1812: Historische roman

Part 25

Chapter 253,864 wordsPublic domain

Nadat Feodorowna deze bekentenis had aangehoord, trachtte zij de radelooze door vriendelijke toespraak op te beuren. „Alles kan misschien nog geschikt worden, Axinia; morgen zoo vroeg mogelijk zal ik mijn vader bidden, dat hij uwe verloving met Paul inwillige; voor de belofte, welke hij aan den ouden Iwan gedaan heeft, zal wel eene andere vergoeding te vinden zijn. Denkt mijn vader als ik, dan zal hij uwe verbintenis met Paul voor een plicht houden, waaraan hij zich niet kan onttrekken. Ga nu naar huis en leg u welgemoed ter rust; voor dezen avond is het te laat, maar morgen in de vroegte wil ik Paul laten roepen en zelve met hem spreken. Goeden nacht dan, Axinia. God heeft uwe tranen, uw berouw gezien; Hij zal u vergeven. Hebt gij bittere nachten, troostelooze dagen te doorworstelen gehad, geloof vrij, dat gij niet de eenige ongelukkige op deze aarde zijt.” Haastig wendde zij zich om, bedekte het gelaat met haren zakdoek en liet het afgematte hoofd op het kussen nederzinken. Axinia greep diep geroerd en vol dankbaarheid de krachteloos neerhangende hand harer gebiedster, overdekte ze met kussen en tranen en verliet snikkend het vertrek.—In het slot was alles reeds in diepe rust; het kamermeisje, Jeannette, eene duitsch en fransch sprekende Zwitsersche, die Feodorowna eerst voor eenige weken te Petersburg in haar dienst had genomen, wachtte nog in de voorzaal op de bevelen harer gebiedster. Zij geleidde Axinia tot aan de groote poort, die de oude portier gemelijk opende. Naar den vastgestelden regel van het huis, die, vooral nu de heer zelf was teruggekeerd, met stipte nauwkeurigheid werd in acht genomen, bevonden zich alle dienaars en beambten reeds in hunne woningen. Hoe gaarne Axinia haren vriend van de gelukkige wending van haar lot onderricht had; hoe stellig zij zich overtuigd hield, dat hij met bange angstvalligheid daarop wachtte, was haar dit thans toch niet meer mogelijk; haastig, door het late uur een weinig huiverig, sloop zij dus naar de vaderlijke hut, waar zij, voor het eerst sedert eene maand, den nacht doorbracht, zonder weenend en in hopeloozen jammer op hare legerstede te waken.

HOOFDSTUK III.

Feodorowna was laat ingesluimerd; zij ontwaakte dus eerst, toen de zon reeds hoog aan den hemel stond. Toen zij haar kamermeisje schelde, trad deze snikkend en met tranen in de oogen binnen. „Wat deert u, Jeannette?” vroeg zij verwonderd.

„Ach, genadige gravin, hoe gruwelijk wordt men hier in dit land mishandeld! De ongelukkige man zal er voorzeker het leven niet afbrengen!”

„Wie?” vroeg Feodorowna ongeduldig; „wat is er gebeurd? wie wordt mishandeld?”

Onder snikken en beven stamelde Jeannette: „Mijnheer de graaf is al te driftig! O hemel, als dat mij eens gebeuren moest! De arme jongen—veertig zweepslagen! Hij viel al zoo bleek als een doek op den grond, toen mijnheer de graaf het bevel gaf!”

Feodorowna was meer dood dan levend. „Wie, wie?” riep zij buiten zich zelve, trad verbleekend terug, toen Jeannette Paul, den tuinier, noemde, en zou in onmacht zijn neergezegen, wanneer het meisje haar niet in de armen had opgevangen. Echter was die bezwijming slechts eenige oogenblikken van duur; met geweldige inspanning vermande zij zich en riep: „Geef dadelijk bevel, dat men ophoude; ik verantwoord het! Vlieg, vlieg naar beneden, eer het te laat is.”

Jeannette vloog als een ree de voorzaal door, de trappen af, het plein op, waar drie knechts juist bezig waren den ongelukkige aan den geeselpaal vast te binden.

Intusschen kleedde Feodorowna zich in allerijl aan, wierp een sluier om en spoedde zich met wankelende schreden naar haren vader. Zij vond hem in hartstochtelijke gemoedsbeweging het vertrek op en neder gaande. Met een gramstorigen blik en de barsche vraag: „Wat wilt gij?” werd de komende ontvangen.

„Genade voor een ongelukkige, mijn vader! O, trek uw overijld bevel weder in; het was niet uw menschelijk hart, dat u zulk een vonnis deed uitspreken.”

„Kent gij zijne misdaad?” riep de graaf met rollende oogen. „Al die vreemden zijn huichelaars en verraders; het uur is gekomen, dat de wraak hen treft. Zoo zij er op steunen, dat onze wet hen niet geldt, zullen zij ten minste ondervinden, dat onze macht hen straffen kan, en dat zij, die aan geen wetten willen gehoorzamen, ook door geene beschermd worden. Liet ik zulk een vergrijp tegen den geheiligden persoon des meesters ongestraft, ik was waard, dat mijne vasallen mij verachten. De hand tegen zijn gebieder op te heffen! Er ontbrak slechts, dat eene dochter, die de kinderlijke gehoorzaamheid verloochent, nog voor weerspannige, oproerige schurken partij trekt!”

Feodorowna, hoezeer door dit ruwe antwoord verschrikt, verloor toch den moed niet, maar trachtte nog eens door eene roerende bede op het hart van den vader te werken. „Ik ken de misdaad van den ongelukkige niet, ik weet slechts, dat zijne straf gruwzaam, dat zij afgrijselijk is. Hebben de zachte zeden van vreemde landen u niet afkeerig gemaakt, mijn vader, van die bloedig strenge wetten, waaronder de bewoners van dit land zuchten? Ik had mij heden bovendien reeds voorgenomen, u eene weldaad voor den armen Paul af te smeeken. Zijn lot is zoo nauw verbonden aan dat.....”

„Het schijnt, dat gij in verstandhouding staat met mijne losbandige dienaars,” riep de graaf verontrust. „Dus kent gij reeds vroeger dan ik de misdaden, die hier bedreven worden! Wie heeft het gewaagd, mijne dochter tot vertrouwde te maken van wanbedrijven, die het vrouwelijk oor zelfs niet mag hooren noemen?”

Feodorowna bloosde van gramschap en schaamte tevens. Met het fiere bewustzijn van eigenwaarde wilde zij antwoorden, doch zij bedwong die opwelling en sprak op zachten toon: „De vriendin mijner jeugd, dierbare vader, de ongelukkige Axinia bekende mij gisteren avond onder tranen van angst en vertwijfeling haren misstap. Was het niet natuurlijk dat zij haar hart in een zusterlijk gezinden boezem uitstortte? Neen, mijn vader, zoozeer zult gij uwe dochter niet miskennen, dat gij zulk een krenkenden argwaan omtrent haar koesteren kunt!” Dit zeggende blikte zij den vader zoo smartelijk met hare blauwe, vochtige oogen aan, dat zijne toornige aandoening door eene zachtere aandoening scheen getemperd te worden. Ernstig vervolgde hij: „Ik had den lichtzinnige, die als vreemdeling de eer van een russisch meisje zoo gering schatte, dat hij ze met voeten dorst treden, wellicht vergiffenis geschonken, wanneer hij met deemoed en tijdig zijn misdrijf bekend had. Waarom liet hij mij gisteren mijn woord geven? Heb ik dat ooit aan den geringsten mijner vasallen gewroken? Kan ik het ooit, zonder voor mij zelf te blozen? Maar de dolkop, te laf om rondborstig voor zijne schuld uit te komen, waagt het niet den mond te openen, waagt het niet, wat hij toch licht had kunnen doen, naar Petersburg te schrijven en mij het voorgevallene te berichten! En heden morgen, voor dag en dauw, komt hij als razend bij mij, begeert onstuimig, wat hij met diepen ootmoed smeeken moest, en daar ik het hem met gestrengheid weiger, stuift hij in dolle woede op mij in en bedreigt met dat gindsche mes mijn leven!” Dolgorow wees op een snoeimes, dat op de tafel lag.

„O, vergeef de waanzinnigheid der vertwijfeling,” bad Feodorowna, „en bekroon het werk uwer genade door eene nog schoonere daad van menschelijk mededoogen!”

„Genoeg,” hervatte de graaf met vastheid, „het recht hebbe zijn loop! Inderdaad, eene liefdevolle dochter, die den moordenaar haars vaders beloond wil zien!”

„O, almachtige God der genade,” riep Feodorowna en wrong wanhopend de handen; „zoo moet dan het afgrijselijk, onmenschelijk vonnis volvoerd worden en mijn smeeken kan den ongelukkige niet redden! Vader! vader! Er is een God in den Hemel; Hij zal u richten, gelijk gij gericht hebt! Op welke genade kunt gij hopen, wanneer gij uw hart tegen het medelijden verstaalt? O land des jammers, waar de willekeur geen grenzen kent! Vader, verhoor de bede uwer dochter, oefen het goddelijk recht der genade uit!” Feodorowna stond bleek en bevend, met smeekend opgeheven armen voor den vader en was gereed aan zijne voeten neder te zinken, toen het angstvolle geschrei eener vrouwelijke stem zich in de gang hooren liet en Axinia eensklaps met vliegende haren het vertrek binnenstormde.

„Ontferming! ontferming!” kermde zij. Hare stem verstikte in ademlooze angst; onstuimig klemde zij het gelaat aan de voeten des gebieders, die haar, in het gevoel van zijn onrecht, maar te trotsch, om aan de stem der menschlievendheid gehoor te geven, gramstorig aanblikte. „Laat mij los, ontuchtige deerne!” riep hij. „Weet het mijner ontferming dank, dat ik uwe schande door een eerlijk huwelijk verbergen wil!” Krachteloos liet Axinia de armen los en sloeg een strakken, vertwijfelingsvollen blik naar boven; thans eerst werd zij Feodorowna gewaar. „O, bid, bid voor mij!” steende zij, poogde zich op de knieën tot haar voort te slepen, maar zeeg uitgeput en bewusteloos op den grond neder.

[Illustratie: Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund.]

Feodorowna kampte met een vreeselijk besluit; haar boezem golfde, zij rilde krampachtig. Eindelijk waggelde zij met onzekere schreden op den vader toe. „Vader!” riep zij, „erbarmen, vader!—Ik wil, ik moet,—o, op deze pijnbank wordt mij het _ja_ ontwrongen!—Welaan dan, het zij zoo! Het geldt hier de redding van twee schuldelooze offers! Ik kan ze niet laten bloeden.—Ik mag niet.—Genade voor hen—en ik ben Ochalskoi's gade!” Als een ijskoud marmerbeeld zonk zij in Dolgorows armen.

Deze liet haar op een stoel neerglijden en schelde. „Ga naar beneden en laat den tuinier Paul losbinden; zijne straf is voorloopig uitgesteld,” riep hij den dienaar toe. „Roep ook de kamenier der gravin; mijne dochter is ongesteld geworden!”

Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund; de armen hingen machteloos bij haar neder, de donkerblauwe hemel van het oog was door het gesloten ooglid bedekt. Axinia lag nog steeds in doffe bedwelming op den grond. Een tijger zou deze aanblik van hartverscheurenden jammer, dit aandoenlijke beeld van zelfopoffering en lijdzaamheid vermurwd hebben, maar op de koude, door het bederf der in de hoogere standen heerschende liefdeloosheid van jongs af versteende en vergiftigde borst van Dolgorow gleed de pijl, als op een ijzeren pantser, af. Het zal wel voorbij gaan, dacht hij en hield Feodorowna's smart voor de dwaasheid eener dweepster; terwijl Axinia's jammer hem geen de minste aandoening veroorzaakte, daar zij tot een soort van wezens behoorde, welke hij nimmer anders dan als eigendommen beschouwd had. Hij verheugde zich slechts, dat deze toevallige gebeurtenis de hinderpalen uit den weg ruimde, die hem nog gisteren hadden doen wanhopen aan de bereiking zijner plannen, en ijlde haastig naar Ochalskoi, om ook dezen van het voorgevallene te onderrichten, terwijl hij aan de juist binnentredende Jeannette de zorg voor haar gebiedster overliet. Deze sloeg weldra de oogen weder op en beijverde zich nu ook Axinia weder in het leven terug te roepen. Toen het meisje eindelijk uit hare verdooving ontwaakte, blikte zij verwilderd in het rond en scheen met de oogen een voorwerp te zoeken, dat zij niet vermocht te noemen. Aanvankelijk was haar oor voor de troostende toespraak van Feodorowna doof en gevoelloos; zij wist niet, wat de ijdele klank der woorden, die zij vernam, moest te kennen geven. Eindelijk toch, toen de gravin haar toefluisterde: „Wees gerust, Axinia, de akelige droom is voorbij; gij zult gelukkig zijn!” keerde haar bewustzijn terug. In den roes der verrukking en met heete vreugdetranen wierp zij zich aan de borst harer weldoenster, die de beide armen opende en haar liefderijk aan het hart sloot. „Gij zult gelukkig zijn, Axinia!” riep zij nog eenmaal met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel. Maar gij weet niet tot welk een prijs! klonk het snijdend in haar binnenste. Lang hingen beiden wang aan wang, borst aan borst; de machtige, overstelpende golven der smart en der vreugde, waaraan hare harten ten speelbal verstrekten, hadden elken dam, die anders beider levensbedding scheidde, overstroomd, en als geredde schipbreukelingen omarmden zij elkander aan het strand, waarop de vloed des levens haar had uitgeworpen. Ten laatste begaven Feodorowna de krachten en zij smeekte: „O, breng mij naar mijne kamer! Ik ben zeer uitgeput!”—Goedertieren hemel! dacht zij, heb ik dan niet op de folterbank gelegen, tot mij de smart mijn eigen doodvonnis afperste! Maar zij zweeg, en geen geluid verried het onmetelijk offer, hetwelk zij aan de menschelijkheid gebracht had. Langzaam geleidde Jeannette en Axinia haar naar hare kamer; hier vond zij eenzaamheid en rust, om een helderen blik op de ontknooping van het verwarde raadsel van haar lot te werpen.

HOOFDSTUK IV.

De plechtstatige verloving zoude dadelijk plaats hebben; de huwelijksvoltrekking zelve vorderde wegens de noodzakelijk daarmede gepaard gaande plechtigheden een langer uitstel, en men moest den tijd, waarop dit feest het gevoegelijkst kon gevierd worden, vooralsnog aan den loop der omstandigheden overlaten. Dat Feodorowna haar woord weder zoude intrekken, daarvoor was de vader niet beducht, daar hij wist, dat zij, bij de gestrengheid harer grondstellingen, eene gedane belofte te heilig achtte, om die, onder welk voorwendsel ook, te verbreken.

Dolgorow en Ochalskoi gingen, om haar de heugelijke tijding mede te deelen, naar het vertrek der gravin, die, gewoon laat op te staan, van het voorgevallene nog niet het geringste vernomen had.

Middelerwijl had Feodorowna op hare kamer een treurig uur met Axinia doorgebracht en inmiddels ook den ganschen samenloop der omstandigheden vernomen, welke deze haar onderhoud met den vader zoo onverhoeds had doen afbreken. Om Paul van hetgeen de gravin voor beider geluk wilde doen te onderrichten, had zij reeds van den vroegen morgen eene gelegenheid gezocht om hem te spreken; maar telkens was haar dit mislukt. Juist wilde zij ten derdenmale naar het slot gaan, toen de rentmeester, Pauls gezworen vijand, haar bij de poort ontmoette en het bericht van 's graven bevel haar met honende woorden mededeelde.

Nauwelijks had zij deze verpletterende tijding, welker samenhang met haar eigen noodlot zij maar al te wel bevroedde, vernomen, of zij zag ook reeds den armen Paul op het plein aan den schandpaal.

Dit te zien, de trappen op te vliegen, door de schaar der bedienden heen te dringen, in 's graven vertrek te stormen en zijne knieën te omarmen, was het werk van eene minuut geweest. Gelukkigerwijze had Jeannette het bevel der gravin, om Pauls straf op te schorten, nog tijdig genoeg overgebracht; men had hem onverwijld losgebonden en in een klein vertrekje gevoerd, waar hij thans nog als gevangene bewaakt werd. Axinia was in den beginne nog eenigszins over zijn lot bekommerd, maar liet zich spoedig gerust stellen, daar Feodorowna haar niet alleen plechtig verzekerde, dat hem verder geen haar zoude gekrenkt worden, maar ook tevens, in het bewustzijn van thans volkomene vrijmacht tot handelen te hebben, door Jeannette liet geven, den gevangene onmiddellijk op vrije voeten te stellen en bij haar te zenden.

Dolgorow liet zijne dochter bij zich verzoeken. Zij ging met een bloedend hart, doch bedaard, bleek, doch zonder tranen. De ouders waren alleen. Zij vond den vader vriendelijker dan ooit, ook de moeder scheen vergenoegd. „Gij wilt nu gehoorzaam zijn, wilt onze wenschen vervullen, Feodorowna?” sprak deze vleiend. Het was sinds maanden het eerste woord van liefde, dat de minnende dochter uit den mond der moeder hoorde.

„Ja, mijne moeder,” hernam zij; „ik wil thans het geluk van mijn leven opofferen aan eene verplichting, waaraan ik mij niet onttrekken mocht. Maar ik maak het tot eene uitdrukkelijke voorwaarde, dat ik thans over het lot der ongelukkigen vrij en ongehinderd beschikken mag.”

„Het is u vergund,” sprak Dolgorow bijna met teederheid.

„Nog eene tweede voorwaarde moet ik maken,” ging Feodorowna voort. „De schrede welke ik op het punt ben te doen, moet ik met bedaardheid, met vrouwelijke waardigheid volvoeren; ik mag ook niet met een door smart verwrongen gelaat voor mijn bruidegom treden; want mijne gelaatstrekken zouden het ja mijner lippen te bitter tegenspreken. Het zoude hem beleedigen, en dat wil ik niet, want van het oogenblik af, dat ik hem tot echtgenoot kies, ben ik hem achting verschuldigd; mijne te hevige smart zoude aan deze te kort doen. Daarom eisch ik drie dagen om mijn hart tot bedaren, mijne ziel tot kalmte te brengen; de vrome toespraak van vader Gregorius zal mij dien zwaren kampstrijd lichter maken. Op den vierden morgen ben ik bereid, den verlovingsring met Ochalskoi te wisselen; tot zoo lang verlang ik stilte en eenzaamheid.”

„Ook dit staan wij u toe,” sprak de vader; „gij weet, uwe ouders hebben u altijd liefgehad, en slechts uwe hardnekkige, onbegrijpelijke ongehoorzaamheid kon hun hart van u vervreemden.”

Feodorowna sloeg haar oog ten hemel en zuchtte diep. O, hoe gaarne had zij aan deze woorden geloof gehecht; maar zij gevoelde, het was onmogelijk, want hunne handelwijze streed daarmede te zeer. Hoe hadden minnende ouders hun kind jaren lang aan een duldeloos lijden kunnen ten prooi geven? Ook was geen blik van liefde in hunne oogen te lezen; het woord alleen bootste de doode vormen der teederste neiging na.

Zij keerde naar hare kamer terug.

In het woonvertrek trad Paul haar bleek en met kommervolle gelaatstrekken te gemoet; hij was te zeer door den storm der woedendste hartstochten geslingerd geworden, om uit eene eerste schemering van hoop moed te kunnen vatten. Eerst thans, nu Feodorowna hem de verzekering gaf, dat zijn lot geheel in hare macht stond, keerde het vertrouwen in zijn hart, het bloed in zijne wangen terug. Zij beval hem, haar te volgen; in hare kamer gekomen, voerde zij zelve hem op de blozende Axinia toe en legde beider handen ineen. „Zijt gelukkig!—Gij waart niet zonder schuld, doch hebt zwaar daarvoor geboet. Laat nu uwe liefde door den heiligen band des huwelijks inwijden. Vervolgens, Paul, verlaat gij dit land en keert naar dat uwer geboorte terug. Wee hem, die het vaderland doemen moet; wel hem, die een ander toevluchtsoord kent! Beschermen kan ik u slechts, zoolang ik hier bij u ben; dit zal misschien maar voor eenige weken zijn. Zoodra gij dus den weg geopend ziet, trekt gij naar die landen, waar eene zachte wet voor _allen_ waakt. Laat mij thans alleen; gaat, weest gelukkig!”

Zij wendde zich af om de smart te verbergen, die haar overweldigde.

Beschaamd en blozende, doch op den toon der innigste liefde, vroeg Axinia nog eenmaal: „Hebt gij mij waarlijk alles vergeven? Ach, en verdien ik het ook? O, zie mij nog eens vriendelijk aan!”

Feodorowna richtte het hoofd op en lachte haar door tranen vriendelijk toe. „Uw hart is rein! Gij bemint! Om der liefde wil wordt ons veel, veel vergeven. Ik vergeef u alles. En al kon de bloesem van uw geluk slechts uit mijn graf ontspruiten—nog uit het stille, koele graf zou ik u zegenen. Doch gaat, gaat!”

Zij verlieten stilzwijgend het vertrek.

„Hemelsche beschermster! Genadige moeder Gods!” riep Feodorowna thans en boog hare knie voor het Mariabeeld, „geef mij troost en kracht. Aan uwe genaderijke goedheid geef ik mij over. Gij zult mij niet verlaten in den kouden, akeligen nacht des levens. Uw zacht gesternte zal over mij lichten, ook als de gansche hemel verduistert!”

Na dit gebed drong een troostvolle kalmte in hare borst. Dankbaar gevoelde zij dat er eene hand is, die onze brandendste wonden vermag te heelen, een oog dat over ons waakt, ook in de donkerste diepte van den afgrond. Van tusschen de grijze, dreigende nevelwolken harer toekomst brak een lichtstraal door en deed eene zachte kiem der hoop in hare ziel ontspruiten. Wanhoop niet, riep het haar toe, schoon ook uw sterfelijk oog geen pad meer ziet, dat u tot een gelukkig doel kan voeren, achter dezen donkeren nevelsluier rust immers de hemel in zijne eeuwige klaarheid. Een ademtocht des Almachtigen en het wolkenfloers opent zich, en boven u glanst het reine, blauwe gewelf des aethers met zijn koesterenden zonnegloed.

Feodorowna trad aan het venster. De lente tooide het aardrijk en verleende daaraan, zelfs in deze noordsche wildernis, de frischheid der jeugd. De stroom liet zijn donkerblauwen band door de groene velden wapperen; de toppen der dennen werden door een zacht koeltje bewogen; uit de struiken klonk het gefluit der meerlen; boven de velden verhief zich de leeuwrik; zwaluwen kruisten over den spiegel des waters; aan de steile, groene heuvelzijden, die naar den stroom afdaalden, graasden de kudden; overal waarheen het oog zich wendde, zag men leven, vreugde, liefde! Juist riep de statige toon der kerkklok ter vroegmis, want het was feestdag! Eene zoete weemoedigheid beving de lijdende; de beelden en droomen der jeugd drongen met de oude, heilige kracht in haar hart; zij vergoot zachte tranen. Met elken droppel, die haar oog ontvloeide, werd hare borst meer verruimd, voelde zij haar geloovig vertrouwen terugkeeren. „God is mij nabij,” riep zij getroost en bemoedigd: „ik ontwaar zijne zegenende kracht. Moed dan, Feodorowna, gij hebt naar Zijn gebod gehandeld. Hij zal u niet verlaten.”

Hierop besloot zij naar de kerk te gaan en in de gebeden der landslieden te deelen.

Toen zij terugkeerde was alles op het slot in drukke beweging. Een op het plein vastgebonden kozakkenpaard deed haar de aankomst van een renbode vermoeden. Nauwelijks was zij dan ook op hare kamer gekomen, of haar vader trad binnen en sprak haar in dezer voege aan: „Gij weet, mijne dochter, dat ik gewoon ben mijn gegeven woord stiptelijk te houden; thans kom ik echter, om mij ten deele daarvan te laten ontslaan. Gij wildet drie dagen voor u zelve hebben. Gaarne had ik die toegestaan. Maar voor eenige minuten is een bode, door den generaal aan ons afgezonden, met brieven voor mij en Ochalskoi hier aangekomen. De vijand is werkelijk over de Niemen getrokken en rukt met onbegrijpelijke snelheid voort. Dit dwingt ons, nog heden naar het leger te vertrekken; mijne afreize is noodzakelijk, die van den graaf nog meer. Onder zulke omstandigheden zult gij gewisselijk van het u verleende uitstel afzien, daar het voor mij van het grootste belang is, deze zaak zoover mogelijk geregeld te zien, eer ik mijn leven en dat van uw toekomstigen gemaal aan den onzekeren uitslag van een veldtocht prijs geef.”

Slechts door de kinderlijk vrome gemoedsstemming, waarin zij zich op dit oogenblik bevond was het voor Feodorowna mogelijk, den wensch haars vaders te vervullen. Echter liep haar eene koude rilling over de leden en niet dan met moeite kon zij antwoorden: „Wanneer het zijn moet, ben ik gereed te gehoorzamen. Laat mij nog slechts een uur alleen, mijn vader!”

„Wij zullen ons inmiddels tot de afreis gereed maken,” hernam deze, „want elke minuut is ons thans kostbaar. Na verloop van een uur zal ik u laten roepen.” Hij verliet het vertrek.

Feodorowna zonk uitgeput op een stoel neder. Zij had den moed gehad het offer te brengen, het oogenblik der onherroepelijke beslissing vernieuwde den smartelijken kampstrijd in hare borst. „Nog is terugkeeren mogelijk—nog kan dit hart kiezen—,” riep zij en wrong de handen, „één uur verder, en alles is voorbij!—Neen, het is thans reeds voorbij, want gij hebt uw onschendbaar woord gegeven. Volbreng dan met gelatenheid den plicht, dien de drukkende arm des Almachtigen u oplegt. Hij alleen, die uw hart verbrijzelt, vermag het weder te heelen, vertrouw u aan Hem toe!”

Zij schelde. Jeannette verscheen.

„Gij moet mij voor mijne verloving opschikken, meisje,” sprak zij weemoedig glimlachend, „binnen een uur spreek ik het beslissend ja uit.”

Jeannette vermoedde, wat er in het hart harer meesteres omging, en verrichtte heimelijk weenende hare kleine diensten.

„Welk kleed?” vroeg zij.