! Oogen rechts!” hen eensklaps in de strenge boeien van den dienst legde. Het was een fransch generaal, dien Rasinski naar krijgsgebruik groeten wilde. Hij reed op een prachtigen appelschimmel, welks tuig en schabrak met gouden versieringen en borduursels bedekt waren. Groetend bracht hij de hand aan den hoed en monsterde de manschappen in het voorbijrijden met een groot, opmerkzaam oog. De forsche, gespierde gestalte, de ernstige, vurige blik, de strenge rimpels op het hooge voorhoofd, dit alles te zamen verleende hem het voorkomen van persoonlijke meerderheid, dat zelden nalaat den soldaat een onbepaald vertrouwen op zijn aanvoerder in te boezemen.
Lodewijk, op wien deze verschijning een buitengewonen indruk gemaakt had, vroeg zachtjes aan Boleslaw, die naast hem reed: „Wie is die generaal?”
„De maarschalk Davoust, prins van Eckmühl,” antwoordde deze met een ernstig, veelbeteekenend gelaat, dat de eerbied te kennen gaf, dien ook hij voor den beroemden veldheer koesterde.
„De maarschalk Davoust,” fluisterde Lodewijk Bernard toe, en beiden staarden hem met gespannen aandacht na, tot hij zich in het gewoel des legers verloor.
Het begon reeds duister te worden, toen het regiment de plaats zijner bestemming bereikte. De ruimte, welke het beslaan mocht, was reeds zorgvuldig afgebakend. Men bevond zich namelijk op een heuvel, die, op de kruin vlak en kaal, rondom door kreupelhout omzoomd werd. Ettelijke honderd schreden verder had men op den top van een anderen, eenigszins hoogeren heuvel de tent des keizers opgeslagen. De driekleurige vlag hing van die tent neder; twee grenadiers der oude garde hielden wacht aan den ingang. Hoofdofficieren, adjudanten en ordonnansen gingen zonder ophouden af en aan. Bernard hield het oog onwrikbaar op de plek gericht, waar het lot van Europa op dit oogenblik beslist werd. Intusschen bleef hem niet lang tijd tot ijdele bespiegelingen; de aangenaamste taak voor den soldaat, het aanleggen van het bivak, moest worden aangevangen. De stallingen voor de paarden werden door piketpalen en uitgespannen lijnen afgedeeld; men regelde de stookplaatsen, eenige haalden hout en stroo, anderen brachten water aan. Weldra vlamden de vuren lustig op: de makkers schaarden zich in een breeden kring, vertrouwelijke gesprekken werden aangeknoopt, men werd vroolijker en vroolijker. Een goede dronk, dien Rasinski deed uitreiken, verhoogde de onbezorgde, luchtige stemming; ja zelfs jubelende krijgsliederen werden aangeheven, tot het invallen van de duisternis en de vermoeienissen van den dag den slaap deden neerzinken, die de woelige onrust van het leger in eene zwijgende stilte herschiep.
HOOFDSTUK VI.
Middernacht was voorbij. Aan een groot vuur, onder een breed getakten eik, lag Rasinski in zijn mantel gewikkeld op het schrale legerstroo uitgestrekt en sliep, zonder door het dak eener hut of tent tegen de koude nachtlucht beschut te worden. Boleslaw, Jaromir, Bernard en eenige jonge officieren waren om hem heen gelegerd.
Een ordonnans trad in den kring en vroeg Lodewijk, die juist de vuurwacht had, naar den overste. Nog eer hij antwoorden kon, sprong deze, wiens lichte sluimering door het noemen van zijn naam was afgebroken, van zijne harde legerstede op. „Wat is er?” vroeg hij.
De ordonnans reikte hem een verzegelden brief over, dien hij bij het schijnsel van het vuur openbrak. „Zeer wel, kameraad! Ik zal komen,” sprak hij, na den inhoud doorloopen te hebben.
De bode verwijderde zich; Rasinski riep zijn rijknecht. „Zadel dadelijk mijn paard,” gebood hij dezen; „en ook gij, mijne vrienden,” hiermede wendde hij zich tot Lodewijk en Bernard, die intusschen ook ontwaakt was, „tuigt uwe vossen, wij moeten terstond op weg.”
Haastig sprongen zij overeind en ijlden naar de omheining. Binnen weinige minuten keerden zij te paard terug; Rasinski zat reeds in den zadel. De overige officieren waren wakker geworden en opgestaan. „Tegen het aanbreken van den dag ben ik waarschijnlijk terug,” sprak de overste; „mocht er gedurende mijne afwezigheid iets voorvallen, zoo hebt gij u bij den ritmeester Negolinski, als den oudsten van het korps, te vervoegen. Hij is reeds gewaarschuwd. Tot wederziens!”
In stap reden zij den heuvel af, het hout door op de tent van den keizer aan.
„Hoe laat is het?” vroeg Rasinski.
„Half twee,” hernam Bernard.
„Dan komen wij nog te vroeg. Te twee ure, in de eerste schemering, wil de keizer de Niemen verkennen. Ik ben gelast mij aan zijn gevolg aan te sluiten, daar ik met de landstreek bekend ben.—Ik verzoek u de hoogst mogelijke stilte, mijne vrienden; want in dergelijke gewichtige oogenblikken, wanneer hij zijne reusachtige plannen ontwerpt, haat de keizer alle gedruisch.”
De jongelingen werden door dit gezegde in eene ernstige spanning gebracht. Voor de eerste maal zouden zij thans getuigen van een dier grootsche oogenblikken zijn, waarin Europa's beheerscher de eerste draden van een koen, reusachtig weefsel uitspande. Zij werden als het ware in de werkplaats der wereldgeschiedenis gevoerd, zouden de schijnbaar nietige bronwel der gebeurtenissen naderen, die, tot een oceaan aangewassen, bestemd was, het lot van gansche volkeren op zijne bruisende vloeden te wiegen.
Stom en zwijgend hielden zij, door nacht en woud heen, tusschen rechts en links flauw schemerende legervuren door, op de tent des keizers aan. Daar gekomen, vonden zij reeds verschillende generaals en officieren verzameld. Eenige minuten later kwam de keizer te voorschijn en wierp zich in den zadel. Het begon reeds te dagen, echter was de gansche landstreek nog met een grauwen sluier, dien de morgennevel hier en daar verdikte, omtogen. In minder dan een vierde uurs had men de boschrijke hoogten bereikt, die den loop der Niemen verzellen. Mat glanzend, de half verdoofde starren flauw terugspiegelend, blonk de schoone stroom tusschen de donkere oevers.—Aan genen oever begint het Russische gebied.
De keizer hield op de hoogte stil en zag eenigen tijd opmerkzaam in het rond. Vervolgens snelde hij in korten galop den heuvel af en op de rivier toe. Toen zijn paard de moerassige vlakte van den oever bereikte, zonk het eensklaps met de voorpooten daarin weg, viel, en slingerde zijn ruiter ter aarde.
Een oogenblik scheen elk door dit voorval, dat zoozeer het aanzien van een noodlottig voorteeken had, geheel onthutst. Rasinski was zoo verrast, dat hij als onwillekeurig uitriep: „Een Romein zoude terugkeeren!” Het zwijgen dat in den kring heerschte, en de morgenstilte, die elk geluid zoo gereedelijk voortplant, bewerkten, dat deze woorden door allen verstaan werden. Zelfs den keizer, die ras opgesprongen was, moesten zij niet ontgaan zijn; want verwonderd zag hij om, zonder echter iets te zeggen. Bedaard steeg hij weder op zijn paard en zette de grondverkenning voort. Hij riep Rasinski tot zich en sprak lang en levendig met hem. Een uur reed hij langs den oever voort; vervolgens wierp hij zijn paard om, rende een heuvel op, wenkte den maarschalk Berthier tot zich en beval, terwijl hij met de hand op den stroom duidde, dat met het aanbreken van den dag op drie punten van den oever, welke hij uitdrukkelijk aanwees, bruggen moesten geslagen worden. Hierop keerde hij naar zijne tent terug, en Rasinski reed met zijn geleide weder naar het bivak.
In gespannen onrust liep de dag voorbij. De tent van Napoleon werd opgebroken. Hij begaf zich naar eene in de nabijheid gelegen boerenwoning, die hij van tijd tot tijd verliet, om een rit door het leger en den moed der soldaten door zijne tegenwoordigheid aan te wakkeren. Het werd zwoeler en zwoeler. De drukkende hitte der lange zomerdagen van het noorden dreigde alles te verstikken; de zon schoot gloeiende pijlen. Amechtig lagen de troepen op den grond uitgestrekt; de verzorging van paarden en wapenen was de eenige bezigheid; doch ook deze vermoeide in de verzengde lucht. Elk schaduwgevend plekje werd zorgvuldig opgezocht; een frissche dronk was de eenige verkwikking, waarnaar men streefde. In Egypte, in Syrië, niet in het noordelijk Rusland, scheen men krijg te voeren.
Eindelijk werden de schaduwen weer langer, de zon neigde ten ondergang. Tegen acht ure braken eenige afdeelingen pontonniers naar den stroom op, om de bruggen te slaan. Met de al nader en nader komende minuut der beslissing werd de spanning grooter. Eindelijk, tegen middernacht, kwam het bevel om op te rukken. In diepe stilte moest men uittrekken; geen geluid mocht gehoord, geen vonk gezien worden.
Rasinski liet opzitten en rukte in dicht gesloten gelederen op een breeden weg voort, die naar den stroom geleidde. Na een half uur hield men halt op een met graan bewassen heuvel. De hongerige paarden weidden het jonge koren af; de ruiters legerden zich op den vochtigen grond. Met ongeduld beidde men den dageraad. Duistere nachtelijke nevelwolken deden dien vertoeven. Eindelijk stak een frissche wind op, verstrooide de dampen en onthulde het eerste, zachte morgenrood, dat den wachtenden over Ruslands wildernissen tegenblonk. Thans kon de blik langs den anderen oever zweven, die men van de heuvels waarop men stond, tot in de nevelachtige verte voor zich zag. Welk een sombere aanblik! Slechts onmetelijke wouden en woeste zandvlakten breidden zich voor het oog uit. Hoe? Droeg men daarom de wapenen, om met tallooze offers, met stroomen bloeds een zoo bar, onherbergzaam land, dat slechts eene onmetelijke gevangenis geleek, te gaan veroveren? Eene drukkende moedeloosheid maakte zich van de zielen der krijgers meester.—Daar roffelden trommen en schalden trompetten; de zon kwam bloedig, maar glansrijk van achter het zwarte dennenbosch te voorschijn en eene frissche aanblazing der morgenkoelte vervulde de borst weder met moed en veerkracht. Aller oogen richtten zich naar de plaats, waar de krijgszuchtige toon ten optocht riep. Het was bij de tent des keizers, die men gedurende den nacht naar het hoogste punt van den oever verplaatst had. De zon verlichtte ze met hare stralen; vroolijk glansden de witte, blauwe en roode banen der driekleurige vlaggen, die op de hoeken golfden; een luisterrijke stoet van maarschalken en generaals omstuwde den ingang. De keizer trad naar buiten, groette en besteeg zijn arabischen schimmel. Thans braken de legerkorpsen als door een wenk gedreven uit den zoom van het woud te voorschijn. Weldra waren alle heuvels met de zwarte, stroomende massa's bedekt, wier blanke wapenen de gloeiende morgenzon duizendvoudig terugkaatsten. De gansche landstreek woelde en golfde; het hart zwol bij den aanblik dezer ontzettende strijdkrachten. In die breede stroomen rolde de zwarte vloed over de gele zandvlakte van den oever naar de drie bruggen voort, die de zoomen der rivier verbonden, wier spiegel welhaast de scharen verdubbelde. Thans brak ook de keizer op, reed, de gelederen door, op de middelste brug toe en trok met zijn gevolg den stroom over. Niet schroomvallig, niet aarzelend betrad hij den vijandelijken bodem; onstuimig, vurig sprong hij daarop over, als vloog hij eene bruid in de armen. Thans hield hij zijn paard staande en liet de scharen voorbijtrekken; de blik van zijn donker oog deed de borst der krijgers in moed en geestdrift ontvlammen. Zij begroetten hem met wild gejubel, zoodat de gansche landstreek dreunde en het donderend geluid van heuvel tot heuvel, van woud tot woud werd voortgeplant.
Eerst tegen tien uur trok Rasinski met zijn regiment over de brug; de keizer zag hem met welwillendheid aan en groette vriendelijk, toen de Polen een juichend: „Leve de keizer!” in hunne volkstaal aanhieven. Daarop gaf hij zijn paard eensklaps de sporen, joeg pijlsnel langs den zandigen landweg het bosch in en was weldra uit het gezicht zijner krijgers verdwenen. Een zeldzaam, onrustig gevoel maakte zich van hunne zielen meester, toen zij hem, die hen in deze barre noordsche vlakten gevoerd had, plotseling en alleen daarin zagen verdwijnen, als ware hij door de wildernis verslonden. Doch welhaast keerde hij met lossen teugel terug. Zijn voorkomen was onrustig en mismoedig; het scheen hem te verdrieten, dat hij den vijand, naar wien zijn strijdzuchtig, roemgierig hart zoo verlangend uitzag, niet had aangetroffen.
Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort. Thans hoorde men in de verte den donder der kanonnen. Men luisterde. Nogmaals hoorde men een dof, aanhoudend dreunen en kraken van vuurmonden.
In aller trekken was eene onrustige, angstvolle spanning te lezen; de gelederen sloten dichter opeen en ordenden zich strenger; adjudanten vlogen heen en weder; de generaals renden de hoogten van den oever op. Men moest vermoeden, dat een der vleugelkorpsen onder den koning van Westfalen of den onderkoning van Italië den kamp had aangenomen. Daar klonk het doffe rollen sterker en aanhoudender; echter was het niet dat van een verren slag, maar de donder van een dreigend opkomend onweder.
Reeds stapelden de zwarte, met sulferachtige lichttinten doorkruiste wolkgevaarten zich boven de boschrijke heuvelen opeen; de stroom stuwde zijne donkere golven onstuimig deinend voort; de zon verdween. Van alle zijden trok het zwarte hulsel voor het heldere blauw van den hemel te zamen; eene zwoele, drukkende hitte beklemde den adem. Zwijgend en langzaam kroop het leger voort; men hoorde niets dan het geheimzinnig, hoog boven de hoofden en rondom in de diepte der wouden murmelend gedreun van den donder. Thans verhief zich de storm, kalm bulderend nader en zweepte de baren met schuimende kruintoppen tusschen de oevers voort. Plotseling siste een vlammende straal door het ruim des hemels, zoodat de gansche horizont in vuur stond en de Niemen den roodachtigen gloed helder terugkaatste. Met verbleekt gelaat zagen de krijgers elkander aan. Daar kraakte de donder verdoovend boven hunne hoofden, de hemel scheurde vaneen en in volle stroomen plaste de regen neder.
Dat was de welkomstgroet op Ruslands bodem!
VIJFDE BOEK.
HOOFDSTUK I.