1812: Historische roman

Part 24

Chapter 243,689 wordsPublic domain

De priester wilde antwoorden, doch Dolgorow kwam hem voor: „Laat mij uitspreken, vader. Gij weet wellicht niet, wat ik in deze gevaarvolle tijden voor het vaderland heb opgeofferd. De vurige begeerte, om in eene gewichtige betrekking te geraken en eereposten en beambten te erlangen, waardoor ik deel kon nemen in het bestuur der zaken, deed mij alles op het spel zetten. Mijn aanzienlijk vermogen is te niet en nog ben ik niet aan het doel, dat ik mij had voorgesteld. Het huwelijk mijner dochter met den prins moet het mij doen bereiken; niet slechts zijn onmetelijke rijkdom, maar ook zijne machtige betrekkingen geven mij daartoe de middelen in handen; zelfs ben ik reeds op dit oogenblik door zulke verplichtingen aan hem verbonden, dat ik mij slechts door hem op het standpunt kan handhaven, waarop ik mij thans bevind. Het geldt het geluk, de eer des vaders; na deze verklaring zult gij Feodorowna's plichten uit het juiste oogpunt weten te beschouwen. Op u stelt zij vertrouwen; van u, vrome vader, verwacht ik hulp. Ik zou haar kunnen dwingen; doch liefst wil ik dat uiterste vermijden. Ook vrees ik, dat des vorsten trotschheid hem eene gade zou doen weigeren, die niet vrije verkiezing, maar nooddwang in zijne armen voert. Want waarlijk, hij bemint Feodorowna.”

Gregorius zweeg eenige oogenblikken, vervolgens antwoordde hij zacht, maar met vastheid: „Het grieft mij, vader en dochter in onmin te zien; maar ik ken Feodorowna's hart; het is groot, edel, zacht en goed. Heeft zij het aan eene heilige bestemming gewijd, wil zij werkelijk afstand doen van de genietingen dezes levens, om in de stilte des kloosters gemoedsrust en zielstevredenheid te vinden, dan mag de dienaar des Heeren haar van dien naasten en heiligsten weg ter eeuwige gelukzaligheid niet afkeerig maken.”

De graaf sprong driftig op en blikte den priester met rollende oogen aan. „Hoe, ook van u ondervind ik tegenstand? Is dat misschien de vrome roeping van den geestelijke, weerspannige kinderen tegen den vader in bescherming te nemen? Maar weet, wilt gij het tot het uiterste drijven, ik doe het ook, en de tijd zal leeren of de hardnekkigheid van een meisje, door een priester ondersteund, den ijzeren wil eens vaders breken kan.”

Gregorius zag den graaf ernstig, maar bedaard aan. „Gij verstaat mij zeer verkeerd, heer graaf,” antwoordde hij, „wanneer gij gelooft, dat ik de ongehoorzaamheid eener dochter tegen den vader verdedigen wil; veeleer het tegendeel. Maar ik wil haar beproeven en zien of zij werkelijk een gebod van haren Vader in den hemel vervult; en dit zult gij toch toestemmen, dat Zijne bevelen meer kracht hebben, dan de uwe.”

De graaf knarsetandde van woede en stapte onstuimig de zaal op en neder, terwijl Gregorius bedaard zijne plaats hield, en, daar de stralen van het avondrood op zijne zilveren lokken neervielen, in zijne ernstige, vrome houding een heilige geleek. Dolgorow trad weder op hem toe en sprak met gedwongen kalmte: „Wees verstandig, Gregorius, schik u naar mijne wenschen. Herinner u, dat gij mij nog veel te vragen hebt. Uw wensch, de kerk vernieuwd te zien, zal niet slechts vervuld, maar zelfs verre overtroffen worden. Van den grond af zal ik haar prachtig opbouwen, het Lieve vrouwenbeeld.....”

„Wilt gij den Heer des hemels en der aarde omkoopen?” hervatte Gregorius, het hoofd schuddende. „O heer graaf, reeds dertig jaren woon ik op dit goed, en nog kent gij mij zoo weinig. Uw vader.....”

„Het is genoeg,” viel Dolgorow hem grimmig in de rede. „Ik hoopte met goedheid mijn doel te bereiken, uwe stijfkoppigheid dwingt mij tot geweld. Welaan dan, gij moogt uw zin doen, en Feodorowna mag beproeven of zij macht heeft, den vader weerstand te bieden, die haar huwelijk onherroepelijk besloten heeft.”

„De keus van een echtgenoot hangt van u af,” hervatte Gregorius; „doch haar wil is vrij; verlangt zij ongehuwd te blijven en den sluier aan te nemen, zij mag het; want zij is vrij geboren en niet uwe lijfeigene.”

„Zij is....” barstte de graaf, door Gregorius' onveranderlijke bedaardheid nog meer verbitterd, in woede uit, maar bedwong zich eensklaps, daar de deur geopend werd en de gravin binnentrad. „Wij spreken er morgen verder over,” sprak hij haastig, doch zacht, en ging zijne echtgenoote te gemoet. Met de behendigheid eens hovelings wist hij de hartstochtelijke beweging zijner ziel onder een vroolijk, welwillend lachje te verbergen en sprak haar op de ongedwongenste wijze aan. „Nu, lieve, wees welkom in deze welbekende zalen. De menigvuldige zorgen, die ons zoo lang ontrustten, zullen, hoop ik, niet verhinderen, dat wij ons hier eenige dagen recht thuis en tevreden gevoelen.”

„Ook ik hoop het,” hervatte de gravin, „ofschoon ik de toekomst met zorg en kommer te gemoet zie. Wat zullen de eerstkomende maanden, die anders slechts het schoone brengen, niet al de rampen over ons vaderland uitstorten!”

„Daarvoor zal, vertrouw ik, de winter, die ons anders zoo ruw en barsch toeschijnt, voor ditmaal de weldadige beschermer van ons land worden. De verschrikkingen, die Rusland boven het hoofd hangen, komen ons vreeselijker voor dan zij inderdaad zijn; de vijand weet niet, achter welke wallen en muren dit rijk zeven maanden lang elken aanval trotseeren kan. Wij zullen misschien den oogst van een jaar, den tienjarigen wasdom van onze onmetelijke bosschen verliezen; meer ducht ik niet. Geven wij dien vijand dezen grond voor één zomer ten beste, den naastvolgenden zal hij ons dien, door zijn bloed gemest, des te vruchtbaarder teruggeven. In veldslagen mag de groote wereldveroveraar onoverwinnelijk zijn; laat zien of hij ook op velden van zand en asch oogsttijd houden, of hij zijne soldaten onder den vrijen hemel tegen den noordschen herfst, laat staan tegen den winter beschutten kan. Hij moet, terwijl wij spreken, over de Niemen zijn getrokken; het is zijn Rubicon; Caesars schijngeluk nam een droevig einde. Niet waar, eerwaarde vader,” wendde hij zich tot Gregorius, „ook gij hebt hoop, dat Rusland dezen kamp roemrijk zal ten einde brengen.”

„De kracht des volks en de genade van God zullen het staande houden,” hervatte de geestelijke. „Wanneer alle gemeenten tegen de bloedige verdelgers onzer heiligdommen zoo handelen, als ik het van de mij toevertrouwde schaar verwachten mag, dan zouden de heirscharen van Xerxes niet toereikend zijn, om ons vaderland ten onder te brengen.”

Vorst Ochalskoi trad, in de uniform van zijn regiment, de zaal binnen. Dolgorow verwelkomde hem en trok hem dadelijk in het gesprek. „Het verheugt mij,” ging hij hierop voort, „dat gij reeds uit eigen beweging werkzaam geweest zijt, vader Gregoor; want eene hoofdreden, waarom ik thans mijne goederen bezoek, is, daarover met u te spreken en u den wil des keizers omtrent het een en ander mede te deelen. In den grooten krijgsraad te Petersburg is besloten, den _schijn_ der overwinning zoo lang mogelijk aan den vijand te laten, ten einde de _zekerheid_ des te gemakkelijker voor ons zelven te kunnen behouden. Onze legers zullen hem dus slechts daar weerstand bieden, waar hij elk voordeel met tallooze offers betalen moet; te vergeefs zal hij op een slag hopen, te vergeefs in rustelooze marschen dag en nacht de krachten van zijn leger uitputten, om het eeuwig voor hem uitzwevende schijnbeeld der overwinning te grijpen. Nergens zal hij eene rustplaats voor de vermoeiden vinden, overal moet hem de ledige, schrikbarende wildernis ontvangen, tot eindelijk moedeloosheid en muiterij de banden tusschen leger en veldheer losknoopen.”

„De hemel geve,” sprak de gravin half zuchtende, „dat het plan gelukke, dat zoo vele offers niet vruchteloos zijn mogen!”

„Wat zal er worden opgeofferd,” hernam Ochalskoi, „dan eenige weinige dorpen en steden, die tegen de onmetelijke uitgestrektheid van ons rijk in het niet verdwijnen! En hun, die verliezen moeten, zal de genade des keizers rijkelijk vergoeding schenken.”

„Doch waar blijft Feodorowna?” vroeg Dolgorow, die reeds meermalen onrustig naar de deur gezien had. „Ga naar boven,” gebood hij den bediende, die aan de deur postvatte om op den eersten wenk des meesters bij de hand te zijn, „en zeg aan gravin Feodorowna, dat hare tegenwoordigheid ons hoogst aangenaam zal zijn.” De bediende ging en berichtte na eenige minuten, dat de gravin eenige meisjes uit het dorp bij zich had.

„Waarschijnlijk de gespelen harer jeugd,” zeide de moeder, „welke zij dadelijk heeft laten ontbieden.”

„Dan zullen wij nog een uur geduld moeten hebben,” sprak Dolgorow gemelijk. „Ga in allen gevalle zeggen, dat wij de gravin bij het avondeten wachten, en draag zorg, dat de tafel spoedig gereed zij. Want ik denk,” hiermede wendde hij zich tot de overigen, „dat gij allen even hongerig en vermoeid zijt als ik, die door de reis inderdaad een weinig overspannen ben.”

HOOFDSTUK II.

Op hare kamer gekomen, had Feodorowna dadelijk haar kamermeisje uitgezonden om eenige meisjes te roepen, die met haar in het slot als gespelen waren opgevoed. Het lot dezer arme kinderen scheen haar uiterst droevig, want nadat zij het geluk van eene betere betrekking en hoogere beschaving ten halve gesmaakt hadden, moesten zij in den nu eerst recht drukkenden stand der lijfeigenschap terugkeeren en de akelige woningen en ruwe bezigheden der behoeftige ouders tot de hare maken. Het waren drie dochters van landlieden, met wie zij de gelukkige, zorgelooze uren harer jeugd doorleefd had: Kathinka, Olga en Axinia. Alle drie waren van haren leeftijd; Kathinka en Olga, goede, schuldelooze wezens, doch door de bekrompene, slaafsche denkwijze, die den lijfeigenen door alle betrekkingen des levens wordt opgedrongen, bijna geheel verstompt. Zij ontvingen de bewijzen van liefde en de geschenken, haar door Feodorowna medegebracht, met eene deemoedige dankbaarheid, zonder den moed te hebben hare blijdschap te uiten. Axinia daarentegen toonde eene diepe innerlijke aandoening; zij was dankbaarder voor de liefde dan voor de gaven; echter drukten de tranen, die haar wangen bevochtigden, ook nog iets anders uit. Feodorowna, die met deelneming naar alles onderzoek deed, wat tot de omstandigheden harer drie voormalige gezellinnen betrekking had, trachtte ook de reden van Axinia's kommer uit te vorschen. Maar het schuwe meisje blikte beschaamd en blozend ter aarde, barstte in tranen uit, doch zweeg en zuchtte uit beklemde borst.

Juist op dit oogenblik trad de bediende binnen, die haar het verzoek van den graaf om bij het avondeten te verschijnen, overbracht.

„Men wacht misschien op mij?” vroeg Feodorowna.

„Zijne genade,” antwoordde de dienaar met eene diepe buiging, „heeft althans bevolen, ten spoedigste op te dragen.”

„Bericht mijnen vader, dat ik terstond zal komen.” De bediende verwijderde zich. „Ik moet u thans laten gaan,” sprak zij tot de meisjes, „maar morgen in de vroegte komt gij mij weer bezoeken. Zoolang ik hier blijf, hoop ik u ten minste elken dag ééns te zien.”

De meisjes gingen, slechts Axinia aarzelde en scheen nog iets op het hart te hebben. „Begeert gij nog iets, mijne lieve?” zeide Feodorowna, de besluiteloosheid van het meisje bespeurende, en nam haar vriendelijk bij de hand.

Axinia, in tranen stikkende, was niet in staat te antwoorden; zij sidderde merkbaar. „Wilt gij het mij alleen toevertrouwen?”—„Ja, ja!” riep de weenende.—„Nu, kom dan morgen zeer vroeg, of als gij durft, wacht mij hier op mijne kamer tot na het avondeten. Den ganschen nacht door blijft het licht en Kathinka zal uw vader wel waarschuwen, dat gij later te huis komt.”

Dankbaar kuste Axinia de hand harer weldoenster en smeekte te mogen blijven. Feodorowna vergunde haar zulks en snelde hierop naar beneden, om hare ouders niet te laten wachten. Toen zij in de zaal trad, werd de tafel reeds gedekt; de vader hoorde hare verontschuldiging wegens het lang vertoeven met somber stilzwijgen aan; Ochalskoi voegde haar eenige hoffelijke uitdrukkingen toe, op dien kouden toon, welke tot juister maatstaf van het gesprokene verstrekt, dan de woorden zelve. Men zette zich aan tafel; het gesprek was gedwongen en koel. Het knellend gevoel van innerlijke tweespalt, dat de aanwezigen drukte, belemmerde elke vrije en warme ontboezeming van het gevoel. Zelfs Gregorius was niet in staat de vertrouwelijke toenadering zijner kweekelinge zoo hartelijk te beantwoorden, als anders na lange afwezigheid het geval placht te zijn, want ook hem verontrustte de gedachte aan de mededeelingen, welke de vader hem gedaan had. Zoo was de maaltijd spoedig afgeloopen, en men groette elkander even koel als men bijeen had gezeten. Gregorius vertrok en nam een hartelijk afscheid van Feodorowna. Zijne medelijdende blikken ontroerden haar, want zij verstond die. O God! alles, wat hare ziel lijden moest, had zij aan die ouders te wijten, voor welke zij van hare jeugd af de vurigste liefde gekoesterd, wie zij duizend offers gebracht had! Om hare tranen te verbergen, trad zij aan een der vensters en vestigde het oog op de landstreek, die nog altijd in de roodachtige schemering van den avondhemel gloeide, daar de zon in deze noordelijke streken slechts een weinig onder den horizont daalt, zoodat avond- en morgenrood als inéénsmelten en den ganschen luwen Juninacht met een zacht schijnsel verlichten. De stroom wentelde zijne ruischende golven tusschen de steile heuveloevers voort; twee visschersbooten doorkliefden met regelmatige riemslagen zijne zwellende vlakte; een gier-arend met breed uitgespannen vlerken zweefde statig boven de woudkruinen van den anderen oever; de torens der vesting Smolensko rezen als zwarte basalt-rotsen uit de vuurzee van den avondhemel omhoog. Eene plechtige stilte heerschte over de gansche landouw. Feodorowna blikte weemoedig over de velden heen, waar zij de dagen harer kindsheid doorleefd had. „Ach,” zuchtte zij heimelijk, „is mijn hart dan een vreemde plant op dezen bodem? Heeft hij het niet gekweekt? Of hebben zachter zeden en warmer streken mij zóó ontaard, dat ik moet wegkwijnen in het ruwe noorden? De wieg mijner dagen lacht mij niet vroolijk meer toe als voorheen, maar schijnt mij zwart en donker, als moest zij mijn graf worden. Is dan niets waar en eeuwig in de natuur? Bedriegen zelfs de heiligste banden? Goedertieren God! vergeef mij; maar gelijk de plaats mijner geboorte mij vreemd is geworden, zoo is het mij ook, als de heilige bron mijns levens troebel wordt, alsof het hart van het kind niet meer warm en vrij voor de ouders kan slaan. Koud als eene slang bekruipt dat gevoel mijne borst! Zou het dan waar zijn, dat er nog slechts een _plicht_ der liefde voor mij bestaat, maar dat deze zelve geheel in mij is uitgedoofd? Neen, neen! Dat kan, dat mag niet zijn, het is slechts de eeuwige vijand, die mij verblindt. De natuur is heilig, waar, rechtvaardig, slechts ons hart ontaardt. Hemelsche Moeder Gods, louter het mijne, doe de oude, heilige liefde daarin weder ontbranden, die het schuldelooze kind zoo gelukkig deed zijn.”

Een groot, edel besluit was in dit oogenblik in hare ziel tot rijpheid gekomen; biddende, berouwvol, weenende wilde zij zich aan de voeten der moeder en des vaders werpen en van hunne liefde afsmeeken, wat zij zich tot hiertoe voorgenomen had door eigen standvastigheid te verkrijgen. Haastig wendde zij zich om; de zaal was ledig; slechts de bedienden waren nog bezig de tafel af te nemen. Hare ouders en vorst Ochalskoi hadden zich reeds onverschillig, zonder nachtgroet verwijderd. Hevig geschokt nu zij de vurige ontboezeming, de volle uitstorting van haar overkropt hart op zulk een grievende wijze verhinderd zag, kostte het Feodorowna moeite, hare uiterlijke bedaardheid te behouden. Eensklaps echter rees de zacht vertroostende gedachte bij haar op; er is immers ook eene ongelukkige, die verzachting van haar lijden van mij verwacht; ik wil haar vriendelijk aan dit hart drukken; wat haar kwelle of beangstige, bij mij zal zij die liefde vinden, waarnaar ik zelve zoo vruchteloos uitzie.—Met deze gedachte ging zij naar boven, om Axinia's klachten aan te hooren.

Toen zij hare kamer opende, zag zij het meisje voor een Mariabeeld geknield liggen, dat tegenover de deur in eene nis geplaatst was. Om haar niet te storen, bleef Feodorowna aan den ingang staan. Axinia knielde zoo, dat slechts een klein deel van haar gelaat zichtbaar was, dat echter door het zachte schijnsel, dat van ter zijde door de vensters inviel, tooverachtig verlicht werd. De sneeuwwitte armen had zij omhoog geheven en de handen gevouwen; het hoofd was naar de hemelsche beschermvrouw gekeerd. In twee sierlijke vlechten golfde het rijke, bruine haar over den nek naar beneden. Behoedzaam trok Feodorowna de deur achter zich toe en deed zachtkens eenige schreden voorwaarts, zoodat zij het gezicht van het meisje nu bijna geheel van ter zijde kon opnemen. Thans eerst bespeurde zij de koude, versteende tranen, die het arme kind op de bleeke wangen hingen, welke zelfs de heldere gloed van den avond die haar omgaf, niet vroolijk kleuren wilde. Haar boezem zwoegde onder bange, diepe zuchten, de lippen bewogen zich al fluisterend tot een gebed; het oog hing zoo strak en roerloos aan het gelaat der hemelsche moeder, hare ziel was zoo geheel van de buitenwereld afgetrokken, dat zij de komende nog niet bemerkt had, toen deze reeds naast haar stond. Eerst toen Feodorowna haar toefluisterde: „Axinia, gij bidt?” rees zij verschrikt op, stond sidderend voor de liefderijke meesteres en wilde zich deemoedig nederbuigen om hare hand te kussen.

„Neen, neen, dat niet,” sprak Feodorowna, nam haar vriendelijk in de armen en blikte haar met onbeschrijfelijke teederheid aan, „wees weder de oude vertrouwelijke vriendin. Stort uw gansche hart voor mij uit, mijn goed meisje, want ik zie, gij hebt diepen kommer!”

„Ach, gij zult mij verstooten, zult mij verachten,” snikte Axinia, rukte zich los en wrong wanhopig de handen.

„Axinia, wat deert u, spreek, verklaar u,” vroeg Feodorowna met angstvol vermoeden.

„Neen, neen, ik kan niet,” riep de ongelukkige en bedekte haar gloeiend gelaat met beide handen.

Wat waren er nog woorden noodig! Elke trek van het onder angst, schaamte en wanhoop bezwijkende meisje sprak te duidelijk. „Axinia, gij zijt gevallen! Gij?” sprak Feodorowna met smartelijke ontroering, doch zonder verwijt.

Het meisje zeeg, als bezwijmende, aan hare voeten neder.

„Vertreed de rampzalige in het stof,” riep zij woest en onstuimig; „ach, wees barmhartig en laat mij niet langer bidden!”

Feodorowna boog zich tot haar neder en trachtte haar op te richten. „O gij ongelukkige! Sta op, wees bedaard; gij hebt troost bij mij gezocht, ik zal u niet van mij stooten.”

„Neen, laat mij aan uwe voeten liggen!” riep Axinia en klemde zich, het gelaat in de plooien van haar kleed verbergende, aan Feodorowna's knieën vast.

Feodorowna legde hare beide handen als zegenend op het hoofd der knielende en sprak diep ontroerd: „God richt uwe schuld. Mijn hart, dat zelfs menschelijk dwaalt, zal u niet veroordeelen; ik wil met u weenen, wil uwe smart lenigen, als dit in mijn vermogen is. O, gij waart goed, Axinia, gij waart goed ook jegens mij. Gij hadt een zacht, gevoelig hart; het kan niet slecht geworden zijn. Ik wil u niet van mij stooten, daar ik weet, wat het hart der ongelukkige zoekt. Stel vertrouwen in mij, sta op, wees geheel openhartig; dat is de eerste schrede der berouwvolle afgedwaalde.”

Axinia hief het gelaat langzaam omhoog en zag naar Feodorowna op. „O, gij zijt zacht en goed, als eene heilige,” riep zij, terwijl heete tranen haar over de wangen rolden, bedekte de hulpvaardig uitgestrekte hand met kussen en liet zich door de liefderijke gebiedster oprichten, daar hare bevende knieën haar die dienst ontzeiden. Feodorowna leidde haar naar eene rustbank en zette zich bij haar neder.

Lang duurde het, eer de ontroering en schaamte Axinia vergunden, de bekentenis harer zwakheid af te leggen. De graaf had een jongen Duitscher, met name Paul, als tuinier in dienst, dien hij zeer begunstigde. Deze koesterde sinds lang eene vurige genegenheid voor de bevallige Axinia, schoon haar vader, Wasiliew, zich tegen beider verkeering verzette, daar de graaf afwezig en diens toestemming tot een huwelijk volstrekt noodzakelijk was. Zijn verblijf was toenmaals aan de bewoners der goederen geheel onbekend, daar hij sinds jaren reeds in de verst verwijderde landen van Europa rondreisde. Ook koesterde de oude bezwaren, wijl Paul de protestantsche godsdienst was toegedaan. Axinia intusschen was door de innigste liefde aan den jongeling verbonden, en onderhield met hem eene heimelijke, teedere betrekking. Toen nu de naderende lente alle levensgeesten met zoete krachten vervulde, kreeg ook in de jeugdige gemoederen de hartstocht op het strenge verbod der plichten de overhand. Paul, wiens duitsch hart zich niet met de slaafsche gezindheid der lijfeigenen vereenigen kon, geloofde bovendien het recht van den vrijen mensch te mogen uitoefenen en vertrouwde, dat, wanneer Axinia eens door de banden der liefde zijne vrouw was, zich ook de wetten naar zijn wil zouden voegen. Met koene onstuimigheid bestormde hij het zwakke, teedere meisje; haar wederstrevende wil werd zwakker en zwakker en gaf zich ten laatste krachteloos aan de zoete bedwelming van het hart over. Zijn gloeiende beden, zijne vurige kussen overwonnen hare tranen, hare bange zuchten; en te laat ontwaakte zij uit die smartelijk zalige verdooving, te laat ontdekte zij de adder, die onder de rozen schuifelde, waarop zij was ingesluimerd.

Met stommen doodsangst in de borst, hield zij zich nu in huis van haren vader verscholen en zag zelfs den geliefde niet weder. Jammervolle nachten volgden op treurige dagen. Zoo verliep er eene maand. Paul zwierf intusschen stom en radeloos om. Het bericht, dat de graaf terugkeerde, deed de hoop herleven. Den meester, die hem liefhad, wilde hij alles bekennen, van zijne gunst de geliefde afsmeeken. Onder de schaar der landlieden snelde hij hem met bange verwachtingen te gemoet. Daar was het eerste woord, dat hij uit den mond van zijn gebieder hoorde, de belofte, om zijne geliefde, Wasiliews dochter, aan den zoon des ouden Iwans tot vrouw te geven. Dat de graaf zulke besluiten, zulke toezeggingen niet terugnam, was hem maar al te goed bewust. In doodsangst ijlde hij naar Axinia, die, terwijl de overigen de aankomende heerschappen begroetten, stil en treurig te huis was gebleven, daar zij het niet wagen durfde, de anders zoo vurig beminde gebiedster onder de oogen te treden. Terwijl hij nog in stomme vertwijfeling bij het meisje vertoefde en met haar vruchteloos op raad en uitkomst zon, kwam Feodorowna's boodschap, die de oude speelnoot naar het kasteel riep. Door de kracht der liefde bemoedigd, door het gestadig nader komende onheil tot handelen gedreven, besloot Axinia aan hare meesteres alles te ontdekken, en door de zwakke schemering van hoop, aan dit besluit verbonden, opgebeurd, spoedde zij zich naar het slot.—Thans had zij het volvoerd en voor haar ongeluk vertroostende deelneming, voor hare afdwaling liefderijke vergiffenis gevonden.